Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath
Part 9
Dit immers, dat we voor sieraad telkens assche in dien strijd aanbrengen, en de wapenrusting, die de Heere ons toebetrouwt, eer _ont_sieren door onze bezoedeling.
Dit, dat zelfs de heiligsten onder ons het al veel en wel vinden, zoo ze althans optrekken, en zoo ze het zwaard voor Jezus kruisen, maar zich dan ook allerlei geklag veroorlooven over hun kruis en allerlei gejammer over de benauwdheden, die ze uitstaan.
Ja, om het kort te zeggen, dit, dat dit volk des Heeren al zeer zelfvoldaan en tevreden is, indien het niet maar boeleert met den vijand, en het schild des geloofs noch het zwaard des Woords wegwierp.
Maar dat Jezus om een volk _in heilige sieradiën_ vraagt, wie bekommert er zich om? Wie denkt er aan?
Ja, er zijn enkelen, aan wie ge die sieradiën bespeurt, althans een _enkel_ geestelijk sieraad.
Er zijn er, die _gaarne_ vergeven. Er zijn er, die stil en in heilige blijdschap lijden. Er zijn er, die rijk zijn in ontferming en deernis. Er zijn wondere bidders en bidsters. Er zijn zielen, die van liefde overvloeien. Er zijn er, die machtig zijn in het vertellen van al den lof des Heeren.
Maar hoe klein is hun aantal!
o, Laat dat aantal toch _meerder_ worden!
Laat wie éen sieraad heeft, bedenken, dat zijn Heere om een volk _in heilige sieradiën_ vraagt.
Laat onder dat geestelijk versierde volk ook _uw_ naam gekend worden.
En bovenal, zoo ge »heilig sieraad« aan uw ziel moogt ontdekken, o, mijn broeder, mijn zuster! verzondig dat sieraad niet, door u op dat sieraad, als ware het door u zelf gewrocht, te verheffen.
Alle heilig sieraad is nooit anders dan glans, die afstraalt uit _Hem_!
ZEVENTIENDE ZONDAG.
»MET ONGEDEKTEN AANGEZICHTE.«
Doch zoo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zoo wordt het deksel weggenomen.
II Cor. 3:16.
Het licht zelf kunnen we niet zien dan _door_ het licht. Als het licht zich niet zelf openbaart, toont, tot u komt en in uw oogvlies dringt, merkt gij niet eens noch weet, dat er licht is.
En daarop nu ziende, roept de Psalmist uit: »Heere! bij U is de fontein des levens, _in uw licht zien wij het licht_;« wat kennelijk niet gezegd is van het _stoffelijk_ licht der zon, maar van het _geestelijk licht_, dat van God uitstraalt.
Prent u dit diep in.
Als God de Heere niet zoo barmhartig in nederbuigende goedheid was geweest, om zich aan zijn creatuur te openbaren, zou het nietig schepsel niet eenmaal merken noch weten, dat er een God was. En waar God de Heere den mensch al van nature een besef van zijn heilig en Goddelijk bestaan had ingeplant, daar is door de zonde dit besef derwijs verzwakt en verflauwd, dat er den boozen zondaar weinig anders uit toekomt dan de wetenschap, dat hij in de hand en in de macht van een vreeslijk Wezen is, waar hij tegen mort, bitter tegen inworstelt en tegen vloekt, om zijn macht te verfoeien.
o, Als God de Heere u met uw zondig wezen aan uzelven had overgelaten, hoe duivelsch zou ook uw hart niet tegenover uw God staan!
Neen, zeg niet: Dan zou ik als een _heiden_ wezen; want ook over de heidenwereld waakt nog een _algemeene_ genade, en velerlei is de barmhartigheid, waarmeê onze God ook bij de heidenen nog het volle doorbreken van de ongerechtigheid tegenhoudt.
Veel _erger dan een heiden_ zoudt ge er aan toe zijn.
