Gösta Berling

Part 15

Chapter 154,285 wordsPublic domain

Zoo gaat het met zoovelen van die zwijgende kinderen om ons heen. Ze verbergen in hun ziel een droom, waarover ze niet durven spreken. Wonderlijke gedachten roeren zich onder het zijde-achtige haar, de zachte bruine oogen zien wonderlijke visioenen onder de neergeslagen oogleden. Meer dan één maagd heeft haar bruidegom in den hemel, meer dan één vrouw wenscht vurig de voeten van den goeden koning te mogen zalven en ze met heur haar af te drogen.

Ebba Dohna waagde niet er met iemand over te spreken, maar sinds dien avond leefde ze alleen voor den terugkomst van den Heer en zijn duizendjarig rijk.

Als 's avonds de purperen wolken in 't westen zich schaarden om de dalende zon dacht zij er aan, of hij nu niet te voorschijn zou treden in al zijn heerlijkheid, door een heerschare van engelen gevolgd, haar voorbij zweven en haar vergunnen den zoom van zijn kleed aan te raken. Ze dacht ook gaarne aan de vrome vrouwen, die hem zeker even liefgehad hadden als zij,--die den nonnensluier hadden omgeslagen, en de oogen niet meer van de aarde ophieven, maar zich hadden opgesloten in de rust van 't klooster, in de duistere kleine cellen, om daar ongestoord de stralende visioenen te zien, die nederdalen in den nacht der ziel.

Zoo was ze opgegroeid, zoo was ze toen de nieuwe huisonderwijzer en zij elkaar in de eenzame paden in het park ontmoetten.

Ik wil niet meer kwaad van hem zeggen dan noodig is. Ik wil graag gelooven, dat hij dit kind liefhad, dat hem spoedig tot gezel op de eenzame paden koos. Ik geloof, dat zijn ziel haar vleugelen weer voelde groeien, als hij naast dat stille kind ging, dat nooit een ander haar vertrouwen geschonken had; ik geloof dat hij zich zelf een kind voelde wórden; een goed vroom kind.

Maar als hij haar werkelijk liefhad, waarom dacht hij er dan niet aan, dat niets voor haar minder waard kon zijn dan zijn liefde! Hij, een door de wereld verworpene, wat wilde hij, waar dacht hij aan, als hij aan de zijde der gravendochter ging? Waar dacht de afgezette predikant aan, als ze hem haar vrome droomen toevertrouwde. Hij, die een dronkaard en een vechtersbaas geweest was en die 't weer worden zou, als de omstandigheden er toe leidden, wat wilde hij van haar, die droomde van een bruidegom in den hemel? Waarom vluchtte hij niet ver weg? Was 't niet beter voor hem geweest 't land door te zwerven als een bedelaar en een dief, dan daar in de stille lanen te loopen en weer vroom en goed te worden, na 't leven, dat hij geleid had en dat toch niet overgeleefd kon worden, nu 't onvermijdelijk was, dat Ebba Dohna hem lief moest hebben?

Meen niet, dat hij er als een dronkaard uitzag, met bleeke wangen en roode oogen. Hij was nog een statig man, schoon en krachtig, een vorstelijk figuur met een ijzeren lichaam, dat het wildste leven kon verdragen.

"Leeft hij nog?" vraagt de gravin.

"Ach neen, hij is nu zeker dood. Dit is al zoo lang geleden."

Anna Stjärnhök begint bang te worden voor wat ze doet. En ze neemt zich voor de gravin nooit te zeggen, wie de man is, waar ze over spreekt; maar haar te laten denken, dat hij nu dood is.

"Toen was hij nog jong," vertelt ze verder, "de levensvreugde vlamde weer op in zijn ziel. Hij bezat de gave van 't woord en een vurig hart, licht tot geestdrift bewogen.

En er kwam een avondure, dat hij tot Ebba Dohna van liefde sprak. Ze antwoordde niet. Ze zei hem alleen, wat haar grootmoeder haar 's wintersavonds verteld had en beschreef het land van haar droomen voor hem. En ze nam hem een gelofte af. Ze liet hem zweren, dat hij een verkondiger van het woord zou worden, een van hen, die den weg des Heeren bereiden, die zijn komst verhaasten.

