Gösta Berling

Part 24

Chapter 244,236 wordsPublic domain

Ze had bitter lijden beleefd. Haar ziel was ziek geweest, ze was ter aarde gebogen door diepe vernedering. Want toen ze weer thuis gekomen was, had ze in zich zelf gezegd: "ik wil me niets kwaads van mijn vader herinneren"

Maar haar hart sprak anders. "Hij heeft mij het bitterst leed aangedaan," zeide het, "hij heeft mij gescheiden van hem dien ik liefheb, hij heeft me tot vertwijfeling gebracht toen hij moeder sloeg. Ik wensch hem niets kwaads; maar ik ben bang voor hem."

En ze merkte, dat zij zich moest dwingen om stil te blijven zitten, als haar vader zich naast haar zette; ze had lust van hem weg te loopen. Ze beproefde zich te vermannen, ze sprak met hem als gewoonlijk en was bijna altijd bij hem. Zij kon zich beheerschen, maar zij leed onuitsprekelijk. En eindelijk kwam het zoover dat ze alles aan hem verafschuwde; zijn zware, grove stem, zijn zwaren stap, zijn groote handen, zijn reusachtige gestalte. Zij wenschte hem geen kwaad, zij wilde hem niet schaden, maar ze kon hem niet naderen zonder angst en afschuw. Haar onderdrukt hart wreekte zich. "Ge liet me niet liefhebben," zei het, "maar ik ben toch uw meester. Ge zult eindigen met te haten."

Gewend als ze was, alles waar te nemen wat zich in haar ziel bewoog, merkte ze dat die afschuw van dag tot dag toenam. En tegelijkertijd was ze voor goed aan huis gebonden. Zij zag in dat het het beste zou zijn als ze weg kon gaan naar andere menschen; maar daar kon ze na haar ziekte niet toe komen. Er zou nooit eenige verlichting in dit alles komen. Ze zou altijd meer gepijnigd worden, en eindelijk zou haar zelfbeheersching tekort schieten, en ze zou uitbarsten tegenover haar vader en hem de verbittering van haar hart toonen, en er zou strijd en ellende van komen.

Zoo was het voorjaar en de voorzomer voorbij gegaan. In Juli had zij zich verloofd met baron Adriaan om een eigen tehuis te hebben.

Op een schoonen dag was baron Adriaan 't landgoed op komen rijden op een prachtig paard. Zijn huzarenrok schitterde in de zon, zijn sporen, sabel en tuig straalden en vonkelden, om niet te spreken van zijn eigen frisch gezicht en stralende oogen. Melchior Sinclaire had zelf op de stoep gestaan en hem ontvangen toen hij kwam. Marianne had aan 't venster zitten naaien. Ze had hem zien komen en hoorde nu ieder woord, dat ze samen spraken.

"Goeden dag, ridder Zonneschijn," riep de grondeigenaar. "Wel drommel, wat ben je mooi. Je bent toch niet op een vrouw uit."

"Ja oom, dat is 't juist," antwoordde hij lachend.

"Maar schaam je je niet kerel! Wat heb jij om een vrouw van te onderhouden?"

"Geen cent, oom. Had ik wat dan mocht de duivel gaan trouwen, voor mijn part."

"En dat zeg jij, ridder Zonneschijn, dat zeg jij? Maar die geborduurde jas heb je toch kunnen koopen."

"Op krediet, oom!"

"En je paard dan? Dat is een kostbaar beestje, jongetje. Waar heb je dat dan vandaan."

"Geleend, oom!"

Daar kon de groote grondeigenaar niet tegen. "God zegen je, jongen," zei hij, "je hebt wel een vrouw met een zakduitje noodig. Als je Marianne kunt krijgen, neem haar dan."

En zoo was de zaak al in orde, eer de baron van zijn paard gekomen was. Maar Melchior Sinclaire wist wel wat hij deed, want baron Adriaan was een flinke man.

