Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

Part 8

Chapter 83,962 wordsPublic domain

Maar merk er wel op, de bitterheid van dit lijden neemt toe, niet zoozeer naar evenredigheid van de verscherpte marteling, maar naar gelang van de zielskwelling. Het is het _onschuldig_ lijden, dat hier het vlijmen verdiept. En hierom _kon_ alleen Jezus dit lijden peilen in al zijn ontzettende diepte.

Wij lijden _nooit_ onschuldig. In aller zonde ligt onze eigen zonde ingeweven. De boosheid, die tegen ons losbreekt, is onze eigen boosheid, ons beloerend en belagend uit anderer hart. Het is de algemeene haat, die uit de zonde opkomt, en waarin we allen verwikkeld zijn.

Maar hier was de reine, de heilige, de onzondige, de schuldelooze. Hij, die aan niets deel had. In niet een enkele wortelvezel van de zonde met de vezelen van zijn eigen hart verwikkeld lag. Hij, die geen haat ooit anders dan tegen Satan gekend heeft. De vleeschgeworden Liefde zelve.

Hierin en hierin alleen moet de onvergelijkbre diepte van het lijden des Heeren gezocht worden. Alle andere vergelijking voert niet tot het doel. Alleen zóo staat zijn lijden _eenig_ onder alle lijden in al de lijdenshistoriën der menschheid.

Zoo alleen is Hij _de_ Man van smarten. Man van smarten, omdat Hij en Hij alleen waarlijk _de_ Knecht Gods was.

* * * * *

En zie, de prikkel van zijn menschelijk besef, om tegen dit allerdiepste lijden, met zijn goed recht, met zijn vlekkelooze conscientie, met al de deugdelijkheid zijner zaak in te gaan, dien prikkel heeft Hij gebluscht, heeft Hij afgestompt, heeft Hij gesmoord in zijn eigen ingewand.

Zoo is Hij het Lam Gods geworden.

Hij zag niet op den steen, maar op die dien steen wierp. Hij trok zijn oog af van de zaag, en zag alleen op dien, wiens hand die zaag trok. Een Judas, een Kajafas, een Pilatus, het waren Hem altegader instrumenten, meer niet. Hij, van wien Hem dit nameloos lijden overkwam, was zijn eigen Vader, zijn Vader in de hemelen. Neen, Pilatus! neen, Kajafas! neen, Judas! gij zoudt geen macht tegen Mij hebben, zoo u die niet van boven gegeven ware!

Omdat God het wilde, dat Hij lijden zou, daarom _wilde_ Hij lijden.

Of het Hem geen worstelen gekost heeft, vraag dat aan de schaduw van Gethsémané's olijven.

Die prikkel om er tegen in te gaan, en dat weten: God wil het! o, ze streden zoo bang in zijn menschelijk hart.

Maar toen het weer volkomen klaar en zoo hemelsch helder voor Hem wierd: _God wil dit lijden_, toen ook niet éen oogenblik aarzeling meer.

Ziet, toen ging Hij uit Gethsémané naar Golgotha, Hij, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdroeg.

VEERTIENDE ZONDAG.

»KOMT TOT DE BRUILOFT.«

Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt den genooden: Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid, mijne ossen en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.

Matth. 22:4.

Reeds in de Spreuken heet het van de Opperste Wijsheid, dat ze haar slachtvee geslacht heeft en haren wijn gemengd en haar tafel toegericht, en dat ze haar boden heeft uitgezonden, die roepen: »Komt, eet van mijn brood en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.«

En Hij, die zelf de Opperste Wijsheid was, vergeleek het Koninkrijk der hemelen bij een koning, die een bruiloft bereidde en riep: »Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid, mijn ossen en de gemeste beesten zijn geslacht en alle dingen zijn gereed,« en zijn dienstknechten uitzond, zeggende: »Komt tot de bruiloft!«

De noodiging, de oproeping alzoo tot iets luisterrijks, iets dat heerlijk genot belooft, en reeds om het genot den wensch zou doen opkomen, om er bij te mogen zijn en meê te mogen aanzitten.

