Part 20
Zijn huis is met graszoden gedekt en maar éen verdieping hoog. 't Lag aan den zoom van 't woud, met den berg achter zich en 't lange dal voor zich. Er was niets bijzonders aan te zien. Er was geen meer, geen waterval, geen strand en geen park, maar het was toch mooi! 't Was mooi omdat het een goed, vreedzaam thuis was. Daar was 't leven licht. Alles wat elders bitterheid en haat gebaard zou hebben, werd daar met zachtheid verholpen. Zoo moest het zijn in een tehuis.
Binnen in 't huis ligt de huismoeder te slapen in een kamer, die op den tuin uitziet. Ze wordt plotseling wakker en luistert, maar ze beweegt zich niet. De muziek komt al dichter en dichter bij en eindelijk is het, alsof de speelman onder haar venster blijft staan. 't Is niet de eerste keer, dat ze die viool onder haar venster hoort. Zóó pleegt haar man te komen, als ze op Ekeby een ongewoon wilden streek hebben uitgehaald.
Hij staat daar en biecht en vraagt om vergeving. Hij vertelt haar van de duistere machten, die hem weglokken van wat hij 't liefste heeft: van haar en de kinderen. Want hij heeft hen lief. Waarachtig! Hij heeft hen lief.
Terwijl hij spreekt, staat ze op en kleedt zich aan, zonder eigenlijk te weten, wat ze doet. Ze is geheel verdiept in zijn spel.
"'t Zijn geen weelde, geen uitspattingen, die me weglokken," speelt hij. "Geen liefde voor andere vrouwen, geen eer, maar de bekoorlijke veelzijdigheid van 't leven. Ik moet er al de schoonheid, de bitterheid, den rijkdom van voelen om mij heen. Maar nu heb er genoeg van, ik ben moe en verzadigd. Ik wil mijn huis niet meer verlaten. Vergeef me, heb geduld met me."
Dan trekt ze 't gordijn op zij en hij ziet haar mooi, goed gezicht.
Ze is goed en ze is verstandig. Haar oogen brengen, als de zon, zegen over alles wat ze bestralen. Zij bestuurt en bewaakt het huis. Waar zij is, moet alles groeien en gedijen. Zij draagt het geluk met zich meê.
Hij springt op de vensterbank bij haar en is gelukkig als een bruidegom.
En hij licht haar op in zijn armen en zet haar in den tuin onder de appelboomen. Daar zegt hij haar hoe mooi alles is en wijst haar de groentebedden en de tuin van de kinderen en de aardige, vroolijke peterselieblaadjes.
Als de kinderen wakker worden is er groote verrukking en luid gejubel, omdat vader gekomen is. Ze leggen beslag op hem. Hij moet al het nieuwe en merkwaardige zien, 't kleine molentje, dat ze aan de beek gemaakt hebben, 't vogelnestje in den wilgenboom en de kleine karpers in den vijver, die bij duizenden in den waterspiegel zwemmen.
En dan maken vader, moeder en alle kinderen een lange wandeling over de velden.
Hij moet zien, hoe dik de rogge staat, hoe de klaver groeit en hoe de aardappelen hun gekrulde bladen beginnen op te steken uit de aarde.
Hij moet de koeien zien, als ze thuis komen van 't veld, de jonggeboren kalfjes en lammetjes begroeten, naar eieren zoeken en alle paarden suiker geven.
De kinderen hangen den heelen dag aan zijn arm. Geen lessen, geen werk, maar alleen met vader rondzwerven.
En 's avonds speelt hij polka's voor hen en den heelen dag is hij zulk een vriend en speelkameraad voor hen, dat ze in slaap vallen met het smeekend verzoek of vader nu altijd bij hen blijven wil.
Hij blijft ook acht heele dagen en is al dien tijd gelukkig als een kind. Hij is verliefd op alles thuis, op vrouw en kinderen en denkt niet aan Ekeby.
Maar dan komt er een morgen, dat hij weer weg is. Hij kon het niet langer dragen, het was te veel geluk voor hem.
Ekeby was duizendmaal minder; maar Ekeby lag midden in den stroom der groote gebeurtenissen. Och! wat was daar veel om over te droomen en te musiceeren. Hoe kon men toch leven zonder de heldendaden der kavaliers en het lange Löfvenmeer, waar de wilde jacht van het avontuurlijke om heen bruischte.
