Part 29
Intusschen stond de groote uitvinder heel kalm op zijn toren en trok zijn vleugels aan, terwijl daar beneden de menschenmassa te voorschijn golfde uit de nauwe straten van het oude Karlstad.
De dienstmeisjes lieten de kokende spijs in de pan staan en liepen weg van 't rijzende deeg. De oude vrouwtjes lieten de breikous vallen, zetten den bril op en liepen de straat op. De raadsheeren en de burgemeester stonden van de rechtbank op. De rector gooide de grammatica in een hoek, de schooljongens liepen uit de school zonder verlof te vragen. De geheele stad liep uit naar de Westerbrug.
Spoedig was de heele brug zwart van menschen. De markt stond volgepakt en de oevers van de beek tot het huis van den bisschop toe, wemelden van menschen. Er was nog grooter gedrang dan op de jaarmarkt, er waren nog meer toeschouwers dan toen koning Gustaaf III door de stad kwam rijden, door acht paarden getrokken, en in zulk een woeste vaart, dat de wagen op twee wielen stond bij 't zwenken.
Eindelijk had Kevenhüller zijn vleugels aan en zette af. Hij deed een paar slagen en was toen in de vrije lucht. Hij dreef in de wolkenzee hoog boven de aarde.
Hij ademde met volle teugen de frissche lucht in. Die was zoo krachtig en zuiver daar boven. Zijn borst zette zich uit, en 't oude ridderbloed begon in hem te koken. Hij daalde neer als een duif, zweefde hoog in de lucht als een havik, zijn vleugels waren vlug als die van een zwaluw, hij stuurde zijn vlucht met de zekerheid van een valk. En hij zag neer op die menschenmassa's daar beneden, die aan de aarde gekluisterd waren, terwijl hij daar ronddreef in de wolkenzee. Ach, kon hij toch voor ieder van hen maar een paar vleugels maken! Kon hij toch iedereen maar de macht geven zich zoo hoog in de frissche lucht te verheffen. Hoe anders zouden ze dan worden! De herinnering aan de ellende van zijn leven verliet hem zelfs niet in dit oogenblik van triomf. Hij kon niet alleen genieten. Ach, die boschvrouw! Kon hij ze maar vinden!
Zijn oogen waren bijna verblind door den sterken zonneschijn. Toen zag hij hoe daar iets op hem aan kwam vliegen. Groote vleugels, juist als de zijne zag hij bewegen en daar tusschen in een menschelijk lichaam. Geel haar fladderde in den wind, groene zijde golfde achter haar en wilde oogen schitterden. Daar was zij!
Daar was ze!
Kevenhüller bedacht zich niet. Met wilde vaart stoof hij op de wonderbare toe om haar te kussen.... of te slaan.... Hij wist het zelf niet.--Maar in ieder geval om haar te dwingen den vloek van zijn bestaan op te heffen. In die wilde vaart verloor hij zijn bezinning. Hij merkte niet waar hij heenvloog, hij zag niets dan de wilde oogen en het vliegend haar. Hij kwam dicht bij haar en strekte de armen uit om haar te grijpen.... Toen verwarden zijn vleugels zich in de hare en de hare waren sterker. Zijn vleugels werden tegengehouden en gebroken. Hij zelf werd een paar maal in 't rond geslingerd, hij wist niet waarheen.
Toen hij weer tot bewustheid kwam, lag hij op 't dak van zijn eigen toren met de verbrijzelde vliegmachine naast zich. Hij was recht op zijn eigen molen afgevlogen. De wieken hadden hem gegrepen, hem een paar keer rondgedraaid en hem toen op 't torendak geworpen.
Zoo was dus dit spel voorbij!
Kevenhüller was op nieuw wanhopend. Eerlijk werk verveelde hem en tooverkunsten durfde hij niet meer te probeeren. Maakte hij op nieuw een wonderwerk en brak dat weer--dan zou zijn hart ook van droefheid breken. En al brak het niet, dan zou de gedachte dat hij er niemand meê van nut kon zijn, hem nog krankzinnig maken.
