Gösta Berling

Part 23

Chapter 234,218 wordsPublic domain

Ze deed een stap achteruit. Hij kwam dichterbij met open armen. "Je ging heen als een dief," barstte ze uit, "en je komt terug als een vagebond." En toen wilde ze naar binnen gaan.

Hij begreep haar niet, hij wilde haar volgen maar ze stootte hem terug.

"Meen je dat ik iemand als jij als heer over mijn huis en mijn kinders wil aannemen?"

De deur vloog toe en de grendel werd er van binnen voorgeschoven. Kapitein Lennart vloog op de deur toe en rukte aan de knop.

Toen konden de kavaliers het lachen niet laten. Hij was zoo zeker van zijn vrouw geweest en nu wilde ze niets van hem weten. Dat was komiek--vonden ze.

Toen kapitein Lennart hoorde, dat ze lachten, stoof hij op hen af en wilde hen slaan. Zij liepen weg en sprongen in de wagens. Hij vloog ze na, maar in zijn boosheid struikelde hij over een steen en viel. Hij stond op; maar vervolgde ze niet verder. Een gedachte had hem getroffen. In deze wereld geschiedde er niets buiten Gods wil. Neen, niets!

"Waarheen wilt Gij mij leiden?" vroeg hij. "Ik ben als een veer door Uw adem meegevoerd. Ik ben Uw speelbal. Waarheen wilt Gij mij leiden? Waarom sluit Gij de deur van mijn huis voor me?"

En hij ging heen van zijn huis. Hij geloofde dat het Gods wil was.

Toen de zon opging, stond hij op den Brobyheuvel en zag neer in het dal. Ach, toen wisten de arme dalbewoners niet, dat hun redder nabij was. Geen behoeftige of bedroefde had groene kransen gevlochten en die aan de deur van zijn hut gehangen. Geen geurende lavendelbladen of veldbloemen sierden den drempel, die hij betreden zou. De moeders namen hun kinderen niet op den arm, opdat zij hem zouden zien komen. De hutten waren niet opgeruimd en groen gemaakt ter eere van hem. De mannen werkten niet rusteloos op den akker om zijn hart te verheugen met goed bebouwde velden en goed gegraven slooten.

Ach, van de hoogte waarop hij stond, zag zijn bekommerd oog, hoe de droogte de geheele streek had geteisterd, hoe 't graan verschroeid was, en hoe 't volk zich niet meer inspande om den grond te bereiden voor den zaaitijd. Hij zag naar de blauwe bergen op en de heldere morgenzon verlichtte de bruine, verzengde plekken waar de boschbrand gewoed had. Hij zag naar de bergen aan den kant van den weg. Zij waren bijna dood door de droogte. Hij merkte 't aan allerlei kleinigheden, aan omgevallen hekken aan 't weinige brandhout, dat gehakt en naar huis gereden was, dat de menschen niet meer op hun zaken pasten; dat de nood voor de deur stond en zij hun troost zochten in onverschilligheid en brandewijn.

Maar misschien was het goed voor hem, dat hij alles zag. Want het was niet voor hem weggelegd het zaad te zien ontkiemen en opkomen op zijn eigen akker; het was niet voor hem weggelegd aan zijn eigen haard te zitten en er de gloeiende kolen te zien dooven, of de zachte handen van zijn kinderen in de zijnen te voelen of een liefhebbende vrouw aan zijn zijde te hebben. Misschien was het goed voor hem, wiens ziel door diepe smart werd gedrukt, dat er andren waren, die hij in hun armoede kon vertroosten. Misschien was het goed voor hem dat deze tijd zulk een droevige tijd was, waarin de karigheid der natuur gebrek over de armen bracht en waar velen die 't beter hadden, deden wat ze konden om 't volk te gronde te richten.

Want 't was niet voor niet, dat de predikant van Broby als een begeerige vrek rondging onder zijn gemeenteleden in plaats van hun een goede herder te zijn.