Eenerzijds: Wie ten leven wil ingaan, ga in door de enge poort, neme zijn kruis op en verloochene zichzelven; maar ook anderzijds daarnaast en daartegenover de vriendelijke schildering van een heugelijk bruiloftsfeest, waartoe de Heere zijn geroepenen noodigt.

Nu zoudt ge zoo zeggen, als de roepstem uitgaat: »Neem uw kruis op en volg Mij!« dan zal het meerendeel angstig terugschrikken; maar als het heet: »Komt tot de bruiloft!« zal elk, die slechts komen kan, met geestdrift zich vinden laten.

En toch, de Heere teekent het anders.

Neen, de geroepenen schrikken nog weg, als het heet: »Gaat in door de enge poort!« maar haast nog volhardender is hun afslaan van de noodiging, als het heet: »Komt tot de bruiloft!«

Ook naar die bruiloft van het Lam _wil_ de in zonde verzonken mensch niet heen.

De Heere zegt het duidelijk: ze weigeren allen. Ze weigeren op allerlei grond, onder allerlei voorwendsel, soms zelfs boosaardig. De een gaat tot zijn akker, de ander tot zijn koopmanschap, en een derde scheldt 's Konings boden uit, beschimpt ze en staat hun naar het leven.

Maar hoe ook hun wijze van weigeren verschille, op het roepen, op het herhaalde en dringende roepen, dat ze toch tot de bruiloft komen mochten, _komt niemand_.

* * * * *

Vanwaar dit verschijnsel?

Soms zegt men zoo wel: »Predik het Evangelie niet te streng, niet te hard, stel het vriendelijk voor en poog te lokken!«

Welnu, dat geschiedt hier. Hier is niets hards, niet onvriendelijks, maar alles uitlokkend en verleidelijk. Er is een vriendelijk nooden. Er is een roepen naar een feestmaal. Er is een lokken naar een ure van vreugde en heugelijk verblijden. En toch, hoe zacht en boeiend en lieflijk ook de voorstelling zij, de lieden komen toch niet.

Als den jongeling gezegd wordt, hard gezegd wordt: »Ga heen en verkoop al wat ge hebt,« gaat die jongeling op dat harde zeggen ten minste nog _bedroefd_ heen. Maar hier, bij de noodiging tot de bruiloft, is zelfs van die droefheid geen spoor te ontdekken. Men weigert, omdat men _wil_ weigeren. Uit opzet, uit moedwil, in vermetelheid van het hart.

Waaraan dit dan ligt?

Zie, het komen op zulk een bruiloft als waarvan Jezus spreekt, was een hulde aan den Koning, in wiens naam de boden uitgingen, en juist die hulde aan den Koning brengen, dát wilde men niet.

Of de Koning die hulde aan zijn kroon en majesteit ook al aanlokkelijk en begeerlijk inkleedde, deed er niet toe. Als die bruiloft in glans en eere schitterde, zou het 's Konings glorie verhoogen. Liep ze daarentegen smadelijk af en bleef Hij alleen met de leege tafels, dan zou zijn eere gekrenkt zijn; en overmits nu de genoodigden, in hun boos hart, Hem zijn glorie misgunden, en zijn smaad een zielsgenot vonden, daarom weigerden ze Hem het huldebetoon, en bleven ze weg, om Hem een ure der schande te berokkenen.

Een bruiloft wilde men wel. Feestgenot bracht de zinnen in verrukking. Maar zelfs dat feestgenot had zijn bekoring verloren, als er de eere van den Koning meê verhoogd wierd.

En zoo ligt het antwoord klaar voor ons.

Dat op het roepen: »Komt tot de bruiloft!« de genoodigden weigeren te komen, is niets dan vijandschap tegen God in hun hart.

