Gösta Berling

Part 12

Chapter 124,214 wordsPublic domain

"Neen, dat is een waar woord; maar het kon niet anders, als we ten minste erger ongelukken wilden voorkomen. Er was niemand, die haar verbieden kon haar eigen stroobossen in brand te steken en de kavaliers weg te jagen; maar de Majoor maakte immers gewoonweg jacht op haar. Niemand weet wat hij gedaan zou hebben, als zij niet in verzekerde bewaring gebracht was. Scharling heeft er veel last van gehad, dat hij haar gevangen nemen liet. Zelfs in Karlstad waren de menschen ontevreden, omdat hij niet alles door de vingers zag; maar hij deed immers wat hij meende dat het best was."

"Nu zal ze wel veroordeeld worden," zegt de gravin.

"Och, neen, veroordeeld wordt ze niet. De Majoorske van Ekeby wordt wel vrijgesproken; maar het is toch te veel voor haar, al wat ze deze dagen moet doorleven. Denk eens aan, zoo'n trotsche vrouw, en dan als een misdadiger behandeld te worden. Als zij maar niet krankzinnig wordt. Ik geloof, dat we haar hadden moeten toestaan hierheen te loopen, dan was ze misschien wel weggeloopen."

"Laat haar vrij!" zegt de gravin.

"Dat kan ieder ander doen, behalve de leenman en zijn vrouw," fluistert mevrouw Scharling. "Wij moeten immers op haar passen. Vooral vannacht, nu er zooveel van haar hier zijn. Daarom zitten twee knechts op wacht voor haar deur, en die is gegrendeld en gesloten, zoodat niemand bij haar komen kan. Maar als iemand er haar uit wilde helpen, gravin, dan zouden Scharling en ik even blij zijn."

"Mag ik niet naar haar toe gaan?" vraagt de jonge gravin.

Mevrouw Scharling grijpt snel haar hand en trekt haar meê. In de voorkamer slaan ze elk een shawl om en haasten zich over de plaats.

"'t Kan best zijn, dat zij niet eens met ons spreken wil," zegt mevrouw Scharling. "Maar ze kan dan ten minste zien, dat we haar niet vergeten."

Zij gaan door de eerste kamer, waar twee mannen zitten en wacht houden voor de gesloten deur, en ze komen ongehinderd bij de Majoorske. Zij was opgesloten in een groote kamer, vol weefgetouwen en toebehooren. 't Vertrek werd gebruikt als weefkamer; maar er waren ijzeren stangen voor de ramen en zware sloten op de deur, om 't in tijd van nood als gevangenis te gebruiken.

De Majoorske blijft heen en weer loopen zonder op hen te letten. Zij moet een lange reis maken in die dagen. Zij kan aan niets anders denken, dan dat zij dertig mijl loopen moet, naar haar moeder, die daar, in de Elvedalsbosschen, op haar zit te wachten. Zij heeft geen tijd om te rusten; zij moet gaan. Zij is rusteloos en heeft het gevoel van voort te moeten. Haar moeder is al in de negentig. Zij kan niet lang meer leven.

Zij heeft de lengte van den vloer in ellen uitgemeten, en nu telt zij, en legt de ellen aan elkaar tot vamen, de vamen tot mijlen.

Moeilijk en lang schijnt de weg haar toe, en toch durft zij niet te rusten. Zij waadt door hooge sneeuwhoopen. Zij hoort de eeuwige bosschen ruischen, waar zij ook gaat. Zij rust in de rookkamers van de Finnen en in de hutten der houthakkers, van takken gebouwd.

Soms als er geen menschen te zien zijn, vele mijlen ver, moet ze een bed van takken maken en onder de wortels van een omgewaaiden den slapen.

En eindelijk heeft zij het doel bereikt: de dertig mijl zijn afgelegd; ze komt uit het bosch en ziet roode huizen op een plaats, met sneeuw bedekt. De beek bruist schuimend voort in een rij kleine watervallen, en aan het welbekende bruisen hoort zij, dat ze thuis is.

