Gösta Berling

Part 16

Chapter 164,096 wordsPublic domain

Maar de jonge orgelmaker bleef even vroolijk en zorgeloos en strooide glimlachjes en kleine diensten rond onder die smachtende vrouwen, die om hem kibbelden, als hij aan zijn werk was. En eindelijk kwam de dag, dat hij vertrekken moest.

Het rijtuig stond voor de deur. Zijn tasch was gepakt en in den wagen gebracht en de jonge man nam afscheid. Hij kuste Mevrouw Moraeus de hand, omhelsde de schreiende meisjes en kuste ze op de wang. Zelf schreide hij ook, omdat hij weg moest, want hij had een heerlijke zomer gehad in 't kleine grijze huisje. En eindelijk keek hij rond naar juffrouw Marie.

Daar kwam ze de zoldertrap af met haar beste kleeren aan, de gitaar om den hals aan een breed groen zijden lint. In de hand had ze een bouquet maandrozen, want dit jaar had haar moeders rozeboom gebloeid. Ze bleef voor den jongen man staan, tingelde op de guitaar en zong:

"Ge gaat van ons heen! O, kom spoedig terug Steeds wordt ge hier welkom geheeten! 't Geluk ga met u. O, wil nooit op uw tocht Een, die u zoo liefheeft vergeten!"

En toen stak ze de bloemen in zijn knoopsgat en kuste hem op den mond. Ja, dat deed ze en toen verdween ze de zoldertrap weer op! de oude ziel.

De liefde had zich op haar gewroken en haar tot spot van iedereen gemaakt. Maar zij sprak nooit meer kwaad van de liefde. Ze hing de gitaar niet meer weg en vergat nooit meer de rozeboom van haar moeder te verzorgen.

Zij had geleerd de liefde met al haar smart, haar tranen en verlangen lief te hebben.

"Beter bedroefd door liefde, dan vroolijk zonder haar," dacht ze.

De tijd ging voorbij. De Majoorske werd van Ekeby verjaagd. De kavaliers kregen de macht in handen en het gebeurde, zooals ik reeds verteld heb, dat Gösta op een Zondag avond een gedicht voorlas voor de gravin op Borg en zij hem de deur wees.

Er wordt verteld, dat toen Gösta de deur van Borg achter zich dichtsloeg, hij eenige sleden zag aanrijden. Hij wierp een blik op een kleine dame, die in de voorste zat. Hoe duister die ure ook voor hem was, 't werd nog duisterder voor hem toen hij haar zag. Hij haastte zich voort om niet herkend te worden, maar een voorgevoel van onheil vervulde zijn ziel. Had het gesprek daarbinnen die vrouw opgeroepen? 't Eene onheil baart gewoonlijk het andere.

De bedienden kwamen aanloopen. 't Zeil van de sleê werd losgemaakt. Wie kwam daar zoo onverwacht? Was 't werkelijk Märta Dohna, de wijdberoemde gravin zelf?

Zij was de vroolijkste en lichtzinnigste van alle vrouwen. De vreugde van deze wereld had haar op zijn troon gezet en haar tot zijn koningin gemaakt. Vermaken en grappen waren haar onderdanen. Spel en dans en avonturen waren haar deel bij de rolverdeeling van 't leven. Zij was nu niet ver van de vijftig, maar ze hoorde tot die wijze menschen, die de jaren niet tellen. "Wie de voeten niet meer voor een dans of den mond niet meer voor een glimlach bewegen kan, die is oud," zei ze. "Hem drukt de last der jaren. Mij niet."

De vreugd regeerde niet ongestoord in de dagen van haar jeugd. Maar 't was alsof de onveiligheid en de veranderlijkheid der omstandigheden haar vroolijk bestaan nog vroolijker maakte. De blijdschap met haar vlindervleugels hield den eenen dag feest bij de hofdames in Stockholm en danste den anderen dag in Parijs. Ze bezocht Napoleon op 't veld en voer op de vloot van Nelson over de blauwe Middellandsche zee; ze woonde een congres in Berlijn bij en waagde zich in Brussel op een bal, den nacht voor een beroemden veldslag. En waar de blijdschap was, daar was Märta Dohna haar uitverkorene.

