Gösta Berling

Part 21

Chapter 214,247 wordsPublic domain

De kleine Ruster neemt de zaak ernstig op. Hij leest de noten met den bril op den neus, kust de tonen uit zijn fluit en laat de vingers spelen over de kleppen en gaten. Oom Eberhard zit gebogen over de violoncel; zijn pruik is over zijn ééne oor heengegleden; zijn lippen beven van aandoening. Berg staat daar trotsch met zijn lange fagot. Nu en dan vergeet hij zich en blaast uit alle kracht; maar dan slaat Patroon Julius hem op zijn dikke hersenkas met den dirigeerstok.

't Gaat goed, 't gaat schitterend! Zij tooveren vrouw Musica zelf te voorschijn uit de doode noten. Spreid uw toovermantel uit, lieve vrouw Musica, en voer Gösta Berling terug naar het land der vreugde, waar hij thuis behoort.

Is dat werkelijk Gösta Berling, die daar bleek en moedeloos zit, en dien de oude heeren nu zoeken te vermaken als een kind? Nu is 't voorwaar geen tijd van vreugd in Wermeland.

Ik weet waarom de ouden hem liefhadden.

Ik weet wel hoe lang de winteravonden kunnen worden en hoe de duisternis in de ziel kan sluipen op zulke eenzame hoeven. Ik kan wel begrijpen hoe het was als hij kwam.

Stel u voor een Zondagmiddag, als er niet gewerkt wordt en de gedachten traag worden. Stel u voor een hardnekkigen Oostenwind, die de kou in de kamer zweept, een kou, waartegen geen vuur helpt. Stel u voor een enkele vetkaars, die onafgebroken gesnoten moet worden. Stel u voor, een eentonig psalmgezang, uit de keuken weerklinkend.

Welnu! en dan hoort ge bellen klinken, en vlugge voeten stampen de sneeuw van zich af op de stoep, en dan komt Gösta Berling de kamer in. Hij lacht en maakt grappen. Hij brengt leven en warmte mee. Hij doet de piano open en speelt, zoodat men zich verbaast over de oude snaren. Hij kan alle liederen zingen, alle melodieën spelen. Hij maakt alle huisgenooten gelukkig.

Hij had het nooit koud en was nooit moe.

De bedroefde vergat zijn smart, als hij hem zag. En wat had hij toch een goed hart. Wat had hij een medelijden met de armen en zwakken. Ja, men moest de ouden over hem hooren spreken.

't Was zeker op zulk een avond, dat hij op Munkerud kwam, waar de goede rechter woonde, in het kleine, beminnelijke tehuis, dat in deze vertellingen zoo weinig besproken werd, omdat geen stormen het geluk daar schokten. Hij ontmoette daar den proost en zijn vrouw.

En zoodra de proost hem zag, zette hij hem aan de piano. "Ga maar voor de piano zitten, Gösta Berling," zeide hij, "daar doe je 't meeste nut." En toen speelde en zong Gösta Berling, en toen hij een poosje gespeeld had, konden de menschen niet langer stil zitten. De oude, verstandige heeren en dames moesten opstaan en dansen. Zij kregen den kriebel in armen en beenen; zij konden niet blijven zitten. Zoo dansten zij, en toen Gösta een Bellmans liedje begon, vielen zij in, en de vrouw van den proost, oud en dik als ze was, nam haar japon op, sprong en draaide rond, precies alsof ze een meisje van twintig jaar was met fijne beentjes. En ze zong zoo valsch en zoo heesch.

De proost en de anderen lachten zoo hartelijk om haar, en toen zei ze: "Ja, hij daar, die schelm aan de piano, kan oude menschen zoo dwaas maken."

Maar nu zit Gösta Berling daar stil en bedroefd en luistert naar vrouw Musica's poging om hem op te wekken. Misschien was hij 't allerliefst met rust gelaten in zijn smart; maar hij moest immers wel naar de muziek luisteren, ter wille van de oude heeren. Hij voelt wel, dat het zoo jammer voor hen is, dat hij zoo bedroefd is. Zij hebben er geen pleizier in, dat zij de heeren van Ekeby zijn, nu hij zoo veranderd is. 't Komt hem voor dat hij zien kan, dat ze oud geworden zijn.