Stikdonkere nacht en duisternis zou zich om u saampersen. En in die duisternis zoudt ge zonder éen straal van vriendelijk, Goddelijk licht, uzelven voelen als de prooi van een u onbekende macht, die u omklemd hield; en zonder iets van uw God te weten, zoudt ge in bittere, satanische vijandschap worstelen tegen uw God in.
* * * * *
Daarom is zijn Openbaring zulk een heilschat. Zijn Woord zulk een onuitsprekelijke rijkdom. Zijn spreken tot den zondaar zulk een daad van nederbuigende ontferming.
Maar toch, zonder meer baatte dit nog niet.
Want Sinaï toont u, wat de uitstraling van het licht van 's Heeren heerlijkheid voor een zondaar wordt, als God hem niets geeft dan dat licht.
Dan kan het zwakke, schier blinde oog dien lichtglans niet verdragen. Dan sluit zich het oog bij het instralen van dien lichtglans eerst recht geheel en bijna hermetisch toe. Dan verschrikt u dat licht en ontzet u, en komt u, als het volk bij Mozes, de bede op de lippen: »Och, dat de Heere dien lichtglans van ons nam en voor ons aangezicht bedekte!«
Zoo diep ontvielen en ontzonken we aan onzen eersten luister. In donkeren schemer nemen we nog zekere zwevende gestalte waar, maar als het Goddelijk licht in al den glans zijner heiligheid en gerechtigheid over ons opgaat, _dan zien we niets meer_, en heeft dit licht geen _ontsluitende_, maar _toesluitende_ werking.
Dan voleindt juist dat licht onze volkomene zelfverblinding.
Ja, om ons voor die majesteit van het licht van 's Heeren gerechtigheid te verbergen, omhullen we dan ons aangezicht nog en dekken ons oog toe, opdat toch door het dunne en doorschijnende ooglid geen straal van 's Heeren glans tot ons doordringe en het netvlies van ons oog pijn doe.
Dan kruipen en sluipen we weg voor den verblindenden glans zijner majesteit en in de klove van den rotssteen zoeken we behoudenis, of in de holen verberging voor dien gloed.
* * * * *
En toch, ook over die verschrikking triomfeert de genade.
God heeft een Middelaar voor u besteld, en in Hem »een verberging tegen den wind, een schuilplaats tegen den vloed, en _als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land_.«
En komt dan die schaduw over u, dat de glinstering getemperd wordt, en het licht zachter, dan wijkt iets van den angst en neemt de pijnlijke prikkeling op het netvlies van uw oog af, en ge haalt weer eenigszins adem.
Gevonden in Hem, o, dan is er koelheid voor gloed, die verzengde; frissche levensadem voor den verzengenden glans, die u doodde.
En dan gaat de genade voort en verder.
Ook in u persoonlijk moet het wonder gewrocht. Uw oog, dat krank wierd, moet genezen. Uw geestelijk gezichtsvermogen, dat schier geheel wegging en in duisternis verkeerde, moet hersteld. En nu begint die inwendige bewerking, waardoor een almachtig God een Amen op de bede geeft: »_Open mijn oogen_, opdat ik aanschouwe de wonderen van uw wet!«
Tegen die wet in, die de oogen dichtknijpt en dichtklemt door den gloed der gerechtigheid, opent ondoorgrondelijke ontferming dan het oog door het tusschenbeide treden van Immanuel.
Zoo wordt het zielsoog anders dan het was.
Het houdt op te zien, wat het zag, en het ziet, wat het eerst niet merkte.
Het was gezwollen, dik geworden, en verhard, en zie, nu wordt het teeder en lenig gemaakt. Er komt natuurlijke gezonde werking, en door het deksel heen, dat ge uzelven voor het oog hadt gehangen, bespeurt ge reeds iets van een licht, dat u boeien kan, een licht, dat ook over uw ziel opging, een licht zoo aanlokkelijk en zoo schoon.
* * * * *
Waartoe dan nog die deksels der zelfaanklacht u over het aangezicht geworpen?