Wat moest hij doen? Hij was een afgezette predikant, en geen weg was zoo volkomen afgesloten, dan juist dien eenen dien ze verlangde, dat hij zou betreden. Hij beloofde al wat ze wilde.

Meer was tusschen hen niet noodig, het was uitgemaakt, dat zij eenmaal zijn vrouw zou worden. Ze wisselden geen kussen en liefkozingen. Hij waagde nauwelijks haar te naderen. Ze was fijngevoelig als de teerste bloem. Maar nu en dan sloeg ze haar bruine oogen op en zocht de zijnen. Als ze 's avonds in den maneschijn op de veranda zaten, leunde ze tegen hem aan en hij kuste heur haar zonder dat ze 't merkte.

Je ziet wel wat zijn zonde was: hij vergat 't verleden en de toekomst. Dat hij arm en gering was, mocht hij wel vergeten, maar hij had er aan moeten denken, dat de dag komen zou, dat in haar hart de eene liefde tegen de andere zou opstaan, dat ze zou moeten kiezen tusschen hemel en aarde, tusschen hem en den glorierijken heerscher in 't duizendjarige rijk en dat zij dien strijd niet zou kunnen dragen.

Zoo ging een zomer, een najaar, een winter voorbij. Toen 't voorjaar kwam en 't ijs smolt werd Ebba Dohna ziek. 't IJs kruide in de dalen, er lag ijs op de heuvels, de meren waren gevaarlijk, de wegen onmogelijk te begaan of te berijden.

Gravin Dohna wilde den dokter uit Karlstad laten halen. Er was geen andere dichter bij. Maar haar bevelen klonken vergeefs. Ze kon met smeeken noch dreigen haar bedienden bewegen de reis te ondernemen. Ze wierp zich voor den koetsier op de knieën maar hij zei "neen!" Ze kreeg toevallen van smart en angst over haar dochter--want gravin Märta is woest in vreugde en in verdriet.

Ebba Dohna had longontsteking en haar leven was in gevaar. Maar er kon geen dokter gehaald worden.

Toen reed de huisonderwijzer naar Karlstad. Dien rit te wagen, op zulke wegen was zijn leven op 't spel zetten; maar hij deed het. Over golvend ijs, over gladde heuvels ging het. Nu en dan moest hij trappen in 't ijs houwen voor 't paard, dan weer het uit de natte klei trekken. Men zegt, dat de dokter weigerde meê te gaan, maar dat hij er hem met een pistool in de hand toe dwong.

Toen hij weerkwam, wierp de gravin zich bijna aan zijn voeten. "Neem alles!...." riep ze, "vraag wat ge wilt, zeg wat ge verlangt, mijn dochter, mijn hoeve, mijn geld"....

"Uw dochter," antwoordde hij.

Nu zwijgt Anna Stjärnhök plotseling.

"En toen....? en toen?" vraagt gravin Elisabeth.

"Nu is 't genoeg," antwoordt Anna, want ze is een van die ongelukkige menschen, die altijd twijfelen met angst en beven. Dat heeft ze nu al een heele week gedaan. Wat haar 't éene oogenblik goed toeschijnt, komt haar 't andere oogenblik verkeerd voor. Nu wilde ze, dat ze dit verhaal nooit begonnen had.

"Ik geloof dat je me voor den gek wilt houden, Anna. Begrijp je niet, dat ik 't eind van deze geschiedenis weten moet?"

"Er is niet veel meer te vertellen. Het uur van strijd was voor de jonge Ebba Dohna geslagen. Liefde stond op tegen liefde in haar hart, de aarde tegen den hemel.

Gravin Märta vertelde haar van de levensgevaarlijke reis, die de jonge man om harentwil gedaan had, en zij zeide haar, dat ze hem tot belooning daarvoor haar hand beloofd had.

