Gösta Berling

Part 28

Chapter 284,210 wordsPublic domain

Hier vloeit de brandewijn in stroomen. Hier ligt het goud in de kelder-gewelven opgestapeld. Hier is de voorraadschuur vol koren en vleesch. Waarom zullen de kinderen der rechtvaardigen honger lijden en de boosdoeners volop hebben?

Maar nu is hun tijd voorbij, de maat is vol, kavaliers! Leliën, die nooit gesponnen hebt, vogels, die nooit vergaderd hebt in de schuren, de maat is vol! In het woud ligt zij, die u oordeelt; wij zijn haar boden. Het zijn geen rechters, die uw vonnis vellen. Zij, die in het woud ligt, heeft u geoordeeld.

De kavaliers staan in het hoofdgebouw en zien het volk komen. Zij weten al, waarvoor zij aangeklaagd worden. Voor deze éene keer zijn zij onschuldig. Als het arme meisje naar het bosch gegaan is om te sterven, dan is dat niet omdat zij de honden op haar afgejaagd hebben--dat hebben zij nooit gedaan,--maar omdat Gösta Berling voor acht dagen met gravin Elisabeth getrouwd is.

Maar wat baat het met deze razende menschen te spreken? Zij zijn moe, zij zijn hongerig; de wraak hitst hen op; de roofzucht verlokt hen. Zij komen aanrennen met woest geschreeuw, en voor hen uit rijdt de arbeider, die van den schrik waanzinnig is geworden: "de beren komen, de wolven komen, de heksen komen en nemen Ekeby in.

De kavaliers hebben de jonge gravin verborgen in 't binnenste kamertje. Löwenborg en oom Eberhard zullen daar zitten en op haar passen; de anderen gaan de schare te gemoet. Zij staan op de stoep voor het hoofdgebouw, ongewapend en glimlachende, als de eerste schreeuwende bende aankomt.

En het volk blijft staan voor die kleine schaar rustige mannen. Er zijn er wel, die in hun gloeiende verbittering ze graag op den grond geworpen en met hun met ijzer beslagen hielen vertrapt hadden, zooals het volk van de ijzermijn te Sund met den chef en den inspecteur vóor vijftig jaar gedaan hebben; maar zij hadden gesloten deuren verwacht, opgeheven wapens, weerstand en gevecht.

"Beste vrienden," zeggen de kavaliers, "besten vrienden, jullie zijn moe en hongerig, laat ons je wat te eten geven en proeft eerst van Ekeby's eigengemaakten brandewijn."

De menigte wil er niet van hooren. Zij huilt en dreigt. Maar de kavaliers worden niet boos.

"Wacht maar," antwoorden ze, "wacht maar even. Zie, Ekeby is open. De kelderdeur, de provisiekamer, de melkkamer, alles is open. Jullie vrouwen vallen bijna om van vermoeienis; de kinderen schreien. Laat ons ze eerst eten geven. Dan kun jelui ons laten doodslaan. Wij zullen niet wegloopen. Maar we hebben den zolder vol appelen. Laat ons even appels voor de kinderen halen."

Een uur later is het feest in vollen gang op Ekeby. Het grootste feest, dat de groote hoeve ooit heeft gezien, wordt in den herfstnacht, in 't schijnsel van de groote, heldere, volle maan, gevierd.

De stapels brandhout zijn aangestoken; over de heele hoeve vlammen groote vuren. Het volk zit in groepjes en geniet warmte en rust, terwijl alle goede gaven over hen uitgestort worden.

Kloeke mannen zijn in de schuur gegaan en hebben genomen wat noodig was. Kalven en schapen zijn geslacht, ook een paar grootere stukken vee. De dieren werden in stukken gehouwen en in een oogenblik gebraden. Deze honderden hongerige menschen verslinden de spijzen. Het eene dier na het andere wordt naar buiten gebracht en geslacht. Het schijnt alsof de heele schuur op één nacht geledigd zal worden.