Dansend, spelend en schertsend joeg gravin Dohna de wereld rond. Wat had ze al niet gezien, wat had ze niet beleefd? Tronen omgedanst, écarté om vorstendommen gespeeld en gelachen, terwijl verwoestende oorlogen Europa teisterden.

En als de vreugde geen plaats kon vinden op de tot in een slagveld veranderde wereld, placht ze voor langer of korter tijd naar het oude, grafelijke slot aan 't Löfvenmeer te komen.

Daar was ze ook heengegaan, toen de vorsten en hun hoven haar te somber werden in den tijd van heilige alliance. Op zulk een bezoek had zij het in 't hoofd gekregen, Gösta Berling tot huisonderwijzer van haar zoon te maken.

Zij voelde zich behagelijk in Wermeland. Nooit had de vreugde een schooner rijk dan daar. Daar waren zang en spel, mannen, die van avonturen hielden en schoone, vroolijke vrouwen. Het ontbrak er niet aan bals en feesten, aan zeiltochtjes op 't meer in den maneschijn of roeitochtjes, sleetochtjes door donkere bosschen, of schokkende gebeurtenissen en liefdesvreugd en leed.

Maar na den dood van haar dochter had ze Borg niet meer bezocht. Ze was er nu in geen vijf jaar geweest. En nu kwam ze eens zien, hoe haar schoondochter 't maakte, tusschen de dennenbosschen, de sneeuwhoopen en de beren. Ze vond het haar plicht eens te gaan zien of die domme Henrik haar niet had doodverveeld. Zij wilde nu de goede engel van dat huis zijn. Zonneschijn en geluk bracht ze meê in haar vijf en twintig volgepakte leeren koffers, vroolijkheid was haar kamermeisje, scherts haar koetsier, spel haar juffrouw van gezelschap.

En toen ze de stoep opkwam, werd ze met open armen ontvangen. Haar oude kamers in de benedenste verdieping stonden altijd voor haar klaar. Haar knecht, haar juffrouw van gezelschap, haar kamenier, de vijf en twintig leeren koffers, haar dertig hoedendoozen, haar necessaire, haar shawls en pelzen, alles kwam langzamerhand in huis. Overal was drukte en beweging. Er werd met deuren geslagen en de trappen op en af gedraafd. Het was wel te merken, dat gravin Märta gekomen was.

't Was een lenteavond, een heerlijke avond, hoewel men nog niet ver in 't voorjaar was en 't ijs nog niet weggedooid. Juffrouw Marie zat boven op haar kamertje voor 't open venster, tingelde op de gitaar en zong.

Ze was zoo verdiept in haar gitaar en haar herinneringen, dat ze niet merkte, dat er een wagen voor 't huis stilhield. In die wagen zat gravin Märta en ze had pleizier in juffrouw Marie, die daar in 't venster zat met de gitaar om den hals, de oogen naar den hemel gericht en oude, lang vergeten liefdesliedjes zong. Eindelijk stapte de gravin uit haar wagen en ging het huis binnen, waar de jonge meisjes om het borduurraam zaten. Ze was niet hoogmoedig. De storm der revolutie was over haar heengegaan en had haar frissche lucht in de longen geblazen.

Ze bestelde borduursel bij mevrouw Moraeus en prees de dochters. Ze bekeek den rozentuin en vertelde van haar reisavonturen. Want zij beleefde altijd avonturen. Eindelijk waagde zij zich de zoldertrap op, die gruwelijk steil en smal was en bezocht juffrouw Marie op haar zolderkamertje.