En terwijl ze spelen, barst hij plotseling in tranen uit. Hij vindt het heele leven zoo treurig. Hij verbergt het gezicht in de handen en schreit. De kavaliers zijn ontzet. Dit zijn niet de zachte, genezende tranen, die vrouw Musica gewoonlijk te voorschijn roept. Hij snikt als een wanhopende. Geheel radeloos leggen zij hun instrumenten neer.

Dan geeft vrouw Musica hun de gedachte in, dat zij iets vroolijkers moeten probeeren en Patroon Julius neemt zijn guitaar en begint een van zijn vroolijke boerenliedjes te zingen. Hij verdraait zijn gezicht en doet koeien en schapen na.

Maar dat was geen goede inval van vrouw Musica. Gösta slaat plotseling met de gebalde vuist op tafel, zoodat Julius opspringt, en dan zegt hij hun de waarheid.

"Al ben ik ook een ellendige verschoppeling, die niet anders dan kwaad uitricht hier in de wereld," zegt hij, "dan moet jullie, kavaliers, toch met mijn lijden den gek niet steken. Betere menschen dan jullie zijn, moesten zich daarvoor wachten!"

Hij is onredelijk. Hij weet dat zelf heel goed; maar hij kan niet laten zoo te keer te gaan. En dan blijft hij zitten, zwijgend en beschaamd. De anderen zwijgen ook. Zij zijn diep gekwetst; maar wat helpt het zich te verdedigen? Zelfs de goede vrouw Musica, die zooveel van Gösta Berling houdt, verliest bijna den moed. Maar plotseling herinnert zij zich, dat zij nog een held onder haar dienaren, onder de kavaliers heeft.

Dat is de zachtmoedige Löwenborg, hij, die zijn bruid verloren heeft in de beek, en die nu meer dan ooit Gösta Berlings slaaf is. Hij sluipt naar de piano. Hij loopt er om heen, voelt er voorzichtig aan en strijkt met zijn zachte hand over de toetsen.

Boven in zijn kamer heeft Löwenborg een groote houten tafel, waarop hij toetsen heeft geschilderd en een lessenaar gezet. Daar kan hij uren zitten en de vingers over de witte en zwarte toetsen laten gaan. Daar studeert hij, speelt schalen en études, en daar speelt hij zijn Beethoven. Vrouw Musica heeft hem met haar bijzondere genade bijgestaan, zoodat hij vele van de zes-en-dertig sonates gecopieerd heeft.

Maar de oude man waagt zich nooit aan eenig ander instrument, dan zijn houten tafel. Voor de piano heeft hij een eerbiedigen angst.

Die lokt hem, maar schrikt hem nog meer af. Dat rammelende instrument, waarop zooveel polka's getrommeld worden, is voor hem een heiligdom. Hij heeft het nooit durven aanroeren. Dat wonderlijk ding met de vele snaren, die aan 't werk van den grooten meester leven kunnen geven! Hij hoeft er zijn oor maar tegen te leggen, en dadelijk hoort hij de andantes en de scherzo's daarbinnen bruisen. Ja, de piano is het ware altaar, waaraan vrouw Musica gediend moet worden. Maar hij heeft nooit op een piano gespeeld. Hij is immers zelf nooit zoo rijk geworden, dat hij er een kon koopen, en op deze heeft hij nooit den moed gehad te spelen. De Majoorske was ook niet bijzonder bereid die voor hem open te doen.

Hij heeft er wel Poolsche dansen en walsen en Bellmansche liedjes op hooren trommelen. Maar voor zulke onheilige muziek kon het heerlijke instrument ook niet anders dan een gebroken geluid geven en jammeren. Neen, als Beethoven kwam, dan zou het zijn eigen helderen klank laten hooren.