Juist dien middag was het bakken voor den winter klaar gekomen. Nadat de jonge gravin op Ekeby was, waren de lieden weer aan 't werk gegaan. Het was alsof de jonge vrouw er geen oogenblik aan dacht, dat zij nu de vrouw van Gösta Berling was. Noch hij, noch zij spraken daar ooit over; maar daarentegen nam zij de plaats in van huisvrouw op Ekeby. Zij beproefde, zooals een goede en bekwame vrouw altijd doet, met vurigen ijver de wanorde en verkwisting tegen te gaan, die op de hoeve heerschten. En zij werd gehoorzaamd. De dienstboden voelden met een zeker welbehagen, dat er weer een huisvrouw boven hen stond.

Maar wat hielp dat nu, dat zij den keukenzolder met brood had laten vullen, dat zij had laten karnen en brouwen en kaas maken heel de lange Septembermaand, die zij daar geweest was? Wat hielp het?

Naar buiten, naar 't volk, met alles wat er is, opdat ze Ekeby niet verbranden en de kavaliers doodslaan. Naar buiten met brood en boter en kaas? Naar buiten met tonnen en vaten, met hammen van den zolder, met de brandewijnflesschen en appels!

Hoe kan al wat er op Ekeby is den toorn van de boeren verzachten! Zij mogen blij zijn, als zij ze daar vandaan krijgen, zonder dat er een of andere misdaad gebeurt.

Alles wat er gebeurt is toch ten slotte om harentwille--ter wille van de huisvrouw van Ekeby. De kavaliers zijn moedige en in de wapenen geoefende mannen. Zij zouden zich verdedigd hebben, als zij hun eigen zin gedaan hadden. Zij zouden liever die roofzuchtige scharen met een paar schoten hebben verjaagd, als zij er niet geweest was, zij, die zacht en goed was en voor het volk gesproken had.

Hoe later het in den nacht wordt, hoe zachter de schare gestemd wordt. De warmte en de rust en het eten en de brandewijn doen hun geweldige opgewondenheid bedaren. Zij beginnen te lachen en te schertsen; zij vieren het begrafenisfeest van het meisje uit Nygaard. Wee hem, die niet drinkt en schertst bij het begrafenisfeest; dat is in de eerste plaats noodig.

Kinderen vallen aan op de massa's vruchten, die hen gebracht worden. Arme dagloonerskinderen, die blauwbessen en boschbessen voor lekkernij aanzien, bijten nu in blanke glasappels, die in den mond smelten, langwerpige, zoete paradijsappels, geelachtige citroenappels, peren met roode wangen en pruimen van allerlei soort: gele, roode en blauwe. Ach, niets is te goed voor het volk, dat zijn macht durft te toonen.

Tegen middernacht is het, alsof de menigte aan naar huis gaan denkt. De kavaliers houden op spijzen en wijn te brengen, flesschen open te trekken en bier af te tappen. Zij slaken een zucht van verlichting, in het gevoel, dat het gevaar voorbij is.

Maar juist op dat oogenblik komt er een licht te voorschijn aan een venster in het hoofdgebouw. Allen, die het zien, schreeuwen luid. Het is een jonge vrouw, die 't licht draagt.

't Duurt maar een oogenblik; dan is ze weer weg; maar het volk meent, dat zij haar herkend hebben.

"Ze had dik, zwart haar en roode wangen!" roepen ze. "Ze is hier. Ze houden haar hier verborgen!"

"Ach, kavaliers! Heb jullie haar hier? Heb jullie ons kind, van wie God het verstand weggenomen heeft, hier op Ekeby? Goddeloozen, wat doe je met haar? Nu laat je ons in angst over haar de heele week lang, en we zoeken haar drie dagen! Weg met wijn en spijzen! Nu willen we haar hier buiten hebben. Later zul je wel zien wat we met jelui doen zullen."

De getemde wilde dieren huilen en brullen. Met woeste sprongen vallen ze op Ekeby aan.