Hij zocht zijn ransel en knuppel weer op, liet zijn molen staan en besloot de boschvrouw op te gaan zoeken.
Hij nam een paard en wagen, want hij was niet meer zoo jong en vlug ter been. En men zegt dat hij, als hij aan een bosch kwam uit zijn wagen ging en de groengekleede uit 't kreupelhout riep:
"Boschvrouw! Boschvrouw! Ik ben het, Kevenhüller, kom dan toch."
Maar ze kwam niet.
Op deze reizen kwam hij ook naar Ekeby een paar jaar vóór dat de Majoorske verdreven werd. Hij werd er vriendelijk ontvangen en hij bleef er. En de schare in de kavaliersvleugel werd verrijkt met een lange, krachtige ridderfiguur, een flink man, die zich bij drinkgelagen en op de jacht niet onbetuigd liet. De herinneringen uit zijn kinderjaren kwamen weer boven: hij stond toe dat men hem "Graaf" noemde, en hij kreeg meer en meer het uiterlijk van een ouden roofridder, met zijn grooten arendsneus, zijn zware wenkbrauwen, zijn vollen baard, die spits onder de kin uitliep en de op zijde uitstaande snor.
Hij werd een der kavaliers en was niet beter dan een van de anderen in de schaar, die volgens 't volksgeloof, door de Majoorske voor den Booze in gereedheid gebracht werd. Zijn haar werd grijs en zijn hersens sliepen. Zoo oud was hij, dat hij niet meer aan de heldendaden van zijn jeugd kon gelooven. Hij was niet de man met de wonderkrachten. Hij had nooit de van zelf rijdende wagen en de vliegmachine gemaakt. Ach neen! praatjes! allemaal praatjes.
Maar toen gebeurde het, dat de Majoorske van Ekeby verdreven werd en de kavaliers heeren en meesters werden van het groote landgoed. Toen begon daar een leven zooals nooit te voren! Er ging een storm over het land; al het kwade kwam in beweging; al het goede beefde, de menschen streden op aarde en de geesten in den hemel. Wolven kwamen van 't Dovrefjeld met heksen op den rug, de natuurmachten braken los en de boschvrouw kwam naar Ekeby.
De kavaliers kenden haar niet. Zij meenden, dat het een arme vrouw in nood was die een wreede schoonmoeder tot vertwijfeling had gebracht. En zij gaven haar bescherming, ze eerden haar als een koningin en hadden haar lief als een kind.
Alleen Kevenhüller zag wie ze was. In het begin was hij ook verblind, zooals alle anderen. Maar op een dag had ze een kleed van groene zijde aan, met weerschijn en toen ze dat aanhad, herkende Kevenhüller haar.
Daar zat ze op zijden kussens, op de beste sofa van Ekeby, en al die oude heeren stelden zich aan als dwazen door haar te bedienen. De een was haar kok, de ander haar kamerheer, een derde haar voorlezer, een vierde haar hofmuzikant, een vijfde haar schoenmaker. Ieder deed het zijne in haar dienst.
't Moest verbeelden dat zij ziek was, die booze heks! Maar Kevenhüller wist wel wat er van die ziekte aan was. Ze hield hen allen voor den gek, dat deed ze!
Hij waarschuwde de kavaliers voor haar: "Zie toch naar haar kleine, scherpe tanden," zei hij, "naar haar wilde, schitterende oogen. Zij is de boschvrouw--al het booze komt los in dezen verschrikkelijken tijd. Ik zeg jelui, ze is de boschvrouw en komt hier om ons in 't verderf te storten. Ik heb haar meer gezien!"
Maar nu Kevenhüller de boschvrouw gezien en herkend had, kwam de werklust weer over hem. 't Begon weer te branden en te koken in zijn hersens, zijn vingers tintelden van verlangen hamer en vijl te grijpen, hij kon zich niet beheerschen. Met een verbitterd hart trok hij het werkpak weer aan en sloot zich in de oude smidse op, die zijn werkplaats zou zijn.