Zij liet haar zwarte oogen over dat eenzame, kleine menschje gaan en haar melodische stem streelde haar ooren. Ze kocht gordijnen van haar. Ze kon daar op Borg niet leven zonder geknoopte gordijnen voor alle vensters en op al haar tafels moest ze een paar van juffrouw Marie's geknoopte kleedjes hebben.

En toen vroeg ze haar gitaar te leen en zong voor haar van vreugde en liefde. Ze vertelde haar allerlei verhalen, zoodat juffrouw Marie zich opeens in de vroolijke, veel bewogen wereld verplaatst voelde. En er was zulk een muziek in den lach der gravin, dat de vogels in den rozentuin begonnen te zingen, als zij dien hoorden en haar gezicht, dat niet mooi meer was--want haar huid was door blanketsel bedorven en om haar mond lag een trek van ruwe zinnelijkheid--kwam juffrouw Marie zóó verrukkelijk voor, dat ze niet begreep dat de spiegel, die 't eenmaal opgevangen had, 't niet voor altijd vasthield. En toen ze heenging, kuste ze juffrouw Marie en noodigde haar uit op Borg te komen.

Juffrouw Marie's hart stond leeg als een zwaluwnest op kersttijd. Ze was vrij, maar ze smachtte naar ketenen als een vrijgemaakte slaaf.

Nu begon weer een tijd van vreugde en smart voor juffrouw Marie; maar die duurde niet lang--slechts acht dagen. Ieder oogenblik haalde de gravin haar naar Borg. Zij speelde comedie voor haar en vertelde haar van haar aanbidders, en Juffrouw Marie lachte, zooals ze nog nooit gelachen had. Ze werden de beste vriendinnen van de wereld en spoedig wist de gravin alles van den jongen orgelmaker en van zijn afscheid. En in 't donker haalde ze juffrouw Marie over zich in de vensterbank van het kleine, blauwe kabinet te zetten, hing haar de gitaar om den hals en liet haar liefdesliedjes zingen. En dan zat de gravin er naar te kijken, hoe het figuur van de uitgedroogde, magere oude juffrouw met het leelijke, kleine hoofdje uitkwam tegen den rooden avondgloed, en zij zei, dat de arme een smachtende burchtjonkvrouw geleek. Maar alle liedjes zongen van teedere herders en wreede herderinnen en juffrouw Marie's stem was zoo dun, zoodat ieder begrijpen kan, dat zulk een comedie allervermakelijkst voor de gravin moest zijn.

Zoo was er eens feest op Borg; dat was natuurlijk omdat de moeder van den graaf gekomen was. Het ging er als gewoonlijk vroolijk toe. Het gezelschap was toch niet groot, 't waren alleen menschen uit de gemeente.

De eetzaal lag in de benedenste verdieping en na den maaltijd gingen de gasten niet meer naar boven, maar men bleef in de kamers van de gravin Märta bijeen. Toen haalde de gravin Juffrouw Marie's gitaar voor den dag en begon voor de gasten te zingen. Zij was een vroolijke vrouw, gravin Märta en zij kon alle menschen nadoen. Nu kreeg zij den inval Juffrouw Marie na te doen. Zij sloeg de oogen ten hemel en zong met eene dunne, krijschende kinderstem.

"Ach, neen, ach neen, Mevrouw de Gravin," smeekte Juffrouw Marie.

Maar de gravin vond het grappig en de meeste gasten konden 't lachen niet laten, ofschoon ze wel vonden, dat 't niet aardig was tegenover Juffrouw Marie.

De gravin nam een handvol rozenbladen uit een schaal, ging met tragische gebaren voor Juffrouw Marie staan en zong diep geroerd:

"Gij gaat van ons heen! o kom spoedig terug Steeds wordt ge hier welkom geheeten. 't Geluk ga met u. O wil nooit op uw tocht Een, die u zoo liefheeft, vergeten."

en toen strooide ze de rozenbladen op Juffrouw Marie's hoofd.

De gasten lachten, maar Juffrouw Marie werd buiten zich zelf van drift. Zij zag er uit, alsof zij de gravin de oogen wilde uitkrabben.