Ze zijn vlug; maar de kavaliers zijn nog vlugger. Zij vliegen op en slaan de grendels voor de deur naar de vestibule. Maar wat kunnen zij uitrichten tegen de vooruitdringende schare? De eene deur na de andere wordt opengerukt. De kavaliers worden teruggedrongen; zij zijn ongewapend. Zij worden in de dichte menigte ingesloten, zoodat zij zich niet kunnen bewegen. Het volk wil naar binnen en het meisje van Nygaard zoeken.

Zij vinden haar in het binnenste kamertje.

Niemand heeft tijd om toe te zien of ze blond of donker is. Zij lichten haar op en dragen haar naar buiten. Ze moet niet bang zijn, zeggen ze. Ze wilden alleen maar de kavaliers te lijf. Zij zijn gekomen om haar te redden.

Maar als zij naar buiten stroomen uit het gebouw, komen zij een anderen stoet tegen.

Op de eenzame plek in het bosch rust nu niet meer het lijk van een vrouw, die van de hooge helling neerstortte en stierf door den val. Een kind heeft haar gevonden. Enkele zoekenden, die nog in het bosch waren achtergebleven, hebben haar opgenomen op hun schouders. Zie, daar komen zij.

Zij is schooner in den dood dan zij in het leven was. Schoon is zij, zooals zij daar ligt met haar lang, donker haar. Het is een prachtige gestalte, nu de eeuwige vrede op haar neergedaald is.

Op de schouders van de mannen wordt zij door de volksmenigte gedragen. Het wordt heel stil, waar ze voorbij gaat. Met gebogen hoofden huldigen allen de majesteit van den dood.

"Zij is pas gestorven," fluisteren de mannen. "Zij heeft zeker door 't bosch geloopen tot vandaag toe. Ze heeft zeker voor ons willen vluchten en is toen van de rots gestort."

Maar als dit het meisje van Nygaard is, wie is dan zij, die uit Ekeby naar buiten gedragen wordt?

De stoet uit het bosch ontmoet den stoet uit het huis. De vuren op de hoeve vlammen nog. Het volk kan de twee vrouwen zien en herkent ze. Die andere is immers de jonge gravin van Borg!

Maar wat beteekent dat? Zijn we nu een nieuwe misdaad op 't spoor? Waarom is de jonge gravin hier, op Ekeby? Waarom heeft men ons verteld, dat ze ver weg of dood was? In naam van de eeuwige rechtvaardigheid, zullen we nu de kavaliers niet aanvallen en ze tot pulver stampen onder onze, met ijzer beslagen hielen?

Daar hoort men een ver klinkende stem.

Gösta Berling is op de leuning van de stoep geklommen en spreekt:

"Luister naar mij, jullie ondieren! jullie duivels! Meen je, dat er geen geweren en kruit op Ekeby zijn, jullie dwazen? Meen je dat ik geen lust gehad heb jelui neer te schieten als dolle honden;--maar zij daar heeft voor jelui gesproken! O! als ik geweten had, dat je haar zoudt aanraken, dan was geen van jelui er levend afgekomen.

"Waarom kom jelui hier spektakel maken van avond, als roovers,--en dreigt ons met moord en brand? Wat heb ik met jelui krankzinnige meisjes te maken? Weet ik, waar ze heen loopen? Ik ben te vriendelijk voor haar geweest, dat is de zaak. Ik zou de honden op haar aangehitst hebben! 't Was beter voor ons beiden geweest, als ik het gedaan had--maar ik heb het niet gedaan. Ik heb nooit beloofd met haar te trouwen, dat heb ik nooit gedaan. Onthoud dat wel!

"Maar nu zeg ik jelui, dat je haar los zult laten, die je hier uit huis gesleept hebt. Laat haar los, zeg ik je, en dat de handen, die haar hebben aangeraakt, in 't eeuwige vuur mogen branden! Begrijp je niet, dat ze even ver boven jelui staat als de hemel boven de aarde is? Zij is even fijn als jelui grof zijn, even goed als jelui slecht zijn!

