Gösta Berling

Part 22

Chapter 224,202 wordsPublic domain

Op een dag, in den zomer, heel lang geleden, had een kunstenaar in Svartsjö naar den hemel staan kijken en acht geslagen op het trekken der wolken langs den hemel, de zon tegemoet. Hij had de witte glinsterende wolken gezien, die des morgens aan den horizont staan; hij zag hoe ze zich hooger en hooger opstapelden; hij had de kolossen grooter en grooter zien worden en zich verheffen om naar boven te stormen. Zij hieven hun standaard op als krijgers, zij trokken uit om den ganschen hemel te veroveren. Tegenover de zon, den beheerscher van 't wereldruim, huichelden zij en namen een onschuldige gedaante aan. Hier was een leeuw, die zich in een gepoederde dame veranderde, dáár een reus met armen, die koorden verbrijzelde; hij legde zich neer als een droomende sphinx; eenigen bedekten hun naaktheid door mantels met gouden randen om te slaan, anderen legden rood op hun sneeuwwitte wangen. Hier waren vlakten, daar wouden, ginds gemetselde burchten, met hooge torens. De witte wolken veroverden den zomerhemel. Zij vulden het geheele blauwe gewelf. Zij bereikten de zon en verborgen haar.

"O hoe schoon zou 't zijn," dacht de vrome kunstenaar, "als de zielen vol verlangen op deze torenhooge bergen konden klimmen, en door hen als door een wiegend vaartuig al hooger en hooger konden worden gebracht."

En toen begreep hij in eens, dat de witte zomerwolken de vaartuigen waren, waarin de zielen der zaligen wegvoeren.

Hij zag ze daarboven! Daar stonden ze op de bewegelijke massa's met leliën in de hand en gouden kronen op het hoofd. De lucht weergalmde van hun zangen. De engelen zweefden hun op breede, sterke vleugels te gemoet. O, welk een oneindig aantal zaligen. Al naarmate de wolken zich uitbreidden, zag hij er meer; zij rustten op wolkenbedden als witte waterlelies op het meer. Zij versierden ze als leliën het veld. Welk een jubelende vaart naar den hooge! de eene wolk na de andere rolde voort! Allen waren bezet met hemelsche heirscharen in zilveren wapenrustingen, met onsterfelijke zangers in mantels met purper afgezet.

Die kunstenaar had later de zoldering in de kerk van Svartsjö geschilderd. Hij had de drijvende wolken van den zomerschen hemel willen weêrgeven, die de zaligen in de heerlijkheid des hemels zouden invoeren. De hand die 't penseel gevoerd had, was krachtig geweest, maar ook wat stijf, zoodat de wolken meer op de gekrulde haren van een allongepruik leken dan op aangroeiende bergen van zachte nevelen. En zooals de heiligen zich voor de fantaisie van den meester vertoonden, had hij ze niet kunnen weergeven; maar hij had ze als menschen gekleed met lange roode mantels en stijve bisschopsmutsen of in zwarte lange kleederen met stijve gepijpte kragen. Hij had ze groote hoofden en kleine lichamen gegeven en ze van zakdoeken en gebedenboeken voorzien. Latijnsche spreuken kwamen uit hun mond en voor hen, die hij 't hoogste stelde, had hij stevige houten stoelen op de wolkenruggen gezet, zoodat ze in een gemakkelijke zittende houding naar de eeuwigheid zouden kunnen gaan.

Maar iedereen wist immers, dat geesten en engelen zich nooit aan den armen kunstenaar hadden vertoond en daarom verwonderde men er zich niet erg over, dat hij ze niet bovenaardsch schoon had kunnen maken. Menigeen had toch zeker de schilderij van den goeden meester buitengewoon mooi gevonden en het had velen ernstig en godsdienstig gestemd. 't Was wel waard door onze oogen gezien te worden.