En van Ekeby ging er een roep uit over Wermeland: "Kevenhüller is weer aan 't werk gegaan."
En ademloos luisterde men naar de hamerslagen in de afgesloten werkplaats, naar het gekras van de vijlen en 't steunen van de blaasbalg.
Een nieuw wonderwerk zal ontstaan. Wat zal dat wel zijn? Zal hij ons nu leeren over 't water te loopen? of een ladder maken naar 't zevengesternte. Niets is onmogelijk voor dien man. Met eigen oogen hebben we hem op vleugels door de lucht zien zweven. Wij hebben zijn wagen door de straten zien gaan. Hij heeft de gave van de boschvrouw. Niets is onmogelijk voor hem.
Op een nacht, heel in 't begin van October had hij zijn wonderwerk klaar. Hij kwam uit zijn werkplaats en had het in zijn hand. Het was een wiel, dat onophoudelijk in 't rond ging. En de spaken straalden als vuur, en warmte en licht gingen van hen uit. Kevenhüller had een zon gemaakt. Toen hij die naar buiten bracht in den winternacht, werd het zóó licht dat de musschen begonnen te tjilpen en de wolken straalden van morgenrood.
Dat was een heerlijke uitvinding. Er zou geen kou en geen duisternis meer op aarde zijn. Hij duizelde als hij daaraan dacht. De zon zou blijven op- en ondergaan, maar als ze verdween, zouden duizenden van zijn vuurwielen over 't land vlammen en de lucht zou trillen van warmte als op een heeten zomerdag. Men zou den oogst binnenhalen onder den winterlijken sterrenhemel, aardbeien en boschbessen zouden 't geheele jaar door den grond in 't bosch bekleeden, nooit zou 't water tot ijs verstijven.
Nu die uitvinding gedaan was zou de geheele aarde vernieuwd worden. Zijn vuurwiel zou de pels der armen, de zon der mijnwerkers zijn. Het zou aan de fabrikanten drijfkracht, aan de natuur leven en aan de menschen een rijk en gelukkig bestaan geven.
Maar op 't zelfde oogenblik wist hij dat dit maar droomen waren, en dat de boschvrouw hem nooit zou toestaan zijn vuurwiel te vermenigvuldigen. En in zijn woede en wraakzucht wenschte hij haar te dooden en hij wist nauwelijks wat hij deed. Hij ging naar het hoofdgebouw en in de vestibule; dicht onder de trap zette hij zijn vuurwiel neer, hij hoopte dat het huis in brand zou raken en de heks verbranden.
Toen ging hij weer in zijn werkplaats en bleef daar stil zitten luisteren.
Op de plaats riep en schreeuwde men. Nu was het te hooren, dat er een heldendaad was verricht.
Ja! spring en schreeuw en jammer maar! Nu verbrandt ze toch, die boschvrouw, die jelui op zijden kussens hebt gezet.
Zou zij nu de handen wringen van angst? zou ze nu voor de vlammen vluchten van de eene kamer in de andere?
Wat zal die groene zij mooi branden en hoe zullen de vlammen spelen met heur golvend haar; houd moed knetterende vlammen! steek haar aan, verbrand, verniel haar! Laat de heks verbranden. Vrees niet voor haar tooverspreuken. Er zijn er wel, die levenslang branden voor haar schuld!
Klokken luiden, wagens ratelen, spuiten komen te voorschijn, water wordt uit het meer aangedragen, van uit alle dorpen stroomen de menschen toe. Men hoorde geschreeuw, gejammer en luide bevelen; nu stortte het dak in met verschrikkelijk gekraak en in een zee van vonken. Maar Kevenhüller stoorde er zich niet aan. Hij zat op zijn aanbeeld en wreef de handen. Daar hoorde hij een geraas alsof de hemel instortte en jubelend vloog hij op. "Nu is het gebeurd," juichte hij. "Nu kan ze niet ontkomen, nu is ze verbrijzeld onder de balken of door de vlammen verkoold. Nu is 't gedaan!"
