Gösta Berling

Part 10

Chapter 104,300 wordsPublic domain

Er waren er vele! En er was veel gedruisch en vroolijkheid. Er werd druk geboden en verkocht. Maar bij 't brandewijnvat, met al zijn bezittingen in een grenzelooze verwarring achter zich, zat Melchior Sinclaire, half dronken en half krankzinnig. 't Haar zat in verwarde pruiken om zijn rood gezicht, zijn woeste, met bloed beloopen oogen rolden in hun kassen. Hij schreeuwde en lachte alsof hij in de beste stemming was, en ieder, die een bod deed, riep hij bij zich en bood hem een borrel aan.

Onder hen, die hem zagen, was ook Gösta Berling, die zich onder de koopers had gemengd, maar zorgvuldig vermeed hem onder de oogen te komen. Hij rilde van wat hij zag, en zijn hart werd beklemd door een bang voorgevoel van naderend onheil.

Hij vroeg zich verwonderd af, waar Mariannes moeder wel zijn zou. En nu ging hij, half tegen zijn zin, maar door 't noodlot gedreven, Mevrouw Gustava Sinclaire zoeken.

Hij ging door vele deuren eer hij haar vond. De groote landeigenaar had maar weinig geduld en hij hield niet van klachten en vrouwentranen. Hij was haar onophoudelijk schreien over 't lot, dat de schatten van haar huis trof, moede. 't Maakte hem razend, dat zij kon schreien om linnen en beddegoed nu zij, die zooveel meer waard was, zijn mooie dochter verloren was, en hij had haar met gebalde vuisten 't heele huis doorgejaagd, door de keuken heen in de provisiekamer.

Verder kon ze niet en hij had zich vergenoegd met haar daar te zien zitten in elkaar gekrompen achter de trap, harde slagen, misschien den dood verwachtend. Hij liet haar daar zitten, maar sloot de deur af en stak den sleutel in zijn zak. Daar kon ze nu blijven zitten tot de verkooping voorbij was. Honger lijden zou ze niet en hij was vrij van haar gejammer te hooren.

Daar zat ze gevangen in haar eigen provisiekamer, toen Gösta de gang door naar de keuken ging. Daar zag hij plotseling 't gezicht van Mevrouw Gustava voor 't venster hoog in de muur. Zij was daarheen naar boven gekropen en keek uit haar gevangenis.

"Wat doet u daarboven, tante?" [1]

"Hij heeft me opgesloten!"

"De landheer?"

"Ja, ik was bang, dat hij me dood zou slaan. Maar hoor eens Gösta, neem den sleutel van de deur van de zaal en ga door de keuken naar de deur van de provisiekamer; daar past die sleutel op. Doe de deur open, dan kom ik hier uit."

Gösta deed het en een paar minuten later stond het oude vrouwtje in de groote, leege keuken.

"U hadt een van de meisjes de deur moeten laten opendoen," zeide Gösta.

"Meen je, dat ik hun dat kunstje leeren wil? Neen, dan zouden ze mijn provisiekast nooit meer met rust laten. En ik heb ook de bovenste planken wat opgeruimd. Dat was wel noodig. Ik kan niet begrijpen dat ik daar zoo'n rommel heb kunnen maken."

"U hebt ook zooveel te doen, tante," zei Gösta verontschuldigend.

"Ja, daar kun je van op aan! als ik niet overal te gelijk ben, dan komt er geen spinnewiel en geen weefstoel in beweging. En als...."

Ze hield plotseling op en droogde haar tranen af.

"Goede hemel, wat sta ik toch te praten," zei ze, "ik zal nu wel nooit meer iets hebben na te zien. Hij verkoopt immers alles, wat we hebben."

"Ja, 't is ellendig," zei Gösta.

"Je weet wel, de groote spiegel in de zaal, dat prachtige stuk! Er is geen naad in 't glas, geen vlekje op de lijst! Ik heb hem van moeder gekregen en die wil hij nu verkoopen."

"Maar wat bezielt hem toch?" vroeg Gösta.