Maar in 't jaar van de kavaliers liet Graaf Dohna de heele kerk wit schilderen. Toen werd de geschilderde zolder bedorven. En ook liet hij al de heiligenbeelden van klei vernietigen.

Ach, die heiligenbeelden!

't Zou beter voor me zijn, als nood en ellende van menschen me zóóveel verdriet kon doen, als ik voelde over 't wegnemen van die beelden van klei; als de wreedheid van menschen tegenover menschen mijn hart met een bitterheid vervullen kon als die ik om hunnentwille gevoeld heb.

Maar éen van hen was ook St. Olof met de kroon om den helm, de bijl in de hand en een overwonnen reus onder den voet; op de preekstoel stond Judith met een rood lijf en een blauwen rok, met een zwaard in de eene en een zandlooper in de andere hand--in plaats van het hoofd van den assyrischen veldheer; daar was ook een geheimzinnige koningin van Saba met een blauw lijf en rooden rok, met een ganzepoot aan 't eene been en de handen vol sibyllijnsche boeken; daar was de heilige Christoffel met zijn bloeienden staf, en de heilige Erik met scepter en bijl en een ouden mantel met gouden bloemen om.

Ik heb daar in de kerk van Svartsjö zoo menig Zondag gezeten en er me over geërgerd, dat de beelden weg waren. Hoe verlangde ik naar hen. Ik zou er niet zoo precies op gezien hebben of er een neus of een voet ontbrak, of 't verguldsel er wat afgesleten was en de verf verbleekt. Ik zou om hun hoofd de glorie der legende hebben gezien.

't Moet altoos zoo geweest zijn met die heiligenbeelden, dat ze hun scepters of ooren en handen verloren en gerepareerd en opgeknapt moesten worden. Dat verveelde de gemeente en zij verlangde van hen af te komen. Maar de boeren zouden toch de heiligen geen kwaad gedaan hebben, als graaf Dohna er niet geweest was. Hij heeft ze laten wegnemen.

Ik heb er hem om gehaat, zooals een kind haten kan. Ik heb hem gehaat, zooals een hongerige bedelaar de gierige huismoeder haat, die hem brood weigert. Ik heb hem gehaat, zooals een arme visscher den onwetenden knaap haat, die zijn net heeft bedorven en een gat in zijn boot gehakt. Hoe hongerde en dorstte mijn ziel niet onder de lange godsdienstoefeningen. En hij had het brood, waar mijn ziel van leven moest, weggenomen. Hoe verlangde ik niet naar het oneindige, naar den hemel. En hij had mijn vaartuig bedorven, en mijn net verscheurd, waarmee ik de hemelsche visioenen had willen vangen.

In de wereld der volwassenen is geen plaats voor echte haat. Hoe zou ik nu zulk een ellendig wezen als graaf Dohna kunnen haten of een armen waanzinnige zooals Sintram of een afgeleefde wereldsche vrouw als gravin Märta. Maar toen ik een kind was, ja, toen was 't maar gelukkig voor hen, dat ze al lang dood waren.

De predikant stond misschien wel op den preekstoel te spreken over vrede en verzoening; maar op onze plaats in de kerk kon men hem niet verstaan. Ach, had ik de oude heiligenbeelden van klei maar bij me gehad--zij zouden wel voor me gepreekt hebben, zoodat ik ze kon hooren en verstaan.

Maar nu zat ik er meestal over te denken hoe 't gekomen was, dat ze weggeroofd en bedorven werden.

Toen graaf Dohna zijn huwelijk voor onwettig had laten verklaren, inplaats van zijne vrouw op te zoeken en 't huwelijk te laten wettigen, had hij aller verontwaardiging gewekt; want men wist, dat zijn vrouw alleen zijn huis had verlaten om niet doodgeplaagd te worden. Nu scheen het, dat hij Gods genade en de achting der menschen wilde herwinnen door een goed werk en daarom liet hij de kerk van Svartsjö opknappen. Hij liet de heele kerk wit schilderen en de geschilderde zoldering wegnemen. Hij zelf droeg met zijn knechts de schilderijen naar beneden in een boot en wierp ze in de diepte van 't Löfvenmeer.

