Gösta Berling

Part 14

Chapter 144,186 wordsPublic domain

Sintram maakt het zeil van de slee los en laat Anna een man zien, die slapend onder in de slee ligt. "Hij is een beetje dronken," zegt hij; "maar wat zou dat? Hij blijft wel slapen. En 't is ook een goede kennis van u, juffrouw Stjärnhök. 't Is Gösta Berling."

Anna rilt.

"Want dit moet ik u zeggen," gaat Sintram voort, "wie zijn geliefde verlaat, verkoopt hem aan den duivel. Op die manier ben ik ook in zijn klauwen gekomen. Men meent natuurlijk goed te doen. Zelfverloochening is goed en liefhebben is uit den booze."

"Wat meent u, mijnheer Sintram? waar spreekt u over?" vraagt Anna diep geschokt.

"Ik meen, dat u Gösta niet van u hadt moeten laten heengaan."

"Dat was Gods wil."

"Ja, natuurlijk. Zelfverloochening is goed en liefde uit den booze. De goede God wil de menschen niet gelukkig zien. Hij zendt hen zijn wolven achterna. Maar stel nu eens, dat het God niet was, die 't deed, juffrouw Anna! Kon ik 't niet even goed geweest zijn, die mijn grauwe lammetjes van Dovrefjeld haalde en ze den jongen man en 't jonge meisje achterna zond? Als ik 't nu eens was, die de wolven gestuurd had, omdat ik iemand, die mij behoorde, niet missen wilde? Als God het nu eens niet gedaan had!"

"Mijnheer Sintram," zegt Anna met zwakke stem, "u moet me daar niet aan doen twijfelen, want dan ben ik verloren."

"Zie nu eens hier," zegt Sintram en buigt zich over den slapenden Gösta, "zie eens naar zijn pink. Dat wondje geneest nooit. Daar namen wij bloed uit, waarmeê we 't contract onderteekenden. Hij behoort mij. Er is groote kracht in bloed. Hij behoort mij. Alleen liefde kan hem redden; maar als ik hem maar behouden mag, zal ik wel wat van hem maken."

Anna Stjärnhök verweert zich krachtig tegen de betoovering, die over haar komt. 't Is immers onzin, pure onzin! Niemand kan zijn ziel aan den Booze verkoopen. Maar ze heeft geen macht over haar eigen gedachten. De schemering ligt zwaar op haar. 't Bosch staat daar zoo donker en zwijgend. Ze kan zich niet los maken uit de verschrikkelijke macht van dit oogenblik.

"Meent u misschien, juffrouw Stjärnhök," gaat de grondeigenaar voort, "dat er niet zoo veel meer aan hem te bederven valt? Geloof dat niet. Heeft hij de boeren verdrukt? Is hij arme vrienden ontrouw geworden? Heeft hij ooit valsch gespeeld? Is hij ooit de minnaar van een getrouwde vrouw geweest? Juffrouw Anna?"

"Ik geloof dat u de duivel zelf zijt, mijnheer Sintram."

"Laat ons ruilen, juffrouw Anna. Neem Gösta Berling en word zijn vrouw. Behoud hem en geef geld aan de familie op Berga. Ik sta hem u af. U weet, dat hij mij toebehoort. Denk maar, dat het niet God was, die de wolven uitzond dien nacht en ruil met mij?"

"Wat wilt u in ruil hebben?"

Sintram grijnsde.

"Wat ik hebben wil? O, ik ben met weinig tevreden. Ik wil maar dat oudje hebben, dat daar in uw slee zit, juffrouw Anna."

"Satan, verzoeker!" roept Anna uit, "ga weg van mij. Zal ik een oude vriendin, die op mij vertrouwt, ontrouw worden? Zal ik haar in uw macht geven, opdat ge haar plagen kunt tot ze krankzinnig is?"

"Stil, stil, wees kalm, juffrouw Anna. Denk er eens over. Hier is een mooie jonge man en daar een versleten oude sloof. Een van hen moet ik hebben. Wie wilt u me geven?"