"Och, 't is alleen, omdat Marianne niet weerom komt. Hij heeft daar aldoor op gewacht. Hij heeft dagen lang in de groote laan op en neer geloopen en naar haar uitgezien. Hij verlangt zóó, dat ik bang ben dat hij er gek van wordt. Maar ik durf niets te zeggen."

"Marianne meent, dat hij boos op haar is."

"Och dat meent ze niet. Ze kent hem wel. Maar ze is trotsch en wil niet de minste zijn. Ze zijn allebei even hard en koppig. En ik zit er tusschen in en op mij komt alles neer!"

"Weet u, dat Marianne met mij trouwen wil, tante?"

"Och Gösta, dat doet ze toch niet! Dat zegt ze maar om haar vader te plagen. Ze is veel te verwend om met een arm man te trouwen, en veel te trotsch ook. Ga nu gauw naar huis en zeg haar, dat haar erfdeel weg is als ze niet dadelijk komt. Och! hij laat alles gaan zonder er behoorlijk geld voor te krijgen!"

Gösta werd boos. Daar zat die vrouw nu op haar groote keukentafel en had geen hart voor iets anders, dan voor haar spiegels en porcelein.

"U moest u schamen!" barstte hij uit. "U laat uw dochter in de sneeuw liggen en dan meent u, dat 't uit pure boosaardigheid is, dat ze niet thuiskomt.

"En u meent, dat ze den man, waar ze van houdt, zal verlaten, alleen om haar erfdeel niet te verliezen."

"Lieve Gösta, wordt nu ook niet boos! Ik weet immers niet, wat ik zeg. Ik heb geprobeerd Marianne binnen te laten, maar hij trok me weg van de deur. Ze zeggen hier altijd, dat ik nergens verstand van heb. Ik gun je Marianne graag, Gösta, als je haar gelukkig kunt maken. Maar 't is zoo makkelijk niet een vrouw gelukkig te maken, Gösta!"

Gösta zag haar aan. Hoe kon hij boos worden op zulk een menschje! Schuw en gejaagd was zij, maar ze had toch zulk een goed hart.

"Tante vraagt niet eens, hoe 't met Marianne is," zei hij zacht.

Zij barstte in schreien uit. "Word je dan niet boos, als ik dat vraag?" zei ze. "Ik heb er aldoor naar verlangd 't je te vragen. Ik weet niets meer van haar, dan dat ze leeft. Geen groet heb ik van haar gehad al dien tijd; niet eens toen ik haar kleeren zond. En toen dacht ik dat jelui me niets meer van haar wilden vertellen."

Gösta kon het niet langer uithouden. Hij was woest en dwaas. Soms moest onze Lieve Heer hem zijn wolven achterna zenden om hem tot gehoorzaamheid te dwingen--maar de tranen van de oude vrouw waren voor hem erger dan 't huilen der wolven!

Hij vertelde haar de waarheid:

"Marianne is al dien tijd ziek geweest," zei hij, "ze heeft de pokken gehad. Vandaag mocht ze opstaan en op de sofa liggen. Ik heb haar sinds dien eersten nacht niet meer gezien."

Met een sprong stond Mevrouw Gustava op den grond. Ze liet Gösta staan zonder een woord te zeggen en vloog weg naar haar man.

De menschen in de zaal zagen haar naar hem toe loopen en hem haastig iets in 't oor fluisteren. Zij zagen, dat zijn gezicht nog rooder werd en dat zijn hand, die hij aan de kraan van 't vat hield, die onwillekeurig omdraaide, zoodat de brandewijn over den vloer stroomde.

Allen kwam het voor, dat Mevrouw Gustava zulke gewichtige tijding bracht, dat de verkooping onmiddellijk gestaakt moest worden. De hamer van den oproeper viel niet meer neer, de pennen van de schrijvers krasten niet meer, geen nieuw bod werd gehoord.

Melchior Sinclaire schrikte op uit zijn gedachten.

"Nu," riep hij uit. "Wat moet dat worden?"