Hoe durfde hij 't toch wagen de hand aan die uitverkorenen Gods te slaan.

Dat zulk een gruwel toch gebeuren kon! Voerde de hand, die 't hoofd van Holofernes afsloeg dan 't zwaard niet? Had de koningin van Saba dan alle geheime wijsheid vergeten, die dieper wondt dan een vergiftige pijl. Heilige Olof, gij oude viking, St. Joris, gij oude drakendooder, leeft dan de roem uwer daden niet meer, is de glorie uwer wonderen verbleekt?--Maar de zaak zal wel geweest zijn, dat de heiligen geen geweld met geweld willen keeren. Daar de boeren van Svartsjö geen verf voor hunne kleeren en geen verguldsel voor hun kronen meer over hadden, lieten zij graaf Dohna begaan, toen hij hen wegdroeg en ze in 't diepe Löfvenmeer wierp. Zij wilden Gods huis niet ontsieren. Die armen! Zij dachten zeker aan den tijd, dat men voor hen knielde en gebeden tot hen opzond.

En ik zat te denken aan die boot, met heiligen belast, die op een stillen zomeravond heengleed over den blanken spiegel van 't Löfvenmeer. De knecht, die roeide, nam langzame, groote slagen en wierp schuwe blikken op de wonderlijke passagiers, die op den voor- en achtersteven lagen; maar graaf Dohna, die er ook bij was, voelde zich dapper. Hij nam ze een voor een met zijn eigen handen en wierp ze in 't water. Zijn voorhoofd was helder en hij haalde diep adem. Hij meende een strijder voor de reine evangelische leer te zijn. En er geschiedde geen wonder ter eere der heiligen. Stil en moedeloos zonken ze neer en gingen hun vernietiging te gemoet.

Maar den volgenden Zondag stond daar de kerk van Svartsjö vlekkeloos wit. Geen beelden stoorden meer de aandacht der kerkgangers. Alleen met de oogen der ziel moet de vrome de heerlijkheid des hemels en 't gelaat der heiligen zien. De gebeden der menschen moeten op hun eigen sterke vleugels den Allerhoogste bereiken. Zij behoeven zich niet meer vast te klampen aan de gewaden der heiligen.

Groen is de aarde, de heerlijke woning der menschen, blauw is de hemel, waar ze allen naar verlangen. De wereld straalt in duizend kleuren. Waarom is de kerk wit?--Wit als de winter, naakt als de armoede, bleek als de angst. Ze schittert niet van rijp als een bosch in den winter. Ze prijkt niet met paarlen en kant als een bruid. De kerk staat daar wit en koud met geverfd leem bedekt, zonder een enkel beeld, zonder een schilderij.

Dien Zondag zat graaf Dohna in een met bloemen versierden leuningstoel in het koor, opdat allen hem zouden zien en prijzen. Nu zou hij geëerd worden, omdat hij de oude banken in orde had laten maken, de leelijke beelden wegnemen, nieuwe ruiten inplaats van de gebroken zetten en de heele kerk wit verven. Het stond hem natuurlijk vrij dat alles te doen. Als hij den toorn des Almachtigen wilde verzachten, was het immers goed, dat hij naar zijn beste weten Zijn tempel versierde. Maar waarom nam hij er dan eerbewijzen voor aan?

Hij, die daar kwam met de zonde der onverzoenlijkheid op zijn geweten, hij had immers op de knieën moeten vallen op 't zondaarsbankje en zijn broeders en zusters smeeken God te bidden, hem in zijn heiligdom te dulden. Het ware hem beter geweest daar te staan als een arme zondaar, dan daar ginds in 't koor te zitten en lof aan te nemen, omdat hij zich met God had willen verzoenen.

Ach, graaf Dohna! God had u zeker op 't zondaarsbankje verwacht. Hij liet er zich niet door verblinden, dat de menschen u niet durfden te berispen.