"Je bent een slecht mensch, Märta Dohna" riep ze. "Geen eerlijke vrouw moest meer met je omgaan."

Maar nu werd gravin Märta ook boos.

"De deur uit, Juffrouw! Nu heb ik genoeg van je zotheden."

"Jawel, ik zal wel heengaan," zei Juffrouw Marie, "als ik maar eerst geld voor mijn gordijnen krijg."

"Die prullen," riep de gravin, "wil je nog geld voor die oude prullen hebben? Neem ze meê. Ik wil ze nooit meer zien. Neem ze dadelijk mee."

En de gravin rukt de gordijnen af en gooit ze Juffrouw Marie achterna. Want nu is ze woedend.

Den volgenden dag, smeekte de jonge gravin haar schoonmoeder, zich met Juffrouw Marie te verzoenen, maar de gravin wilde 't niet.

Juffrouw Marie verveelde haar. Toen reed gravin Elisabeth naar haar toe en kocht haar al haar geknoopte gordijnen af en hing ze op voor de vensters van de bovenste verdieping. En toen vond Juffrouw Marie, dat zij in haar eer hersteld was.

Gravin Märta schertste dikwijls met haar schoondochter over haar liefde voor geknoopte gordijnen. Maar ze kon ook haar toorn verbergen en dien jaren lang even frisch bewaren. Want gravin Märta is een begaafde vrouw.

XIII.

NEEF CHRISTOFFEL.

Boven in den kavaliersvleugel hadden ze een ouden roofvogel. Hij zat altijd in 't hoekje dicht bij de kachel en paste op, dat 't vuur niet uitging. Ruig en grijs was hij. De kleine kop met den grooten snavel en de doffe oogen, zat somber en scheef op den langen mageren hals boven een grooten pelskraag. Want de roofvogel had zomer en winter zijn pels om.

Hij was bij den zwerm geweest, die in 't gevolg van den grooten keizer over Europa stormde, maar wat naam en titel hij toen droeg, kon niemand met zekerheid zeggen. In Wermeland wist men niet anders, dan dat hij meê in den grooten oorlog geweest was, en in woeste veldslagen had meegedaan; ook dat hij in 1815 uit zijn ondankbaar vaderland had moeten heengaan. Hij had bij den Zweedschen kroonprins bescherming gevonden en die had hem geraden naar het Wermeland te trekken. De tijden waren zóó geworden, dat hij wiens naam eenmaal de aarde deed beven, nu blij moest zijn, dat niemand hem, den eens zoo gevreesde, kende.

Hij had den kroonprins zijn eerewoord gegeven Wermeland niet te verlaten, en niet zonder noodzakelijkheid bekend te maken waar hij was.

En zoo kwam hij naar Ekeby met een eigenhandig schrijven aan den Majoor, van den kroonprins, die hem bijzonder recommandeerde. Toen werden de deuren van den kavaliersvleugel voor hem geopend.

In den beginne dacht men er veel over, wie wel de beroemde man wezen zou, die zich onder een aangenomen naam verborg. Maar langzamerhand veranderde hij in een kavalier en een Wermelander. Alle menschen noemden hem neef Christoffel, zonder precies te weten, waarom hij juist dien naam gekregen had.

't Is niet goed voor een roofvogel in een kooi te zitten. Hij is aan wat anders gewend, dan van 't eene stokje op 't andere te springen en gevoerd te worden. Doodsgevaar en 't moorden van menschen brachten eens zijn ziel in beweging, hij walgde van den laffen vrede.