En een oogenblik later was de verkooping weer in vollen gang.

Gösta zat in de keuken te wachten en Mevrouw Gustava kwam schreiend naar hem terug.

"Het hielp niet," zei ze. "Ik dacht, dat hij zou ophouden, als hij hoorde, dat Marianne ziek geweest was; maar hij laat ze doorgaan. Hij zou wel willen ophouden, maar hij durft niet om de menschen."

Gösta trok de schouders op en nam afscheid van haar.

In de vestibule kwam hij Sintram tegen.

"Een verduiveld vermakelijke historie!" riep Sintram en wreef zich in de handen. "Je bent toch een kranige kerel, Gösta, dat je dat klaar gekregen hebt."

"'t Wordt nog vermakelijker over een poosje," fluisterde Gösta. "De predikant van Broby is hier met een slee vol geld. Men zegt, dat hij 't heele Björne koopen wil en contant betalen. Ik wil wel eens zien wat de landheer dan voor een gezicht zetten zal."

Sintram trok beide schouders op en lachte lang, zich inwendig verkneukelend. Toen ging hij de groote zaal in, recht op Melchior Sinclaire af.

"Wil je een borrel, Sintram, dan moet je voor den duivel eerst een bod doen."

"Je bent toch een geluksvogel," zei Sintram. "Hier komt iemand aanrijden met een slee vol geld. Hij wil Björne koopen met inboedel en veestapel en al. Hij heeft afspraak gemaakt met een massa menschen, dat ze voor hem bieden zullen. Hij zelf zal zich vooreerst wel niet vertoonen."

"Je wilt zeker wel zeggen wie 't is, als ik je een borrel voor je moeite geef?"

Sintram nam het glas en ging een paar stappen achteruit, eer hij antwoordde.

"'t Moet de dominé van Broby zijn, broeder Melchior."

Melchior Sinclaire had beter vrienden dan de predikant van Broby. Jaren lang bestond er al een veete tusschen hen. Men zei, dat de groote landeigenaar in donkre nachten op den loer gelegen had op den weg, waarlangs de predikant moest komen en hem menig pak slaag gegeven had, dien duitendief, dien boerenplaag!

Wel was Sintram een eind achteruit gegaan; maar toch ontkwam hij niet geheel aan den toorn van Melchior Sinclaire. Hij kreeg een glas tusschen de oogen en 't heele vat brandewijn over zijn voeten; maar toen volgde er ook een tooneel, dat nog lang zijn hart verheugde.

"Wil de dominé mijn landgoed hebben!" brulde Sinclaire. "Staan jelui hier aan den dominé mijn goed te verkoopen?

"De verkooping is uit," schreeuwde hij.

"Weg met jelui! Nooit, zoolang ik leef, krijgt de dominé van Broby mijn goed. Weg met jelui! Ik zal je leeren voor den dominé te bieden!"

Hij stoof op den oproeper en de schrijvers af. Zij weken uit. In de verwarring werd de toonbank omgegooid en de landheer stoof als een razende op de menigte vreedzame menschen in.

En ze vluchtten in wilde verwarring. Een paar honderd menschen drongen naar de deur, bang voor één man.

Hij bleef staan en schreeuwde: "weg met jelui!" Hij zond ze vloeken achterna en zwaaide een stoel boven zijn hoofd als wapen.

Hij vervolgde ze tot in de vestibule; maar niet verder. Toen de laatste vreemde de trap op was, ging hij in de zaal terug en sloot de deur achter zich. Toen trok hij een matras en een paar kussens uit den hoop, ging er op liggen en sliep in--midden in de wanorde. Hij werd niet wakker voor den volgenden morgen.

Toen Gösta thuis kwam, hoorde hij, dat Marianne hem spreken wilde. Dat trof goed, hij had er juist over gedacht, hoe hij haar te spreken zou krijgen.

Toen hij in de donkre kamer kwam, waar ze lag, bleef hij eerst aan de deur staan. Hij kon niet zien waar ze was.