Men stelle zich de zaak wel voor.

Als zulk een Oostersch vorst een huldigingsfeest in zijn hofstad vierde, wierden er machtige maaltijden aangericht, waarbij soms tien à twintig duizend personen aanzaten. Nog onlangs heeft Ruslands Czaar in Moskou meer dan zestien duizend genoodigden aan open tafels gespijsd.

Daarvoor wierden de noodigingen verzonden aan de oversten der koninklijke heirscharen, aan de regenten van steden en dorpen, aan de vertegenwoordigers en de besturen van alle instellingen, inrichtingen en genootschappen.

Heel het land moest op zulk een dag vertegenwoordigd zijn.

Maar dan moest men het voor zijn Vorst ook over hebben, om een tijdlang uit zijn bezigheden te gaan, om de lange reis te maken, om saam op te trekken naar de hoofdstad, en bovenal, dan moest er enthousiasme, liefde, meêleven in het hart zijn, om zich in de glorie zijns Konings te verheugen.

En _die_ genoodigden wilden nu niet komen. Ze _achtten_ de noodiging niet (vs. 5), en hadden het er niet voor over, om hun akker en hun koopmanschap er voor een korte poos aan te geven.

Ja, erger nog, sommigen wilden zelfs niet erkennen, konden het niet velen en wilden het niet verdragen, dat 's Konings boden van hun Heer spraken, als ware Hij ook hún Koning.

En vandaar die boosheid, dat aangrijpen der zendboden, dat schimpen en ten leste die moord.

De Koning moest met zijn leege tafels voor spot blijven zitten. Dat was hun toeleg. Dat het geheime leedvermaak, waarop ze zich voorbereidden.

En nu, het liep anders uit. Toen de genoodigde vertegenwoordigers en hoofden weigerden, liet de Koning al het volk roepen uit zijn hofstad. En die stroomden bij duizenden het feestterrein binnen. En zoo ging toch de bruiloft door. En zaten toch de duizenden bij duizenden aan. En was er toch voor den Koning eere, en schitterde zijn glorie in zijn hofkring.

Maar dit lag aan hen niet. Dit was _tegen_ hun bedoelen. Zij hadden hun Koning smaad voor eere toegedacht, en dáarom hadden ze geweigerd.

* * * * *

Zoo komt uit wat in ons hart school.

Zoo ziet ge aan dit woord van Jezus, hoe bitter en diep de haat en vijandschap tegen Gods eere zit ingeweven in het weefsel onzer zonde.

Neen, van nature gaat niemand ten hemel in.

Niemand door de enge poorte, maar ook niemand ter bruiloft op.

Of ge het hard, dan of ge het lieflijk voorstelt, ons boos hart laat zich niet van de wijs brengen, maar weigert en slaat de verzenen tegen de prikkelen, en wil wel het kwade, maar wil het goede en wat Gode welgevallig is _niet_.

Omgezet, omgezet, omgezet moet eerst dat hart van binnen worden.

En anders, al beitelt ge ook het _Soli Deo gloria_ in den gevel uwer woning uit, dan is dien Koning te _krenken_ u nog altoos liever van nature, dan dat ge zijn glorie verhoogen zoudt.

VIJFTIENDE ZONDAG.

»GRIJP NAAR HET EEUWIGE LEVEN!«

Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.

I Tim. 6:12.

»Grijp naar het eeuwige leven,« wordt niet den afgedoolde, maar den wedergeborene toegeroepen.

»Gij, o, mensch Gods!« roept de heilige apostel uit, »vlied de aardsche, jaag naar de hemelsche dingen; strijd den goeden strijd des geloofs; en grijp naar het eeuwige leven!«

Een zondaar kan daar niet naar grijpen. Hem is de hand verlamd. Stram, stijf, bewegingloos en tot alle beweging onbekwaam hangt ze hem neder. En ook al kon hij de hand uitstrekken, hij zou dat heerlijke leven met zijn booze hand veel liever wegslaan, dan dat hij er naar grijpen zou.