Toen de godsdienstoefening voorbij was en de laatste psalm gezongen, verliet niemand de kerk, maar de predikant ging den preekstoel op om een dankrede aan den graaf te houden, maar zóó ver zou het toch niet komen. Want de deur ging open, en daar kwamen de oude heiligen de kerk binnen, druipend van 't water uit het Löfvenmeer, vuil van groen kroos en bruinen modder. Ze hadden zeker gehoord, dat hier een lofrede gehouden zou worden op hem, die hen ten val gebracht, ze uit 't heilige huis Gods verjaagd en ze neergestort had in de koude, alles vernietigende golven. De oude heiligen wilden een woordje meespreken.

Zij houden niet van 't eentonig kabbelen der golven. Ze zijn gewend aan psalmen en gebeden. Zij zwegen en berustten in alles, zoolang ze meenden, dat het dienen moest tot Gods eer. Maar zoo was het niet.

Hier zit graaf Dohna met eer overladen in 't koor en wil aangebeden en geprezen worden in Gods huis. Daarom zijn ze opgestegen uit hun vochtig graf en komen de kerk in. En de geheele gemeente herkent hen. Daar gaat de heilige Olof met de kroon om den helm en St. Erik met de gouden bloemen op den mantel en den grijzen Sint Joris en de heilige Christoffel. Meer niet, de Koningin van Saba en Judith waren niet meêgekomen.

Maar toen de menschen wat van hun verbazing bekomen waren, ging er een hoorbaar gefluister door de kerk. "De kavaliers".

Ja zeker, 't zijn de kavaliers. En zij gaan recht op den graaf af zonder een woord te spreken, lichten zijn stoel op hun schouders op, dragen hem de kerk uit en zetten hem daar buiten op den kerkheuvel.

Ze zeggen niets, en zien rechts noch links. Zij dragen eenvoudig graaf Dohna uit Gods huis en als dat gedaan is gaan ze weer heen, den naasten weg naar het meer.

Niemand houdt hen tegen en zij verspillen ook geen tijd met het verklaren van hun meening. Die was duidelijk genoeg: "Wij, kavaliers van Ekeby, hebben onze eigen overtuiging. Graaf Dohna verdient niet in Gods huis geprezen te worden. Daarom dragen wij hem naar buiten. Nu kan ieder, die wil, hem weer binnen brengen."

Maar hij werd niet weer naar binnen gebracht. De lofrede van den predikant werd nooit gehouden. De gemeente stroomde de kerk uit. Er was niemand, die niet vond, dat de kavaliers goed gedaan hadden.

Zij herinnerden zich de vroolijke jonge gravin en hoe gruwelijk zij op Borg gepijnigd was geworden. Zij dachten aan haar, die zoo goed voor de armen was, die zoo mooi was geweest, dat 't voor hen al een troost was naar haar te kijken. Wel was het zondig met zulke vertooningen in de kerk te komen; maar de predikant en de gemeente voelden, dat zij zelf op het punt geweest waren nog erger den spot met den Allerhoogste te drijven. En zij schaamden zich tegenover de dwazen.

"Als de menschen zwijgen, moeten de steenen spreken," zeiden ze.

Maar na dien dag kon graaf Henrik het niet meer uithouden op Borg. Op een donkeren nacht in 't begin van Augustus reed een gesloten kales tot dicht voor de groote stoep. Alle dienstboden gingen er omheen staan en gravin Märta kwam naar buiten, in doeken gehuld met een dichten sluier voor 't gelaat. De graaf gaf haar den arm, maar ze sidderde en beefde. Slechts met de grootste moeite kon men haar bewegen door 't voorhuis en den stoep af te gaan.

Eindelijk kwam zij in den wagen, de graaf sprong er ook in, de deuren werden dicht geslagen en de koetsier liet de paarden in galop wegrijden.