En haar moeder, die haar ziet aankomen, bedelende zooals ze gewild heeft, gaat haar te gemoet en....

Als de Majoorske zoo ver gekomen is, heft zij het hoofd, ziet om zich heen, krijgt de afgesloten deur in het oog, en dan weet ze waar ze is.

Ze vraagt zich af of ze op weg is gek te worden en gaat zitten om te rusten en na te denken. Maar een oogenblik later is ze weer op weg, telt de ellen en de vamen, tot ze mijlen heeft, rust in de hutten, en slaapt dag noch nacht, eer ze de dertig mijl heeft afgelegd. In al den tijd, dat zij gearresteerd zit, heeft zij bijna nooit geslapen.

En de twee vrouwen die haar zijn komen bezoeken, zien haar met angst aan. De jonge gravin heeft nooit kunnen vergeten hoe ze daar heen en weer liep.

Ze ziet haar dikwijls in haar droomen, en wordt dan wakker, met de oogen vol tranen en een klacht op de lippen.

De oude vrouw is vreeselijk vervallen. Heur haar is zoo dun geworden, en losse vlokken steken uit de kleine vlecht. Het gezicht is scherp en ingevallen; de kleeren zijn onordelijk en verscheurd. Maar trots dat alles heeft zij nog zóoveel voornaams over zich, iets zóo gebiedends, dat zij niet alleen medelijden, maar ook eerbied inboezemt.

Maar wat de gravin allerminst vergeten kon, waren de oogen, ingezonken, als naar binnen ziende, met nog een greintje verstandelijken gloed, maar bijna gedoofd, en met een vonk van wildheid in de diepte. Onwillekeurig werdt ge bang, dat de oude u aan zou vallen, met de tanden bijten en met de nagels krabben. Ze hebben daar lang gestaan, toen de Majoorske plotseling stilstaat voor de jonge vrouw en haar streng aanziet. De gravin wijkt een stap terug en grijpt mevrouw Scharling bij den arm. Opeens komt er leven en uitdrukking in de trekken van de Majoorske. Hare oogen zien weer de wereld in met helder bewustzijn.

"Ach neen, ach neen," zegt ze glimlachend, "zoo erg is het nog niet, mijn lieve, jonge dame."

Zij verzoekt hen plaats te nemen en gaat zelf zitten. Zij krijgt weer een waas van de oude waardigheid, zoo welbekend door de groote feesten op Ekeby en de bals in 't paleis van den gouverneur te Karlstad. Zij vergeten de lompen en de gevangenis, en zien alleen de trotsche, de rijkste vrouw van Wermeland.

"Lieve gravin," zegt zij, "wat brengt u er toe het bal te verlaten, om een eenzame, oude vrouw als ik ben op te zoeken? U is al te goed."

Gravin Elisabeth kan niet antwoorden; haar stem wordt verstikt door ontroering. Mevrouw Scharling antwoordt voor haar, dat zij niet kon dansen, omdat ze aan de Majoorske dacht.

"Lieve mevrouw Scharling," antwoordt de Majoorske; "is het nu zóo ver met mij gekomen, dat ik de jongelieden in hun vreugde stoor? Schrei niet om mij, mijn lieve, jonge gravin," ging ze voort. "Ik ben een oude, slechte vrouw, die haar verdiende loon krijgt. U vindt het immers niet goed, als iemand zijn moeder slaat?"

"Neen, maar...."

De Majoorske valt haar in de rede en strijkt haar het lichte, krullende haar van het voorhoofd. "Kind, kind," zegt zij, "hoe kon je er toch toe komen dien dommen Henrik Dohna te nemen!"

"Maar ik houd van hem."

"Ja, ik begrijp het wel, ik begrijp het wel," zegt de Majoorske. "Een goed kind en niet meer; schreit met de bedroefden en lacht met de blijden. En is gedwongen: "Ja" te zeggen tegen den eerste, die zegt: "Ik heb je lief." Ach, ja. Ga nu naar binnen en dans, mijn lieve, jonge gravin. Dans en wees blij; in u is geen kwaad."