't Was niet voor niet, dat de kavaliers regeerden in dronkenschap en overdaad, niet voor niet, dat Sintram hen had doen gelooven, dat dood en verderf hen allen treffen zou.

Kapitein Lennart stond daar op den Brobyheuvel en meende, dat God hem misschien wel gebruiken kon. En zijn vrouw riep hem ook niet berouwvol terug.

't Moet gezegd worden, dat de kavaliers later volstrekt niet begrepen, hoeveel schuld zij hadden aan de hardheid van de vrouw van den kapitein. Sintram zei niets. Menigeen sprak afkeurend over de vrouw, die te trotsch geweest was zulk een goeden man weer te ontvangen. Zij kon niet verdragen, dat men zijn naam noemde. Kapitein Lennart deed niets om haar tot andere gedachten te brengen.

't Was een dag later.

Een oude boer in Högberg lag op zijn sterfbed, hij had het sakrament der stervenden ontvangen en zijn levenskracht was verbruikt. Hij moest sterven. Rusteloos als iemand, die op 't punt staat eene lange reis te maken, liet hij zijn bed van de keuken in de kamer, van de kamer in de keuken brengen. Daaraan kan men merken, meer nog dan aan zijn zwaar ademhalen en half gebroken oogen, dat zijn laatste ure gekomen is.

Om hem heen staan zijn vrouw, zijn kinderen en dienstboden. Hij is gelukkig, rijk en geacht geweest. Zijn sterfbed is niet eenzaam. Hij is in zijn laatste oogenblikken niet door ongeduldige vreemden omgeven. De oude man spreekt over zich zelf, alsof hij voor Gods aangezicht stond en onder zuchten en met veel woorden bevestigen de omstanders, wat hij zegt.

"Ik ben een vlijtig arbeider en eene goede huisheer geweest," zegt hij. "Ik heb mijn vrouw liefgehad als mijn rechterhand. Ik heb mijn kindren niet zonder zorg en tucht op laten groeien. Ik heb niet gedronken, ik heb de grenssteenen op den akker niet verzet. Ik heb de paarden, die den heuvel opgingen, niet voortgezweept. Ik heb de koeien in den winter geen honger laten lijden; ik heb de schapen niet in den zomer met hun wol laten loopen."

En om hem heen herhalen de bedienden schreiend, als een echo: "hij was een goed huisheer. Ach God, onze Heer. Hij heeft het paard, dat den heuvel opging, niet voortgezweept; hij heeft de koeien geen honger laten lijden in den winter."

Zonder dat iemand het merkte, is een arm man de deur ingekomen om wat eten te vragen. Ook hij hoort de woorden van den stervende, en blijft zwijgend aan de deur staan.

En de zieke begint weer: "Ik heb bosschen omgehakt, velden drooggelegd; ik heb de ploeg in rechte voren gestuurd. Ik heb de schuur driemaal vergroot, zoodat er driemaal meer koren in kon, dan in den tijd van mijn voorvaderen; ik heb drie zilveren bekers laten maken van blanke rijksdaalders en mijn vader liet er maar één maken."

De woorden van den stervende dringen door tot hem, die daar staat en luistert. Hij hoort hem van zichzelf getuigen alsof hij voor Gods troon staat. Hij hoort de dienstboden en de kinderen bevestigend herhalen: "hij stuurde de ploeg in rechte voren, ja dat deed hij."

"God zal mij wel een goede plaats in den hemel geven;" zegt de oude.

"De Heer zal den boer wel in den hemel opnemen," zeggen de dienstboden.

De man aan de deur hoort die woorden en ontzetting grijpt hem aan; hem, die vijf lange jaren Gods speelbal geweest is, een veer die door Zijn adem wordt voortgedreven. Hij gaat naar den zieke toe en vat zijn hand.