Toen de eksters den volgenden morgen wakker werden, was ze weg.

De graaf leefde nog lang in het zuiden. Borg werd verkocht en is menigmaal van eigenaar verwisseld. Allen hadden ze het landgoed lief; maar slechts weinigen bezaten het met genoegen.

XXIII.

GODS GEZANT.

Kapitein Lennart, Gods gezant, kwam op een namiddag in Augustus in de herberg te Broby en ging in de keuken. Hij was toen op weg naar zijn huis "Helgesaeter," dat een kwart mijl ten noorden van Bro ligt, dicht bij den zoom van 't woud.

Kapitein Lennart wist toen nog niet, dat hij een van Gods gezanten zou worden op aarde. Zijn hart was tot overloopens toe vol van vreugd, omdat hij zijn tehuis weer zou zien. Hij had veel geleden, maar nu kwam hij weer thuis en alles zou weer goed worden. Hij wist niet, dat hij een van hen zou worden, die niet onder een eigen dak mochten rusten of zich bij een eigen haard koesteren.

Kapitein Lennart was recht in zijn schik. Toen hij niemand in de keuken aantrof, hield hij er huis als een wilde jongen. Een, twee, drie verzette hij 't weefgetouw en bracht het spinnewiel in de war, hij smeet de kat op den kop van den hond en lachte, dat het door 't huis klonk, toen de twee kameraden in den oogenblikkelijken schrik de oude vriendschap braken en op elkaar aanvlogen met gekromde klauwen, nijdige oogen en de haren te berge.

Toen kwam de herbergierster op al dat gedruisch aan. Zij bleef op den drempel staan en keek naar den man, die om de vechtende dieren stond te lachen. Ze kende hem wel; maar toen ze hem 't laatst zag, zat hij op de gevangenkar met de handboeien aan.

Ze wist het nog best. Voor vijf en een half jaar geleden had een dief op de winterkermis te Karlstad de sieraden van de vrouw van den Gouverneur gestolen. Veel ringen, armbanden en gespen, waar de rijke dame grooten prijs op stelde--want 't meeste had ze geërfd of present gekregen--waren toen verloren gegaan. Ze werden nooit gevonden, maar 't gerucht liep spoedig door 't heele land, dat kapitein Lennart op Helgesaeter de dief wezen moest.

De boerin had nooit kunnen begrijpen waar zulk een gerucht vandaan gekomen was.

Was kapitein Lennart dan niet een goed en eerlijk man? Hij leefde gelukkig met zijn vrouw, waarmeê hij eerst een paar jaar geleden getrouwd was, want hij had pas laat een vrouw kunnen onderhouden. Had hij nu niet een goed inkomen door zijn tractement en zijn landgoed? En nog wonderlijker vond zij het, dat kapitein Lennart zijn ontslag kreeg, zijn ridderorde moest teruggeven en tot vijf jaar dwangarbeid veroordeeld werd.

Hij zelf had gezegd, dat hij op de markt was geweest en van daar was weggereden, eer hij iets van den diefstal gehoord had. Op den straatweg had hij een leelijke oude gesp gevonden, die hij mee naar huis genomen had en aan zijn kinderen gegeven. Maar die gesp behoorde tot de gestolen zaken en dat werd zijn ongeluk. Maar eigenlijk was het alles Sintrams schuld geweest. De booze grondeigenaar had voor aanklager gespeeld en bij het getuigenverhoor de verklaring afgelegd, die hem had doen vallen. 't Scheen dat het noodig voor hem was, kapitein Lennart uit den weg te werken, want kort daarna werd er tegen hemzelf een proces gevoerd, omdat men ontdekt had, dat hij kruit aan de Moren had verkocht in den oorlog van 1814. De menschen meenden, dat hij bang was voor de verklaring, die kapitein Lennart tegen hem had moeten afleggen. Nu werd hij vrijgesproken, bij gebrek aan bewijs.