"Blijf, waar je ben Gösta," zei Marianne, "'t kan gevaarlijk zijn dicht bij me te komen."

Maar Gösta was de trap op komen stormen, bevend van ontroering en verlangen. Wat kon hem de besmetting schelen! Hij wilde de zaligheid genieten haar weer te zien.

Want zij was schoon, zijn geliefde. Niemand had zulk zacht haar, zulk een hoog rein voorhoofd. Haar geheele gelaat was één geheel van schoone vormen en lijnen. Hij dacht aan de wenkbrauwen, scherp en fijn geteekend, als de honingweg in de lelie, aan de kloeke gebogen lijnen van de neus, aan de lippen, licht gekruld als kleine golfjes, aan 't ovaal der wangen en aan den uitgezocht fijnen vorm der kin. Hij dacht aan de teere tint der huid, aan de donkere wimpers onder 't lichte haar, aan den blauwen oogappel in 't heldre wit en aan den gloed harer oogen.

Heerlijk was ze, zijn geliefde! hij dacht aan haar warm hart, dat ze onder dat trotsch uiterlijk verborg. Ze had kracht tot toewijding en zelfopoffering en verborg die onder haar elegante houding en trotsche woorden. Het was een zaligheid haar te zien.

In twee sprongen was hij de trap opgekomen en meende ze nu, dat hij aan de deur zou blijven staan? Hij stormde de kamer door en viel op de knieën naast de sofa.

Hij wilde haar zien, haar kussen en afscheid van haar nemen. Hij had haar lief en zou nooit ophouden haar lief te hebben; maar zijn hart was gewend in 't stof getreden te worden.

O, waar zou hij haar vinden, de roos zonder wortel of steun, die hij tot zich kon nemen en de zijne noemen. Niet eens haar, die hij verworpen en halfdood aan den weg gevonden had, mocht hij behouden. Wanneer zou zijn liefde ooit een lied aanheffen, zóó luide en rein, dat geen wanklank het overstemde? Wanneer zou hij 't paleis van zijn geluk op een grond bouwen, dien niet door een ander hart met onrust en verlangen werd begeerd?

Hij dacht er over, hoe hij afscheid van haar nemen zou.

"Er is groot lijden in je ouderlijk huis!" zou hij zeggen. "Mijn hart breekt als ik er aan denk. Ge moet naar huis gaan en je vader zijn verstand hergeven--je moeder verkeert in voortdurend levensgevaar. Ge moet naar huis, mijn liefste!"

Zie, zulke woorden van vrijwillig ontberen had hij op de lippen. Maar hij sprak ze niet uit.

Hij viel op de knieën aan haar sofa en nam haar hoofd tusschen zijn beide handen--maar kon niet spreken. Zijn hart begon zóó geweldig te slaan, als zou 't zijn borst doen springen.

De pokken hadden dat heerlijke gelaat geteisterd. De huid was grof geworden en vol lidteekens. Nooit meer zou het roode bloed de wangen kleuren of de fijne blauwe aderen aan de slapen zichtbaar worden. De oogen lagen wat onder de gezwollen oogleden. De wenkbrauwen waren uitgevallen en 't witte email der oogen was geel geworden. Alles was vernield. De fijne lijnen waren grof en zwaar geworden. Er waren velen, die later Mariannes vervlogen heerlijkheid beschreiden. Maar de eerste man, die haar zag nadat ze haar schoonheid verloren had, gaf zich niet over aan zijn smart. Onuitsprekelijke gevoelens vervulden zijn ziel. Hoe langer hij haar aanzag, hoe warmer 't in hem werd. Zijn liefde steeg en steeg als een rivier in de lente. Als vuurgolven bruischte zij op uit zijn hart, zij vulde heel zijn wezen, zij steeg op naar zijn oogen als tranen, naar zijn lippen als snikken, ze deed zijn handen, zijn geheele lichaam trillen.

O, haar lief te hebben! haar te verdedigen, haar alles, alles te vergoeden! Haar slaaf, haar beschermengel te zijn!