Nu meent hij, dat de tijd voor hem en Beethoven misschien gekomen is. Hij zal moed vatten en 't heiligdom aanroeren en zijn jongen heer en meester er toe brengen zich over die sluimerende welluidendheid te verheugen.

Hij zet zich neer en begint te spelen. Hij is heelemaal onzeker en verward, maar hij voelt voor zich heen en komt een paar maten door, beproeft den juisten klank te voorschijn te brengen, rimpelt het voorhoofd, doet het over--en slaat dan de handen voor 't gezicht en schreit.

Ja, lieve vrouw Musica, dat is hard voor hem. 't Heiligdom is immer geen heiligdom. Daar liggen geen klare, heldere tonen in verborgen te droomen, daar is geen doffe, machtige donder, geen geweldig bruisende orkaan. Niets van die heerlijke tonen, die de lucht van het Paradijs vervulden, is er overgebleven. 't Is een oude, rammelende piano en anders niet.

Maar dan geeft vrouw Musica den slimmen overste een wenk. Hij neemt Ruster mee. Zij gaan naar boven en halen Löwenborgs tafel met de geschilderde toetsen.

"Ziehier, Löwenborg," zegt Beerencreutz, als zij terugkomen, "hier is je piano. Speel nu voor Gösta."

En dan houdt Löwenborg met schreien op en gaat Beethoven spelen voor zijn bedroefden vriend. Nu zal hij wel weer blij worden.

In 't hoofd van den ouden man klinken de lieflijkste tonen. Hij kan niet laten te gelooven, dat Gösta hoort hoe mooi hij speelt. Gösta merkt zeker, hoe goed hij van avond speelt.

Er zijn geen moeilijkheden meer voor hem. Hij speelt zonder eenige moeite zijn loopjes en trillers. Hij wou, dat de meester zelf hem hooren kon.

Hoe langer hij speelt, hoe meer hij in vuur komt. Hij hoort iederen toon met bovenaardsche kracht.

"o Smart," speelt hij, "waarom zou ik u niet liefhebben? Omdat uw lippen koud, uw wangen vaal zijn? Omdat uw omhelzing verstikt, uw blik versteent?"

"o Smart, gij zijt een van die trotsche, schoone vrouwen, wier liefde moeilijk te winnen is, maar die heeter branden dan anderen. Gij verstootene! Ik heb u mijn hart gewijd en had u lief. Ik liefkoosde u zoodat de koude van u week, en uw liefde maakte mij zalig.

"Ach, wat heb ik geleden! Ach, hoe heb ik verlangd, sinds ik haar verloor, die ik het eerst heb liefgehad. Het was duistere nacht in mij en om mij heen. Ik lag in gebed verzonken, in vurige, onverhoorde gebeden. Geen goede geest daalde neer uit het met sterren bezaaide gewelf, om mij te troosten. Maar mijn verlangen verscheurde het voorhangsel. Gij kwaamt naar mij heenzweven op een brug van maanlichtstralen. Gij kwaamt in lichtglans, o mijn geliefde, en met een glimlach op de lippen. Vroolijke engelen zweefden om u heen. Zij droegen kransen van rozen, zij speelden op den citer en op de fluit. Het was zalig u te zien.

"Maar gij verdweent, ach, gij verdweent.

"En voor mij was er geen brug van maanlichtstralen, toen ik u wilde volgen. Ik lag op aarde, zonder wieken, aan het stof gebonden. Mijn klachten waren als 't gebrul van een wild dier, als de donder van den hemel. Ik wilde u den bliksem als bode zenden. Ik vloekte de groene aarde.

"Ach, dat het vuur den oogst verteren mocht en pest over de menschen komen! Ik riep den dood aan en de machten der duisternis. Ik meende, dat de pijnigingen der hel zaligheid moesten zijn bij wat ik leed.

"o Smart! Toen werdt gij mijn vriendin. Waarom zou ik u niet liefhebben, zooals men de schoone, strenge vrouwen liefheeft, wier liefde moeilijk te winnen, maar die warmer zijn dan andere?"