"Ach vriend," zegt hij, en zijn stem beeft van ontroering. "Hebt ge bedacht, wie de Heer is voor wiens aangezicht ge spoedig zult verschijnen? Hij is groot, Hij is geweldig. De wereld is Zijn akker, de storm Zijn dienaar. De hemel trilt onder den tred Zijner voeten. En gij stelt u tegenover Hem en zegt: "ik heb de ploeg in rechte voren gestuurd, ik heb rogge gezaaid, ik heb bosschen omgehakt." Wilt ge u zelven prijzen tegenover Hem en u met Hem meten? Weet ge dan niet hoe machtig de Heer is, naar wiens rijk gij gaan zult?"

De oude spert de oogen open; zijn gelaat wordt van angst vertrokken en zijn adem gaat nog zwaarder.

"Stel u niet voor het aangezicht van uw God met groote woorden," gaat de zwerver voort. "De machtigen der aarde zijn als kaf in Zijn schuur. Zijn dagwerk is zonnen te scheppen. Hij heeft de zee gegraven en de bergen omhoog doen stijgen; Hij heeft de aarde met groen bekleed. Hij is een arbeider zonder weerga, gij kunt u met Hem niet meten. Buig u voor Hem, arme menschenziel! werp u in het stof voor den Heer, uw God. Gods storm vaart over u heen. Gods toorn zal over u komen als een verteerend vuur. Buig u neer. Grijp als een kind een slip van Zijn kleed en bid om Zijn bescherming. Kniel in het stof en smeek om Zijn genade. Verootmoedig u voor uw Schepper, o menschenziel."

De oogen van den zieke staan wijd open. Hij vouwt de handen; maar zijn gezicht heldert op en 't zware ademhalen houdt op.

"Menschenziel, arme menschenziel," barst de vreemdeling uit. "Zoo waarachtig als gij nu in uw laatste ure u in ootmoed voor uw God gebogen hebt, zoo waarachtig zal Hij u als een kind in de armen nemen en u doen ingaan in de heerlijkheid van den Hemel."

De oude man geeft den laatsten snik en alles is voorbij. Kapitein Lennart buigt het hoofd en bidt. Allen in de kamer bidden onder zuchten en tranen.

En als zij opzien, ligt de oude boer daar stil en vredig. Zijn oog schijnt nog te stralen van den weerschijn der heerlijke visioenen, zijn mond glimlacht,--zijn aangezicht is schoon. Hij heeft God gezien.

"O gij groote, schoone menschenziel," denken zij die hem zien; "zoo hebt ge dan de boeien van 't stof verbroken. In uw laatste uren hieft ge u op tot uw Schepper. Ge hebt u voor Hem verootmoedigd en Hij nam u als een kind in de armen."

"Hij heeft God gezien," zegt de zoon en drukt den doode de oogen dicht.

"Hij zag den hemel open," snikten de kinderen en de bedienden.

De oude huismoeder legt haar bevende hand in die van kapitein Lennart en zegt: "de kapitein hielp hem door 't ergste heen."

Hij staat verstomd. De gave van 't machtige woord,--van de sterke daad is hem gegeven, hij weet niet hoe! Hij trilt als een vlinder op den rand van 't pop-omhulsel, waaruit hij te voorschijn kwam, terwijl zijn vleugels zich in den zonneschijn ontplooien en stralen als de zon zelf.

Dat oogenblik was het, dat kapitein Lennart deed uitgaan onder het volk. Anders was hij zeker wel naar huis gegaan en had aan zijn vrouw zijn eigen gezicht laten zien, maar van dat oogenblik geloofde hij, dat God hem gebruiken kon. Toen werd hij Gods gezant; die den armen hulp kon brengen. De nood was groot in dien tijd en er was veel ellende, waar verstand en goedheid beter in zouden helpen dan goud en macht.

Kapitein Lennart kwam op een dag bij de arme boeren, die in den omtrek van Gurlita Klätt woonden. Groot was hun nood, zij hadden geen aardappelen meer, en zij konden geen rogge op de afgebrande velden zaaien, want zij hadden geen koren.