"Nu zal ik je zeggen wie ze is. Ten eerste is ze een engel uit den hemel; ten tweede is zij het, die met den graaf van Borg is getrouwd geweest. Maar haar schoonmoeder plaagde haar dag en nacht. Zij moest aan het meer staan en goed wasschen als een dienstmeid. Ze werd geslagen en gepijnigd, zoodat geen van jelui vrouwen het erger hebben kan. Ja 't scheelde niet veel of ze was in de beek gesprongen, want ze plaagden haar bijna dood. Ik zou wel eens willen weten wie van jelui, ellendige kerels, toen bij de hand geweest zijt om haar leven te redden. Niemand van jelui was er; maar wij, kavaliers, hebben het gedaan. Ja, wij hebben het gedaan.

"En toen later haar kind geboren werd op een boerderij, en de graaf haar groeten liet en zeggen: "wij trouwden in een vreemd land, wij deden 't niet volgens de wetten en 't gebruik; je bent mijn vrouw niet, ik ben je man niet, en je kind kan me niet schelen"--ja, toen de zaken zóo stonden, en ze niet hebben wou, dat haar kind als vaderloos in 't doopboek komen zou--toen zou jelui wel trotsch geweest zijn, als ze toen tegen een van jelui gezegd had: "kom hier en trouw met mij; ik moet een vader voor mijn kind hebben." Maar zij koos geen van jelui; zij nam Gösta Berling, den gekken predikant, die nooit meer Gods woord verkondigen mag. Ja, dat zeg ik jelui, boeren, zwaarder dingen heb ik nooit gedaan. Want ik was haar zóó weinig waard, dat ik haar niet in de oogen durfde zien; maar ik durfde ook niet weigeren, want zij was wanhopend.

"En nu mag jelui van ons, kavaliers, al het kwaad gelooven wat je maar wilt, maar haar daar hebben wij zooveel goed gedaan als we maar konden. En aan haar heb jelui te danken, dat we je niet allemaal hebben neergeschoten van nacht. En nu zeg ik jelui: laat haar los en gaat heen; anders geloof ik, dat de aarde zich openen zal, om je te verzwelgen. En als je van hier gaat, bidt dan God, dat Hij je vergeeft, dat je haar verschrikt en bedroefd hebt, haar, die zoo goed en onschuldig is. En maakt nu dat je weg komt. We hebben genoeg van jelui."

Lang vóordat hij uitgesproken had, hadden zij, die de jonge gravin naar buiten hadden gedragen, haar op éen der treden van de stoep neergezet, en nu kwam een groote boer kalm naar haar toe en reikte haar zijn groote hand.

"Nacht, mevrouw, ik dank u wel," zei hij; "wij meenen het goed met u."

Na hem kwam een ander en drukte haar voorzichtig de hand: "Nacht, mevrouw, dank u wel, wees u maar niet boos."

Gösta sprong naar beneden en kwam naast haar staan. Toen gaven ze ook hem de hand.

En zoo kwamen ze langzaam en kalm, de een na den ander, om hen goeden nacht te zeggen vóor ze heen gingen. Zij waren weer getemd; zij waren weer menschen zooals zij waren, toen zij dien morgen hun huis verlieten, eer honger en wraaklust hen tot wilde dieren gemaakt had.

Zij zagen de gravin vlak in 't gezicht, en Gösta merkte, dat het gezicht van al de onschuld en vroomheid, die zij zagen, tranen in veler oogen deden opwellen. Bij allen was een stille aanbidding van het edelste, wat zij gezien hadden: het waren menschen, die er zich over verheugden, dat éen van hen zoo'n groote liefde voor het goede had.