De herbergierster kon dien man niet genoeg aanzien. Zijn haar was grijs geworden en zijn rug gebogen. Hij had 't zeker niet best gehad. Maar zijn vriendelijk gezicht en zijn goed humeur had hij nog. Hij was nog dezelfde kapitein Lennart, die haar naar het altaar gebracht had, toen zij de bruid was [2] en die bij haar bruiloft gedanst had. Hij bleef zeker nog op den weg staan praten met ieder, die hij tegenkwam, en hij wierp zeker nog elk kind een geldstuk toe. Hij zou nog tegen elk gerimpeld oudje zeggen, dat ze met den dag jonger en mooier werd en hij zou nog best eens op een ton kunnen gaan zitten en op de viool spelen voor hen, die om den Meistang wilden dansen. Och hemel, ja!

"Nu, moeder Karen!" begon hij, "durf je me niet aan te zien?"

Hij was daar eigenlijk binnen gegaan om te hooren, hoe het bij hem thuis was, en of zij hem daar verwachtten. Zij konden immers wel nagaan, dat hij zoowat tegen dezen tijd zijn straf had uitgediend.

De herbergierster vertelde hem niets dan goed nieuws. Zijn vrouw was zoo flink geweest als een man. Zij had een hoeve gepacht en alles was goed gegaan onder haar bestuur. De kinderen waren gezond, het was een lust ze te zien. En natuurlijk verwachtten ze hem. De vrouw van den kapitein was een strenge vrouw, die nooit sprak over wat ze dacht. Maar dit wist de herbergierster, dat niemand met kapitein Lennarts lepel had mogen eten of in zijn stoel zitten, terwijl hij weg was. Nu in 't voorjaar was er geen dag voorbijgegaan, dat zij niet naar den steen op den top van den Brobyheuvel gegaan was en den weg langs gekeken had of hij niet komen zou. En nieuwe kleeren had zij voor hem gereed, thuisgeweven kleeren, waarvan zij zelf 't grootste deel gemaakt had. Zie, aan dat alles kon men wel merken, dat hij gewacht werd, al zeide ze ook niets.

"Ze gelooven het dus niet?" vroeg kapitein Lennart.

"Neen, kapitein," antwoordde de boerin: "niemand gelooft het!"

Toen bleef kapitein Lennart niet langer in de kamer, hij wilde naar huis.

Buiten trof hij toevallig goede oude vrienden aan. De kavaliers van Ekeby waren juist in de herberg aangekomen. Sintram had ze daar uitgenoodigd om zijn verjaardag te vieren. En de kavaliers bedachten zich geen oogenblik; maar drukten den dwangarbeider de hand en heetten hem welkom thuis. Dat deed Sintram ook.

"Lieve Lennart," zei hij, "wees er maar zeker van, dat onze lieve Heer hier een bedoeling meê heeft gehad."

"Jou schurk!" riep kapitein Lennart. "Meen je dat ik niet weet, dat het "onze lieve Heer" niet was, die jou van het schavot redde?"

De anderen lachten. Maar Sintram werd heelemaal niet boos. Hij had er niets tegen, dat er toespelingen werden gemaakt op zijn verbond met den Booze.

Ja, toen namen zij kapitein Lennart weer mee naar binnen om hem een welkom toe te drinken. Daarna mocht hij dadelijk verder gaan. Maar 't liep slecht met hem af. Hij had zulke verraderlijke dingen in vijf jaar niet gedronken. Hij had misschien den heelen dag niet gegeten en was uitgeput door zijn lange wandeling. En daarom werd hij al wonderlijk in 't hoofd door een paar glazen.

Toen de kavaliers hem zoover gekregen hadden, dat hij niet recht meer wist wat hij deed, gaven ze hem 't eene glas na het andere. Zij meenden er niets kwaads mee. 't Was pure vriendelijkheid. Hij had immers in geen vijf jaar wat lekkers gehad.