Toen nam kapitein Lennart een bootje en roeide dwars over 't meer naar Fors en vroeg Sintram om rogge en aardappelen voor de arme boeren. Sintram ontving hem vriendelijk; hij nam hem mee naar de groote welvoorziene korenzolders en naar de kelders, waar nog aardappelen lagen van den oogst van verleden jaar en hij liet hem alle zakken en zakjes vullen, die hij meegebracht had. Maar toen Sintram 't kleine bootje zag, waarin Lennart gekomen was, vond hij die te klein voor zulk een zwaren last. De booze man liet de zakken in een van zijn groote booten dragen en liet zijn knecht, de sterke Mons, ze over 't water roeien. Kapitein Lennart had niet anders dan zijn leeg bootje te besturen.

Maar sterke Mons kwam hem toch vooruit, hij was een meester in het roeien en buitengewoon sterk. Kapitein Lennart zit te droomen, terwijl hij over 't prachtige meer roeit; hij denkt aan 't wonderlijke lot van de kleine zaadjes. Nu zullen ze op de zwarte aarde geworpen worden, die vol asch is, midden tusschen steenen en boomstronken, maar zij zullen toch wel groeien en wortel schieten in 't woeste veld. Hij denkt aan de zachte, lichtgroene sprietjes, die de aarde zullen bedekken en hij buigt zich in gedachten neer en streelt ze liefkozend met de hand. En dan denkt hij er aan hoe de herfst en de winter zal heengaan over die zwakke stumpertjes, die zoo laat nog opkwamen uit de warme aarde, en hoe ze toch frisch en moedig zullen zijn, als het voorjaar komt, en in ernst aan 't groeien zullen gaan. En dan verheugt zich zijn oud soldatenhart bij de gedachte aan de stijve halmen; die zoo rank en recht zullen staan met de spitse aar aan de punt. De stampers zullen wuiven met hun veerbosjes, 't stof der meeldraden zal opstuiven tot aan de toppen der boomen en zoo zullen de aren gevuld worden met zachte, zoete korrels. En later, als de zeis komt en de halmen vallen en als de dorschvlegel bulderend over hen heen gaat, als de molenaar de korrels tot meel maalt en 't meel tot brood gebakken is, hoeveler honger zal dan door 't koren in die boot daar vóór hem niet gestild worden.

De knecht van Sintram legde aan bij de landingsplaats der Gurlita-boeren en veel hongerige menschen kwamen op de boot af. Toen zei de knecht, zooals zijn heer hem bevolen had:

"De grondeigenaar zendt jelui mout en koren. Hij heeft gehoord, dat je gebrek hebt aan brandewijn."

Toen werden de menschen als waanzinnigen; ze vlogen naar de boot en sprongen in 't water om zakken machtig te worden. Maar dàt was waarlijk de bedoeling van kapitein Lennart niet geweest. Hij was nu ook aan land gekomen en werd boos toen hij de boeren zoo opgewonden zag. Hij wilde de aardappels voor voeding en de rogge voor zaad laten gebruiken. Hij zou er nooit over denken om mout te vragen. Hij riep ze toe, dat ze de zakken moesten laten liggen; maar zij luisterden niet.

"'k Wou, dat de rogge tot zand in je mond werd en de aardappelen in steenen veranderden," riep hij toen, want hij was ten hoogste verbitterd, door dat ze 't koren wegrukten.

Op 't zelfde oogenblik leek het, alsof kapitein Lennart een wonder had verricht. Twee vrouwen, die om een zak vochten, trokken er een gat in en er liep zand uit. De knechten, die de aardappelenzakken droegen, merkten dat ze zoo zwaar waren, alsof er steenen in zaten.

't Was alles zand en steenen, anders niet. In stille ontzetting stond het volk den man Gods aan te zien, die tot hen was gekomen. Kapitein Lennart stond een oogenblik stom van verbazing. Maar sterke Mons lachte.