Op zijn hoeve ging alles den ouden rustigen gang. Alles groeide en gedijde onder de zorg van de vriendelijke huismoeder. Allen daar op de hoeve waren stil gelukkig. Alles wat op andere plaatsen tweedracht en bitterheid gebaard zou hebben, ging daar zonder klacht of verdriet. Alles was zooals 't behoorde. Als nu de heer des huizes verlangde als kavalier op Ekeby te leven, wat zou dat? Helpt het wat er over te klagen, dat de zon 's avonds in 't westen ondergaat en de aarde in duisternis achterlaat?
Wie is onbedwingbaar zonder onderwerping! Wie is zeker van overwinning zonder geduld!
XVIII.
DE HEKS VAN DOVRE.
De heks van Dovre gaat langs den oever van 't Löfvenmeer. Men heeft haar zien loopen; ze is klein, heeft een ronden rug, draagt een kleed van bont met een gordel met zilver beslag. Waarom komt ze van de holen der wolven bij de menschenwoningen? Wat zoekt de oude van de rotsen in de groene dalen?
Ze komt bedelen. Ze is begeerig naar gaven, hoe rijk ze ook is. In de bergkloven heeft ze groote, witte zilveren staven liggen en op sappige weiden, diep tusschen de rotsen verborgen, grazen haar groote kudden zwarte koeien met gouden horens. En toch loopt ze met schoenen van boomschors en een smerig kleed van bont, waarvan de gekleurde rand nauwelijks meer te onderscheiden is door 't eeuwenoude vuil. Ze stopt haar pijp met mos en bedelt ook bij de armste. Maar niemand heeft er pleizier in haar wat te geven;--ze bedankt nooit en heeft nooit genoeg.
Ze is oud. Hoe lang is 't wel geleden, dat de lichte glans der jeugd lag over 't breede bruine gezicht, dat nu glimt van vet;--over den platten neus en de oogen die nu onder het vuil glinsteren als gloeiende kolen onder de asch? Hoe lang is 't geleden, dat ze als een klein meisje op de bergweide zat, en met haar horen de herdersknapen antwoordde op hun liefdesliedjes? Ze heeft verscheidene eeuwen geleefd. De oudste menschen herinneren zich den tijd niet, dat zij niet door 't land ging. Hun vaders hebben haar al oud gezien, toen zij zelf nog jong waren. En nog is ze niet dood. Ik, die dit schrijf, heb haar zelf gezien.
Machtig is ze, de dochter der Finnen. Ervaren in tooverkunst. Ze buigt nergens voor. Haar breede voeten zetten vaste sporen in 't grint van den weg. Zij roept de hagel op en bestuurt den bliksem. Zij doet de koeien verdwalen, en hitst de wolven op de schapen aan. Ze kan veel kwaad, maar weinig goed doen. 't Is 't beste haar te vriend te houden. Vraagt ze u uw eenige geit af, geef haar die dan; anders valt uw paard, anders brandt uw huis af, of de koe wordt ziek, of uw kind sterft, of uw zuinige vrouw verliest haar verstand.
Nergens is ze welkom; en toch moet ze liefst ontvangen worden met een glimlach. Want wie weet waarom ze komt? Haar bedoeling is niet enkel haar bedelzak gevuld te krijgen. Booze teekenen vergezellen haar. Vossen en uilen huilen onheilspellend in de schemering en afschuwelijke roode en zwarte slangen, die etter spuwen, komen te voorschijn uit het bosch en kruipen tot vlak bij den drempel.
Ze is trotsch. Haar hoofd bevat de groote wijsheid harer vaderen. En dat verheft den geest. Sterke runen zijn gegrift in haar staf; die verkoopt ze niet voor al het goud uit het dal. Tooverliederen kan ze zingen, tooverkruiden koken, ze kan tooverschoten doen knallen over 't meer, stormknoopen kan ze binden.
Wat denkt ze wel, zij die komt uit de duisternis der bosschen, van de geweldige rotsen, wat denkt ze wel van het volk in het dal. Voor haar, die aan Thor, den reuzendooder, gelooft en aan de machtige goden der Finnen, zijn de Christenen als tamme huishonden voor de wolven. Zij die vrij is als de sneeuwstorm, sterk als de waterval, kan nooit de kinderen van de vlakte liefhebben. Toch komt ze vaak van de bergen af naar hun dwergenmaniertjes kijken. De menschen rillen van schrik als ze haar zien; maar de sterke dochter der eenzame woeste velden gaat rustig tusschen hen door, veilig door den schrik, dien ze verspreidt. De heldendaden van haar stam zijn niet vergeten, zoo min als haar eigene. Zooals de kat op haar klauwen vertrouwt, zoo vertrouwt zij op de wijsheid in haar hersens en op de kracht van de tooverliederen der oude goden. Geen koning is zekerder van zijn macht als zij van 't rijk des schriks, waar zij regeert. Zoo is de heks al door veel gemeenten getrokken. Nu is ze naar Borg gekomen, en ze ontziet zich niet het grafelijk goed op te gaan. Zelden gaat ze de keuken door. Ze gaat regelrecht de trappen van het terras op; ze zet haar groote schoenen van boomschors op de met bloemen omzoomde paden, even kalm alsof ze op 't bergpad wandelt.