Daarop was de jonge man bij Marianne gekomen en was onmiddellijk met zijn boodschap voor den dag gekomen.

"Och Marianne, lieve Marianne, ik heb al met je vader gesproken. Ik zou je zoo graag tot vrouw hebben. Zeg dat je wilt, Marianne."

Ze had al gauw de waarheid uit hem gekregen.

De oude baron, zijn vader, had zich weer laten verleiden tot het koopen van eenige leege mijnen. De oude baron had zijn heele leven mijnen gekocht en er was nooit iets in geweest. Zijn moeder was in zorgen; hij zelf had schulden gemaakt en nu vroeg hij haar om daarmeê zijn vaderlijk huis en zijn huzarenrok te redden. Zijn tehuis was Hekeby, het lag aan den andren kant van het meer vlak over Björne. Ze kende hem goed, ze waren even oud en speelkameraden.

"Je kon best met mij trouwen Marianne, ik heb nu een ellendig leven. Ik moet op geleende paarden rijden en kan mijn kleermaker niet betalen. Dat kan immers op den duur niet. Ik zal mijn ontslag moeten vragen, en dan schiet ik mij voor den kop."

"Maar Adriaan, wat moet dat nu voor een huwelijk worden. We zijn immers in 't minst niet op elkaar verliefd."

"Nu ja, wat liefde betreft, om dien onzin geef ik geen steek," had hij toen gezegd, "Ik rijd graag op een goed paard, en ga op de jacht; maar ik ben geen kavalier; ik wil werken. Als ik maar geld krijgen kon, zoodat ik de hoeve thuis overnemen kon en mijn moeder een rustigen ouden dag bezorgen kon, dan zou ik al heel tevreden zijn. Ik kan wel zaaien en ploegen, want ik houd van flink werken.

En hij had haar met zijn goedige oogen aangezien, en ze wist, dat hij waarheid sprak en dat hij een man was, waar ze op vertrouwen kon. Ze verloofde zich met hem, voor 't grootste gedeelte om van huis te komen, maar ook omdat ze hem wel lijden mocht.

Maar nooit zou ze die maand vergeten, die nu volgde, dien Augustusavond dat hun engagement publiek werd, heel dien waanzinnigen tijd.

Baron Adriaan was elken dag gedrukter en stiller geworden. Hij kwam dikwijls genoeg naar Björne, soms tweemaal per dag, maar ze merkte hoe ontstemd hij was. Als hij bij anderen was kon hij lachen en schertsen, maar als hij met haar samen was, werd hij onmogelijk! Zwijgend en vervelend. Zij begreep wel wat er aan scheelde: het was zoo gemakkelijk niet als hij gedacht had, met een leelijk meisje te gaan trouwen. Nu had hij iets tegen haar. Niemand wist beter dan zij zelf hoe leelijk ze was. Ze had hem dadelijk getoond, dat zij niet van liefkozingen of betuigingen van liefde hield, maar hij leed natuurlijk onder de gedachte, dat zij zijn vrouw zou worden en dat werd bij den dag erger. Maar waarom liep hij zichzelf te plagen? Waarom verbrak hij zijn engagement niet. Ze had hem toch duidelijk wenken in die richting gegeven. Zelf kon ze niets doen, want haar vader had haar ronduit gezegd, dat haar naam geen extravagances wat engagementen betreft meer lijden kon. Toen had zij hen beiden diep veracht, en elke uitweg om deze beide meesters te ontsnappen, kwam haar geoorloofd voor. En toen, maar een paar dagen na hun verlovingsfeest was een verandering gekomen, plotseling en wonderlijk!

Op 't pad van Björne voor de stoep lag een groote steen, die veel moeite en ergernis gaf. Wagens kantelden er door om, paarden en menschen vielen er over, meisjes die met zware melkvaten kwamen, struikelden er over en morsten met melk, maar de steen bleef toch liggen, omdat hij er al zoolang gelegen had; hij had er al gelegen in den tijd van Sinclaires vader, lang voor dat iemand er aan had gedacht Björne te bouwen. De grondeigenaar kon niet inzien, waarom hij nu opeens weg moest.