De jonge Ebba Dohna was nu zooveel beter, dat ze gekleed op de sofa lag. Ze was mat bleek en nog stiller dan gewoonlijk.

Toen ze die woorden hoorde, sloeg ze klagend en verwijtend haar bruine oogen naar haar moeder op en zei:

"Moeder gij hebt mij beloofd aan een afgezet predikant, aan een, die zijn recht Gods dienaar te zijn, heeft verspeeld aan een man, die een dief en een bedelaar geweest is."

"Maar kind, wie heeft je dat verteld. Ik dacht niet, dat je daar iets van wist."

"Ik heb het gehoord. Uw gasten praatten er over den dag, dat ik ziek werd."

"Maar kind, bedenk, dat hij je leven heeft gered."

"Ik kan er alleen aan denken, dat hij mij bedrogen heeft. Hij had mij moeten zeggen wie hij was."

"Hij zegt, dat je hem lief hebt."

"Dat heb ik gedaan. Maar ik kan iemand, die mij bedriegt, niet meer liefhebben."

"Hoe heeft hij je dan bedrogen?"

"Dat kunt u niet begrijpen, moeder."

Ze wil met haar moeder niet spreken over het duizendjarig rijk van haar droomen, die haar geliefde zou helpen stichten.

"Ebba," zegt de gravin, "als je hem lief hebt dan moet je niet vragen, wat hij geweest is, maar zijn vrouw worden. Wie met een gravin Dohna trouwt, wordt zóó rijk en machtig, dat de zonde van zijn jeugd hem wel vergeven kan worden,

"Om de zonde van zijn jeugd geef ik niet moeder. Ik kan zijn vrouw niet worden omdat hij mij bedrogen heeft en omdat hij nooit kan worden, wat ik wilde dat hij worden zou."

"Denk er aan, dat ik hem mijn woord gegeven heb, Ebba."

't Jonge meisje werd doodsbleek.

"Moeder, dit zeg ik u, als u mij aan hem tot vrouw geeft, dan scheidt u mij van God."

"Ik heb besloten je gelukkig te maken," zegt de Gravin. "Ik weet zeker, dat je met dien man gelukkig zult zijn. Je hebt hem immers al tot een heilige gemaakt. Ik heb besloten 't verschil in stand tusschen ons en hem over 't hoofd te zien, te vergeten, dat hij arm en veracht is, om je in staat te stellen hem te redden. Ik voel, dat wat ik doe goed is. Je weet, dat ik niet aan vooroordeelen hecht."

Maar dat alles zegt ze maar omdat ze niet velen kan, dat iemand zich tegen haar wil verzet. Misschien meende ze 't ook wel op dat oogenblik, want gravin Märta is niet zoo gemakkelijk te begrijpen.

't Jonge meisje bleef op de sofa liggen, lang nadat de gravin van haar was weggegaan. Zij streed haar strijd: den strijd tusschen aarde en hemel, tusschen de liefde voor den goeden koning en die voor haar geliefde. Maar de eerste overwon. Daar waar ze lag--op deze sofa--zag ze den hemel in 't westen gloeien door een heerlijken zonsondergang. 't Was haar als een groet van den goeden koning, en daar ze de kracht niet had hem trouw te blijven, als ze moest blijven leven, besloot ze te sterven. Zij kon niets anders doen nu haar moeder besloten had, dat zij een man zou toebehooren, die niet de dienstknecht van den goeden koning worden kon.

Ze ging naar 't venster, deed het open en liet den kouden avondwind langs haar arm, zwak lichaam gaan tot ze versteend van kou was. 't Was gemakkelijk voor haar, zich den dood op den hals te halen. En die zou zeker volgen als de ziekte zich weer verhief. En dat gebeurde.--

Niemand dan ik weet, dat zij den dood zocht. Ik vond haar voor 't open venster. Ik hoorde haar ijlen. Ze had mij gaarne bij zich in haar laatste dagen.