Immers, de stemme is gehoord: »Verlos hem, Vader, want Ik heb verzoening voor hem gevonden,« en zoo ontkiemt de eerste liefde; die liefde wekt het kinderlijk vertrouwen; en de oorzaak, om nog langer met gedekten aangezichte en van God afgekeerd te staan, viel weg.
Dat merkt uw Heiland dan. In de ure der minne neemt Hij dan zelf met zachte hand u dat deksel van het aangezicht. En nu met _ongedekten_ aangezichte in den glans eener eeuwige liefde staande, staart en tuurt ge verwonderd in dien spiegel van het Woord, waarin de heerlijkheden van uw God u getoond worden.
Zoo wierd uw oog sterker om te zien; zoo wierd het deksel van het aangezicht genomen; en zoo straalde in het nu ongedekte oog zacht en lieflijk bij Geesteslicht u het deugdenbeeld van Gods heerlijkheden tegen, dat in zijn heilig Woord ligt uitgestraald.
* * * * *
Is het dan niet vreeslijk, dat zoo menig kind van God straks toch, na deze liefde genoten te hebben, het oude omhulsel weer opzoekt, om toch weer in moedwil dat deksel over het geestelijk aangezicht te trekken, en in duisternis te gaan afdolen van zijn God?
o, Als de liefde in dien God niet overwinnend was, en niet was aangelegd op zeer boozen zin in het te redden schepsel, hoe zou er ooit volharden der heiligen kunnen zijn?
Maar de Heere HEERE laat niet los.
En zóo dikwijls kunt gij in uw schuldigen overmoed en geloofloosheid uw aangezicht niet weer verbergen achter uw hullen en deksels, of altoos weer zal, na korter of langer tijd, de vriendelijke hand van Immanuel u dat omhulsel en omwindsel van het aangezicht afnemen, en u, als een Petrus, bij dat afnemen van het deksel in het beschaamde oog staren, om u weer en telkens weer te vragen: »_Simon, Jona's zoon! hebt gij Mij lief?_«
o, Leg dan toch af allen last der zonde, die u zoo lichtelijk omringt, en helpt toch in uw omgeving, in uw huis en onder uw broederen dat toedekken van het aangezicht tegengaan.
Doe dat de prediking des Woords in de gemeente. Doe dat de zoekende liefde bij den »verloren zoon«, die liefde gekend heeft, maar verre van zijn Vader vluchtte. Doe dat de vriend bij den vriend, de zuster bij de zuster, de oudere bij den jongere. En laat een iegelijk alzoo medearbeider met Christus aan anderer geestelijke blijdschap zijn.
Want blijdschap, hemelsche blijdschap, en onuitsprekelijke vreugde, dát is het, wat uw hart doortintelt, als het omwindsel weer vallen mag, en ge _met ongedekten aangezichte_ u weer verkwikken moogt in de aanschouwing van het deugdenbeeld uws Gods.
ACHTTIENDE ZONDAG.
»IK ZAL U GEEN WEEZEN LATEN.«
Ik zal u geen weezen laten; Ik kom weder tot u.
Joh. 14:18.
Een wees is een beroofd kind. Bij een kind hoort een vader en bij een kind hoort een moeder. En als nu een dier twee of beiden saam aan het kind ontnomen worden, dan is er een harde breuke in dat kinderleven geslagen. Want, hoe zal het nog kind zijn, als het niet meer staren kan in het trouwe vaderoog, of zijn lieve moeder niet meer met teedere kinderliefde aan den hals kan hangen?
Daarom is _wees te zijn_ zoo hard, zoo bang, zoo wreed, en kan God de Heere dáarom alleen _kinderen_ tot _weezen_ maken, omdat Hijzelf dan in de plaats treedt en _Vader van het weeskind_ wezen wil.
Vandaar dat het zoo onvergeeflijk is, om een weeskind niet tot zijn »Vader in de hemelen« op te leiden, en zoo getuigend tegen een kind, dat wees wierd, als het dien »Vader in de hemelen« niet zoekt.