"Maar ik zou zoo graag iets voor de Majoorske doen."

"Kind," zei de Majoorske, plechtig: "eens woonde er een oude vrouw op Ekeby, die de winden des hemels bedwong. Nu is ze zelf gevangen en de winden zijn vrij. Is het dan wonder, dat er een storm over 't land gaat? Ik die oud ben, heb dat meer gezien, gravin. Ik ken dat. Ik weet, dat Gods geweldige storm over ons komt. Nu vaart hij over de groote rijken, dan over de kleine, vergeten landen. Gods storm komt overal! Over de grooten en over de kleinen. Het is grootsch Gods storm te zien komen.

"Gods storm! Adem Gods, kom en blaas over de aarde! Stemmen uit water en lucht, klinkt tot onze ontzetting. Laat de stormvlagen suizen over het land, aanbonzen tegen de wankelende muren, de verroeste sloten breken en de hellende huizen omwerpen.

"Angst zal komen over het land. De kleine vogelnesten worden uit de takken geschud. Het nest van den gier-sperwer zal uit den spar met geraas ter aarde vallen, en tot in 't uilennest in de bergkloof zal de wind met zijn drakentong reiken.

"Wij meenden, dat alles hier zoo goed was, maar dat was zoo niet. Wij hadden behoefte aan den storm, die van God komt. Ik begrijp dat en klaag niet. Ik verlang alleen naar huis--naar mijn moeder te komen."

Plotseling zonk zij ineen.

"Ga nu, jonge vrouw," zegt zij. "Ik heb geen tijd meer. Ik moet op weg. Ga nu; maar hoed u voor hem, die op de wieken van den storm komt."

En zij begint weer haar rusteloos heen en weer loopen. Haar trekken worden slapper; de oogen krijgen weer die zonderlinge uitdrukking, alsof ze naar binnen zien. De gravin en mevrouw Scharling kunnen niets anders doen dan heengaan.

Zoodra zij bij de dansenden terugkomen, gaat de jonge gravin regelrecht naar Gösta Berling toe.

"Ik moet u de groete van de Majoorske doen, Mijnheer Berling," zegt zij. "Zij verwacht, dat u haar uit de gevangenis helpen zult."

"Dan zal zij lang moeten wachten, mevrouw de gravin."

"Och, help haar toch, mijnheer Berling."

Gösta ziet somber voor zich. "Neen," zegt hij; "waarom zou ik haar helpen? Waarvoor ben ik haar dank schuldig? Alles, wat ze gedaan heeft, diende tot mijn ongeluk!"

"Maar, mijnheer Berling!...."

"Als zij er niet geweest was," antwoordde hij heftig, "dan sliep ik nu daarginds in de eeuwige bosschen. Ben ik verplicht mijn leven voor haar te wagen, omdat ze mij tot kavalier op Ekeby gemaakt heeft? Meent mevrouw de gravin soms, dat het een bijzonder eervolle betrekking is?"

De jonge gravin wendt zich af, zonder te antwoorden. Ze is boos.

Zij gaat naar haar plaats terug, met bitterheid vervuld over de kavaliers. Hier zijn ze gekomen met waldhoorn en viool en willen den strijkstok over de snaren laten gaan, tot de haren versleten zijn, zonder er aan te denken, dat de vroolijke tonen tot in de armoedige kamer van de gevangenis klinken. Hier zijn ze gekomen om zich de schoenzolen stuk te dansen, en denken er niet aan, dat hun oude weldoenster hun schaduwen voorbij de beslagen vensters kan zien glijden. Ach, hoe grauw en leelijk wordt de wereld! Ach, wat donkere schaduwen werpen nood en hardheid over de ziel van de jonge gravin! Kort daarna komt Gösta Berling haar ten dans noodigen.

Zij weigert ronduit.

"Wil de gravin niet met mij dansen?" vraagt hij, terwijl het bloed hem naar de wangen stijgt.

"Met u evenmin als met een van de andere kavaliers," antwoordt zij.