Ik heb haar zien sterven. Ik zag haar de armen uitstrekken naar den gloeienden avondhemel, en sterven met een glimlach, alsof ze iemand uit den zonnegloed had zien komen om haar te ontvangen. Ik moest ook haar laatste groeten brengen aan hem, dien ze had liefgehad. Ik moest hem vragen 't haar te vergeven, dat ze zijn vrouw niet had kunnen worden. De goede koning wilde het niet toestaan.

Maar ik heb niet den moed gehad dien man te zeggen, dat hij haar vermoord had. Ik had niet den moed hem den last van zulk een lijden op de schouders te leggen. En toch.... hij, die door een leugen haar liefde verwierf, was hij haar moordenaar niet? Was hij dat niet, Elisabeth?"

Gravin Dohna heeft al lang opgehouden met blauwe bloempjes te spelen. Nu staat ze op en 't bouquet valt op den grond.

"Anna, je maakt me voortdurend wat wijs. Je zegt dat het een oude historie is, en dat de man al lang dood is. Maar ik weet immers, dat het nauwlijks vijf jaar geleden is, dat Ebba Dohna stierf. En dan zeg je, dat je dit zelf beleefd hebt. Je bent niet oud. Zeg mij nu, wie die man is!"

Anna Stjärnhök begint te lachen.

"Je vroeg immers om een liefdesgeschiedenis. Nu heb je er een gehoord, die je tranen en onrust gebracht heeft."

"Is het dan niet waar?"

"Wel neen, 't zijn maar verzinsels!"

"Je bent slecht, Anna."

"Ja, dat kan wel zijn. Ik ben ook juist niet bijzonder gelukkig, moet je weten. Maar ik hoor de heeren komen en de dames zijn wakker. Laat ons naar de zaal gaan."

In de deur komt ze Gösta Berling tegen, die de dames komt roepen.

"U moet geduld met me hebben," zegt hij glimlachend. "Ik zal u niet langer dan tien minuten plagen, maar u moet even een gedicht aanhooren."

En hij vertelt hun, dat hij dien nacht zoo levendig gedroomd heeft, als nooit te voren. Hij heeft gedroomd, dat hij verzen geschreven had.

Hij, die de menschen "de dichter" noemden en die tot nu toe dien naam geheel onverdiend droeg, hij was midden in den nacht opgestaan en had half slapend, half wakker aan zijn schrijftafel gezeten. En 's morgens had hij een heel gedicht op zijn schrijftafel gevonden. Hij had het nooit van zich zelf gedacht... En nu moesten de dames even luisteren.

En hij las een gedicht voor, waarin hij klaagde over de vele herinneringen, die hem hier omgaven.

Hij sprak daarin van een avond waarop zij die hem liefhad, gezegd had, dat ze na haar dood niet ver van hem zijn zou, maar dat haar ziel de zijne zou zoeken en vinden en hem op aarde vergezellen. En hij sprak er van, hoe hij leed onder 't gevoel, dat hij door zijn liefde haar ziel, de bezoedelde gebonden had.

"Gösta," schertste Anna, terwijl angst haar de keel toesnoerde, "men zegt van je, dat je meer gedichten beleefd hebt, dan een ander ooit geschreven heeft, maar 't is heusch 't beste, dat je maar op je oude manier blijft dichten: dit gedicht is nachtwerk!"

"Je oordeelt niet zacht."

"Hier te komen en ons allerlei van dood en ellende voor te lezen! Foei, je moest je schamen!"

Maar Gösta luistert niet meer naar haar. Gösta ziet onafgebroken de jonge gravin aan. Ze zit daar, onbewegelijk en bleek als een marmeren beeld. Hij is bang dat ze flauw zal vallen.

Maar met onuitsprekelijke moeite perst ze eindelijk een woord van haar lippen:

"Ga heen."

"Wie moet heengaan? Moet ik heengaan?"

"De dominé moet heengaan," stamelt zij.

"Elisabeth, zwijg toch."

"De dominé, die dronkaard moet uit mijn huis!"

"Anna, Anna," vraagt Gösta, "wat meent ze?"

"'t Is 't beste, dat je heengaat, Gösta."