Nu treft het juist, dat gravin Märta naar buiten is gekomen om de pracht van den Junidag te genieten.
Beneden in den tuin houden twee dienstmeisjes stil op den weg naar de provisiekamer. Ze komen uit de rookkamer, waar het vleesch gerookt wordt en dragen een versch gerookten ham aan een stang tusschen zich in. "Wil mevrouw de gravin eens naar den ham zien?" zeggen de meisjes, "en eens ruiken of die genoeg gerookt is?"
Gravin Märta, die nu huismoeder op Borg is, buigt over de leuning van de trap van 't terras en ziet naar den ham, maar op 't zelfde oogenblik legt de finsche vrouw de hand op een van de hammen.
Zie toch eens dat bruine, glimmende zwoerd, die dikke vetlaag. Die frissche lucht van pas gerookten ham. 't Is godenspijs! Die moet de heks hebben! Daarom legt ze haar hand op den ham.
De dochter der bergen is niet gewend te smeeken en te vragen. Is het niet van haar genade, dat menschen en kruiden leven?
Vorst en onweer en overstrooming, alles heeft ze in haar macht. Daarom past het haar niet te vragen of te smeeken. Zij legt haar hand op wat ze wenscht en dat is het hare.
Maar gravin Märta weet niet van de macht der oude. "Weg, bedelaarster!" zegt ze.
"Geef mij dien ham," zegt de heks van Dovre, wie de wolven dienen.
"Je bent dwaas!" riep de gravin en beveelt de meisjes het vleesch in de provisiekamer te brengen.
De oogen van de honderdjarige schieten vlammen van toorn en van begeerte. "Geef mij dien bruinen ham!" herhaalt ze, "of je zult er berouw van hebben."
"'k Geef hem nog liever aan de eksters, als aan zoo een als jij bent."
Dan trilt de oude van woede. Ze steekt haar staf met runen op en zwaait die wild.
Haar lippen mompelen wonderlijke woorden. Heur haar rijst te berge, haar oogen vonkelen, en haar gezicht is vertrokken.
"Jou zelf zullen de eksters opvreten!" schreeuwt ze eindelijk.
En daarop gaat ze heen, terwijl ze vloeken mompelt en woest met haar staf zwaait. Nu gaat ze weer naar huis; verder naar 't zuiden gaat ze niet. Nu heeft ze gedaan, wat ze doen moest, waarom zij van de bergen naar 't dal trok.
Gravin Märta blijft op 't terras staan en lacht om haar onredelijke boosheid, maar weldra versterft de lach op haar lippen. Want, daar komen ze! Zij kan haar eigen oogen niet gelooven. Ze meent dat ze droomt; maar ze komen--de eksters die haar zullen verslinden. Uit 't park en den tuin komen ze aansuizen en dalen op haar neer, eksters bij honderdtallen met de klauwen gespannen en den bek vooruit om haar te pikken. Ze komen met gekras en geschreeuw. Zwarte en witte vleugels schitteren voor haar oogen. Duizelend ziet ze achter dien zwerm alle eksters uit die streek aanvliegen, de heele lucht is vol van witte en zwarte vleugels. De metaalgloed der veeren glimt in de morgenzon. De staartveeren ruischen als bij vechtende roofvogels. In steeds kleiner kringen vliegen de monsters om de gravin heen en mikken met snavel en klauwen naar haar gezicht. Ze moet in de vestibule vluchten en de deur sluiten. Zij tuimelt naar binnen, ademloos van angst, terwijl de schreeuwende eksters buiten rondvliegen.
Maar nu was ze ook voor goed afgesloten van de heerlijke schoonheid van den zomer en van 's levens vreugde. Voor haar bleef er nu niet meer over dan gesloten kamers en neergelaten gordijnen, voor haar was er slechts angst, vertwijfeling en verwarring, die aan waanzin grensde.