't Is waar, de andre kavaliers waren ook zulke tamme vogeltjes niet. Maar niemand had toch zulk heet bloed als neef Christoffel. Een berenjacht was 't eenige wat hem opvroolijken kon en zijn verflauwde levenslust weer opwekken, een berenjacht of een vrouw, één enkele vrouw. Hij was weer opgeleefd, toen hij tien jaar geleden voor 't eerst gravin Märta gezien had, die toen reeds weduwe was. Een vrouw grillig als de oorlogskans, prikkelend als 't gevaar, tintelend van leven en pittigheid. Hij had haar lief. En nu zat hij daar en werd oud en grijs zonder haar tot vrouw te kunnen vragen. Nu had hij haar in geen vijf jaar gezien. Hij verkwijnde en stierf weg als een arend, die gevangen is. Met ieder jaar werd hij meer verschrompeld en kouwelijk.--Hij moest dieper in zijn pels en dichter bij 't vuur kruipen.

Zoo zat hij daar op den morgen vóór paaschen. Van avond zal men de paaschvuren aansteken. Alle kavaliers zijn uit, maar hij zit binnen bij den haard.

Ach neef Christoffel, neef Christoffel, weet ge 't niet?

De lente, de heerlijke lente is gekomen!

De natuur ontwaakt uit haar slaap en in de blauwige wolkjes spelen kleine engelen met vlindervleugeltjes een dartel spel. Als rozen aan een rozenstruik stralen hun gezichtjes daar in de wolken. Zij luiden als met duizend klokjes: "weest blij, de lente is gekomen! de heerlijke lente!"

Maar neef Christoffel zit stil en begrijpt daar niets van. Hij leunt met zijn hoofd op de stijve vingers en droomt van een kogelregen en van den boom der eer, die op 't slagveld groeit. Voor de oogen van zijn ziel verschijnen lauweren en rozen, die den zachten adem van de lente niet noodig hebben om te bloeien.

O die arme, eenzame, oude vreemde man, die daar boven in den kavaliersvleugel zit, zonder volk, zonder vaderland, hij die nooit zijn moedertaal hoort, hij die eens een naamloos graf zal vinden op 't kerkhof van Svartsjö. Kan hij er wat aan doen, dat hij een arend is en geboren is om te vervolgen en te dooden?

O neef Christoffel! lang genoeg hebt ge zitten droomen in den kavaliersvleugel. Op--drink den vonkelenden wijn des levens in de hooge burchten. Weet dan, neef Christoffel, dat er vandaag een brief aan den Majoor gekomen is, een koninklijk document, met het Zweedsche rijkszegel gesloten. De brief is aan den Majoor gericht, maar de inhoud heeft betrekking op u. 't Is zoo wonderlijk u te zien, terwijl ge dien brief leest, gij oude roofvogel! Uw oog krijgt nieuwen glans, en ge heft uw hoofd. Ge ziet de deur van uw kooi openspringen en de geheele wereld ligt voor u. Spreid nu uw breede vleugels uit!

Neef Christoffel graaft diep in zijn kist met kleeren. Daaruit haalt hij de zorgvuldig bewaarde uniform met goud borduursel en trekt die aan. Hij zet den hoed met veeren versierd op het hoofd en weldra rijdt hij weg van Ekeby op zijn prachtig wit rijpaard.

Dat is wat anders dan te zitten bibberen bij den haard. Nu ziet hij ook, dat de lente gekomen is.

Hij richt zich op in den zadel en laat zijn paard galoppeeren. De dolman met bont gevoerd waait op; de veeren op den hoed wiegen heen en weer. De man is als verjongd even als de aarde, hij is ontwaakt na een langen winterslaap. Het oude goud kan nog schitteren. Het kloeke krijgsmansgezicht ziet fier onder den driekanten hoed uit.

Een merkwaardige rit! Beken borrelen op uit den grond en anemonen botten uit waar hij rijdt. Trekvogels roepen en jubelen om hem heen, om hem, den bevrijden gevangene. De geheele natuur schijnt zijn vreugde te deelen.

Heerlijk als een overwinnaar komt hij. De lente zelf zweeft voor hem uit op een wolk. Teer en luchtig blaast die lichtende geest op zijn horen en wekt alom zalige vreugde.