"Waarom moet ik heengaan? Wat beteekent dit toch?"

"Anna," zegt gravin Elisabeth, "zeg hem...."

"Neen, gravin, zeg het hem zelf."

De gravin zet de tanden op elkaar en wordt eindelijk haar ontroering meester.

"Mijnheer Berling," zegt ze, en gaat naar hem toe. "U hebt er verwonderlijk slag van de menschen te doen vergeten, wie u is. Ik heb het niet geweten voor vandaag. Ik heb pas het verhaal van Ebba Dohna's dood gehoord en dat de zekerheid, dat de man, dien ze liefhad, haar niet waard was, haar in den dood dreef. Uit uw gedicht begrijp ik, dat u die man waart. Ik begrijp niet hoe een man met een verleden als het uwe, in het gezelschap van fatsoenlijke vrouwen wordt toegelaten. Dat begrijp ik niet, mijnheer Berling. Spreek ik nu duidelijk genoeg?"

"Mevrouw de gravin spreekt duidelijk genoeg. Ik zal alleen één woord tot mijn verdediging zeggen. Ik heb aldoor vast geloofd, dat u alles van me wist. Ik heb nooit geprobeerd iets te verbergen. Maar 't is niet aangenaam zijn grootste smarten van de daken te hooren verkondigen en nog minder dat zelf te doen."

Hij gaat heen. En op 't zelfde oogenblik zet gravin Dohna haar kleinen voet op 't bouquetje blauwe anemonen.

"Nu heb je gedaan, wat ik wilde," zegt Anna Stjärnhök op harden toon tot haar. "Maar nu is 't ook gedaan met onze vriendschap. Meen niet, dat ik het je ooit vergeven zal, dat je zoo wreed tegen hem geweest bent. Je hebt hem afgestooten, gekwetst, beleedigd, hem, dien ik graag in armoede en schande zou volgen. Ik zal hem beschermen en behoeden. Je hebt gedaan wat ik wou; maar ik vergeef het je nooit."

"Maar Anna, Anna!"

"Dacht je, dat ik je dat alles vertelde met een licht hart?--Alsof ik hier niet mijn eigen ziel aan stukken had zitten scheuren!"

"Maar waarom deedt je het dan?"

"Waarom?--Omdat ik niet wou.... Neen, ik wil het niet!--dat hij de minnaar van een getrouwde vrouw zal worden."

XII.

JUFFROUW MARIE.

O stil, wees stil!

Daar gonst iets boven mijn hoofd. 't Moet een bij zijn, die aan komt vliegen.

O neen, stil toch!

Welk een geur. Zoowaar! Zijn dat geen geuren van lavendel, seringen en pinksterbloemen? 't Is een heerlijkheid ze in te ademen op dezen grijzen najaarsdag midden in de stad. Als ik maar denk aan dat gezegend plekje grond, dan begint 't dadelijk om mij heen te gonzen en te geuren. En eer ik het zelf weet, zit ik in een kleinen rozentuin vol bloemen, en omheind door een ligusterhaag. En de hoeken onder de seringen met smalle houten banken en om de bloembedden, gevormd als harten en sterren, loopen smalle paden, met wit zand bestrooid. Aan drie zijden van den rozentuin staat het bosch.

Lijsterbessen en vogelkers, die vol mooie bloemen zitten staan 't dichtste bij en vermengen hun geuren met die der seringen. Achter hen komen de berken, en daarachter begint het dennenbosch, een echt bosch, stil en donker, met recht opstaande, lang gebaarde boomen.

En aan de vierde zij ligt een klein grijs huis.

De rozentuin, waar ik nu aan denk, was voor zestig jaar het eigendom van de oude Mevrouw Moraeus, die met borduurwerk en eten koken voor boerenfeesten haar brood verdiende.