Toen dacht hij aan de eer en macht van Ekeby, die moest opgeofferd worden om haar te vernietigen. Die heerlijke zalen, waar zooveel vreugde gewoond had, de kamers, waar de schoonste herinneringen fluisterden, de tafel, die eens zooveel smakelijke gerechten droeg, de kostbare oude meubels, het zilver en porselein, dat niet meer terug te krijgen was!
En met een kreet sprong hij op. Zijn vuurwiel! zijn zon! 't model waar alles van afhing!----Had hij 't niet onder de trap gezet om 't huis aan te steken?
Kevenhüller zag voor zich uit, versteend van schrik.
"Ben ik dan krankzinnig?" zei hij. "Hoe kon ik dat toch doen!"
Op 't zelfde oogenblik ging de goed gegrendelde deur van zijn werkplaats open en de boschvrouw trad binnen.
Ze stond op den drempel, glimlachend en stralend van schoonheid. Haar groen kleed had vlek noch rimpel. Geen brandlucht was aan haar golvend haar. Ze zag er uit, als toen hij haar op de markt te Karlstad in zijn jeugd gezien had. De staart sleepte om haar voeten en zij had al de wildheid en geuren van 't woud over zich.
"Nu staat Ekeby in brand," riep ze lachend.
Kevenhüller had den hamer opgeheven en wilde die naar haar hoofd werpen, maar toen zag hij dat zij zijn vuurwiel in de hand had.
"Zie eens, wat ik voor je gered heb," zei ze. Kevenhüller wierp zich voor haar op de knieën. "U hebt mijn wagen gebroken, mijn vleugels verbrijzeld, mijn leven verwoest! Genade! Erbarming!"
Zij sprong op de schaafbank en ging daar zitten, even jong en even schalks, als toen hij haar op de markt te Karlstad zag.
"Ik geloof, dat je weet wie ik ben," zei ze.
"Ik ken u, ik heb u altijd gekend," antwoordde de arme man. "U is het genie! Maar laat mij nu vrij. Neem uw gave van mij weg. Neem mij mijn wonderkracht af! Laat mij een gewoon mensch zijn! Waarom vervolgt u mij. Waarom vernietigt u mij!"
"Dwaas," zei de boschvrouw. "Ik heb niet anders dan goed bedoeld. Ik gaf je een groot geschenk, maar ik kan het wel terugnemen als je dat wilt. Maar bedenk je wel! Je zult er berouw van hebben!"
"Neen, neen, neem mij mijn wonderkracht af!" barstte hij uit.
"Eerst moet je dit vernielen," zei ze en wierp het vuurwiel voor hem op den grond.
Hij aarzelde niet. Hij zwaaide den hamer over de vuurzon, dat toch maar een leelijk tooverding was, nu het toch niet tot nut van duizenden dienen kon. De vonken vlogen door de kamer, scherven en vlammen dansten om hem heen en zoo lag daar zijn laatste meesterwerk in splinters.
"Ja, nu neem ik mijn geschenk terug," zei de boschvrouw.
Toen ze heenging bleef ze in de deur staan en de weerschijn van den brand daarbuiten was om haar heen. Hij zag haar na.
Schooner dan ooit te voren scheen zij hem toe. Niet meer boosaardig, maar fier en streng.
"Dwaas!" zei ze. "Heb ik je ooit verboden andren je werk te laten namaken? Wat wilde ik anders dan het genie vrij maken van handenarbeid!"
Toen verdween zij.
Kevenhüller was een paar dagen krankzinnig. Daarna werd hij weer een gewoon mensch.