Deze vertelling kan ook wel waanzin lijken, maar ze moet toch waar zijn. Er leven honderden oude menschen, die haar kennen en getuigen willen, dat zóó de sage luidt.
De vogels bleven zitten op de leuning van de trap en op 't dak. Ze zaten daar, alsof ze maar wachtten tot de gravin zich vertoonen zou om haar aan te vliegen. Zij maakten hun nesten in 't park en bleven daar. 't Was onmogelijk ze te verjagen van 't landgoed. Als men op ze schoot werd het maar erger; want voor ieder ekster, die er viel, kwamen er tien nieuwe aanvliegen. Soms moesten er wel velen van hen weg om eten te zoeken, maar ze lieten altijd vertrouwde schildwachten achter. En als gravin Märta zich maar vertoonde, als ze maar uit een venster keek of maar even een gordijn op zij schoof--dan kwamen ze dadelijk. Heel de vreeselijke zwerm kwam naar 't woonhuis met bruisenden vleugelslag en de gravin vluchtte naar haar kamer midden in 't huis.
Zij bleef eindelijk in de slaapkamer, die op de roode zaal uitkwam. Ik heb vaak de kamer hooren beschrijven, zooals die er in dien vreeselijken tijd uitzag, toen Borg door de eksters belegerd werd. Zware gordijnen voor deuren en vensters, dikke kleeden op den grond, sluipende, fluisterende menschen.
In 't hart der gravin was ontzetting. Heur haar werd grijs. Haar huid kreeg rimpels. In één maand werd ze een oude vrouw.
Ze kon haar hart niet stalen tot twijfel aan de booze toovermacht; 's nachts werd ze met een schok wakker uit vreeselijke droomen en riep, dat de eksters haar zouden verslinden. Zij schreide dagen achtereen over dit lot, wat ze niet ontgaan kon. Ze schuwde de menschen uit angst, dat de vogelzwerm ieder die binnenkwam, op den voet zou volgen en meest zat ze stil, met de handen voor het gezicht en wiegde heen en weer in haar leuningstoel, ziek en ontstemd door de benauwde lucht en barstte dikwijls in klachten en gejammer uit.
Geen menschenlot kon bitterder zijn.
Wie kan laten haar te beklagen?
Ik heb nu niet veel meer van haar te vertellen en wat ik verteld heb, was niet veel goeds. 't Is alsof mijn geweten me beschuldigt. Ze was toch goedig en vroolijk, toen ze nog jong was en menig genoegelijk verhaal over haar heeft mijn hart verheugd, hoewel ze in dit boek geen plaats vonden.
Maar 't is maar waar, al wist die arme stumperd het niet, dat de ziel altijd om voedsel vraagt. Van sieraden en spel kan ze niet leven. En als ze geen voedsel krijgt, verscheurt ze als een wild dier eerst anderen en dan zich zelf.
XIX.
HET ZOMERFEEST.
't Was midden in den zomer, evenals nu ik dit schrijf. De heerlijkste tijd van het jaar was gekomen.
In dien tijd werd Sintram, de booze eigenaar van Fors, angstig en treurig. Hij ergerde zich over de overwinning van 't licht en de nederlaag van de duisternis.
Hij was boos over den mantel van bladen, dien de boomen hadden omgeslagen en over 't bontgekleurde kleed, dat de velden bedekte.
Alles hulde zich in schoonheid. Zelfs de weg, hoe nat en vuil hij ook was, werd met bloemen omzoomd, met gele en paarse bloemen.
Toen de pracht van den langsten dag over de bergen lag en 't klokgelui uit de kerk van Bro door den wind naar Fors gedragen werd, stond Sintram op in toorn. 't Scheen hem alsof God en menschen waagden hem te vergeten en hij besloot ook naar de kerk te gaan.
Zij die over den zomer jubelden, zouden eens zien dat hij er nog was, hij Sintram, die de duisternis zonder morgen, den dood zonder opstanding, den winter zonder lente liefheeft.
Hij deed zijn wolvenpels aan en de ruige bonten wanten. Hij liet zijn rood paard voor de kapslee spannen en liet bellen aan 't glanzende, fraai versierde tuig hangen. En gekleed alsof er een kou van dertig graden heerschte reed hij naar de kerk. Hij meende, dat het knarsen onder de slee van de scherpe kou kwam. Hij meende dat 't witte schuim op den rug van 't paard rijp was. Hij voelde geen warmte. Van hem ging kou uit, zooals warmte uitstraalt van de zon.