Ge grijpt naar wat uw oog boeit en uw lust prikkelt, en dat »eeuwige leven«, neen, dat boeit, dat prikkelt den verdoolde niet. Kind der wereld, heeft hij een heel ander leven, waar zijn oog en zijn ziel naar uitgaat. Dáar grijpt hij elken morgen en elken avond naar. In dàt leven is al het begeeren zijner ziel.

Maar de man, die bekeerd wierd, staat er, sinds hij bekeerd wierd, anders bij.

Hem is de stramme hand en de stijve arm lenig geworden. Hem wierd uit genade het geloof ingeplant. En nu is dit _geloof_ hem als de hand, waarmeê genade voor genade moet aangenomen. Hij kan, hij moet grijpen.

En nu tot hém gaat daarom het apostolisch roepen uit: »Grijp, o, mensch Gods! _grijp naar het eeuwige leven!_«

* * * * *

De heilige apostel wil leven in Gods kinderen zien.

Het is schriklijk om te aanschouwen, zooals allerwegen ook bij de kinderen Gods de handen slap hangen en de knieën traaglijk ineenknikken.

Dat de verachters van Gods gebod niet talen naar de heerlijkheden van de genieting zijner gemeenschap, dat verstaat hij; maar dat Gods kinderen soms zoo lusteloos, zoo levenloos, zoo doodsch, zoo zonder besef of aandoening voor het eeuwige leven er bij kunnen staan, dat baart den heiligen apostel kommer en bezorgdheid. En nu hij zelfs een man als Timotheus op zulke slapheden betrapt, nu grijpt hij Timotheus aan, dien treffelijken, dien godvruchtigen, maar, helaas, geestelijk te zeer ingezonken man, en prikkelt hem met zijn woord, en jaagt hem op uit zijn valsche ruste, en roept hem toe: Neen, Timotheus! niet in dat suffend insluimeren uwer ziel is de verheerlijking van Gods heiligen naam; veeleer moet er _gejaagd_, moet er _gestreden_, moet er _gegrepen_ worden. Niet loom en traag moet ge achter de gerechtigheid na komen kruipen; neen, ge moet _jagen_ naar gerechtigheid, naar godzaligheid, naar geloof, naar liefde, naar lijdzaamheid en naar zachtmoedigheid. Niet een stil en rustig geweten moet u uw geloof zijn, maar éen altoosdurende _strijd_. »Strijd den goeden strijd des geloofs.« En zoo ook het eeuwige leven, dat moet ge niet maar inwachten als iets, dat, na uw sterven, vanzelf u wel om Christus' wil zal toekomen, maar ge moet er de hand des geloofs naar uitstrekken; ge moet er naar grijpen; grijpen, alsof elke dag u te veel en te lang ware, die u nog van dat eeuwige, dat heerlijke, dat volzalige leven scheidt.

* * * * *

Zie het aan Gods bloemen af, wat dit grijpen naar het eeuwige leven is.

Ook de aard en de natuur der bloemen is van God uitgedacht en van Hem geschapen, en voor ons, naar het Woord er ons in voorgaat, vol van leering.

En wat ziet ge nu?

Maar immers, dat die bloem buiten het licht niets is en zelfs geen tint of kleur heeft. En dat die bloem niets is buiten de koestering der zon, want in de koude verschrompelt haar blad; en geen geur ademt ze u tegen. Hulpeloozer, armer, naakter dan die schijnbaar zoo rijke, geurige bloem is er niet. Neem de lucht en het licht en de warmte en den dauw weg, en niets dan verdorring en verflensing blijft aan den stengel.

Niets uit zich, alles van buiten zich, is voor het leven van de bloem de wet van Gods heerlijke schepping.

Maar juist nu omdat de bloem niets uit zichzelf is, zie eens, hoe ze naar het licht en naar de warmte en naar de dauwdroppen als grijpt.