Zoo speelde die arme mysticus! Hij zat daar, stralend van geestdrift en geheel bewogen, terwijl de wonderlijkste tonen voor zijn ooren klonken, en hij was overtuigd, dat Gösta ze ook hooren moest en getroost worden.

Gösta zat naar hem te zien. Eerst was hij boos om die nieuwe comedie; maar langzamerhand werd hij zachter gestemd. Hij was onweerstaanbaar, die oude, zooals hij daar zat en zijn Beethoven genoot. En Gösta dacht er aan, dat ook die man, die nu zoo zachtmoedig en zorgeloos was, in lijden gedompeld geweest was, dat ook hij de vrouw, die hij liefhad, verloren had. En nu zat hij daar, stralend van vreugde, bij zijn houten tafel. Meer was dus niet noodig om een mensch blij te maken.

Hij voelde zich beschaamd. "Gösta," zei hij tot zichzelf, "kun je niet meer lijden en verdragen? Jij, die in armoede heel je leven gehard werdt, jij, die elken boom in 't bosch, elk grasje op 't veld hebt hooren spreken van ontbering en geduld, jij, die bent opgegroeid in een land, waar de winter streng en de zomer karig is, heb je de kunst van verdragen verleerd?

"Ach, Gösta, een man moet alles dragen wat het leven geeft, met moed in 't hart en een glimlach op de lippen; anders is hij geen man. Ontbeer zooveel je wilt, als je de vrouw, die je liefhebt, hebt verloren; laat gewetenswroeging je knagen van binnen; maar toon je een man en een Wermelander! Laat je oogen vroolijk stralen, ga je vrienden met vroolijke woorden tegemoet.

"'t Leven is hard, en de natuur is hard. Maar beide wekken moed en blijdschap als tegenwicht tegen hun hardheid. Anders zou wel niemand het kunnen uithouden.

"Moed en blijdschap. Het is alsof dat de twee eerste plichten zijn. Je hebt die nooit vergeten. Doe het ook nu niet.

"Ben je minder dan Löwenborg, die daar aan zijn houten piano zit, of dan al de andere kavaliers, de moedige, zorgelooze, de eeuwig jonge?

"Je weet immers, dat geen van hen voor lijden bewaard bleef."

En Gösta ziet ze allen aan. Ach, daar zitten ze allen even ernstig en luisteren naar die muziek, die niemand hooren kan.

Plotseling wordt Löwenborg in zijn droomen gestoord door een vroolijk lachen. Hij heft de handen van de toetsen en luistert als in geestvervoering. Dat is Gösta Berling's oude lach! Zijn goed vriendelijk, aanstekelijk lachen. 't Is de lieflijkste muziek, die de oude in zijn leven gehoord heeft.

"Wist ik het niet, dat Beethoven je helpen zou, Gösta?" barstte hij uit. "Nu ben je immers beter!"

Zóo was het, dat de goede vrouw Musica Gösta Berling's melancholie genas.

XXI.

DE PREDIKANT VAN BROBY.

Liefde, gij almachtige, gij weet wel, dat het soms schijnt, alsof een mensch zich aan uw macht heeft ontworsteld. Alle zachte gevoelens, die de menschen vereenigen, schijnen in zijn hart gestorven. Reeds strekt de waanzin zijn klauwen uit naar den ongelukkige; maar dan komt gij in uwe almacht, gij 's levens goede engel en 't verschrompelde hart bloeit opnieuw als de staf van den heilige.

Niemand kan gieriger zijn dan de predikant van Broby, niemand meer van alle menschen verwijderd dan hij door boosheid en onbarmhartigheid. Zijn kamers worden den heelen winter niet verwarmd, hij zit op een ongeverfde houten bank, hij kleedt zich in lompen, leeft van droog brood en wordt woedend als een bedelaar bij hem aanklopt. Hij laat het paard honger lijden in den stal en verkoopt het hooi; zijn koeien knagen 't dorre gras aan den kant van den weg en 't mos van de huismuren, en men kan zijn uitgehongerde schapen tot op den weg hooren blaten.