Anders was hij de matigste man, die men zich kan voorstellen. En men kan ook wel begrijpen, dat hij niet van plan was zich dronken te drinken, hij zou immers naar huis gaan,--naar vrouw en kinderen, maar nu bleef hij liggen op de bank in de herberg en viel in slaap.

En toen hij daar nu lag zonder bewustzijn, nam Gösta een stuk houtskool en wat bessensap en grimeerde hem. Hij gaf hem een echt misdadigersgezicht; dat paste goed bij hem, meende hij, omdat hij uit de gevangenis kwam. Hij gaf hem een "blauw oog," een rood lidteeken over den neus, streek zijn haar over 't voorhoofd in verwarde vlokken en smeerde zijn heele gezicht met roet in.

Zij lachten er een poosje om, en toen wilde Gösta 't weer afwasschen.

"Neen, laat 't zitten," zei Sintram, "dan kan hij 't zien als hij wakker wordt. Hij zal er pleizier in hebben."

En zoo bleef het zooals 't was. En de kavaliers dachten niet meer aan den kapitein. 't Feest duurde den heelen nacht. Tegen den morgen braken ze op. Toen was er ongetwijfeld meer wijn dan verstand in hun hersens.

Nu was het de vraag, wat zij met Lennart zouden doen.

"Wij zullen hem thuis brengen," zei Sintram. "Wat zal zijn vrouw blij zijn. 't Zal heerlijk wezen haar vreugde te zien. Ik word al aangedaan als ik er aan denk. Laten we hem naar huis brengen."

Zij werden allen geroerd door die gedachte. Lieve hemel, wat zal ze blij zijn, die strenge vrouw op Helgesaeter!

Zij schudden kapitein Lennart half wakker, en zetten hem in een van de rijtuigen, die de slaperige staljongens al lang geleden hadden doen voorkomen. En toen trok de heele schaar naar Helgesaeter. Sommigen sliepen half en vielen bijna uit den wagen, andren zongen om wakker te blijven. Zij leken veel op een bende vagebonden met hun wezenlooze, gezwollen gezichten.

Zij kwamen toch tot Helgesaeter. Ze lieten paarden en wagens achter op de plaats en trokken met zekere plechtigheid op naar het huis.

Beerencreutz en Julius hadden kapitein Lennart tusschen zich in.

"Word nu wakker, Lennart," zeiden ze tot hem.

"Je bent nu thuis. Zie je dan niet, dat je thuis bent?"

Hij deed de oogen open en werd bijna nuchter. Hij werd aangedaan, omdat ze hem thuis brachten.

"Mijn vrienden," zeide hij en bleef staan om ze allen te gelijk toe te spreken. "Ik heb God gevraagd waarom ik zóó veel heb moeten lijden."

"Och, houd toch je mond, Lennart, schei uit met je gepreek," schreeuwde Beerencreutz.

"Laat hem doorgaan," riep Sintram, "hij spreekt goed."

"Ik heb Hem dat gevraagd. Ik begreep het niet. Maar nu begrijp ik het. Hij wilde mij toonen wat voor goede vrienden ik had. Vrienden, die mij naar huis wilden brengen om de vreugde van mij en mijn vrouw te zien. Want mijn vrouw wacht mij. Wat zijn vijf ellendige jaren, daarbij vergeleken!"

En nu bonsden hun vuisten op de deur. De kavaliers hadden geen geduld om meer te hooren.

Binnen kwam beweging. De dienstmeisjes werden wakker en zagen naar buiten. Zij trokken haastig wat kleeren aan, maar ze durfden niet open doen voor al die mannen. Eindelijk werd de grendel van de deur gedaan en de vrouw des huizes trad zelf naar buiten.

"Wat beteekent dit?" vroeg ze.

Beerencreutz antwoordde: "Wij zijn hier met uw man."

Ze duwden kapitein Lennart naar voren en ze zag hem aankomen, zwaaiend, dronken, met een misdadigersgezicht. En achter hem een schare beschonken, zwaaiende mannen.