Lieve vrienden. Van al 't goeds, wat ik u toewensch, wil ik 't allereerst een borduurraam en een rozentuin noemen. Een groot ouderwetsch borduurraam, waar vijf of zes personen te gelijk aan kunnen werken, en waaraan men doen kan, wie 't gauwste werken kan en wie de mooiste steken aan den achterkant kan maken; waarbij men onder 't werk gepiepte appels kan eten en babbelen en allerlei spelletjes doen, als "ik zie, ik zie wat jij niet ziet," en "wat zeg je van mijn vriend," en dan lachen, lachen dat de eekhorens van schrik uit de boomen vallen. Een borduurraam voor den winter en een rozentuin voor den zomer. Niet een grooten tuin, waar men meer geld in steekt, dan genoegen van heeft; neen, een klein rozentuintje, dat men zelf onderhouden kan. Daar moesten kleine rozestruikjes midden in de bedjes staan en een krans vergeet-mij-nietjes daarom heen; de groote klaproos, die zich zelf zaait, moest overal opkomen, aan den kant van 't gras en op de paden en er moest een bruin gedroogde grasbank zijn, waar paardebloemen en keizerskroon groeiden op de zitting en op den rug.

De oude mevrouw Moraeus bezat van allerlei. Ze had drie vroolijke, vlugge dochters en een huisje aan den weg. Ze had een appeltje voor den dorst in haar geldkistje, mooie zijden shawls, leuningstoelen met hooge ruggen en verstand van vele zaken, die nuttig zijn voor hen, die hun eigen brood moeten verdienen. Maar 't beste, wat ze had, was haar borduurraam, dat haar 't geheele jaar werk gaf, en de rozentuin, waar ze den heelen zomer plezier van had.

En dan moet ik vertellen, dat in 't huisje van mevrouw Moraeus een inwoonster was, een kleine, uitgedroogde juffrouw van bij de veertig, die in 't zolderkamertje woonde boven in den gevel. Juffrouw Marie, zooals ze altijd genoemd werd, had haar eigen begrippen over allerlei, zooals die menschen, die veel alleen zitten en hun gedachten laten gaan over wat ze gezien hebben, meestal krijgen.

Juffrouw Marie meende, dat liefde de wortel en oorsprong was van alle kwaad in deze wereld.

Elken avond, eer ze slapen ging, vouwde ze de handen en deed haar avondgebed. En als ze haar Onze Vader had opgezegd, eindigde ze altijd met God te vragen haar voor de liefde te bewaren.

"Dat zou immers niets dan ellende zijn," zeide ze, "ik ben oud en leelijk en arm. Neen, ik hoop nooit verliefd te worden."

Dag uit, dag in zat ze op haar zolderkamertje in 't huisje van Mevrouw Moraeus en knoopte gordijnen en kleedjes. Die verkocht ze later aan de boeren en op de groote buitens. Zij had met dat knoopwerk al een aardig duitje verdiend. Want een eigen huisje op den heuvel over de kerk te Svartsjö, dat was wat zij wenschte, een huis, dat zoo hoog op een heuvel lag, dat men ver uit kon zien. Daar droomde ze van. Maar van liefde wilde ze niet hooren.

Als ze 's zomeravonds de viool hoorde klinken van den kruisweg, waar de speelman op het hek zat en de jonge lui de polka dansten, zoodat 't stof hen om de ooren stoof, dan maakte ze een langen omweg door 't bosch om dat niet te zien en te hooren.

Op den tweeden Kerstdag, als de boeren-bruidjes kwamen, soms vijf of zes te gelijk, om door Mevrouw Moraeus en haar dochters gekleed te worden, als ze dan met myrthen versierd werden en met kransen van glaskralen, met zijden ceintures en bouquetten van gemaakte bloemen, als hun kleedje met zulke bloemen werd versierd, dan sloot juffrouw Marie zich op in haar kamertje. Ze wou niet zien hoe die jonge meisjes versierd werden ter eere van de liefde.