Allen konden ze haar de hand niet reiken. Er waren er zooveel, en de jonge vrouw was moe en zwak. Maar allen moesten zij haar toch zien, en dan konden ze Gösta de hand drukken. Hij kon wel velen, dat ze zijn arm schudden.

Gösta stond als in een droom. Op dien avond ging er een nieuwe liefde in zijn hart op.

"O, mijn volk," dacht hij, "o, mijn volk, hoe heb ik je lief!" Hij voelde, dat hij heel die schare liefhad, die daar voorttrok in de duisternis van den nacht, met het doode meisje vooraan gedragen in den stoel; al die menschen met hun grove kleeren en hun kwalijk riekende schoenen; al die menschen die in de grauwe huizen aan den boschkant woonden, die geen pen konden voeren en vaak ook niet konden lezen, die 's levens vollen rijkdom niet kenden, maar alleen het zwoegen voor het dagelijksch brood. Was het toch niet een kloek volk, een heerlijk volk? Waren ze niet moedig en volhardend, waren ze niet handig en ondernemend? Was de arme niet vaak goed voor den arme? Was niet op de meeste gezichten kracht en verstand te lezen? Was er niet een tintelende humor in hun gesprekken?

Hij had ze lief met een smartelijke, brandende teerheid, die hem de tranen in de oogen deed springen. Hij wist niet wat hij voor hen wilde doen, maar hij had ze lief, allen, met al hun gebreken en zwakheden. O, God! als eens de dag kwam, dat zij ook hem liefhadden!

Hij werd uit zijn droomerijen gewekt doordat zijn vrouw de hand op zijn arm legde. Het volk was weg. Ze stonden geheel alleen op de stoep.

"Ach, Gösta, Gösta, hoe kon je zoo doen!"

Zij hield de handen voor het gezicht en schreide.

"Het is waar wat ik gezegd heb!" barstte hij uit. "Ik heb het meisje van Nygaard nooit beloofd met haar te trouwen. Kom hier Vrijdagavond, heb ik gezegd, dan zal je wat grappigs zien. Dat was alles. Ik kan het niet helpen dat zij verliefd op mij was."

"Ach, dat meen ik niet. Maar hoe kon je toch zeggen, dat ik goed en rein was? Gösta, Gösta, weet je dan niet, dat ik je al liefhad, toen ik het nog niet mocht? Ik schaamde me voor die menschen. O, ik stierf bijna van schaamte!"

En zij barstte in snikken uit.

Hij stond haar aan te zien. "O, mijn lieveling," zei hij zacht. "Wat ben je gelukkig, omdat je zoo goed bent. Wat ben je gelukkig, omdat je zoo'n mooie ziel hebt."

XXXI.

KEVENHÜLLER.

In 1770 werd in Duitschland de later zoo geleerde en beroemde Kevenhüller geboren. Hij was de zoon van een burchtgraaf en zou hebben kunnen wonen in een groot kasteel en rijden aan de zijde van den keizer, als hij gewild had; maar hij had er geen lust in.

Hij zou molenwieken hebben willen vastmaken aan den hoogsten toren van den burcht, de ridderzaal tot een smederij inrichten en de vrouwenvertrekken tot horlogemakerswerkplaats. Hij zou het kasteel met snorrende wielen hebben willen vullen en met bewegende hefboomen. Maar daar dit niet aanging, zei hij al die weelde vaarwel en werd horlogemakersleerling. Hij leerde al wat er te leeren was van kamraderen, van veeren en slingers. Hij leerde zonnewijzers en sterrenwijzers maken, pendules met fluitende kanarievogeltjes en herders, die op den hoorn bliezen, klokkenspel, dat een heelen toren vulde met zijn wonderlijke machinerie en uurwerken zóo klein, dat ze in een medaillon gezet konden worden. Toen hij zijn getuigschrift als meester gekregen had, nam hij den ransel op den rug, den knuppel ter hand en ging van de eene plaats naar de andere om alles te bestudeeren, wat door rollen en raderen bewogen werd. Kevenhüller was geen gewoon horlogemaker, hij wilde een groot uitvinder en wereldhervormer worden.