En om neef Christoffel heen rijden allerlei oude wapenbroeders en zetten hun paarden aan. 't Geluk zelf staat op de teenen in 't zadel; en de eer zit op zijn statigen telganger; en de liefde op een vurig Arabisch paard.

Een merkwaardige rit, een merkwaardige rit.

De lijster roept hem aan:

"Neef Christoffel, neef Christoffel, waar ga je heen?"

"Naar Borg, naar mijn bruid, naar Borg, naar mijn bruid!" antwoordt neef Christoffel.

"Rijd niet naar Borg, rijd niet naar Borg! Een jonggezel kent geen zorg!" roept de vogel hem na.

Maar hij luistert niet meer naar die waarschuwing. Heuvel op, heuvel af rijdt hij, tot hij er eindelijk is. Hij springt uit den zadel en wordt bij de gravin toegelaten.

Alles gaat goed. Gravin Märta is genadig gestemd. Neef Christoffel ziet, dat ze niet weigeren zal zijn beroemden naam te dragen en op zijn slot te heerschen.

Hij zit daar en stelt het gelukkige oogenblik, waarop hij haar den brief van den koning zal laten zien, nog wat uit. Hij geniet van dat wachten.

Zij zit te praten en onderhoudt hem met allerlei verhalen. Hij lacht en bewondert haar. Maar omdat ze juist in een van de kamers zitten, waar gravin Elisabeth de gordijnen van juffrouw Marie heeft opgehangen, begint de gravin ook haar historie te vertellen. En ze doet het zoo vermakelijk als ze kan.

"Ja," zegt ze eindelijk, "zóó slecht ben ik. Hier hangen nu die gordijnen, opdat ik iedren dag aan mijn zonde zal denken. 't Is een ontzettende boete. Brr, dat afschuwelijke knoopwerk!"

De groote krijgsman, neef Christoffel ziet haar aan met bliksemende oogen.

"Ik ben ook oud en arm," zegt hij, "en ik heb tien jaar lang aan den haard gezeten en naar mijn geliefde verlangd. Vindt Uw Genade dat soms ook belachelijk!"

"O, dat is heel wat anders!" barst de gravin uit.

"God heeft mij mijn geluk en mijn vaderland afgenomen, en me gedwongen eens anders brood te eten," zegt neef Christoffel ernstig. "Ik heb geleerd de armoede te eerbiedigen."

"U ook al!" roept de gravin en heft de handen ten hemel. "Wat zijn de menschen toch braaf geworden! goede hemel, wat zijn ze braaf!"

"Ja," zegt hij, "onthoud dit wel, gravin! Wanneer God mij ooit weer macht en rijkdom gaf, dan zou ik die beter gebruiken, dan door ze te deelen met een dame van de wereld, met een geblankette hartelooze kat, die met de armoede spot."

"Daar hebt u gelijk aan, neef Christoffel."

En daar marcheert neef Christoffel de kamer uit en rijdt weer naar Ekeby terug, maar de engeltjes volgen hem niet, de vogels roepen hem niet meer aan en hij ziet de lachende lente niet.

Hij kwam op Ekeby aan juist toen de paaschschoten vielen en de paaschvuren werden aangestoken. Ze hebben een groote pop van stroo gemaakt met een kop van oude lappen, waarop met houtskool een gezicht geteekent is. Ze heeft de afgedragen kleeren van een vrouw uit 't armhuis, een pook, een bezemsteel en een horentje met heksenzalf om den hals. Ze is klaar voor de rit naar de heksendansplaats.

Majoor Fuchs laadt zijn buks en schiet die keer op keer af in de lucht. Dan wordt er een brandstapel gemaakt van takjes, de tooverheks wordt er op gegooid en verbrand. Ja, de kavaliers doen waarlijk al wat in hun vermogen is, om op de oude beproefde manier de macht van den booze te fnuiken.

Neef Christoffel staat met een donker gezicht naar dit alles te kijken. Plotseling rukt hij den grooten koninklijken brief uit zijn manchet en gooit dien op 't vuur. God alleen weet, wat hij op dat oogenblik dacht.