"Zijn wij zulk een eer niet waard?"

"Dat is geen eer, mijnheer Berling. Maar ik heb er geen pleizier in met menschen te dansen, die den plicht der dankbaarheid vergeten."

Gösta heeft zich al op zijn hiel omgedraaid.

Dit tooneel is door velen gehoord en gezien. Allen geven de gravin gelijk. De ondankbaarheid en harteloosheid van de kavaliers tegenover de Majoorske heeft de algemeene verontwaardiging gewekt.

Maar Gösta Berling is in die dagen gevaarlijker dan een wild dier in het bosch.

Sinds hij van de jacht is thuis gekomen en Marianne niet meer op Ekeby vond, is zijn hart één open wonde.

Hij is in een stemming om iemand een bloedig onrecht aan te doen en smart en pijn om zich heen te verspreiden.

Zij zal haar verdiende loon hebben, zegt hij in zichzelf. Zij zal er niet gemakkelijk afkomen. De gravin houdt er immers van geschaakt te worden. Zij zal haar zin hebben. Hij heeft niets tegen een avontuur.

Acht dagen lang heeft hij geleden ter wille van een vrouw. Dat is nu lang genoeg.

Hij roept Beerencreutz, den overste, Kristiaan Bergh, den sterken kapitein, en den tragen neef Kristofer, die zich nooit bedenken, als er sprake van een dollen streek is, en beraadslaagt met hen, hoe zij de gekrenkte eer van de kavaliers wreken zullen.

Het eind van het feest is gekomen. Een lange rij sleden rijdt de plaats op. De heeren trekken hun pelzen aan. De dames zoeken naar hun goed, dat in een wanhopige wanorde in de kleedkamer ligt.

De jonge gravin heeft zich gehaast om van dit afschuwelijke bal weg te komen. Zij is het eerst klaar van alle dames. Zij staat glimlachend midden in de kamer en ziet de verwarring aan, toen de deur opengerukt wordt en Gösta Berling zich op den drempel vertoont. Geen man heeft het recht in deze kamer binnen te dringen. Oude dames staan daar met hun dun haar. Zij hebben de fijne mutsjes afgezet. En de jongere hebben hun kleedjes onder de pelzen opgenomen, om de garneering niet te kreukelen onder het rijden.

Maar zonder zich te storen aan het waarschuwend roepen van alle kanten, springt Gösta Berling op de gravin af en grijpt haar aan. Hij neemt haar op in zijn armen en vliegt de kamer uit, de voorkamer in en van daar de stoep af.

Het geschreeuw der verschrikte vrouwen houdt hem niet terug. Als zij hem nasnellen zien zij alleen, dat hij in een slee springt met de gravin in de armen. Zij hooren den koetsier met de zweep klappen en de paarden voortstuiven. Zij kennen den koetsier: dat is Beerencreutz; zij kennen het paard: dat is Don Juan. En diep bekommerd over het lot der gravin roepen zij de mannen.

En deze verliezen geen tijd met veel vragen! Met den graaf aan 't hoofd zetten zij den vrouwenroover na.

Maar hij ligt in de sleê en houdt de jonge gravin vast. Alle smart is vergeten, en onder de blijde bekoring van het avontuur, zingt hij uit volle borst een lied van liefde en rozen. Hij houdt haar vast tegen zich aan gedrukt; maar zij doet geen poging om te ontvluchten. Haar gezichtje rust wit, als versteend, aan zijn borst.

Och, wat zal een man doen, als hij een bleek, hulpeloos gezichtje zóo dicht bij zich ziet, als hij de blonde haren, die anders het glanzende, witte voorhoofd bedekken, ter zijde ziet geschoven, als de oogleden zich zwaar over de schelmsche, schitterende grijze oogen gesloten hebben.

Kussen natuurlijk, de bleeke lippen, de gesloten oogen, het blanke voorhoofd kussen.

Maar daar komt de jonge vrouw tot zich zelf. Zij gooit zich achterover. Als een stalen veer is zij. En hij moet met haar worstelen om te voorkomen, dat zij uit de slee springt, tot hij haar bevend en overwonnen in een hoek gedrongen heeft.