Hij reed over de groote vlakte ten noorden van Bro. Groote, welvarende dorpen kwam hij voorbij en velden, waarboven de zingende leeuwerikken fladderden. Nooit heb ik de leeuwerikken hooren zingen als over die velden. Dikwijls heb ik er me over verwonderd hoe hij doof kon zijn voor die honderden zangers.
Veel moest hij voorbij op zijn weg wat hem geërgerd zou hebben, als hij er naar gekeken had. Hij zou dan voor elke deur twee wuivende berken gezien hebben en door open vensters zou hij in kamers gezien hebben, waarvan de wanden en den zolder met bloemen en groen versierd waren. 't Armste bedelkind liep op den weg met een tak seringen in de hand en elke boerenvrouw had een bouquetje in haar zakdoek gestoken.
Meiboomen met verwelkte bloemen en slap hangende kransen stonden op de hoeven. Daaromheen was het gras plat getrapt, want de vroolijke dansmuziek had er geklonken in den zomernacht.
Beneden op 't Löfvenmeer wemelde 't van houtvlotten. De kleine witte zeilen waren opgeheschen ter eere van den dag, hoewel de wind ze niet deed zwellen en elke masttop droeg een groenen krans.
Op de vele wegen die naar Bro voerden, kwamen de kerkgangers aanwandelen. De vrouwen waren vooral fraai uitgedoscht in haar lichte zelfgeweven zomerkleeren, die juist voor dien dag gemaakt waren.
Allen waren in feestgewaad.
En de menschen waren een en al vreugde over de vrede van den heiligendag en de rust na het werk van de week, over de liefelijke warmte, over den veelbelovenden oogst en de aardbeien, die aan de kant van 't pad al rood begonnen te worden. Zij letten op de stilte in de lucht, den hemel zonder wolken en 't gezang van den leeuwerik en zeiden:
"Is 't niet alsof dit een dag des Heeren is?"
Daar kwam Sintram aanrijden. Hij vloekte en zwaaide de zweep over het steigerende paard. 't Zand knarste leelijk onder zijn slee, 't gerinkel van zijn bellen verdrong 't luiden van de kerkklok.
Zijn voorhoofd was in toornige rimpels samengetrokken onder de pelsmuts.
De kerkgangers rilden en meenden, dat ze den Booze zelf gezien hadden. Zelfs vandaag op 't zomerfeest konden zij 't booze en de koude niet vergeten. Bitter is 't lot van hen, die hier op aarde zijn.
De menschen, die in de schaduw van de kerk stonden, of op den muur van 't kerkhof zaten te wachten op 't begin van de godsdienstoefening, zagen hem met stille verwondering aan, toen hij naar de kerkdeur ging. Zoo pas nog had de heerlijke dag hun hart met vreugde over 't leven vervuld; toen ze Sintram zagen, kwam een voorgevoel van onheil over hen.
Sintram trad de kerk in en nam plaats in zijn stoel, sloeg met zijn wanten op de bank, zoodat 't gerammel van de wolfsklauwen, die aan de pels genaaid waren, door de heele kerk klonk. En enkele vrouwen, die al op de voorste banken hadden plaats genomen, vielen flauw en moesten weggedragen worden.
Maar niemand waagde 't Sintram te verjagen. Hij stoorde hun aandacht, maar allen waren te bang voor hem, dan dat iemand hem durfde te bevelen de kerk te verlaten.
Vergeefs sprak de oude predikant over de lichtende hoogtij van den zomer. Niemand luisterde naar hem. De menschen dachten alleen aan 't booze en aan de kou en aan 't onheil, dat de booze grondeigenaar over hen brengen zou.
Toen de godsdienstoefening voorbij was zag men den booze naar de helling gaan waar de kerk van Bro ligt. Hij zag neer op het water en volgde het voorbij de pastorie tot waar het in 't Löfvenmeer valt. En men zag hoe hij de vuist balde en die schudde tegen 't bovenste gedeelte van 't meer en zijn groene oevers. Daarop gleden zijn blikken zuidwaarts over 't benedenmeer tot aan de blauwende landtongen, die 't meer schenen af te sluiten. En voorwaarts vlogen ze, mijlen ver voorbij Gurlita Klätt tot Björnide waar 't meer ophoudt. Hij zag naar 't westen en 't oosten waar de hooge bergen 't dal omzoomen en hij balde opnieuw de vuist. En ieder voelde, dat als hij een bundel bliksemstralen in zijn rechterhand gehad had, hij die met woeste blijdschap over 't rustige land geslingerd zou hebben en dood en ellende verspreid zoover hij kon. Want nu had hij zijn hart zoozeer aan 't kwaad gewend, dat hij alleen in jammer en smart behagen schepte. Langzamerhand had hij zich gewend al wat laag en leelijk was lief te hebben; hij was krankzinniger dan de meest woeste waanzinnige; maar dat begreep niemand.