Anna lachte; een wanhopig, vertwijfeld lachen, "zullen we hier zielen staan ruilen, mijnheer Sintram, zooals men paarden verruilt op de markt van Broby?"

"Ja juist.--Maar als juffrouw Anna wil, kunnen we 't ook van een ander standpunt bezien. Uit dat van de eer der familie Stjärnhök."

En hij roept met luider stem zijn vrouw, die in Anna's slee zit, en tot onuitsprekelijken schrik van 't jonge meisje, gehoorzaamt ze oogenblikkelijk, stapt uit de slee en komt bevend en rillend naar hem toe.

"Zie zoo, dat is nu eens een gehoorzame vrouw," zegt Sintram, "juffrouw Anna kan 't niet helpen, dat ze komt, als haar man roept. Nu neem ik Gösta uit mijn slee en leg hem hier neer. Ik verlaat hem voor altijd juffrouw Anna. Nu kan, wie wil, hem meênemen."

Hij buigt zich neer om Gösta op te tillen. Maar daar komt Anna vlak bij hem, ziet hem doorborend aan en sist als een gemarteld dier: "In Gods naam, man, rijd naar huis. Weet je niet wie er in den schommelstoel op de zaal zit en op je wacht? Durf je hem te laten wachten?"

't Is voor Anna nog 't vreeslijkste van alles te zien, hoe die woorden op den boozen man werken. Hij rukt aan de teugels, wendt zijn slee en rijdt naar huis, terwijl hij 't paard aanzet met zweepslagen en woest geschreeuw. De steile helling af met levensgevaar, terwijl een lange streep vonken onder de wielen en de paardehoeven uitspat, in de lichte Maartsche sneeuw.

Anna Stjärnhök en Ulrika Dillner staan alleen op den weg; maar ze spreken geen woord. Ulrika rilt voor Anna's blik, en Anna heeft de arme stumper, voor wie ze haar geliefde geofferd heeft, niets te zeggen.

Zij had kunnen schreien en tieren, zich op den grond kunnen werpen, sneeuw en zand op haar hoofd strooien. Vroeger had ze 't lieflijke der zelfverloochening gevoeld, nu smaakte ze er al de bitterheid van. Wat was het offer van haar liefde tegenover het offer van den geliefde zelf?--

Zij reden zwijgend naar Berga, maar toen ze daar aankwamen en de deur van de kamer openging, viel Anna Stjärnhök flauw,--voor 't eerst en voor 't laatst van haar leven. Want daar binnen zaten Sintram en Gösta rustig te praten. 't Blaadje met toddy stond al voor hen. Ze waren er al minstens een uur.

Anna Stjärnhök viel flauw, maar de oude Ulrika bleef rustig staan. Zij had wel gemerkt, dat 't niet in den haak was met hem daar op den weg.

Later kwamen de kapitein en zijn vrouw met den grondeigenaar overeen, dat de oude Ulrika op Berga zou blijven.

Hij wilde haar werkelijk niet krankzinnig maken, zei hij.

Gij kindren van dezen tijd. Ik verlang immers niet, dat iemand deze oude verhalen gelooven zal. 't Zijn immers louter verzinsels en leugens! Maar 't berouw, dat de harten heen en weer slingert tot ze jammeren als de planken van Sintrams zaal onder den schommelstoel, en de twijfel, die voor onze ooren zingt als de bellen voor Anna Stjärnhök in 't eenzame woud.... wanneer worden zij tot verzinsels en leugens?

Ach, konden ze dat maar worden!

XI.

DE GESCHIEDENIS VAN EBBA DOHNA.

Wacht u voor de fraaie landtong op den oostelijken oever van 't Löfvenmeer, door de baai van weerskanten met vriendelijke golfjes omsloten, voor de trotsche landtong, waar Borg ligt.--O wacht u wel die te betreden!