Toen hij zooveel landen doorgezworven had, kwam hij ook naar Wermeland, om er molenwielen en mijnmachines te bestudeeren. Op een heerlijken zomermorgen gebeurde het, dat hij dwars over de markt te Karlstad ging. Maar op dienzelfden tijd had de boschvrouw goedgevonden haar wandeling tot in de stad uit te strekken. En Hare Hoogheid kwam in eigen persoon, dwars over de markt, maar van den anderen kant, en zoo kwam zij Kevenhüller tegen.

Dat was een ontmoeting voor een eenvoudig horlogemaker. Zij had schitterende groene oogen en licht, golvend haar, dat bijna op den grond hing, en zij was gekleed in groene zijde met weerschijn. Een heidin en een heks was ze, maar ze was schooner, dan al de christenvrouwen, die Kevenhüller ooit gezien had. Hij stond als betooverd en zag haar aan, terwijl zij naar hem toe kwam.

Zij kwam regelrecht uit het dichtste kreupelhout in het hart van 't bosch, waar de varens zoo hoog worden als boomen, waar de reusachtige dennen het zonlicht buiten sluiten, zoodat slechts hier en daar een zonnestraal als een lichtende droppel op het gele mos kan vallen, en waar de kamperfoelie over de bemoste steenen kruipt.

Ik had wel in Kevenhüllers plaats willen zijn. Ik had haar graag gezien, toen zij daar aankwam met varens en dennenaalden in 't ruige haar en een kleine zwarte adder om den hals, met de veerkrachtige stap van een wild dier, omringd van den frisschen geur van harst en aardbeien, van kamperfoelie en mos.

Wat zullen de menschen haar toch aangekeken hebben, toen ze daar over de markt te Karlstad liep. De paarden zullen wel verschrikt geworden zijn door den glans van haar lang haar, dat door den morgenwind opwoei. De straatjongens liepen haar zeker achterna. De knechts lieten hun werktuigen vallen om haar aan te gapen. De vrouwen gilden en stormden naar den bisschop en het domkapittel om het monster de stad uit te doen zetten.

Zelf ging ze rustig en majestueus voort en glimlachte over al dit alarm, zoodat Kevenhüller haar kleine roofdier-tandjes achter de roode lippen zag glinsteren.

Zij had een mantel om den rug hangen, opdat niemand aan haar hollen rug zou merken wie zij was; maar 't ongeluk wilde, dat ze vergeten had haar staart te verbergen. Die sleepte haar na over de straat.

Kevenhüller zag de staart; maar het speet hem, dat hare hoogheid zoo ten spot voor de stadbewoners zou zijn, en hij boog voor de schoone en zeide eerbiedig: "Zou Uwe Hoogheid haar sleep niet willen opnemen."

De boschvrouw werd getroffen; niet minder door zijn vriendelijkheid, dan door zijn hoffelijkheid. Zij bleef vlak voor hem staan en zag hem aan, zoodat het hem was, alsof er vonken uit haar oogen in zijn hersens sprongen.

"Let goed op, Kevenhüller," zeide zij, "van nu af aan zult ge met uw twee handen elk kunstwerk kunnen maken wat ge wilt; maar niet meer dan één van elke soort."

Dat zei ze, en ze kon haar woord houden. Want wie weet niet, dat de in 't groen gekleede uit 't kreupelhout in 't bosch, macht heeft bekwaamheid en wonderbare krachten te schenken aan hen, die haar gunst weten te winnen!

Kevenhüller bleef in Karlstad en huurde daar een werkplaats. Hij hamerde en werkte dag en nacht. In acht dagen had hij een wonderwerk klaar. 't Was een wagen, die van zelf reed. Die ging den heuvel op en af, kon gestuurd en gekeerd worden, ging snel of langzaam, stond stil of ging voort al naar men wilde. Een prachtige wagen was het.