De boeren gooien hem 't eten toe, wat de honden niet willen eten en de kleeren, die de armen niet meer willen dragen. Zijn hand is steeds uitgestrekt om te bedelen, zijn rug gebogen om te danken. Zoodra hij een muntstuk ziet, trilt zijn hart van onrust, tot het in zijn zak zit en wee hem, die niet op den vervaldag zijn pacht betaalt.

Hij trouwde laat, en 't was beter geweest als hij 't nooit gedaan had. Van verdriet en vermoeienis stierf zijn vrouw. Nu dient zijn dochter bij vreemden. Hij wordt oud; maar de ouderdom verlicht zijn zwaren arbeid niet. De waanzin der gierigheid is over hem gekomen.

Maar op een schoonen dag in 't begin van Augustus komt een zware koets, door vier paarden getrokken, den Brobyheuvel op. Een deftige oude dame komt aanrijden in galatoilet met koetsier en palfrenier en een juffrouw van gezelschap. Zij komt den predikant van Broby bezoeken. Zij heeft hem gekend in haar jeugd.

Zij hadden elkaar liefgehad, terwijl hij huisonderwijzer was op het buiten van haar vader, maar haar trotsche familie belette het huwelijk. En nu komt zij den Brobyheuvel oprijden om hem te zien, vóór zij sterft. Alles wat het leven haar nog geven kan is den geliefde van haar jeugd weer te zien.

De deftige oude dame zit te droomen in haar koets. Zij rijdt niet den Brobyheuvel op naar een kleine, armoedige pastorie. Zij is op weg naar 't koele, donkere prieel beneden in 't park, waar haar geliefde wacht. Zij ziet hem voor zich! Hij is jong, hij kust haar, hij heeft haar lief. Nu ze weet dat ze hem zien zal, stijgt zijn beeld voor haar op met wonderlijke helderheid. Hoe mooi is hij toch. Hij kan dwepen, hij kan gloeien, hij vult haar ziel met verrukking.

Nu is ze geel bleek, vervallen en oud. Hij herkent haar misschien niet, zestig jaar oud, als ze nu is, maar ze komt ook niet om gezien te worden, maar om te zien, om den geliefde van haar jeugd te zien, die ongedeerd door den tand des tijds, nog altijd jong en mooi en warm van hart is.

Zij komt ver weg, zoo ver weg, dat ze nooit iets van een predikant van Broby gehoord heeft.

Nu ratelt de koets den heuvel op en nu ziet zij de pastorie boven op den top liggen.

"Om Godswil," jammert een bedelaar aan den kant van den weg, "geef een arm man een penning."

De voorname dame geeft hem een zilverstuk en vraagt of de pastorie van Broby hier dicht bij is.

De bedelaar ziet haar met sluwen, scherpen blik aan. "De pastorie ligt daar," zegt hij, "maar de dominé is niet thuis; er is niemand thuis in de pastorie."

De deftige oude dame ziet er uit alsof ze een flauwte nabij was. Het koele prieel verdwijnt, haar geliefde is er niet. Hoe kon ze ook hopen hem na veertig jaar terug te vinden.

Wat wilde de freule in de pastorie!

De freule was gekomen om den dominé te bezoeken. Zij had hem vroeger gekend.

Zestig mijlen en veertig jaar hadden hen gescheiden. En bij elke mijl, die ze dichterbij gekomen is, heeft ze een jaar achter zich gelaten met al zijn lasten en zorgen. En nu ze de pastorie heeft bereikt is ze weer een twintigjarig meisje zonder zorg en zonder herinneringen.

De bedelaar staat haar aan te zien en voor zijn oogen wordt ze van zestig twintig en van twintig weer zestig jaar oud.

"De dominé komt van middag weer thuis," zegt hij. "De freule doet 't best met naar de herberg in Bro te rijden en van middag weer terug te komen. Dan sta ik er voor in, dat hij weer thuis is."