"Roei naar huis, man," zei kapitein Lennart, "eer de boeren begrijpen, dat er nooit anders dan zand in de zakken geweest is, anders ben ik bang dat ze een gat in je boot boren."

"Ik ben zoo bang niet," zei de knecht.

"Roei nu toch naar huis," zei kapitein Lennart zóó bevelend, dat de man gehoorzaamde. Toen vertelde kapitein Lennart aan de boeren, dat Sintram hem bedrogen had, maar wat hij ook zei, zij wilden niet anders gelooven dan dat er een wonder gebeurd was. Het gerucht hiervan verspreidde zich snel en daar de onontwikkelden van al wat wonderlijk is, houden, werd het een algemeen volksgeloof, dat kapitein Lennart wonderen kon doen. Daardoor kreeg hij veel macht over de boeren en zij noemden hem Gods gezant.

XXIV.

HET KERKHOF.

't Was een heerlijke avond in Augustus. 't Löfvenmeer lag spiegelglad; 't was koel geworden en een fijne nevel, door de zon verlicht, verborg de bergen.

Beerencreutz, de overste met den witten knevel, klein en forsch, reusachtig sterk en met 't kaartspel in den zak, kwam naar 't strand en zette zich in de breede schuit.

Achter hem kwamen Majoor Anders Fuchs, zijn oude wapenbroeder en de kleine Ruster, de fluitspeler, die tamboer bij de jagers van Wermeland geweest was en vele jaren den overste als vriend en dienaar gevolgd had.

Op den anderen oever van 't meer ligt het kerkhof, 't verwaarloosde kerkhof van Svartsjö, dun bezaaid met scheve, rammelende ijzeren kruisjes, ruig als een nooit geploegd veld, begroeid met stijf en hoog gras, dat daar staat als herinnering aan de waarheid, dat geen menschenleven op een ander gelijkt, maar dat ze onderling verschillen als de halmen van 't gras.

Men vindt daar geen met grint bedekte paden, geen schaduwrijke boomen, behalve de groote linde op een vergeten graf.

De steenen muur sluit zich hoog en afwijzend om 't armoedige veldje. Armelijk en troosteloos is het kerkhof, leelijk als 't gezicht van een gierigaard, geteisterd door de weeklachten van hem, wiens levensgeluk hij verstoorde.

En toch zijn zij zalig, die daarbinnen rusten, zij die in de gewijde aarde werden neergelaten onder psalmen en gebeden. Acquilon, de speler, hij, die verleden jaar stierf op Ekeby, is buiten den muur moeten begraven worden. Die man, die eens zoo fier en ridderlijk was, die dappere krijgsman, die kloeke jager, de speler wien 't geluk diende, hij was geëindigd met 't erfdeel van zijn kinderen te verspillen.

Alles wat hij zelf had verworven, alles wat zijn vrouw zoo zuinig bijeengehouden had. Vrouw en kinderen had hij voor vele jaren verlaten om op Ekeby als kavalier te gaan leven.

Op een avond in den vorigen zomer had hij de hoeve verspeeld, waar zij woonden. Liever dan zijn schuld te betalen, had hij zich voor 't hoofd geschoten. Maar 't lijk van den zelfmoordenaar werd begraven buiten den bemosten muur van het kerkhof.

Sinds hij stierf waren de kavaliers maar met hun twaalven geweest. Niemand was gekomen om de plaats van den dertiende in te nemen--niemand dan de zwarte, die uit den grooten oven was gekomen op Kerstavond.