Misschien verbeeldde hij zich, dat 't gravin Märta zelf was, die daar op den brandstapel lag. Misschien meende hij, dat nu die vrouw alles samen genomen niet meer waard bleek te zijn dan lompen en stroo, er ook niets meer op de wereld was, dat waarde had.

Hij gaat weer naar den kavaliersvleugel, maakt het vuur aan en bergt zijn uniform op. Weer gaat hij rustig in 't hoekje van den haard zitten en elken dag wordt hij ruiger en grijzer. Hij kwijnt langzaam weg als een gevangen arend.

Hij is geen gevangene meer, maar hij geeft niet om zijn vrijheid. De wereld staat hem open. 't Slagveld, de eer, het leven wacht hem. Maar hij heeft geen kracht meer om de vleugels uit te slaan.

XIV.

DE WEGEN DES LEVENS.

Moeilijk zijn de wegen, die de menschen te gaan hebben op aarde.

Woestijnpaden, moeraspaden, bergpaden!

Waarom gaat daar zooveel smart ongehinderd haar gang, tot ze verdwaalt in de woestijn of neerzinkt in 't moeras of neerstort van de bergen? Waar zijn de kleine boerenmeisjes, waar zijn de prinsessen uit de sprookjes, in wier spoor rozen groeien; waar zijn zij, die bloemen moeten strooien op de moeilijke wegen?

Nu heeft Gösta Berling, de dichter, besloten te trouwen. Hij zoekt alleen nog maar een bruid, die arm en gering genoeg is voor een gekken predikant. Schoone, edele vrouwen hebben hem liefgehad; maar zij zullen niet te voorschijn treden en naar zijn hand dingen. De verstooteling moet kiezen uit de verstootenen.

Wie zal hij kiezen?

Soms komt er een arm jong meisje op Ekeby uit een eenzaam wouddorpje boven op de bergen; zij verkoopt bezems. In dat stadje, waar altijd armoede en groote ellende heerscht, zijn er velen, die niet bij hun volle verstand zijn, en het meisje met de bezems is er een van.

Maar mooi is ze. Haar lang zwart haar is opgenomen in zulke dikke vlechten, dat ze ternauwernood plaats kunnen vinden op haar hoofd; haar wangen zijn fijn gerond, haar neus recht en niet heel groot, haar oogen blauw. Zij hoort tot de melancholieke, madonna-achtige type, die men nog vindt onder de mooie meisjes aan de oevers van het lange Löfvenmeer.

Dus--nu had Gösta een bruid--een half wijs meisje met bezems is een goede vrouw voor een gekken predikant. Hij heeft dus maar naar Karlstad te reizen om ringen te halen, en dan kunnen ze weer eens een vroolijken dag hebben aan 't Löfvenmeer. Ze zullen nog eens om Gösta Berling lachen, als hij zich met het bezemverkoopstertje verlooft en haar trouwt. Wat zullen ze lachen! Een vermakelijker streek heeft hij nooit uitgehaald!

Moeilijk zijn de wegen, die de menschen gaan: woestijnpaden, moeraspaden, bergpaden!

Moet niet de verstootene den weg der verstootenen gaan? Den weg van toorn, van smaad, van onheil? Wat doet het er toe of hij valt, of hij te gronde gaat? Is er iemand, die het de moeite waard vindt hem tot staan te brengen?

Is er iemand, die hem een helpende hand, een verkwikkenden drank reikt? Waar zijn de kleine bloemenmeisjes, waar de princessen uit het sprookje?--waar zijn zij, die rozen moeten strooien op de moeilijke wegen?

Neen, neen, de jonge gravin op Borg zal Gösta Berling in zijn plannen niet storen; zij zal aan haar reputatie denken, aan den toorn van haar man, aan den haat van haar schoonmoeder; zij zal niets doen om hem terug te houden.