Nooit zag men 't Löfvenmeer mooier dan van hier uit. Niemand weet, hoe schoon het meer van mijn droomen is, eer hij van de landtong van Borg uit, de morgennevelen heeft zien wegglijden van zijn gladde oppervlakte, eer hij van uit het venster van het blauwe kabinet, waar zooveel herinneringen wonen, een bleek rooden zonsondergang zich heeft zien spiegelen in het meer. Maar toch--ik zeg u: ga daar niet heen.

Want misschien voelt ge den wensch in u opkomen, om in dien ouden burcht te blijven en te wonen in die zalen vol rouw; misschien zult ge eigenaar van dit prachtig plekje worden en er u met een jonge vrouw vestigen.

Neen--'t is beter de mooie landtong van Borg niet te zien; want op Borg kan geen geluk wonen. Dit moet ge weten, hoe rijk, hoe gelukkig ge ook zijt, gij die dit huis betrekt!--Op deze vloeren, met tranen gedrenkt, zullen spoedig ook uw tranen vloeien, en deze wanden, die allen klachten weerkaatsen, zullen ook uw zuchten hooren.

Er drukt een noodlot op dit schoone landgoed. Het is, alsof het ongeluk daar begraven is, maar in zijn graf geen rust kan vinden. Telkens verrijst het weer tot schrik voor de levenden. Als ik Heer van Borg was, dan zou ik de aarde doorzoeken, den steengrond in 't dennenbosch, en de keldervloer in 't huis en de teelaarde op 't veld, tot ik 't door de wormen verteerde lijk van de heks vond en ik zou haar een gewijd graf geven op 't kerkhof te Svartsjö. En bij de begrafenis zou ik niet zien op wat meer geld voor den klokkenluider; maar de kerkklokken zouden lang en luid weerklinken en ik zou rijke giften zenden aan den predikant en den koster, opdat ze met dubbele kracht haar zouden inwijden in de eeuwige rust met lijkrede en gezang.

En als dat niet hielp, dan zou ik in een stormachtigen nacht vuur leggen aan de oude houten muren en de vlammen alles laten verwoesten, zoodat geen menschen meer zouden verlokt worden om te gaan wonen in dit onzalige huis. Niemand zou die vervloekte plaats meer betreden, en alleen de zwarte kraaien in den kerktoren zouden een kolonie mogen stichten in den grooten schoorsteen, die vol roet, akelig afstak over de zwart verbrande massa.

Maar ik zou mij zeker wonderlijk beklemd voelen, als ik de vlammen boven 't dak zag uitslaan, als dikke rookwolken, rood van den vuurgloed en vol vonken, heenrolden over 't oude goed. In 't knetteren en sissen van 't vuur zou ik meenen de klachten der daklooze herinneringen te hooren, en op de blauwe punten der vlammen zou ik meenen de verjaagde geesten te zien zweven. Ik zou er aan denken, hoe de smart schoon maakt, hoe het ongeluk glans verleent en ik zou schreien, alsof een tempel voor oude goden opgericht tot ondergang gedoemd was.

Maar zwijg toch, gij raaf, die door uw krassen ondergang voorspelt. Wacht tot de nacht gekomen is, als ge met de uilen in 't woud om 't hardst wilt huilen. Nog ligt Borg stralend in de zon op de landtong door zijn parken van geweldige dennen beschut, en de met sneeuw bedekte velden beneden schitteren in den heldren Maartschen zonneschijn. Nog wordt binnen de muren 't vroolijke lachen van gravin Elisabeth gehoord.

's Zondags gaat ze naar de kerk van Svartsjö, die dicht bij Borg ligt, en noodigt daarna gasten om meê bij haar aan huis te gaan eten. De rechter van Munkerud pleegt te komen en de kapitein van Berga en de kapelaan en de booze Sintram. En als Gösta Berling over 't ijs naar Svartsjö gekomen is, noodigt ze hem ook. Waarom zou ze Gösta Berling niet noodigen?