De kavaliers hadden zijn lot droeviger dan dat van zijn voorgangers gevonden. Wel wisten ze, dat er ieder jaar een van hen sterven moest. Maar wat zou dat? Kavaliers moesten niet oud worden. Als hun verduisterde oogen de kaarten niet meer konden onderscheiden, als hun bevende handen het glas niet meer konden opheffen, wat is dan 't leven voor hen en wat kan 't leven dan meer van hen verwachten? Maar als een hond buiten den muur van 't kerkhof te liggen, waar 't gras, dat hem bedekt geen rust kan krijgen, maar wordt betreden door het blatende schaap, door spade of ploeg beschadigd; waar de wandelaar gaat zonder zijn schreden te matigen, waar kinderen spelen zonder lachen en scherts terug te houden; daar te liggen, waar de steenen muur 't geluid belet door te dringen als de engel van den jongsten dag met zijn bazuin de dooden daarbinnen wekt--o, daar te liggen!....

Nu roeit Beerencreutz zijn boot over 't meer. Hij vaart van avond over 't meer mijner droomen, aan wiens oevers ik goden zie wandelen en uit wiens diepte mijn tooverslot opstijgt. Hij vaart voorbij Lagön, waar de dennen rechtop uit 't water steken, gegroeid als ze zijn op lage, cirkelvormige zandbanken en waar de splinters van de verwoeste zeerooversburchten nog op schuine hellingen liggen. Hij vaart voort langs de dennenparken van Borg, waar de oude dennen nog aan dikke wortels over den bergkloof hangen, waar de geweldige beer gevangen werd en waar oude hunnebedden en grafheuvels van den ouderdom der streek getuigen.

Hij roeit om de landtong heen, stapt uit beneden het kerkhof en gaat over het gemaaide veld, dat aan den graaf van Borg hoort, naar Acquillons graf.

Daar aangekomen buigt hij zich neer en streelt het gras, zooals men allicht de deken liefkoost, waaronder een zieke vriend rust. Dan neemt hij het kaartspel en zet zich bij het graf.

"Hij is hier zoo alleen buiten, Johan Frederik. Hij verlangt zeker wel naar een partijtje."

"Zonde en schande is 't dat een kerel als hij hier buiten moet liggen," zegt de groote beerenjager Anders Fuchs en zet zich naast hem neer.

Maar de kleine Ruster, de fluitspeler, spreekt met bewogen stem, terwijl tranen hem aanhoudend langs de wangen loopen: "Naast u overste, naast u was hij de beste man van de wereld."

De drie waardige mannen zitten nu om het graf en geven de kaarten rond. Ernstig en ijverig beginnen zij hun spel.

Ik zie rond in de wereld. En ik zie veel graven. Daar rusten de machtigen door 't marmer gedrukt. Treurmarschen klinken daarover. Vanen worden neergelaten over die graven. Ik zie graven waaraan veel zorg en liefde wordt besteed. Bloemen, met tranen en kussen bedekt, rusten op hun groene kleeden. Vergeten graven zie ik, vermetele, leugenachtige graven, anderen die niets zeggen; maar nooit zag ik ruiten boer en klaveren vrouw te gast genood op een graf.

"Johan Frederik heeft het gewonnen," zegt de overste trotsch. "Zei ik het niet? Ik heb hem spelen geleerd. Ja, nu zijn wij dood."

Daarmeê neemt hij de kaarten op, staat op en gaat door de anderen gevolgd naar Ekeby terug.

Nu zal de doode toch wel geweten of gevoeld hebben, dat niet allen hem en zijn verlaten graf hebben vergeten. Wonderlijke hulde brengen verwilderde harten aan hen die ze liefhebben, maar zij wiens lijk geen rust in gewijde aarde mag vinden, hij moet toch blij zijn als niet allen hem verwerpen.

Vrienden, menschenkinderen, als ik sterf, zal ik zeker rusten midden op het kerkhof in het graf mijner vaderen. Zeker zal ik de mijnen niet van hun dak hebben beroofd, noch de hand aan mijn eigen leven geslagen hebben; maar zeer zeker zal ik niet zulk een liefde gewonnen hebben, zeker zal niemand zóóveel voor mij doen als de kavaliers voor dezen misdadiger. Zeer zeker komt niemand des avonds als de zon ondergaat en 't eenzaam en treurig in 't verblijf der dooden wordt, om tusschen mijn verstijfde vingers de bonte kaarten te leggen.