Maar op een van de laatste dagen in Augustus gebeurde het, dat twee meisjes, die met een zware tobbe aan kwamen dragen, over den steen vielen. Zij bezeerden zich leelijk en de ontevredenheid over den steen was groot.

't Was tegen twaalf uur. De grondeigenaar was op zijn morgenwandeling, maar daar het werkvolk juist op de hoeve was tusschen acht en negen, beval Mevrouw Gustava een paar knechts den steen los te graven. Zij kwamen met spaden en hefboomen, groeven en zwoegden en eindelijk kregen zij den steen des aanstoots weg van zijn plaats. Zij droegen hem naar den tuin, zes man hadden er genoeg werk aan.

Nauwelijks was de steen weg of de grondeigenaar kwam thuis en dadelijk zag hij wat er gebeurd was. 't Is wel mogelijk dat hij boos was. 't Was alsof het 't zelfde huis niet meer was, vond hij. Wie had gewaagd den steen weg te nemen? O zoo! had Mevrouw Gustava het bevolen. Die vrouwen hebben ook geen hart. Wist zijn vrouw dan niet hoe lief hij dien steen had.

En hij ging op den steen af en droeg hem van den tuin weg over de hoeve, heelemaal naar de plaats waar hij gelegen had en gooide hem daar weer neer. En 't was een steen, die zes man met moeite verdragen hadden. Die daad werd zeer bewonderd in Wermeland.

Terwijl hij den steen over de plaats droeg, had Marianne aan het venster in de eetzaal gestaan en naar hem gezien. Zij had hem nooit zóó verschrikkelijk gezien. En hij was haar heer en meester, die vreeselijke man met zijn grenzenlooze kracht, een onredelijke, grillige meester, die nooit naar iets anders dan zijn eigen lust vroeg.

Zij zouden juist aan het tweede ontbijt gaan en zij stond met het broodmes in de hand. Onwillekeurig lichtte zij het op.

Mevrouw Gustava greep haar bij de pols.

"Marianne!"

"Wat is er, moeder!"

"Ach Marianne, je ziet er zoo vreemd uit. Ik word er bang van."

Marianne zag haar lang aan. Zij was een kleine, uitgedroogde vrouw, met grijs haar en gerimpeld. En ze was pas vijftig jaar. Ze had lief als een hond, trots schoppen en slagen. Ze was meestal opgewekt en maakte toch zulk een treurigen indruk. Ze was als een boom die door storm geteisterd is, ze had nooit tijd tot groeien gehad.

Ze had geleerd langs omwegen te gaan, loog als het noodig was en hield zich vaak dommer dan ze was om verwijten te ontgaan. Zij was alles te zamen genomen, geheel door haar man gevormd.

"Zou u heel bedroefd zijn als vader stierf, moeder?" vroeg Marianne.

"Marianne, je bent boos op je vader, je bent altijd boos op hem. Waarom kan alles niet weer goed worden, nu je een anderen verloofde hebt."

"Ach, moeder, ik kan er niets aan doen. Ik kan 't niet helpen, dat ik voor hem ril. Weet u dan niet hoe hij is. Hoe kan ik van hem houden. Hij is driftig en ruw, hij heeft u geplaagd zoodat u oud is geworden vóór uw tijd. Waarom moet hij onze meester zijn! Hij doet immers alsof hij gek is. Waarom moet ik hem eeren en achten? Hij is niet goed, niet barmhartig. Ik weet dat hij sterk is; hij kan ons doodslaan, wanneer hij maar wil. Hij kan ons uit het huis zetten als hij wil. Moet ik hem daarom liefhebben?"