Ze weet immers niet, dat de laster er over begint te fluisteren, dat Gösta Berling zoo dikwijls naar den overkant gaat om de gravin te ontmoeten. Misschien komt hij ook wel om met Sintram te spelen en te drinken; maar daar wordt niet over gesproken. Ieder weet, dat zijn lichaam van ijzer is, maar met zijn hart is 't wat anders. Niemand gelooft, dat hij een paar stralende oogen kan zien en licht haar, dat krult om een blank voorhoofd, zonder verliefd te worden.

De jonge gravin is vriendelijk voor hem. Daar is niets bijzonders in; ze is vriendelijk voor iedereen. Ze neemt in lompen gekleede bedelaarskinderen op schoot en als ze op den weg een armen stumper voorbijrijdt, laat ze den koetsier ophouden en neemt den armen voetganger in haar sleê op.

Gösta zit graag in 't blauwe kabinet, waar men het prachtige uitzicht naar 't noorden heeft over 't meer en leest haar verzen voor. Daar kan toch geen kwaad in zijn. Hij vergeet niet, dat zij gravin en hij maar een zwervend avonturier is en 't is goed voor hem om te gaan met iemand, die hooger staat dan hij en heilig voor hem is. Hij kon 't even goed in 't hoofd krijgen, verliefd te worden op de koningin van Saba, wier portret in de kerk te Svartsjö hangt, dan op de jonge gravin.

Hij wenscht niet anders dan haar te mogen dienen, zooals een page zijn meester dient. Hij hoopt haar schaatsen aan te mogen binden, garen voor haar op te houden en haar slee te besturen. Er kan geen sprake van liefde zijn tusschen die twee; maar hij is juist de man om zich gelukkig te voelen in romantisch, onschuldig gedweep.

De jonge graaf is rustig en kalm en Gösta tintelt van vroolijkheid. Een gezelschap als 't zijne is juist wat de jonge gravin wenscht. Niemand die haar ziet kan denken, dat ze aan een ongeoorloofde liefde lijdt. Ze denkt aan dans en vroolijkheid. Ze zou 't liefst hebben, dat de aarde overal glad was zonder steenen, rotsen of meren, zoodat ze de wereld door kon dansen. Op kleine, dunne schoentjes zou ze van de wieg tot 't graf willen dansen.

Maar de praatjes sparen de jonge vrouwen niet.

Als deze gasten naar Borg komen en daar eten, gaan de heeren na tafel gewoonlijk naar de kamer van den graaf, om te slapen of te rooken. En de oude dames zinken neer in de leuningstoelen in de zaal en leunen hun eerwaardige hoofden tegen de hooge leuningen, maar de gravin en Anna Stjärnhök gaan naar het blauwe kabinet en doen elkaar eindelooze vertrouwelijke mededeelingen.

Daar zitten ze ook den zondag, nadat Anna Stjärnhök de oude Ulrika Dillner naar Borg terug heeft gehaald.

Niemand op de wereld is zoo ongelukkig als 't jonge meisje. Al haar vroolijkheid is weg. Met haar fierheid, waarmee ze ieder die haar te na komt, op een afstand hield, is 't gedaan.

Alles wat er op dien rit van Fors naar Berga gebeurde ligt voor haar bewustheid weer in 't halfdonker, waaruit het te voorschijn werd getooverd. Geen enkle heldre indruk bleef er van over.

Ja toch! Eén:

"Als God het nu eens niet was, die 't gedaan had!" fluistert ze telkens weer op nieuw. "Als nu de wolven eens niet door God gezonden waren."

Ze begeert teekenen, ze vraagt wonderen! Ze bespiedt hemel en aarde. Maar ze ziet niets. Geen vinger uit de wolken wijst haar den weg. Geen rookwolk of vuurzuil zweeft voor haar uit.

Zooals ze nu vlak tegenover de gravin zit in 't kleine blauwe kabinet, valt haar oog op een bouquetje blauwe anemonen, die de gravin in de hand heeft. En als een bliksemstraal treft het haar, dat ze weet waar die anemonen gegroeid zijn, dat ze weet wie ze geplukt heeft.