Maar in zijn waanzin had hij Ekeby doen afbranden. Geen mensch was er toch bij gekwetst. Maar 't was een groot verdriet voor de kavaliers, dat het gastvrije thuis, waar ze zooveel goeds genoten hadden, zooveel schade moest lijden in hun tijd.
Ach, kinderen van later tijd! Hadden gij of ik de boschvrouw maar ontmoet op de markt van Karlstad! Meent ge dat ik niet door 't bosch geloopen heb en geroepen: "Boschvrouw, boschvrouw! Hier ben ik Kevenhüller, Kevenhüller!"
Maar wie ziet haar tegenwoordig nog? Wie klaagt er tegenwoordig over, dat hij te veel van haar gaven ontving?
XXXII.
DE MARKT VAN BROBY.
Den eersten Vrijdag in October begint de groote jaarmarkt in Broby, die acht dagen duurt. 't Is 't groote feest van den herfst. Die wordt voorafgegaan door de groote slacht en veel gebak in elk huis, de nieuwe winterkleeren worden gereed gemaakt om dan voor 't eerst gedragen te worden; feestgerechten, zooals gebraden gans en kaaspannekoeken staan den heelen dag op tafel; 't brandewijnrantsoen wordt verdubbeld; er wordt niet gewerkt. Er is feest op elke hoeve.
Bedienden en arbeiders krijgen hun loon uitbetaald en overleggen wat zij op de markt zullen koopen. Van verre komen menschen in kleine groepjes aanwandelen met den ransel op den rug en den staf in de hand. Velen drijven hun vee naar de markt. Kleine koppige jonge stieren en geitjes, die stil blijven staan en de voorpooten stijf voor zich uitzetten, bezorgen heel wat ergernis aan de eigenaars en heel wat pleizier aan de toeschouwers. De logeerkamers op de heerehoeven worden gevuld door lieve gasten. Nieuwtjes worden verteld, en prijzen van huishoudelijke artikelen besproken. Kinderen loopen te droomen van marktgeschenken en marktgeld.
En op den eersten marktdag. Welk een gewemel van menschen op de heuvels bij Bro, bij en over 't groote jaarmarktsveld! Kramen zijn opgericht, waar de koopman uit de steden zijn waren heeft uitgespreid, terwijl het volk uit het dal en uit West-Gothland hun goederen opstapelen op eindelooze rijen metalen platen, waarboven het zeildoek wappert. Koordendansers, orgeldraaiers en blinde vioolspelers zijn er genoeg, ook waarzeggers, suikergoedverkoopers en brandewijnschenkers. Om de kramen heen staan houten en steenen vaten op rijen.
Uien en mierikwortels, appels en peren, worden verkocht door de tuiniers van de groote hoeven.
Uitgestrekte vierkante plaatsen op de markt zijn ingenomen door roodbruine koperen pannen, met glimmend vertinsel.
Men kan toch wel op de markt merken, dat er nood geleden wordt op Svartsjö en Bro en Löfvik en de andre gemeenten aan 't Löfvenmeer. De handel gaat slecht bij de kramen en de platen. De meeste beweging is nog op de groote veemarkt, want menigeen moet zijn koe en zijn paard verkoopen om den winter door te komen. Daar heeft men ook den woesten, spannenden paardenhandel.
Vroolijk gaat het toe op de markt van Broby. Als men maar geld heeft voor een paar borrels, kan men den moed er nog wel in houden. En 't is niet alleen de brandewijn, die de menschen blij maakt. Zij, die uit hun eenzame huizen in 't bosch komen naar de markt met haar golvende menschenmassa, en die joelende, lachende schare hooren bruisen, worden als in een roes van vreugde, verwilderd door het onstuimige marktleven.
Wel wordt er veel handel gedreven onder al die menschen, maar dat is toch de hoofdzaak niet. 't Is er vooral veel om te doen veel vrienden en verwanten mee naar de karren te krijgen, en ze op schapenworst, spritsen en brandewijn te tracteeren, of "het" meisje over te halen een gezangboek en een zijden zakdoek aan te nemen, of naar marktcadeautjes te zoeken voor de kleintjes thuis.