"Zie eens," zegt Gösta dan heel rustig tot Beerencreutz. "De gravin is de derde, die Don Juan en ik dezen winter wegvoeren. De anderen hingen om mijn hals en kusten mij; maar zij wil niet door me gekust worden en ook niet met me dansen. Kun jij uit die vrouwen wijs worden, Beerencreutz?"

Maar toen Gösta de plaats afreed, toen de vrouwen gilden en de mannen vloekten, toen de sleebellen klonken en de zweepen klapten en alles rumoer en verwarring was, werden de mannen, die de Majoorske bewaakten, wonderlijk te moede.

"Wat is er te doen?" dachten ze; "waarom schreeuwen ze zoo?"

Op eens wordt de deur opengetrokken, en een stem roept: "Zij is weg! Nu rijdt hij met haar weg!"

En zij springen op en vliegen als dwazen voort zonder te zien of het de Majoorske of iemand anders is, die weg is. En ze treffen 't goed, want ze krijgen een slee, en zij rijden ver weg en lang, eer ze te weten komen wie ze eigenlijk vervolgen.

En kapitein Bergh en Kristofer gaan op hun gemak naar de deur, steken kalm het slot open en doen de deur open.

"De Majoorske is vrij," zeggen zij.

Zij komt naar buiten. Zij staan stokstijf elk aan een kant van de deur en zien haar niet aan.

Buiten wacht slede en paard.

Zij gaat naar buiten, zet zich in de slee en rijdt weg. Háár vervolgde niemand, en niemand weet ook waar zij heen rijdt.

Don Juan draaft den Brobyheuvel af, naar het toegevroren meer. Het fiere dier vliegt over den weg. Versterkend giert de ijskoude wind om de wangen van den rijdenden. De bellen klinken. Maan en sterren schijnen blauwachtig, wit ligt de sneeuw in 't rond en glanst en schittert.

Gösta voelt poëtische gedachten in zich ontwaken. "Beerencreutz," zegt hij, "dit is leven! Zooals Don Juan met die jonge vrouw voortrent, zoo sleept de tijd de menschen meê. Jij bent de noodzakelijkheid, die den rit bestuurt. Ik ben de begeerte, die den wil gevangen houdt. En zoo wordt de machtelooze dieper en dieper omlaag getrokken."

"Houd je mond toch!" schreeuwt Beerencreutz; "nu halen ze ons haast in." En met zwiepende zweepslagen hitst hij Don Juan aan tot aanhoudend sneller vaart.

"Zij zijn de wolven, wij zijn de buit!" roept Gösta. "Don Juan, mijn jongen, verbeeld je, dat je een jonge eland bent. Stuif door 't kreupelhout, waad door het moeras, spring van de rotsen in het heldere meer, zwem er over, den kop fier omhoog, en verdwijn in de reddende duisternis van het dennenwoud. Draaf, Don Juan, oude vrouwenroover, draaf als een jonge eland!"

Zijn woest hart zwelt van blijdschap onder dien dollen rit. De kreten der vervolgers zijn als een juichlied voor hem. Zijn woest hart zwelt van blijdschap, als hij merkt, dat de gravin beeft van schrik, zoodat haar tanden klapperen.

Plotseling laat zijn ijzeren vuist haar los, hij staat op in de slee en zwaait met zijn muts.

"Ik ben Gösta Berling!" roept hij. "Heer van tienduizend kussen en dertienduizend liefdesbrieven. Hoera voor Gösta Berling! Pak hem als je kunt!"

't Volgend oogenblik fluistert hij de gravin in: "Is dit niet een heerlijke rit? Achter 't meer Löfven ligt 't Weenermeer. Daarachter de zee! Overal oneindige, heldere, blauwgrijze ijsvlakten! Rollende donder, krakend ijs, geroep en geschreeuw achter ons, vallende sterren in de lucht, klinkende bellen vóór ons! Altijd voort! Hebt u lust de reis te wagen, lieve, jonge mevrouw?"