Ze behoeft het niet te vragen. Waar toch groeien hier in den omtrek blauwe anemonen al in 't begin van April, behalve in 't berkenboschje op Ekeby.

En ze zit op die blauwe sterretjes te staren, die gelukkige bloemen, die alle menschen liefhebben, die kleine profeten, die zelf schoon, ook nog door den glans bestraald worden van de schoonheid die ze aankondigen, die zeker komen zal. En terwijl ze naar hen zit te staren, hoopt zich de toorn op in haar ziel als een donderbui.

"Met welk recht," denkt ze, "draagt gravin Dohna die bouquet blauwe anemonen, die op den heuvel aan 't strand bij Ekeby zijn geplukt?"

Ze waren allemaal verleiders: Sintram, de gravin, alle menschen wilden Gösta Berling tot kwaad verleiden; maar zij zou hem verdedigen, verdedigen tegen hen allen. Ze zou 't doen al moest het ook haar hartebloed kosten.

Ze voelt, dat ze de bloemen uit de hand van de gravin moet gerukt zien en op den grond geworpen, vertrapt, verbrijzeld--eer ze dat kleine kabinet verlaat.

Dat voelt ze en de strijd tegen de kleine blauwe sterretjes begint. Binnen in de zaal leunen de oude dames met hun eerwaardige hoofden tegen de stoelruggen en vermoeden niets. De heeren rooken op hun gemak hun pijpen in de kamer van den graaf. Maar in 't kleine kabinet wordt een wanhopende strijd gestreden.

Ach, hoe wijs zijn zij, die de handen van 't zwaard afhouden, die kunnen zwijgen en wachten, hun harten tot rust brengen en God laten zorgen. Altijd dwaalt het onrustige hart. Altijd maakt kwaad het kwaad erger.

Maar Anna Stjärnhök meent, dat ze nu eindelijk een vinger in de wolken ziet, die haar den weg wijst.

"Anna," zegt de gravin, "vertel eens een verhaaltje."

"Waarvan?"

"Och," zegt de gravin en liefkoost de bloemen met haar witte hand. "Weet je geen liefdesgeschiedenis?"

"Neen, van liefde weet ik niets."

"Wat een praatje! Is er niet een landgoed dat Ekeby heet, en is dat niet vol kavaliers?"

"Ja!" zegt Anna, "daar is een plaats, die Ekeby heet en daar zijn mannen, die 't land uitzuigen, die ons ongeschikt maken voor ernstig werk, die het opkomende geslacht bederven en onze beste vrienden doen dwalen. Wil je iets van hen hooren? Zal ik je een liefdesgeschiedenis van een van hen vertellen?"

En dan begint Anna Stjärnhök te vertellen. Ze spreekt in korte strofen, bijna als die van een oud psalmboek, want ze wordt bijna verstikt door den storm in haar hart. Stille hartstocht trilt in haar woorden, en de gravin moet naar haar luisteren in angstige spanning.

"Wat is liefde, wat is trouw voor een kavalier? Een liefje hier en daar, vandaag en morgen in 't Oosten of 't Westen. Niets is hem te hoog of te laag. Vandaag een gravin, morgen een bedelaarster. Niets in de wereld is zoo ruim als zijn hart. Maar wee de arme, die een kavalier liefheeft. Zij moet hem zoeken als hij dronken aan den weg ligt. Ze moet zwijgend toezien als hij het tehuis van haar kinderen verspeelt. Ze moet het verdragen, dat hij vreemde vrouwen zoekt. Ach, Elisabeth, als een kavalier een fatsoenlijke vrouw een dans vraagt, moest ze dien weigeren, als hij haar bloemen aanbiedt, moest zij ze op den grond gooien en vertrappen, als ze hem liefheeft moest ze liever sterven dan zijn vrouw worden.

Er was een onder de kavaliers, die een afgezet predikant was. Hij had zijn ambt verloren door dat hij dronk. Hij was dronken in de kerk. Hij dronk den avondmaalswijn op. Heb je ooit van hem gehoord?"