Sterk is de liefde, als zij den vuurdoop van de smart heeft ondergaan. Hij kon niet tot Marianne spreken over scheiding en zelfverloochening. Hij kon haar niet verlaten. Hij was haar 't leven verschuldigd. Hij zou doodzonden kunnen begaan om harentwil.

Hij sprak geen verstandig woord. Hij kuste haar en schreide tot de oude ziekenverpleegster het tijd vond, dat hij heenging.

Toen hij was heengegaan lag Marianne te denken aan hem en zijn ontroering. "Het doet goed zóó bemind te worden," dacht ze.

Ja, dat deed goed.... maar hoe was 't met haar zelf? Wat voelde zij? Och niets, minder dan niets.

Was zij dood--haar liefde--of gevlucht? Waar was het kind van haar hart gebleven? Leefde het nog? Was het in den donkersten hoek van haar hart gekropen verstijfd door den blik der ijzige oogen, verschrikt door 't hoonlachen, half gesmoord door de beenige vingers.

"Och, mijn liefde!" zuchtte ze, "kind van mijn hart! Leeft gij? of zijt ge dood--dood als mijn schoonheid?"

Den volgenden morgen vroeg kwam de machtige landheer bij zijn vrouw. "Zorg dat het huis weer in orde komt, Gustava," zeide hij, "ik rijd uit om Marianne thuis te halen".

"Ja, beste Melchior, ik zal er voor zorgen," antwoordde zij.

Daarmeê was alles in orde tusschen hen. Een uur later was de landheer op weg naar Ekeby.

Men kon zich geen beschaafder en welwillender oude heer voorstellen dan de landheer, zooals hij daar in de open caleche zat in zijn besten pels, met zijn fijnsten halsdoek om. Nu lag zijn haar plat gekamd om zijn schedel; maar zijn gezicht was bleek, zijn oogen ingezonken.

Een weergalooze glans stroomde van den heldren hemel op dien Februarimorgen. De sneeuw fonkelde als de oogen van jonge meisjes, als de eerste dans gespeeld wordt. De berken staken hun kantwerk van fijne, bruinroode twijgen op naar den hemel; hier en daar zat een donzige franje van schitterende naaldjes.

Er lag feestglans over dien dag. De paarden hieven, als dansten ze, de voorpooten op, en de koetsier knalde met de zweep uit pure vergenoegdheid.

Na een korten rit hield de slee van den landheer stil voor Ekeby. De knecht kwam naar buiten.

"Waar zijn de heeren?" vroeg de landheer.

"Op de jacht. Zij jagen op den grooten beer van de Gurlita Klätt."

"Allemaal?"

"Allemaal, mijnheer! Wie niet meêgaat om den beer, gaat meê om den knapzak."

De landheer lachte, dat 't over de geheele plaats klonk en gaf den knecht een daalder voor dat antwoord.

"Zeg mijn dochter, dat ik hier ben om haar te halen. Ze behoeft niet bang voor de kou te zijn. Ik sla de kap van de caleche op en heb de wolfspels bij me om er haar in te wikkelen."

"Wil mijnheer niet binnenkomen?"

"Neen, dank je, ik zit hier goed!"

De knecht verdween en de landheer zette zich tot wachten. Hij was dien morgen in een onverstoorbaar goed humeur. Hij had wel gedacht, dat hij wat op Marianne zou moeten wachten. Misschien was ze nog niet eens op. Hij zou in dien tijd maar wat rondkijken.

Aan 't dak hing een lange ijspegel, waar de zon een gruwelijken last meê had. Zij begon van boven af, smolt een droppel los, en wilde die er langs naar beneden laten loopen. Maar als de droppel halfweg was, was ze weer verstijfd. Aanhoudend deed de zon opnieuw moeite, maar zonder resultaat.

Eindelijk was er een kleine zonnestraal, een vrijbuiter, die zich vasthechtte aan de punt van den ijspegel;--een kleintje, dat glinsterde van opgewondenheid en in een oogenblik had hij zijn doel bereikt: een droppel plaste op den grond. De landheer zag lachend naar hem. "Je bent nog zoo dom niet," zei hij tegen den zonnestraal.