En nu, veel meer dan vader en moeder saam was Jezus voor zijn lieve jongeren op aarde geweest. Hun éen en alles. Die zalige Leidsman, om wiens wil ze huis en hof, kring en beroep, om wien ze vader en moeder verlaten hadden.
En dat wilde Jezus zelf; want Hij zei het hun: »Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.«
Dat was diep in het hart der jongeren ingezonken. En niet gekunsteld, maar als bij heilig instinct hadden ze al de liefde van hun hart op hun trouwen en heerlijken Meester overgebracht.
Ze hingen aan Hem. Hij vervulde hun gedachtenwereld. Hij, was de eerste in de wereld van hun hart.
Zonder Hem konden ze zichzelven niet meer denken.
* * * * *
En toch, nu merken ze het wel, _Hij gaat weg_. Het kan, het zal niet blijven bij dat zalig omwandelen, bij dien dagelijkschen, zielverkwikkenden omgang.
De ure komt en spoedt aan, dat al dit schoone en zalige uit heeft.
En wat zullen ze dan?
Hoe leeg, hoe verlaten zullen ze daar dan samen staan! Met wat vragende oogen zullen ze elkander dan aanzien! Wat eindeloos ledig zal dan hun hart benauwen! Wat heimwee naar den Eenige, die wegging, zal dan sluipen om hun ziel!
Die gedachte ontroert hen dan ook ontzettend. En Jezus merkt die onrust, die hun gemoed vervult, en roept het hun daarom zoo vrede-ademend toe: »Uw hart, mijn jongeren! worde _niet_ ontroerd. Gij gelooft in God, _gelooft ook in Mij!_...«
Wat was, wat beduidde dat?
_Ook in Hem_ gelooven!
Maar deden ze dat dan niet?
Doch hoor, daar ontraadselt de Heere hun dat geheimzinnig woord. Het is het bange voorgevoel van als _weezen_ verlaten in de wereld te staan, dat u die onrust in de ziel stort. Nu dan, ziehier het woord mijner vertroosting: »Ik zal u geen weezen laten. Ik kom weder tot u!«
En natuurlijk, een bespotting van hun vreeze zou dat geweest zijn, als Jezus hiermeê alleen bedoeld had: Straks na mijn opstanding verschijn Ik u weder!
Want immers, hoe karig toegemeten waren niet de uren, waarin Hij die veertig dagen hun zijn bijzijn schonk. Verschijningen, die ge tellen kunt. Die het tiental niet overschrijden. En soms in enkele oogenblikken voorbij zijn.
Neen, neen, dat _kon_ Jezus niet op het oog hebben, toen Hij sprak van hen _geen weezen te laten_.
Want als het dáarop alleen gedoeld had, hoe bitter moest dan de teleurstelling niet zijn, die terstond daarop volgde, toen Hij _weer_ wegging, nu van den Olijfberg, om hen _voor altoos_, tot aan het einde hunner aardsche dagen, te berooven van zijn zalig bijzijn.
* * * * *
Er lag dus iets meer, iets diepers in.
Toen Hij in Gethsémané van hen scheidde en straks op Golgotha zijn geest in 's Vaders hand beval, kwam het tusschen Jezus en zijn jongeren tot een breuke.
Toen was Hij gestorven. Toen waren ze beroofd en verlaten. Toen hadden ze niets meer aan Hem, dan de zoete, maar nu bitter geworden heugenis van wat Hij die drie jaren voor hen was.
Zoo wierden ze waarlijk als _weezen_, nu _Hij_ weg was, die hun _meer_ dan vader en moeder saam was geweest.
Maar nu, bij zijn opvaart ten hemel, is dit alles heel anders.
Ook nu is er wel een afbreken van den omgang, waaraan ze gewend waren; maar kwam er voor in de plaats een andere, nog rijkere omgang met hun Heere, die zelfs door hun dood niet zou worden afgebroken.