Maar toen werd mevrouw Gustava heel anders dan ze gewoonlijk was. Ze werd sterk en moedig en sprak op een toon van gezag: "Pas op, Marianne! Ik begin bijna te gelooven dat je vader gelijk had, toen hij je van den winter buiten de deur sloot. Je zult zien, dat je hiervoor gestraft zult worden. Je moet leeren te verdragen zonder te haten, te lijden zonder je te willen wreken."

"Ach moeder, ik ben zoo ongelukkig."

En onmiddellijk volgde de straf. Uit de vestibule klonk een dof dreunen, alsof er iets zwaars viel.

Niemand kwam ooit te weten of Melchior Sinclaire op den stoep gestaan had en door de open deur van de eetkamer Mariannes woorden gehoord had, of dat alleen de lichamelijke overspanning hem een aanval van beroerte bezorgd had. Toen zij buiten kwamen was hij bewusteloos. Zij waagden later niet hem naar de aanleiding te vragen. Zelf liet hij nooit merken, dat hij iets gehoord had. Marianne waagde nooit te denken, dat hij zich onwillekeurig gewroken had. Maar toen zij haar vader daar zag liggen op dezelfde plek waar zij geleerd had hem te haten, verdween plotseling de bitterheid uit haar hart.

Hij kwam spoedig bij en nadat hij zich een paar dagen rustig gehouden had, was hij weer beter;--maar heel anders dan vroeger.

Marianne zag haar ouders in den tuin wandelen. Dat deden ze nu vaak. Hij ging nooit alleen uit, ging niet van huis, werd knorrig als er gasten kwamen of als iets anders hem van zijn vrouw scheidde. Hij was plotseling oud geworden. Hij kon er niet toe komen een brief te schrijven; zijn vrouw moest het doen; hij besliste nooit meer iets alleen, maar vroeg haar opinie overal over en liet alles gebeuren zooals zij wenschte. En hij was altijd zacht en vriendelijk. Hij zelf merkte de verandering, die over hem gekomen was en zag hoe gelukkig zijn vrouw was. "Nu heeft ze het goed," zei hij eens tegen Marianne en wees op mevrouw Gustava.

"Och, lieve Melchior," barstte ze uit, "je weet wel dat ik veel liever had, dat je weer beter werdt."

En dat had ze werkelijk liever gehad. 't Was haar een genot te vertellen hoe de groote grondeigenaar in zijn sterke dagen was. Ze vertelde hoe hij alles verdragen kon, zoo goed als de kavaliers van Ekeby, hoe hij zaken deed en veel geld verdiende, juist als zij meende, dat zijn woestheid hun huis en hof ontnemen zou. Maar Marianne wist dat ze gelukkig was niettegenstaande al die klachten. Alles voor hem te zijn, was haar genoeg. Beiden zagen zij er oud uit, afgeleefd vóór hun tijd. Marianne kon zich wel voorstellen hoe hun leven zou worden. Hij zou langzamerhand zwakker en zwakker worden; de eene attaque na de andere zou hem steeds meer hulpeloos maken en zij zou hem oppassen tot de dood hen scheidde, maar dat kon nog lang duren. Mevrouw Gustava kon haar geluk nog lang behouden. "En dat is billijk," dacht Marianne, "want het leven is haar nog veel schuldig.'"

Ook zij zelf had het nu beter. Ze voelde niet meer die hopelooze vertwijfeling, die haar tot een huwelijk dwong om ten minste een andere heer en meester te krijgen. Haar gewond hart had rust gevonden. Haat en liefde hadden het geslingerd; maar nu dacht ze niet meer aan alles wat ze geleden had. Ze moest erkennen dat haar zieleleven meer waard, grooter en rijker geworden was dan vroeger, hoe zou ze dan kunnen wenschen dat dit alles niet gebeurd was. Was het misschien waar, dat alle leed iets goeds bracht? Kon alles medewerken ten goede? Ze was begonnen alles goed te noemen, wat haar als mensch op hooger ontwikkelingstrap bracht. De oude liedjes hadden geen gelijk. De smart was niet de eenige werkelijkheid. Nu wilde ze op reis gaan en een betrekking zoeken, waarin ze nuttig zou kunnen zijn. Was haar vader nog de oude geweest, dan had hij haar nooit toegelaten haar verloving te verbreken. Nu had mevrouw Gustava voorzichtig de zaak in orde gebracht. Marianne mocht zelf Baron Adriaan helpen met het geld wat hij noodig had.