Alle menschen, die niet thuis moesten blijven om op hun huis en hof te passen, zijn naar de markt te Broby gekomen. Daar zijn de kavaliers van Ekeby en de boeren uit 't bosch van Nygaard, de paardenkoopers uit Noorwegen, de Finnen uit de noordelijke bosschen, de landloopers van den grooten weg.
Nu en dan ontstaat er in die golvende zee een maalstroom, die zich in steeds enger wordenden kring om een middelpunt beweegt. Niemand weet, wat er daar te doen is, vóór een paar politie-agenten zich door de menschenmassa heenwerken, om een eind aan een gevecht te maken of een omgevallen kar op te rapen. En 't volgend oogenblik is er een nieuwe oploop om een koopman, die een woordenstrijd met een welbespraakt meisje heeft.
En dan--tegen den middag begint het groote gevecht. De boeren hebben uitgemaakt, dat de Westgothlanders een te korte el gebruiken en eerst ontstaat er getwist en geschreeuw op hun platen; later gaat men tot gewelddadigheden over. Ieder weet, dat voor velen, die in die dagen niets dan nood en ellende zagen, het juist een genot was er op los te slaan, op iets of iemand; het deed er niet toe wat of wie ze troffen. En, zoodra de sterken en strijdlustigen zien, dat er een gevecht aan de hand is, stroomen ze toe van alle kanten. De kavaliers maken zich juist gereed om door de menigte te dringen en op hun manier vrede te stichten, en de Dalecarliërs snellen toe om de Westgothlanders te helpen.
Sterke Mons van Fors is de ijverigste in dit spel. Dronken is hij en boos ook. Nu heeft hij een Westgothlander op den grond gegooid en begint op hem los te slaan, maar op zijn noodgeschrei komen zijn landslieden op de vechtenden aan en willen sterke Mons dwingen hun kameraad los te laten. Maar daar gooit sterke Mons de pakken goed van de metalen plaat, die 't dichtst bij hem ligt, en grijpt dat zware stuk, dat een el breed en acht el lang is, met dikke planken bekleed en hij zwaait dit geweldige wapen.
Hij is een vreeslijk man, die sterke Mons. Hij heeft een muur doorgetrapt in 't cachot te Filipstad, hij heeft een boot uit het meer gelicht en die op zijn schouders naar huis gedragen. En nu hij met die zware plaat om zich heen sloeg, kunt ge wel begrijpen, dat de heele volkshoop, de Westgothlanders incluis, op den loop ging. Maar sterke Mons vliegt ze achterna, en slaat met de zware plaat links en rechts. Voor hem zijn er geen vrienden en vijanden meer: hij wil maar iemand slaan, nu hij eenmaal zoo'n best wapen heeft.
De menschen vluchten in doodsangst voor hem uit. Mannen en vrouwen schreeuwen en springen. Maar hoe kunnen vrouwen met hun kind aan de hand wegkomen? De kramen en de karren staan haar in den weg. Ossen en koeien, die wild worden door 't geraas verhinderen hen voort te komen.
In een hoek tusschen de kramen is een groep vrouwen vastgeraakt, en op haar stormt de reus af.
Want ziet hij niet midden in de schare een Westgothlander? Hij heft de plaat op en laat hem vallen. Doodsbleek en bevend van angst wachten de vrouwen den aanval af en krimpen ineen onder den doodelijken slag.
Maar toen de plaat gonzend op haar neervalt, wordt zijn kracht gebroken door de hoog opgeheven armen van een man.
Een man is niet ineengekrompen, maar verhief zich hoog boven de omstanders; een man heeft uit vrijen wil den slag ontvangen om al die anderen te redden. Vrouwen en kindren staan daar ongedeerd. Een man heeft de kracht van dien slag gebroken. Maar nu ligt hij ook bewusteloos op het veld.