De plaats was stil en leeg. Geen geluid kwam uit het groote huis. Maar de landheer werd niet ongeduldig. Hij wist, dat de vrouwlui veel tijd noodig hebben eer ze klaar zijn.

Hij zat naar de duiventil te kijken. Die was dicht. De duiven werden opgesloten in den winter, opdat de havik ze niet grijpen zou. Nu en dan kwam een duif en stak haar witte kop door de tralies.

"Die wacht op het voorjaar," zei Melchior Sinclaire. "Maar ze zal nog wat geduld moeten hebben."

De duif kwam zoo regelmatig terug, dat hij zijn horloge uithaalde en op haar lette.

Precies iedere drie minuten kwam ze terug.

"Neen, kleintje!" zei hij, "meen je, dat het voorjaar in drie minuten klaar komt? Je moet leeren wachten."

En zelf moest hij ook wachten; maar hij had den tijd.

De paarden krabden eerst ongeduldig in de sneeuw; maar toen werden ze slaperig van 't staan en 't in de zon kijken. Ze staken de koppen bij elkaar en sliepen in. De koetsier zat stijf op den bok, met zweep en teugel in de hand, 't gezicht naar de zon gekeerd en sliep zóó vast, dat hij snorkte.

Maar de landheer sliep niet. Hij was nooit minder gestemd tot slapen dan nu. Zelden had hij genoegelijker uren doorgebracht, dan deze blijde uren wachtens.

Marianne was ziek geweest. Zij had niet eerder kunnen komen; maar nu zou ze wel komen. Ja, natuurlijk zou ze komen. En alles zou weer goed worden.

Nu kon ze toch wel zien, dat hij niet boos op haar was. Hij was immers zelf gekomen met de caleche en twee paarden er voor.

Daar ginds op de plank buiten de opening van de bijenkorf had een mees een echte duivelsche list bedacht. Hij moest middageten hebben. En daarom klopte hij op het plankje met zijn scherp snaveltje. Binnen in de korf hingen de bijen in een groote, donkere zak. Alles in de beste orde. De hofmeesters deelen de porties eten uit, de schenkers draven van mond tot mond met nectar en ambrosia. Zij, die in 't midden zitten, ruilen altijd door van plaats met de buitenste, opdat warmte en comfort gelijkelijk verdeeld worden.

Daar hooren ze 't kloppen van den mees. En er gaat een gegons van nieuwsgierigheid door de geheele korf. Is dat een vriend of een vijand? Is er gevaar voor de bijenmaatschappij? De koningin heeft een kwaad geweten. Zij kan den loop der zaken niet rustig afwachten. Zijn het de geesten der vermoorde hommels? broedbijen, die daar buiten spoken?

"Ga zien, wat dat is," beveelt zij de portierster.

Deze gaat. Met een "Leve de koningin!" stormt ze naar buiten, en wip, heeft de mees ze gepakt. Met uitgestrekten hals en vleugels, die trillen van spanning, grijpt hij haar aan, verbrijzelt haar en eet haar op. Niemand bericht haar dood aan haar meesteres.

En de mees begint weer te kloppen. En de bijenkoningin gaat voort haar portiersters naar buiten te zenden en allen verdwijnen ze. Niemand komt terug om te vertellen wie er klopte. Hu! 't wordt griezelig daar in de donkre korf. 't Zijn de wraakgeesten, die daar buiten hun spel drijven. Hadden ze maar geen ooren! konden ze hun nieuwsgierigheid, maar bedwingen en rustig afwachten.

De machtige landheer lachte, dat hem tranen in de oogen kwamen, over de domme vrouwlui daar in de korf en den slimmen baas daar buiten.

't Is geen kunst te wachten, als men zoo zeker van zijn zaak is en zooveel heeft om zich meê bezig te houden.

De zon begon te dalen in 't westen. Melchior Sinclaire keek op zijn horloge.

't Was drie uur! en Moeder zat al van twaalf uur af met het eten te wachten.