Als de meisjes Moraeus 's wintersavonds aan 't borduurraam zaten, was 't zoo innig gezellig in de groote kamer, als de appels piepten in de kachel, en als de mooie Gösta Berling of de goede Ferdinand op visite kwamen en de meisjes plaagden, door den draad uit de naald te trekken of ze scheeve steken lieten maken en de kamer weerklonk van hun gesprekken, hun grappen en hun lachen; als hun handen elkaar ontmoetten onder 't borduurraam, dan rolde juffrouw Marie geërgerd haar knoopwerk op en ging heen, want zij haatte de liefde en al wat daarmee in verband stond.

Maar al wat de liefde ooit misdreven had, wist ze. Daar kon ze van vertellen. Ze kon niet begrijpen, dat Amor zich nog op de wereld durfde vertoonen, dat hij niet angstig vluchtte voor de klachten der verlatenen, voor de vloeken van hen, die hij tot misdaad verleid had, voor 't gejammer van hen, die hij in gehate kluisters gesmeed had. Zij kon niet begrijpen, dat zijn vleugels hem zoo luchtig en vrij droegen en dat hij niet al lang in een afgrond van schaamte en smart was verzonken.

Neen, wel was ze jong geweest als ieder ander, maar van de liefde had ze nooit gehouden. Nooit had ze zich laten verlokken tot dans of liefkozingen.

De gitaar van haar moeder hing bestoven en zonder snaren op den zolder. Nooit zong ze daar liefdesliedjes bij.

't Rozeboompje van haar moeder stond in haar venster. Ze gaf het nauwelijks water. Ze hield niet van de bloemen, die kindren der liefde. De bladen waren bestoven; spinnen maakten hun net tusschen de takken, en de knoppen kwamen nooit uit. En in den rozentuin van Mevrouw Moraeus waar de vlinders fladderden en de vogels zongen, waar geurende bloemen boden zonden naar gonzende bijen, waar alles van den gehate sprak--daar zette ze zelden een voet.

Nu gebeurde het, dat de gemeente van Svartsjö een orgel in de kerk liet zetten. Dat was in den zomer, dat de kavaliers op Ekeby regeerden. Een jong orgelmaker kwam naar 't dorp. Hij kwam ook bij Mevrouw Moraeus inwonen en kreeg het andere gevelkamertje op den zolder.

Toen maakte hij dat orgel, dat zulke wonderlijke toonen heeft, waar de bazuin plotseling klinkt, soms midden in een psalm, niemand weet waarom of van waar, zoodat de kinderen in de kerk beginnen te schreien.

't Kan best wezen, dat de jonge orgelmaker geen meester in zijn kunst was. Maar hij was een vroolijke snaak, met oogen vol zonneschijn. Hij had voor ieder een vriendelijk woord, voor arm en rijk, voor jong en oud. Hij werd gauw goede vrienden met zijn huisgenooten. Ach, meer dan dat!

Als hij 's avonds thuiskwam van zijn werk hield hij garen op voor Mevrouw Moraeus, en werkte met de jonge meisjes in den tuin. Dan declameerde hij;--Aksel en Walborg en zong van Fritjof. Dan raapte hij juffrouw Maries kluw op, hoe dikwijls ze die ook liet vallen en bracht zelf haar oude pendule weer in orde.

Hij kwam nooit thuis van een bal, zonder dat hij met allen gedanst had, van de oudste dame tot het kleinste meisje. En als hem iets tegenliep, ging hij naast de eerste de beste vrouw zitten, die hij ontmoette en maakte haar tot zijn vertrouweling. Ja hij was een van die mannen, zooals de vrouwen in haar droomen zien.

Men moest niet meenen, dat hij tot iemand over liefde sprak. Maar toen hij eenige weken in 't huis van Mevrouw Moraeus gewoond had, waren alle dochters op hem verliefd. Zelfs de arme juffrouw Marie. Nu wist ze, dat ze te vergeefs gebeden had.

't Was een tijd van vreugde en van leed. Tranen vielen op 't borduurraam en wischten er de krijtstreepjes uit, 's avonds zat er vaak een bleeke droomster in 't bleeke prieel en boven op juffrouw Maries kamertje werden nieuwe snaren op de guitaar gezet en bij diens tonen zong ze oude liefdesliedjes, die ze van haar moeder geleerd had.