"Neen, nooit."

"Zoodra hij afgezet was, zwierf hij rond als bedelaar. Hij dronk als een krankzinnige. Hij was in staat te stelen om brandewijn te krijgen."

"Hoe heet hij?"

"Hij is niet meer op Ekeby. De Majoorske ontfermde zich over hem, gaf hem kleeren en haalde je stiefmoeder, gravin Dohna, over hem tot huisonderwijzer voor je man te nemen, voor Henrik Dohna."

"Een afgezet predikant?"

"Och, hij was jong en krachtig en had veel kennis. Er was niets op hem aan te merken, als hij maar niet dronk. Gravin Märta nam het zoo nauw niet. Ze had er pleizier in den dominé en den kapelaan te plagen.

Maar ze beval toch, dat niemand over zijn vroeger leven met haar kinderen spreken zou, want dan zou haar zoon geen respekt meer voor hem hebben en haar dochter hem niet in haar nabijheid dulden; want zij was een heilige.

Zoo kwam hij naar Borg, hij bleef aan de deur staan; hij zat op de kant van zijn stoel; hij zweeg aan tafel, en vluchtte naar buiten in 't park als er gasten kwamen.

Maar daar buiten op de eenzame paden ontmoette hij dikwijls de jonge Ebba Dohna. Zij hield niet van de feesten vol gedruisch, die in de zalen op Borg gevierd werden sinds de Gravin weduwe was. Ze was zoo zacht, zoo schuchter. Zelfs toen zij zeventien jaar was, was ze nog als een kind; maar prachtig was ze met haar bruine oogen, en den teeren, fijnen blos op de wangen. Haar slank lichaam was iets gebogen. Haar smalle hand gleed in de uwe met een zachten druk. Haar kleine mond sprak weinig en er lag een ernstige trek om. En haar stem, haar zachte stem, die de woorden zoo langzaam en welluidend sprak, maar nooit jong en frisch en warm was, maar mat klonk en wegstierf als 't slotakkoord van een vermoeid kunstenaar!

Ze was niet als de anderen. Haar voetstap was zoo licht, alsof ze vluchtte over de aarde. De oogen hield ze meestal neergeslagen, alsof ze niet gestoord wilde worden in de heerlijke visioenen in haar ziel. Haar ziel had zich reeds van de wereld afgewend toen ze nog een kind was.

Toen ze klein was placht haar grootmoeder haar sprookjes te vertellen. Op een avond zaten zij samen bij het vuur. De sprookjes waren afgehandeld; de helden en heldinnen daaruit waren aan hun oogen voorbijgegaan in glans en heerlijkheid. Maar 't handje van 't kind lag nog steeds op de knie van de oude vrouw en ze streek over den zijden rok, die aardige zij, die kraakte en soms piepte als een vogeltje. In die beweging lag een verzoek. Want ze hoorde tot die kindren, die nooit in woorden om iets vragen.

Toen begon de oude zacht te vertellen van een kindje in 't Jodenland, een klein kindje, dat geboren werd om koning te worden. De engelen hadden de lucht met lofzangen vervuld bij zijn geboorte, en oude mannen en vrouwen hadden zijn heerlijkheid voorspeld. Dat kind groeide op tot grooter schoonheid en wijsheid dan eenig ander kind. Toen het twaalf jaar was, was hij al wijzer dan de opperpriester en schriftgeleerden.

Toen vertelde de oude van 't schoonste op aarde; van 't leven van dat kind, terwijl 't onder de menschen verkeerde, die booze menschen, die 't niet als hun koning wilden erkennen.

Zij vertelde hoe 't kind opgroeide tot een man door wonderen omgeven en bestraald. Alles op aarde diende hem en had hem lief, behalve de menschen. De visschen lieten zich vangen in zijn netten, 't brood vulde zijn korven, 't water veranderde in wijn, op zijn wensch.