Op 't zelfde oogenblik kwam de knecht zeggen, dat Juffrouw Marianne hem wenschte te spreken.

De landheer nam de wolfspels over den arm en liep vroolijk de trappen op.

Toen Marianne zijn zware stappen op de trap hoorde wist ze nog niet, of ze meê naar huis wilde gaan of niet. Zij wist alleen, dat er een eind moest komen aan dat lange wachten.

Zij had gehoopt, dat de kavaliers terug zouden komen; maar ze kwamen niet. Dus moest ze zelf zorgen, dat er een eind aan kwam. Dit kon ze niet langer uithouden.

Ze had gedacht, dat hij boos weer weg zou rijden, als hij vijf minuten gewacht had, of dat hij de deuren zou hebben opengebroken of 't huis in brand gestoken, maar hij zat daar rustig, glimlachend en wachtte. Ze voelde haat noch liefde voor hem. Maar er was een stem in haar hart, die haar waarschuwde zich niet weer in zijn macht te laten komen. En behalve dat wilde zij haar woord aan Gösta houden. Was hij maar in slaap gevallen of onrustig geworden of had hij maar eenig teeken van twijfel gegeven, of was hij maar met de slee in de schaduw gereden. Maar hij was louter geduld en zóó zeker van zijn zaak. Zoo zeker, zóó aanstekelijk zeker, dat ze komen zou, als hij maar wachtte.

Dat deed haar pijn in 't hoofd. 't Deed iedere zenuw in haar trillen. Ze had geen rust, zoolang ze wist, dat hij daar zat. 't Was alsof zijn sterke wil haar bond en de trappen afsleepte. Zij wilde ten minste met hem spreken.

Eer hij kwam, liet zij de gordijnen opentrekken, en ging zoo liggen, dat haar gezicht in 't volle daglicht kwam. Haar doel was hem daarmeê op de proef te stellen, maar Melchior Sinclaire was dien dag een wonderlijk man.

Toen hij haar zag, vertrok hij zijn gezicht niet, sprak geen woord. 't Was alsof hij niet zag, hoe veranderd ze was. Hij wist, hoe trotsch hij geweest was op haar schoonheid. Maar hij liet geen smart blijken. Hij beheerschte zich volkomen, om haar geen verdriet te doen. Dat trof haar. Zij begon te begrijpen hoe 't mogelijk was, dat haar moeder nog altijd van hem hield.

Hij toonde geen den minsten twijfel. Hij deed geen verwijten, maakte geen verontschuldigingen.

"Ik zal je de wolfspels aandoen, Marianne. Die is niet koud. Hij heeft altijd door op mijn schoot gelegen."

Toch ging hij naar den haard en warmde de pels. Toen hielp hij haar op te staan, sloeg de pels om haar heen, deed een shawl om haar hoofd, kruiste die over de borst en bond die op den rug vast.

Zij liet hem begaan.--Ze had geen wil meer. 't Deed haar goed zoo verzorgd te worden, 't was zalig niet te hoeven willen. 't Was zoo rustig voor een mensch zóó moe en geslingerd als zij, voor een mensch, die niet één gedachte, niet één aandoening zijn eigen noemen kon.

De landheer lichtte haar op in zijn armen, droeg haar naar beneden in de sleê, sloeg de kap op, stopte de pels goed over haar heen en reed van Ekeby weg.

Ze sloot de oogen en zuchtte, gedeeltelijk van welbehagen, gedeeltelijk van smart. Ze nam afscheid van 't leven, van 't werkelijke leven. Maar wat deed dat er toe voor haar, die toch niet leven kon--alleen maar komediespelen!

Een paar dagen later zorgde haar moeder er voor, dat ze Gösta spreken kon. Zij zond hem een boodschap, terwijl de landheer zijn lange wandeling deed naar de houthakkerij, en bracht hem bij Marianne.

--Gösta kwam binnen, maar hij groette of sprak niet. Hij bleef aan de deur staan en zag voor zich neer als een koppige jongen.