Ook aan hem kon ze nu met vreugde denken; nu was hij immers vrij! In zijn frisschen moed en levenslust had hij haar altijd aan Gösta Berling doen denken; nu zou ze hem weer blij zien. Hij zou opnieuw de Ridder Zonneschijn zijn, die stralend was komen aanrijden op haars vaders landgoed. Ze zou hem grond bezorgen, waar hij kon graven en ploegen, zooveel zijn hart maar begeerde en zou hem een mooie jonge bruid naar het altaar zien voeren.

Onder zulke gedachten zet zij zich neer om aan hem te schrijven en hem zijn vrijheid terug te geven. Ze schrijft vriendelijk en dringend, verstandig en schertsend en toch zóo, dat hij kan begrijpen, hoe ernstig ze het meent.

Terwijl ze schrijft, hoort ze hoefslagen op den weg.

"Lieve ridder Zonneschijn," denkt ze, "dat is nu voor het laatst."

En onmiddellijk daarop komt de baron bij haar binnen.

"Maar Adriaan! kom je hier binnen," en ze ziet verschrikt naar al de wanorde om haar heen.

Hij wordt dadelijk verlegen en beschroomd en stamelt een verontschuldiging.

"Ik zat juist aan je te schrijven," zegt ze, "zie hier; je kunt den brief ook wel dadelijk lezen."

Hij neemt den brief en zij zit hem aan te zien, terwijl hij leest. Ze verlangt er naar, zijn gezicht te zien ophelderen en stralen van vreugd. Maar hij heeft nog niet veel gelezen, toen hij vuurrood wordt, den brief op den grond gooit, hem onder den voet trapt en vloekt dat 't huis er van dreunt.

Marianne beeft. Ze is geen beginner in de studie der liefde. En toch begrijpt ze eerst nu dien onervaren knaap, dat groote kind.

"Adriaan, lieve Adriaan," zegt ze, "wat is dat toch voor een comedie, die je met me gespeeld hebt. Kom eens hier en vertel me alles."

Hij kwam en smoorde haar bijna door zijn liefkozingen. Arme jongen, hoe had hij verlangd en geleden!

Kort daarna zag zij het venster uit. Daar wandelde mevrouw Gustava nog altijd en babbelde met den grooten grondeigenaar over bloemen en vogels, en hier zat zij te babbelen over liefde.

"'t Leven heeft ons beiden zijn heiligen ernst laten zien," dacht ze, en glimlachte weemoedig.

"'t Zal ons troosten, dat we ieder ons groot kind hebben om meê te spelen."

't Deed haar toch goed, dat men haar lief kon hebben. Het was heerlijk hem te hooren fluisteren over de tooverkracht, die van haar uitging, en hoe hij zich schaamde over wat hij in hun eerste gesprek gezegd had. Hij wist toen niet welk een macht ze had. Och, geen man kon haar naderen, zonder haar lief te hebben. Maar ze had hem bang gemaakt. Hij had zich zoo wonderlijk onderdrukt gevoeld.

't Was geen geluk!--maar ook geen ongeluk. Zij zou beproeven het leven met dien man te aanvaarden.

Zij begon zichzelf te begrijpen en dacht aan de woorden in 't oude liedje van de tortelduif, den vogel van het verlangen. "Ze drinkt nooit het heldere water, ze maakt het eerst troebel met haar voet, dan past het beter voor haar droevige stemming." Zoo zou zij ook niet uit de bron des levens het heldere onvermengde geluk drinken. Troebel door weemoed, zoo was het leven 't beste voor haar.

XXVI.