Nu werd Kevenhüller een beroemd man en kreeg vrienden door de heele stad. Hij was zoo trotsch op zijn wagen, dat hij naar Stockholm reed om hem aan den koning te laten zien. Hij hoefde nergens op nieuwe paarden te wachten of met de knechts aan stations te kibbelen. Hij hoefde geen sneeuwhoen op te jagen of te slapen op de bank in de herberg. Hij reed fier in zijn eigen wagen en deed de reis in een paar uur.

Hij reed regelrecht naar het paleis. En de koning kwam met de hofdames naar buiten en zag hem rijden. Zij konden hem niet genoeg prijzen.

Toen zeide de koning: "Dien wagen moogt ge mij wel geven, Kevenhüller."

En hoewel hij weigerde, hield de koning vol en wilde den wagen hebben.

Toen zag Kevenhüller, dat in 't gevolg van den koning een hofdame stond met licht haar en in 't groen gekleed. Hij herkende haar wel en begreep, dat zij het was, die den koning geraden had om zijn wagen te vragen. Maar hij werd wanhopend. Hij kon niet verdragen dat een ander zijn wagen zou bezitten, en hij durfde toch den koning zijn dringend verzoek niet weigeren. Daarom reed hij met zulk een vaart tegen den slotmuur, dat de wagen in duizend stukken sprong.

Toen hij weer in Karlstad teruggekomen was, probeerde hij een nieuwen wagen te maken, maar hij kon het niet.

Toen werd hij verschrikt door de gave, die de boschvrouw hem had geschonken.

Hij had het luie leven op 't kasteel van zijn vader verlaten om een weldoener voor velen te worden, niet om tooverdingen te maken, die maar één mensch gebruiken kon. Wat baatte het hem een groot meester te worden, ja de grootste van allen, als hij zijn wonderwerk niet vermenigvuldigen kon, zoodat het duizenden ten goede kwam. En de geleerde, algemeen ontwikkelde man verlangde zóó naar kalm, verstandig werk, dat hij steenhouwer en metselaar werd.

Toen bouwde hij den grooten toren bij de Westerbrug, naar het model van den hoofdtoren van zijn vaders ridderslot, en zijn bedoeling was ook woonhuizen, portalen, binnenplaatsen, wallen en een hangenden toren te bouwen, zoodat een heele ridderburcht zou verrijzen aan den oever van den Klarelv.

En daar zou hij den droom zijner kinderjaren tot werkelijkheid maken.

Alles wat industrie en handenarbeid was, zou zijn plaats vinden in de zalen van zijn slot. Witte molenaarsjongens en zwarte smeden, horlogemakers met groene schermen voor de vermoeide oogen, verwers met donkre handen, wevers, draaiers, vijlers, allen zouden ze hun werkplaats hebben in zijn kasteel.

En alles ging goed. Van de steenen, die hij zelf gehouwen had, bouwde hij met eigen handen zijn toren. Hij maakte er molenwieken aan vast--want de toren zou een molen worden en nu zou hij aan de smidse beginnen.

Zoo stond hij er op een dag naar te kijken, hoe de lichte sterke wieken door den wind werden bewogen. En toen kwam zijn oude kwaal weer over hem.

Het was hem alsof de groen gekleede hem weer aanzag met haar vonkelende oogen, tot zijn hersens opnieuw ontvlamden. Hij sloot zich op in zijn werkplaats, at niet en sliep niet, maar werkte zonder ophouden. En zoo maakte hij in acht dagen een nieuw wonderding.

Op een dag steeg hij op zijn toren en begon vleugels aan zijn schouders vast te maken.

Twee straatjongens en een gymnasiast, die op de brug zaten en kattekwaad bedachten, zagen hem en zij gaven een gil, die door de heele stad klonk. Ze vlogen weg en draafden de straten op en neer, bonsden op alle deuren en riepen: "Kevenhüller gaat vliegen, Kevenhüller gaat vliegen!"