Sterke Mons licht zijn plaat niet op om verder te stormen. Hij heeft den blik van dien man ontmoet, juist toen de plaat hem op den schedel viel en die heeft hem als met lamheid geslagen. Hij laat zich zonder tegenstand binden en wegvoeren.
Maar in vliegende vaart gaat het gerucht over de markt, dat sterke Mons kapitein Lennart heeft doodgeslagen. Men zegt dat hij, de vriend van het volk, gestorven is om vrouwen en weerlooze kinderen te redden.
En 't wordt stil op dat groote veld, waar nog pas 't leven bruiste in al zijn wildheid. De handel en de gevechten houden op; het trakteeren bij de knapzak is uit. Vergeefs lokt de koordedanser 't volk bij zijn lijn.
De vriend van het volk is dood. Er is rouw over 't volk gekomen. Zwijgend dringen allen zich voort naar de plaats waar hij ligt. Hij ligt uitgestrekt op het veld,--volkomen bewusteloos. Een wond ziet men niet, maar 't is alsof zijn schedel iets platter geworden is.
Een paar mannen lichten hem voorzichtig op en leggen hem op de plaat, die de reus heeft laten vallen. Zij meenen te merken, dat hij nog leeft.
"Waar zullen wij hem heendragen?" vragen zij elkaar.
"Naar huis," antwoordde een barsche stem uit de schare.
O ja, goede mannen, draag hem naar huis! Licht hem op Uw schouders en draag hem naar huis. Hij is Gods speelbal geweest, hij is als een veer door Zijn adem voortgeblazen! Draag hem nu naar huis.
't Gewonde hoofd heeft op de harde brits in de gevangenis gerust, op den stroobos in de schuur. Laat hem nu thuiskomen en op een zacht kussen rusten. Hij heeft onschuldig schande en smart geleden; hij is verjaagd uit zijn eigen huis. Een zwervende vluchteling is hij geweest; Gods wegen is hij gegaan, waar hij ze vinden kon; maar 't land van zijn heimwee was dat tehuis, waarvan Gods hand de deur voor hem gesloten had. Misschien staat dat huis nu open voor hem, die stierf om vrouwen en kinderen te redden.
Nu komt hij niet als een misdadiger, door zwaaiende drinkebroers begeleid. Nu volgt hem een volk in rouw! in wiens hutten hij woonde, wiens zieken en lijdenden hij geholpen heeft. Draag hem nu naar huis.
En dat doen ze! Zes mannen lichten de plaat op waarop hij ligt, leggen die op hun schouders, en dragen hem over het marktveld. Waar zij gaan, wijken de menschen eerbiedig op zij en blijven staan. De mannen ontblooten 't hoofd, de vrouwen buigen 't hunne zooals ze in de kerk doen als Gods naam wordt genoemd.
Velen schreien; anderen spreken er over hoe goed hij was, hoe vroolijk, hoe handig in 't helpen en raden, hoe vroom. En 't is merkwaardig om te zien, hoe, zoodra een van de dragers vermoeid wordt, een ander zacht bij hem komt en zijn schouders onder de plaat zet.
Zoo komt kapitein Lennart ook voorbij de plaats waar de kavaliers staan.
"Wij moeten maar meêgaan en toezien, dat hij goed thuiskomt," zegt Beerencreutz en verlaat zijn plaats aan den kant van den weg om meê naar Helgesaeter te gaan. Zijn voorbeeld wordt door velen gevolgd.
't Marktveld is als uitgestorven. 't Volk gaat met kapitein Lennart naar Helgesaeter. Men moest immers toezien of hij goed thuiskwam. Al die noodige dingen, die gekocht moesten worden moeten maar wachten, de marktgeschenken voor de kleintjes thuis worden vergeten, 't psalmboek wordt niet gekocht, de zijden doeken blijven liggen op de toonbank van den koopman.
Allen moeten meegaan en zien of kapitein Lennart goed thuiskomt.