DE DOOD ALS BEVRIJDER.

Mijn bleeke vriend, de Dood, kwam in Augustus, toen de nachten bleek waren, in den maneschijn, bij 't huis van kapitein Uggla. Maar hij durfde niet aanstonds binnengaan onder het gastvrije dak, want er zijn maar weinigen, die hem liefhebben.

Mijn bleeke vriend, de Dood, de groote Bevrijder heeft een moedig hart. Het is hem een lust te rijden door de lucht, door gloeiende kanonskogels gedragen. Hij neemt de sissende granaat op den nek en lacht als die springt en de splinters om hem heen vliegen. Hij danst met de spoken op het kerkhof en schuwt de pestzalen in het hospitaal niet, maar hij beeft aan de deur der rechtschapenen, op den drempel der goede menschen.

Want hij wil niet met tranen begroet worden, maar met stille vreugd; hij die de zielen bevrijdt van de boeien der smart, van de ketenen van 't stof en ze laat genieten van het vrije, heerlijke leven in de wereldruimte.

En de Dood sloop in 't oude bosch, achter 't woonhuis, waar nog op den huidigen dag de slanke beuken met hun witte stammen wedijveren, om aan de fijne bladknoppen in hun toppen 't licht des hemels te verschaffen. In dat bosch, dat toen jong en vol dicht groen was, verschool mijn bleeke vriend zich terwijl de zon aan den hemel stond, maar des nachts stond hij aan den zoom van 't woud, wit en bleek met zijn zeis, die blonk in den maneschijn.

O Eros, aan u behoorde eens dit woud. De ouden van dagen weten te vertellen, hoe verliefde paren er vroeger rust en schaduw zochten. En nog heden, als ik voorbij Berga kom, knorrig over de steile heuvels en over 't verstikkende stof, verheug ik mij over uw bosch met de nu maar weinige witte stammen, die stralen van herinneringen aan jonge, schoone menschen, die elkaar liefhadden.

Maar nu stond de Dood daar en de nachtdieren zagen hem. Avond aan avond hoorden de bewoners van Berga, hoe de vos huilde om zijn komst aan te kondigen. De adder kronkelde over 't pad tot dicht bij 't huis. Hij kon niet spreken, maar men begreep wel, dat hij den machtige aan kwam kondigen. En in den appelboom buiten 't venster van mevrouw Uggla liet de uil zijn gekras hooren. Want alles in de natuur kent den dood en beeft voor hem.

En zoo geschiedde het dat de rechter van Munkerud, die op een feest bij den proost van Bro geweest was, ongeveer tegen twee uur 's nachts voorbij Berga reed en een licht zag branden in 't venster van de logeerkamer. Hij zag duidelijk een gele vlam en de witte kaars en later sprak hij met verwondering over dat licht, dat in den zomernacht had gebrand. Toen lachten de vroolijke jonge dames op Berga en zeiden dat de rechter een vizioen gehad had, want hun vetkaarsen waren al lang opgebrand in Maart; en de kapitein vloekte er op, dat er niemand in de logeerkamer geweest was sinds velen weken, maar de vrouw van den kapitein werd bleek en zweeg; want die witte kaars met de heldere vlam placht zich te vertoonen, als iemand uit haar familie verlost zou worden door den Dood, den grooten Bevrijder.

Kort daarna, op een heerlijken Augustusdag, kwam Ferdinand thuis van zijn landmetersdienst in de noordelijke bosschen. Hij was bleek en ziek, door een onherstelbare longziekte aangetast, en zoodra zijn moeder hem zag, wist ze dat haar jongen sterven zou. Ze zou hem dan moeten missen, dien goeden zoon, die nooit zijn ouders 't allerminste verdriet deed. De jonge man moest de aarde met al haar vreugd verlaten, en zijn geliefde bruid, die hem wachtte, de rijke hoeven, en de dreunende smidse, die hem zouden toebehooren.