Hij laat haar los. Zij stoot hem heftig terug.

Een oogenblik later ligt hij op de knieën aan haar voeten.

"Ik ben een ellendeling, een ellendeling. U hadt mij niet moeten tergen. U stond daar zoo fier en hoog, en meende, dat een kavaliersvuist u nooit bereiken kon. U heeft aarde en hemel lief. U hadt geen steenen moeten toevoegen aan den last, dien hij, die door aarde en hemel veracht wordt, dragen moet!"

Hij grijpt haar handen en brengt ze aan zijn gezicht.

"Als u wist wat het is, te weten dat men een uitvaagsel is!" zegt hij. "Dan geef je er niet meer om, wat je doet,--'t kan je niet meer schelen."

Daar voelt hij, dat ze geen handschoenen aan heeft. Hij trekt een paar groote ruige wanten uit den zak en doet ze haar aan. En nu is hij opeens heelemaal kalm en zet zich in de slee neer, zoo ver mogelijk van de jonge gravin.

"U hoeft niet bang te zijn," zegt hij. "Ziet u niet waar we heenrijden? U kunt toch wel begrijpen, dat wij u geen kwaad durven doen."

Zij is bijna bewusteloos geweest van schrik; maar nu ziet zij, dat zij 't meer al over zijn gereden en dat Don Juan nu den steilen heuvel opklautert naar Borg. Zij laten het paard stilhouden bij de stoep van 't hoofdgebouw en laten de jonge gravin uitstappen voor haar eigen huis.

En toen zij zich door haar dienstboden omringd ziet, die naar buiten komen loopen, krijgt zij haar moed en tegenwoordigheid van geest terug.

"Wil je voor het paard zorgen, Anderson," zegt zij tegen den koetsier. "Deze heeren, die mij naar huis gereden hebben, zijn zeker wel zoo vriendelijk even mee naar binnen te gaan. De graaf komt dadelijk."

"Zooals u wenscht," antwoordt Gösta en stapt dadelijk uit de slee. Beerencreutz werpt de leidsels weg, zonder zich een oogenblik te bedenken. Maar de jonge gravin gaat vooruit en leidt hen met slecht verborgen leedvermaak in de groote zaal.

Zij had stellig gedacht, dat de kavaliers zich tweemaal zouden bedenken, eer zij haar voorstel, om haar man af te wachten, aannamen. Zij wisten dus niet welk een streng en rechtvaardig man hij was. Zij vreesden niet voor de straf, die hij hun zou opleggen, omdat zij haar met geweld aangegrepen hadden en haar gedwongen met hen te rijden.

Zij wilde hem hun hooren verbieden ooit weer hun voeten in haar huis te zetten. Zij wilde hem de bedienden zien roepen en de kavaliers aanwijzen als mannen, die zij nooit meer binnen de poorten van Borg mochten laten komen. Zij wilde hem zijn verachting hooren uitspreken, niet alleen voor wat zij haar gedaan hadden, maar ook voor hun gedrag tegenover de Majoorske, hun weldoenster.

Ja, hij, die voor haar louter teerheid en oplettendheid was, hij zou in regelmatige toorn opstaan tegen haar vervolgers. De liefde zou zijn woorden gloed geven. Hij, die haar beschutte en omringde als een wezen van hooger orde, hij zou niet verdragen, dat ruwe mannen op haar aanvielen en haar aangrepen als een roofvogel een muschje. Heel die kleine vrouw gloeide van wraakzucht, van 't hoofd tot de voeten. Haar man zou haar helpen en de donkere schaduwen verdrijven.

De overste Beerencreutz, met den dikken witten snor ging toch onvervaard de eetzaal binnen en stapte naar den haard, waar altijd vuur moest branden, als de gravin van een bal naar huis kwam.