Er gingen na dien dag wonderlijke verhalen door 't land. Er werd gezegd, dat toen de kerkknecht de kerk kwam sluiten, de kop van den sleutel brak, omdat een hard samengevouwen papier in het sleutelgat stak. Hij gaf het aan den proost. Het was, zooals men wel begrijpen kon, een brief, een waarschuwing uit de andere wereld.
Men fluisterde over den inhoud. De proost had het papier verbrand, maar de kerkknecht was er bij geweest toen het duivelstuig brandde. De letters hadden rood op zwarten grond gegloeid. Hij kon niet laten het te lezen.
Hij las, zei men, dat de Booze 't land verwoesten zou, zoover men den kerktoren van Bro kon zien. Hij wilde 't woud de kerk zien verdringen. Hij wilde de beren en raven zien huizen in de woningen der menschen.
De akkers zouden braak liggen, en men zou geen hond of haan op de velden hooren. De Booze zou zijn heer dienen door leed over alle menschen te brengen. Dat was wat hij beloofde.
En de menschen wachtten in stille vertwijfeling op de dingen, die komen zouden; want zij wisten, dat de macht van den Booze groot was, dat hij al wat leefde haatte, dat hij verwildering wilde zien komen over 't dal en gaarne oorlog of pest of hongersnood te hulp zou roepen om ieder te verdrijven, die den gezegenden, vreugde brengenden arbeid liefhad.
XX.
VROUW MUSICA.
Toen nu niets meer Gösta Berling genoegen kon doen, nadat hij de jonge gravin had helpen vluchten, besloten de kavaliers hulp te zoeken bij de goede vrouw Musica, die zoo machtig is en zooveel ongelukkigen troost. Daarom lieten zij op een Juliavond de deuren van de groote zaal te Ekeby opendoen en de luiken er van de vensters nemen. De zon en de lucht werden binnengelaten, de groote roode avondzon en de koele, zachte, met geuren verzadigde avondlucht. De gestreepte overtrekken werden van de meubels genomen, de piano werd open gemaakt en het gaas van de Venetiaansche kronen afgedaan. De vergulde gieren onder de wit marmeren tafels mochten weer schitteren in 't licht; de witte godinnen dansten weer in 't zwarte veld boven de spiegels; de verschillende bloemen in 't zijden damast glinsterden in 't avondrood. Er werden rozen geplukt en in 't water gezet, en de geheele zaal werd met hun geur vervuld. 't Waren wonderlijke rozen, wier naam niemand kende en die uit vreemde landen naar Ekeby waren gekomen. Daar waren gele rozen, in wier aderen het bloed rood was als dat van een mensch, en roomkleurige met donzen randen, en lichtroode met groote bladeren, die buiten aan den rand kleurloos werden als water, en donkerroode met zwarte schaduwen. Zij brachten alle rozen van Altring binnen, die uit verre landen gekomen waren, om de oogen van schoone vrouwen te verlustigen.
Dan halen zij muziek en muzieklessenaars naar binnen en koperen instrumenten en strijkstokken en violen van allerlei grootte. Want nu zal de goede vrouw Musica op Ekeby regeeren en beproeven Gösta Berling te troosten.
Vrouw Musica heeft de Oxford-symphonie van Vader Haydn gekozen, en de kavaliers repeteeren die. Patroon Julius zwaait den dirigeerstok en ieder bespeelt zijn eigen instrument. Alle kavaliers kunnen spelen; anders zouden ze immers geen kavaliers zijn.
Als alles klaar is, zenden zij een bode naar Gösta Berling. Hij is voortdurend mat en moedeloos; maar hij verheugt zich over de prachtige zaal en over de mooie muziek, die hij nu zal hooren. Want dit is immers bekend genoeg, dat voor wie lijdt, de goede vrouw Musica het beste gezelschap is. Zij is vroolijk en schertst als een kind. Zij is vurig en innemend als een jonge vrouw. Zij is goed en wijs als de ouden van dagen, die een gezegend leven achter zich hebben.
En toen speelden de kavaliers zóó zacht, zóó teer, als een bijna onhoorbaar suizen.