Eindelijk, toen mijn bleeke vriend een maand lang geaarzeld had, vatte hij moed en ging op een nacht naar het woonhuis. Hij wist dat nood en honger daar met vroolijke gezichten ontvangen werden, waarom zouden ze hem dan niet met blijdschap tegemoet komen.

Zacht ging hij 't pad langs en wierp een donkere schaduw over 't grasveld, waar de dauwdroppels in den maneschijn glinsterden. Hij kwam niet als een vroolijk maaier met bloemen op den hoed en den arm om het middel van zijn meisje. Hij liep gebogen als een uitgeteerde stumpert en verborg zijn zeis in de plooien van zijn mantel, terwijl uilen en vleermuizen om hem heen fladderden.

Dien nacht hoorde mevrouw Uggla, die wakker lag, dat er aan 't venster geklopt werd, en zij ging overeind in het bed zitten en vroeg: "wie klopt daar?"

En de ouden vertellen, dat de Dood haar antwoordde: "'t is de Dood, die aanklopt."

Toen stond ze op, deed het venster open en zag vleermuizen en uilen in den maneschijn fladderen, maar den Dood zag ze niet.

"Kom binnen," zei ze halfluid, "Vriend en Bevrijder. Waarom toefdet ge zoo lang? Ik heb u gewacht, ik heb u geroepen. Kom binnen en bevrijd mijn zoon."

Toen gleed de Dood binnen, gelukkig als een onttroonden koning, die in zijn hoogen ouderdom zijn kroon terugkrijgt, blij als een kind, dat naar zijn spel geroepen wordt.

Den volgenden dag zat Mevrouw Uggla aan 't ziekbed van haar zoon en sprak met hem over de zaligheid der verloste zielen en hun heerlijk leven.

"Zij werken," zeide ze, "zij werken zeker. 't Zijn kunstenaars, groote kunstenaars, mijn jongen! Als ge bij hen komt, zeg mij dan eens wat gij zult worden.

Een van de beeldhouwers zonder beitel, die rozen en leliën uithouwt, of een van de schilders die 't avondrood scheppen? En als de zon dan ondergaat in al zijn heerlijkheid zal ik hier zitten en denken: dat is Ferdinand's werk.

Mijn beste jongen, denk er eens aan hoeveel er te zien en te doen is daarboven. Denk aan alle zaadjes, die in 't voorjaar ten leven moeten gewekt worden, alle stormen, die gestuurd moeten worden, alle droomen, die uitgezonden moeten worden. En denk aan de lange reizen door 't hemelruim van de eene wereld naar de andere.

Denk eens aan mij, jongelief, als je zooveel moois te zien krijgt. Je arme moeder zal nooit wat anders zien dan Wermeland.

Maar op een schoonen dag ga je naar onzen lieven Heer en vraagt Hem of Hij je niet een van de wereldbollen geven wil, die rondwentelen in 't hemelruim en dan doet Hij dat. Als je die krijgt is hij koud en vochtig, vol afgronden en klippen en er zijn geen bloemen of dieren op. Maar dan zul je werken aan de ster, die God je gegeven heeft. Je maakt er licht en warmte en lucht, je brengt er planten en nachtegalen en klaaroogige gazellen heen, je laat er watervallen storten in de afgronden, je heft de bergen op en bezaait de vlakte met roode rozen. En als ik sterf, Ferdinand, en mijn ziel terugbeeft voor de lange reis en er tegen opziet van de oude bekende plaatsen te scheiden, dan zit je te wachten buiten 't venster in een wagen met paradijsvogels bespannen, in een schitterende gouden koets.

En mijn arme onrustige ziel wordt opgenomen in je wagen en komt naast je te zitten en wordt geëerd als een koningin. Dan rijden we door het hemelruim, voorbij de stralende wereldbollen en als wij bij éen van die hemelsche woningen komen, die al heerlijker en heerlijker worden, dan vraag ik--want ik weet niet beter: "zullen we hier of daar niet blijven?"