Nu zonk Hij niet machteloos weg in het graf, maar voer Hij glorierijk op ten hemel.
Nu _stierf_ Hij niet, maar bleef Hij _leven_.
Nu verduisterde de kroon zijner majesteit niet, maar gloorde die op.
En nu ontsloot zich dan ook dat wondere mysterie van een Christus, die in de hemelen in glorie verhoogd is, en die toch van uit den hemel in gemeenschap met de zijnen blijft; gedurig in hun midden verkeert; woning in hun hart maakt; en door zijn majesteit, genade en Geest hun telkens zijn zalige nabijheid doet ervaren.
Reeds een kind, dat zijn aardschen vader niet verloor, maar, op verren afstand van hem gescheiden, in gaande en keerende brieven van hart tot hart met zijn vader kan blijven spreken, heeft geen gevoel van _wees_ zijn.
En hoe zou dan het bang gevoel van _wees_ te zijn in de ziel dier jongeren hebben kunnen stand houden, toen Jezus wel weg was, maar toch nabij; toen er een zalige gemeenschap met dien Heere in de hemelen voor hun hart was ontsloten; en zij wisten, dat zij tot Jezus spraken en Hij hen hoorde; en heerlijk merkten in hun hart, dat het antwoord en meer dan het antwoord uit dien hemel van hun Jezus terugkwam.
Hoor dan ook Paulus maar jubelen: Eerst heb ik Jezus naar het vleesch gekend, maar nu ken ik Hem niet meer naar het vleesch. Nu is er veel zaliger en veel hooger gemeenschap. Levende liefdegemeenschap met mijn Heere en mijn Goël in den geest.
* * * * *
Toch zijn er nog, o, zooveel discipelen en discipelinnen des Heeren, die hier bijna niets van verstaan, en eigenlijk als _beroofde weezen_ op aarde voortkruipen tot aan hun dood.
Ze hooren wel van Jezus. Ze gelooven wel in Jezus. Ze hebben Jezus wel lief. Ook belijden ze wel, dat aan Jezus als den eenig Dierbare al hun hope hangt. Maar... de genieting hiervan stellen ze uit _tot na hun sterven_. Dán zullen ze gemeenschap met Hem oefenen.
Maar nu, hier op aarde, in hun verlatenheid, temidden van hun heimwee, nog niet.
Deze zijn _vrijwillige_ weezen, die het niet hoefden te zijn en die het niet mogen blijven.
Want immers, wat is dat _eigenwillig_ wees zijn anders dan een moedwillig afsnijden van de zalige gemeenschap, die een kind van God hier op aarde reeds met zijn Heiland in den geest genieten kan?
o, Ons Christelijk leven wordt zoo dor en mat, als de glans van die hoogere liefde er niet instraalt.
Nog altoos _leeft_ de Christus. Nog steeds wil Hij dezelfde voor ons wezen, die Hij voor zijn jongeren na zijn hemelvaart was.
Nog altoos wil Hij wonen onder ons menschen. Waar twee of drie in zijn naam samenkomen, wil Hij in hun midden zijn.
De gemeenschap is en blijft ontsloten. In de gemeenschap der liefde en der gebeden van u _naar uw Heiland_. En in de gemeenschap der zalige toespraak en der rijkste genade van uw Heiland _naar u_.
Eens was die zalige, zoete gemeenschap met den éenig Dierbare de weelde en de bron van kracht voor heel de Kerk des Heeren. Door die kracht heeft ze gebloeid. In die kracht haar wonderen gedaan.
En ook nu, neen, de kracht der toekomende eeuw kan en zal in Jezus' Kerk niet weer bloeien, of dit gemeenschapsleven met den Heiland moet Gods kinderen de ziel weer koesteren.
Nog vermoogt ge alle dingen, o, Kerk van Christus! maar alleen door Hem, die u kracht geeft.
NEGENTIENDE ZONDAG.
»ABBA, VADER!«
Want gij hebt niet ontvangen den geest der dienstbaarheid wederom tot vreeze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen: Abba, Vader!