Een oogenblik later rolt de zware koets met de kleine oude dame den heuvel af naar de herberg; maar de bedelaar staat haar na te zien en beeft over 't heele lichaam. Hij had wel op de knieën willen vallen en 't wagenspoor kussen.

Keurig gekleed, gewasschen en geschoren, met schoenen met glimmende gespen aan, met zijden kousen, met geplooide kraag en manchetten staat de dominé van Broby op dien zelfden middag voor de vrouw van den proost in Bro.

"Een deftige dame, de dochter van een graaf! hoe kunt u meenen, dat ik, arme man! die in mijn huis noodigen kan. Mijn vloeren zijn zwart, mijn mooie kamer is zonder meubelen, de zolder in de zaal is groen van schimmel en vocht! Help mij, lieve Mevrouw. Denk er aan dat ze de dochter van een graaf is!"

"Kunt u niet zeggen dat u op reis is."

"Lieve Mevrouw, ze heeft 40 mijl gereisd om mij, arme man! te zien. Ze weet niet hoe ik het heb. Ik heb geen bed om haar te logeeren. Ik heb niet eens een bed voor haar dienstboden."

"Welnu, laat haar dan heengaan."

"Lieve, beste Mevrouw! Begrijpt u dan niet wat ik meen? Ik wil liever alles geven wat ik heb, alles wat ik met vlijt en moeite heb bijeen gegaard, dan dat ze weg zou gaan, zonder dat ik haar onder mijn dak ontvangen had. Ze was twintig jaar, toen ik haar het laatst zag; dat is nu veertig jaar geleden, denk daarom, lieve Mevrouw. Help mij, zoodat ik haar bij mij ontvangen kan. Hier is geld als dat helpen kan, maar hier is meer dan geld noodig."

O, Eros, de vrouwen hebben U lief. Ze doen liever honderd moeielijke dingen voor U, dan één voor andere goden.

In 't huis van den proost worden kamers en de keuken en de provisiekamer leeggedragen.

Als de proost van zijn catechisatie terugkomt, vindt hij de kamers leeg en kijkt om de deur van de keuken om naar zijn middageten te vragen en vindt daar niemand. Geen eten, zijn vrouw is er niet en evenmin de dienstboden. Wat is daaraan te doen! Eros wil het zoo. Eros, de machtige!

En op den middag komt dan de zware wagen den Brobyheuvel opschommelen. En het kleine oude dametje zit er aan te denken of er nu niet weer een nieuwe tegenspoed komen zal, en of het nu werkelijk waar is dat zij de eenige vreugde van haar leven genieten zal.

En daar draait de koets de pastorie in, maar houdt stil in het hek. Het groote hek is te klein, de koets te breed. De koetsier knalt met de zweep. De paarden zetten aan, de knecht vloekt, maar 't achterste wiel van de koets zit vast en blijft vast zitten. De gravendochter kan niet in den tuin van haar geliefde komen.

Maar daar komt iemand. Hij is het! Hij licht haar uit den wagen. Hij draagt haar met onverzwakte kracht en drukt haar in de armen even warm als vroeger voor veertig jaar. Zij ziet hem in de oogen. Zij stralen, zooals ze deden toen ze nog pas vijf en twintig zomers gezien hadden.

Een storm van aandoeningen, een stroom van warmte bruist haar door de ziel. Ze herinnert zich, dat hij haar eens de trap van 't terras heeft opgedragen. Ze had gemeend dat haar liefde al die jaren geleefd had, maar ze was toch vergeten wat het was, in sterke armen gesloten te worden en in jonge, stralende oogen te zien.

Zij ziet niet dat hij oud is. Zij ziet alleen in zijn oogen.