Gösta bleef in het donker bij de deur en zag zwijgend naar de gravin, terwijl een bediende haar goed afdeed. En terwijl hij daar zat en die jonge vrouw aanzag, werd hij zóó tevreden, als hij in vele jaren niet geweest was. Het werd hem helder; het was hem als een openbaring, dat in haar binnenste een leliereine ziel woonde.

Lang had die gebonden en sluimerend gelegen, maar nu zou die wel voor den dag komen. Hij was zoo gelukkig, doordat hij alle reinheid en vroomheid en onschuld ontdekt had, die in haar hart woonden. Hij moest bijna om haar lachen, omdat ze zoo boos keek en daar stond met gloeiende wangen en gefronste wenkbrauwen.

"Ze weet het zelf niet, hoe zacht en goed ze is," dacht hij.

De zijde van haar natuur, die naar buiten gekeerd was, zou nooit haar inwendig ik geheel tot zijn recht laten komen, dacht hij. Maar Gösta Berling moest haar van dat oogenblik dienen, zooals men al wat schoon en verheven is dienen moet. Ja, het was hem onmogelijk er berouw over te hebben, dat hij zoo pas nog zoo ruw tegen haar gedaan had. Als zij niet zoo bang geweest was, als zij hem niet zoo heftig van zich gestooten had, als hij niet gevoeld had hoe heel haar ziel in opstand gekomen was tegen zijn ruwheid, dan was hij nooit te weten gekomen welk een fijne, edele ziel er in haar woonde.

Hij had geen reden gehad dat vroeger te gelooven.

Zij was immers louter danslust en vroolijkheid geweest. En dan had zij immers dien dommen graaf Henrik kunnen trouwen!

Maar nu zou hij haar slaaf zijn tot zijn dood. Haar hond en haar slaaf,--zooals Kaptein Kristiaan zei,--en anders niet.

Hij zat daar bij de deur, Gösta Berling, met gevouwen handen, en hield een soort van eeredienst. Sedert dien dag, dat hij de vlammen der inspiratie over zich had voelen komen, had hij niet zulk een hoogtij in zijn ziel gevoeld. Hij liet zich niet storen, hoewel graaf Dohna met een massa menschen binnen kwam, die vloekten en raasden over de duizend dolle streken van de kavaliers.

Hij liet Beerencreutz den storm afwachten. Hij had wel wat anders om over na te denken.

De overste stond kalm aan den haard, met den voet op het hekje er voor, den elleboog op de knie gesteund en de kin op de hand, en zag de binnenstormenden aan.

"Wat moet dat beteekenen?" schreeuwde de kleine graaf hem toe.

"Dat beteekent," antwoordde hij, "dat, zoo lang er vrouwen zijn, men ook dwazen vindt, die naar hun pijpen dansen."

De jonge graaf werd vuurrood. "Ik vraag wat dat beduidt?" herhaalde hij.

"Ja, dat zou ik ook wel willen weten," spotte Beerencreutz. "Mag ik weten wat het beteekent, dat de vrouw van Henrik Dohna niet met Gösta Berling dansen wil?"

De graaf zag zijn echtgenoote vragend aan.

"Ik kon niet, Henrik," barstte zij uit. "Ik kon niet met hem dansen, noch met een van de anderen. Ik dacht aan de Majoorske, die zij in de gevangenis lieten versmachten."

De kleine graaf richtte fier zijn stijf lijfje op en hief zijn oudemannetjeshoofd zoo hoog mogelijk.

"Wij, kavaliers," ging Beerencreutz voort, "staan niemand toe ons te hoonen. Wie niet met ons dansen wil, moet met ons rijden. Er is de jonge gravin niets kwaads gebeurd, en daarmee is 't uit."

"Neen," zei de graaf, "daarmee is 't niet uit. Ik ben aansprakelijk voor de handelingen van mijn vrouw. Nu vraag ik waarom Gösta Berling zich niet tot mij wendde om voldoening, toen mijn vrouw hem beleedigd had."

Beerencreutz glimlachte. "Ik vraag," herhaalde de graaf.

"Men vraagt den vos geen permissie om hem te villen," antwoordde de overste.

De graaf legde de hand op de smalle borst.