Rom. 8:15.
Augustinus en Calvijn beleden in het dubbele zeggen, eerst van _Abba_ en daarna van _Vader_, de catholiciteit der wereldkerk, als een kerk voor Christenen uit de _Joden_ en Christenen uit de _heidenen_.
Als de Jood zich tot den Heere bekeert, roept hij: _Abba!_ Als de Griek zich tot den Heere wendde, riep hij: _Vader!_ (Pater),--en in de saamvoeging van deze beide nu, in dat roepen van »_Abba, Vader!_« klonk voor Augustinus' en Calvijns zielsoor het schoonst akkoord van aanbidding van den Eeuwige uit de taal der Hebreeuwen en de taal der heidenen gemengd.
Of er in deze gissing waarheid schuilt, beslissen we niet. Wie zal zulks met zekerheid uitmaken? Maar wel staat vast, dat, ook zonder deze gissing, de hoofdgedachte juist is: »Abba, lieve Vader!« is het gebed der kerk eerst geworden _na_ den Pinksterdag, toen ze uitbrak onder alle volkeren.
Noch uit het Paradijs, noch uit de kerk in de Arke, noch van de kerk der Patriarchen, noch van de kerk onder Israel wordt ons de aanroeping met het »_Abba, Vader!_« gemeld.
Wel is het onwaar, dat eerst in het Nieuwe Verbond de rijke openbaring, dat God de Heere onze _Vader_ in de hemelen is, zou voorkomen. Immers reeds bij Jeremia zegt de Heere: »Ik ben Israel tot een Vader!« (31:2). Bij Maleachi vraagt Hij: »Ben Ik dan een Vader, waar is mijn eere?« (1:6). En komt meer dan eens de toespraak en de betuiging voor: »Heere! Gij zijt onze Vader!« (Job 34:36, Ps. 89:27, Jes. 63:16; 64:8 enz.)
Maar toch loopt hier naast een profetie van een ander »_Abba, Vader!_« roepen, waarvan het bij Jeremia heet: »Gij _zult_ tot Mij roepen: »Mijn Vader!«« (Jeremia 3:19), en het is eerst door de aanneming tot kinderen, dat dit volle, rijke, zielsinnige »_Abba, Vader!_« uit de diepste roerselen onzer ziele naar den hooge opklimt.
* * * * *
Zulk een »_Abba, Vader!_« is een dringen en persen in u van de werking van den Heiligen Geest.
Als ge eerst bekend hebt, dat uw innerlijk wezen door een geest van dienstbaarheid tot vreeze geprikkeld wierd; en ge hebt al den angst en den schrik van die vreeze door uwe ziel voelen scheuren; en ge hebt in uw nood en dood de wet aangegrepen; en in die wet uw pas versneld, om door dienen, door meer en beter doen, door steeds harder werken en sterker arbeiden in het zweet uwer ziele een eind van die vreeze te vinden, maar zonder dat dat einde ooit kwam; en er is dan uit louter genade, geheel buiten uw toedoen, niet uit u, maar uit den hooge, in u gedaald en in u uitgestort een geheel andere geest, de Heilige Geest, en die Geest heeft u innerlijk vervuld en heeft licht en glans in de donkerheid van uw gemoed ontstoken, dat opeens alle bangheid weggleed en alle angst van u wierd genomen, en een onuitsprekelijk blij en zalig gevoel van vrijmaking en verlossing, ja, van een uitleiding uit het diensthuis over uw hart sloop, dan ja, maar ook dan eerst en dan alleen, is het die Geest der wederaanneming tot een kind van God geweest, die u dat »_Abba, Vader!_« leerde bidden!
* * * * *
Geesteswerk, niet uw werk, is dat »_Abba, Vader!_«; want om een klank, om een woord, om een term is het hier niet te doen.
Die twee woorden uitspreken, kan een ieder wel. Ook een onbekeerde en een spotter zelfs kunnen evengoed dat _Abba_ en dat _Vader_ over de lippen brengen.