Maar de menschen zetten den grooten koning niet op een troon en boden hem geen gouden kroon aan. Hij had geen hofstoet om zich heen. Zij lieten hem omzwerven als een bedelaar.

En toch was de groote koning zoo goed voor hen. Hij genas hun zieken, gaf de blinden 't gezicht terug en wekte de dooden op.

"Maar," zeide de oude, "de menschen wilden den goeden koning niet als hun heer erkennen. Zij zonden krijgslieden uit om hem te vangen, ze gaven hem spottend een kroon en scepter en een langen mantel en lieten hem naar de rechtsplaats gaan met een zwaar kruis op den rug.--O kindje, die goede koning had de hooge bergen zoo lief. Hij beklom ze vaak 's nachts om met de hemelbewoners te spreken en overdag zat hij graag tegen de berghellingen om voor de luisterende menschen te spreken. Maar nu voerden zij hem naar een berg om hem te kruisigen. Zij sloegen nagels door zijn handen en voeten en hingen den goeden koning aan het kruis alsof hij een roover--een misdadiger was.

En 't volk bespotte hem. Alleen zijn moeder en zijn vrienden schreiden, omdat hij sterven moest, eer hij als koning erkend was.

Ach, hoe treurde alles om zijn dood.

De zon verloor haar glans, de bergen beefden, 't voorhangsel van den tempel scheurde en de graven openden zich, opdat de dooden mochten uitgaan en hun rouw toonen."

Toen lag de kleine met 't hoofd op grootmoeders schoot en schreide, alsof haar hart zou breken.

"Schrei niet, kindje, de goede koning is opgestaan uit zijn graf en opgevaren naar zijn Vader in den Hemel."

"Maar grootmoeder," snikte 't kind, "heeft hij nooit een rijk gehad?"

"Hij zit aan Gods rechterhand in den Hemel."

Maar dat troostte haar niet. Ze schreide zoo wanhopend en aanhoudend als alleen een kind schreien kan.

"O, waarom waren ze zoo slecht tegen hem? Hoe konden ze zoo slecht tegen hem zijn!"

De oude vrouw werd ongerust over die overweldigende smart.

"Grootmoeder, grootmoeder, o, u hebt 't zeker niet goed verteld, nietwaar? Zóó eindigt 't verhaal toch niet. Zóó slecht waren ze toch niet voor den goeden koning. Hij kreeg toch wel een rijk hier op aarde!"

Ze sloeg de armen om den hals der oude vrouw en smeekte en schreide maar al voort.

"Kindje, kindje," zei toen de grootmoeder om haar te troosten, "de menschen zeggen, dat hij weerom zal komen. Dan zal hij de aarde aan zich onderwerpen en die regeeren en dan wordt deze schoone aarde zijn heerlijk rijk. Dat zal duizend jaar bestaan. Dan worden de wilde dieren tam, kindertjes zullen met de slangen spelen, beren en koeien zullen tam grazen. De menschen zullen elkaar geen kwaad meer doen; de spiesen zullen tot zeisen en de zwaarden tot ploegijzers worden omgesmeed. En alles zal vreugde en heerlijkheid zijn en de goeden zullen de aarde beërven.

Toen klaarde 't gezichtje van 't kind op onder haar tranen.

"Krijgt de goede koning dan een troon, grootmoeder?"

"Een gouden troon!"

"En een hofstoet en een gouden kroon?"

"Ja, die krijgt hij."

"Komt hij gauw, grootmoeder?"

"Niemand weet, wanneer hij komt."

"En mag ik dan op een bankje aan zijn voeten zitten?"

"Ja, dat mag je!"

"O, grootmoeder, hoe heerlijk!" zegt de kleine.

--Avond aan avond, vele winters lang zaten die twee bij 't vuur en spraken over den goeden koning en zijn rijk. De kleine droomde van 't duizendjarig rijk bij dag en bij nacht. Ze werd nooit moe het in haar fantaisie te versieren met al de schoonheid, die ze maar uitdenken kon.