Zij ziet de zwarte vloeren niet, noch de zolderingen die groen van vochtigheid zijn, zij ziet alleen zijn stralende oogen. De predikant van Broby is een statig man. Hij is zelfs mooi op dit oogenblik. Hij wordt innemend alleen door haar aan te zien. Hij hoort zijn stem, zijn heldere, sterke stem, die klinkt als een liefkozing. Zóó spreekt hij alleen tot haar. Wat had hij toch meubels van den proost noodig in zijn leege kamers, wat had hij eten en dienstboden van noode. De oude dame zou dat alles bijna niet gemist hebben.

Hoort zij zijn stem niet? Ziet ze zijn oogen niet? Nooit, nooit te voren is ze zóo gelukkig geweest. Hoe sierlijk buigt hij, sierlijk en fier als was zij een vorstin en hij haar gunsteling. Hij spreekt zooals ouden van dagen doen, met vele stereotype gezegden, als hij tot haar spreekt.

Zij glimlacht maar en is gelukkig!

Tegen den avond biedt hij haar den arm en ze wandelen in zijn ouden vervallen tuin. Zij ziet niet dat die leelijk en slecht onderhouden is; vergroeide struiken worden tot geschoren hagen, 't onkruid tot zachte, smaragdgroene grasperken in haar oogen. Lange lanen beschaduwen haar en door 't donkere loof ziet zij witte beelden schemeren van jeugd, trouw, hoop en liefde.

Ze weet, dat hij getrouwd geweest is, maar ze denkt er niet aan. Hij is immers vijf en twintig, zij twintig jaar. Hij is zeker niet ouder, jong en vol kracht als hij is. Is hij dezelfde, die eens de gierige dominé van Bro worden zal. Hij! die glimlachende jongeling? Soms suist het in zijn ooren. Zouden 't boden van een donkere toekomst zijn? Maar de ellende der armen, de vloek der bedrogenen, de schimpscheuten der verachting, de spotliederen, de hoon, dat alles bestaat nog niet voor hem. Zijn hart brandt van eene reine, onschuldige liefde. Die fiere, jonge man zal nooit geld zóó liefhebben, dat hij in 't stof, ja in 't vuil kruipen zal om het op te rapen, van de voorbijgangers bedelen, vernedering, schande, koude en honger verdragen om het machtig te worden. Zal hij zijn kind honger laten lijden, zijn vrouw pijn doen, alleen om dat ellendige geld! Dat is immers onmogelijk. Zoo kan hij niet zijn. Hij is een goed mensch, zooals anderen. Hij is geen monster.

De geliefde van zijn jeugd gaat niet aan de zijde van een verachte ellendeling, die 't ambt, dat hij gewaagd heeft te aanvaarden, onwaardig is. Neen, Eros, almachtige God, ten minste dezen avond niet. Dezen avond is hij niet de predikant van Broby en ook den volgenden en den daaropvolgenden niet.

Den dag daarna vertrekt zij. Het hek is breeder gemaakt. De koets rolt den Brobyheuvel af zoo snel als uitgeruste paarden loopen kunnen.

Welk een droom, welk een heerlijken droom! Geen enkele wolk in al die drie dagen.

Zij reed glimlachende terug naar haar kasteel en haar herinneringen. Nooit hoorde zij zijn naam meer noemen, zij vroeg nooit naar hem. Zij wenschte niet anders dan dezen droom steeds weer te droomen, zoolang ze leefde.

De predikant van Broby zat in zijn eenzaam huis en schreide, schreide als een wanhopende. Zij had hem jong gemaakt! Zou hij nu weer oud moeten worden? Zou de booze geest terugkomen? Zou hij weer verachtelijk moeten worden, verachtelijk als hij geweest was?

XXII.

DE HEILIGENBEELDEN.

De kerk van Svartsjö is wit van binnen en van buiten; de wanden zijn wit, de preekstoel, de banken, de zolder, de vensterbanken, het altaarkleed--alles is wit. In de kerk van Svartsjö zijn geen sieraden, geen schilderijen, geen wapens. Boven 't altaar ziet men alleen een houten kruis en een witte doek.

Vroeger was dat alles anders. Toen was de zolder geschilderd en allerlei bonte figuren van steen en klei stonden in dit godshuis.