Niet eens zal men komen--wat ik liever zou hebben--want kaarten bekoren mij niet--met viool en strijkstok bij mijn graf, opdat mijn schim, die om 't vergaande stof zweeft, mag wiegen op den stroom der tonen als een zwaan op de vonkelende golven.

XXV.

OUDE LIEDEREN.

Marianne Sinclaire zat op een stillen namiddag in 't eind van Augustus in haar kamer en maakte haar brieven en oude papieren in orde.

Van alles lag om haar heen. Groote leeren tasschen en kistjes met ijzer beslagen, waren in haar kamer gebracht. Haar kleeren lagen uitgespreid op stoelen en sofa's. Van den zolder en uit kasten en uit de laden der commodes was alles voor den dag gehaald: zijde en fijn linnen; sieraden om te poetsen, shawls en bontwerk om te onderzoeken en uit te kiezen.

Marianne was bezig alles klaar te maken voor een lange reis. 't Was niet zeker of ze ooit weer thuis zou komen. Ze stond voor een keerpunt in haar leven en verbrandde daarom een menigte oude brieven en dagboeken. Zij wilde niet langer gedrukt worden door herinneringen aan 't verleden.

Zooals ze daar nu zit, krijgt ze een bundel oude liedjes in handen. 't Waren copieën van oude volksliedjes, die haar moeder voor haar placht te zingen toen ze klein was. Zij maakte het lint los, dat er om heen gebonden was en begon te lezen.

Ze glimlachte weemoedig, toen ze een poosje gelezen had; het was een wonderlijke wijsheid, die de oude liedjes verkondigden.

Geloof niet aan 't geluk, niet aan voorteekenen van geluk, geloof niet aan rozen en liefelijke bloemen.

Geloof niet aan een lach, zeiden ze. Zie Valberg de schoone Jonkvrouw rijdt in een gouden koets en toch is ze zoo bedroefd, alsof de paardenhoeven en de wielen haar geluk zullen verbrijzelen.

Geloof niet aan den dans, zeiden ze. Menig voet glijdt licht over den gewreven dansvloer, terwijl het hart zwaar is als lood. Kleine Kirsten danste zoo vroolijk en blij en toch verdanste zij haar jong leven.

Geloof niet aan scherts. Menigeen gaat aan den feestdisch met schertsende woorden en zou graag willen sterven van droefheid. Daar zit schoone Adelheid en laat zich 't hart van hertog Frydenborg in negen stukken voordienen, omdat ze er zeker van is, dat ze na dat gezien te hebben kracht tot sterven zal krijgen.--

Och gij oude liedjes, waar mag men dan aan gelooven. Aan tranen en lijden?

Zelden zucht een vroolijk hart; maar vaak lacht een bedroefde mond. Aan tranen en zuchten gelooven de oude liedjes, aan smart en voorteekenen van verdriet. Smart is werkelijkheid, de vaste rots onder het zand. Aan smart en aan haar kenteekenen kan men gelooven.

Hoe troosteloos zijt ge, zeide Marianne, hoe schiet uw oude wijsheid te kort bij 's levens volheid.

Zij ging naar het venster en keek uit in den tuin waarin haar ouders wandelden. Zij liepen op en neer op de breede paden en spraken over alles wat zij zagen, over al wat hun oogen trof, over 't gras op het veld en de vogelen des hemels.

"Zie," zeide Marianne, "daar gaat nu een hart, dat zucht van smart, hoewel 't nooit vroeger zoo gelukkig is geweest." En plotseling viel haar de gedachte in, dat misschien ten slotte alles aan de menschen zelf lag, dat vreugde en smart maar afhing van hun verschillende wijzen van zien. Zij vroeg zich af of het vreugde of smart was, wat ze dit jaar doorgemaakt had. Ze wist het zelf bijna niet.