Maar dan is het daarom het »_Abba, lieve Vader!_« nog niet!
Dat wordt het eerst dán, als er de kindertoon in spreekt en de kinderlijke teederheid in te beluisteren valt, en de kinderlijke liefde er in vloeit.
En om zoo in het oor van den Eeuwige te klinken, moet dat »_Abba, Vader!_« opklimmen uit de diepten van een hart, dat zich kind _voelt_ en kind _weet_, en in dat Goddelijk kindschap onuitsprekelijk zalig is.
Niet maar kind in eere, en kind in het kinderrecht, maar kind van God, geboren uit den Vader, der Goddelijke natuur zich deelachtig te weten, en dan, tegen alle schuld en tegen alle zonde in, een vast en zeker getuigenis in de ziel te dragen: »_Zijn_ kind en Hij mijn lieve _Vader!_« en dan uit dat ondoorgrondelijk rijke besef te roepen, te jubelen, te zingen, dat alle duivelen en engelen het hooren,--neen, dát kan de wereld niet, dat doet geen onwedergeborene, dat is eeniglijk het heilig voorrecht van de kinderen des Koninkrijks, die in het Koninkrijk van den Zoon der liefde zijn overgezet.
En daarom _moet_ daarbij de Heilige Geest in u werken.
Want immers, ge staat nog in het vleesch; ge draagt nog aan u het lichaam des doods; ge hebt nog in u de vuile bron van ongerechtigheden, en als dan toch uit den kelder en uit de diepte van datzelfde hart aan de eene zijde de zonde giert en prikkelt, en daarnaast komt een stemme in u op, die ge in stille aanbidding met het »_Abba, Vader!_« vertolkt, vanwaar anders wil die stem dan in u gedrongen zijn, zoo het niet is door den Heiligen Geest?
* * * * *
Ja, er is meer nog.
Als een kind alleen is, en vader is er niet bij, en het roept in zijn eenzaamheid naar zijn vader, dan is dat nog heel iets anders, dan als het zijn vader zelf eindelijk weervond, en nu dien vader zijner liefde in het diepe oog turend en hem aan het hart vallend, met diep geroerde stem uitroept: »_Mijn vader, lieve vader!_«
En zoo ook is het hier.
Of ge al aan God denkt, en van zijn liefde overtuigd zijt, en dan bij uzelven dat »_Abba, Vader!_« uitspreekt, neen, dat is nog het echte, diepe, zielroerende, hartaangrijpende »_Abba, Vader!_« niet.
Om daartoe te komen, moet gij _bij Hem_ en Hij _u nabij_ zijn; moet ge in Immanuel zijn aangezicht hebben gezocht, en door de toeleiding des geloofs zijn vertroostend aangezicht hebben gevonden.
En dan eerst, als ge, in aanbidding voor dat Eeuwige Wezen verzonken, uzelven in Christus besloten voelt, en nu als uit den Christus opwaakt voor het oog des volzaligen Gods, en nu, als onder de beademing zijner lippen, dat vaderhart in het Eeuwige Wezen ook voor u hoort, ja, _voelt_ kloppen, dan eerst is het kind van zijn Vader gevonden, en de Vader gevonden van zijn kind, en rijst het »_Abba, lieve Vader!_« uit in de diepste roering van het hart.
* * * * *
Dat kunt ge dan ook niet elken dag. Dat kunt ge niet elk oogenblik herhalen. Dat zijn hoogtepunten van het zieleleven, die slechts nu en dan worden gegund. Dat is uw opklimmen op Nebo.
Maar toch, _onbekend_ mogen die zaligheden aan Gods kinderen _niet_ zijn.
Eer integendeel hebben we ons hart te veroordeelen, als het anders met ons is; en te betreuren onze inzinking en den lagen stand der wateren in onze ziel, als het tot die innigheid en tot die gevoelvolle kinderbede niet kan doordringen.