Soms dacht ge, dat die bloem onbeweeglijk was, omdat ze haar levensvoedsel niet najaagt als de bij of vlinder.

En toch, neen, onbeweeglijk is ze niet.

Keer haar slechts om en zet haar ver van het licht en ver van de zon en van den dauw af, en zie eens, hoe ze zich straks wenden gaat, om haar knop en blad en spriet toch maar weer naar het licht en naar den dauw uit te strekken.

o, Wandel maar in Gods schepping om, en ge ziet het immers allerwegen, al die planten, al die bloemen, ze strekken zich uit en ze grijpen naar het licht, ze grijpen naar de koestering der warmte, ze ontsluiten zich om den dauw in te drinken.

In dat licht is voor de bloem het leven, en naar dat leven grijpt de bloem met al de uitstrekking en de inspanning harer vezelen.

* * * * *

Laat, als het grijpen van die bloem naar het licht, dan ook uw grijpen, o, kinderen Gods! naar het eeuwige leven zijn!

Een plant, die verflenst ter aarde neerligt, als haar het zonlicht beschijnt, is in kwaden staat; en de tuinman, die dit ziet, brengt aanstonds water bij, om haar blad en haar wortel te besproeien, dat haar stengel zich weer moge opbuigen, en haar bloemknop zich weer moge opheffen in het licht.

En zoo is ook uw zielsgesteldheid voor uw God niet goed, als elken morgen weer de goedertierenheid des Heeren nieuw over u is, en elken middag weer de Zonne der gerechtigheid in de Kerke Gods opgaat, en gij, met uw zaad, in die Kerke wel geplant staat, maar nochtans uw ziele niet opheft tot den God der goden, en uw stengels over de aarde laat kruipen, en uw bloesem voor die Zonne, die in Christus is, verbergt.

Dat grenst aan levenloosheid; dat nadert de verdorring en de verflensing der ziele.

Zoo mag en moet een door God zelf geplante bloem in zijn heerlijken hof niet wezen.

Opgericht moeten de stengelen van uw leven; de bloemknop uwer ziel moet zich weer naar God toekeeren; als uitstrekken naar den Eeuwige moet zich elk blad en elke vezel, die aan heel uw ziele is; en zoo moet heel uw persoon en heel uw aanzijn éen grijpen naar dat eeuwige zijn, dat de wereld u niet kan geven, maar dat, als met gouden stralen, elken morgen en elken avond uitstroomt uit den Immanuel Gods als in een zee van genade en majesteit en licht.

* * * * *

Gegrepen moet naar dat eeuwige leven, niet als hadden we iets om het te verwerven, maar juist omdat we niets, niets in onszelven zijn; en de bloem onzer ziel _moet_ verdorren, zoodra we het licht van de Zonne onzer gerechtigheid derven.

Zooals ge, wanneer de lucht weggaat, en het benauwd wordt, niet maar zitten blijft en denkt: »Nu, straks zal er wel weer lucht komen,« maar voelt, dat ge zonder lucht stikken moet, en daarom vanzelf opstaat, en den hals uitstrekt zoo ver ge kunt, om buiten uit die heerlijke lucht levenslucht in te drinken, zoo ook moet heel uw ziel snakken en grijpen naar dien eeuwig Heerlijke, in wien al de lucht om te ademen en het licht om te leven voor uw ziel is.

Het sterkst moet dat »grijpen naar het eeuwige leven« in uw gebed zijn.

Een opendoen van den mond der ziel, om weer licht en liefde en leven uit den Immanuel in te drinken; om met uw ziel weer bij te komen. »Zend, Heer! uw licht en waarheid neder, en breng mij zoo weder tot uw gewijde tente!«

Maar toch bij dat eigenlijke gebed mag uw »grijpen naar het eeuwige leven« niet staan blijven.

Veeleer moet dat »grijpen naar het eeuwige leven« iets biddends aan ál uw doen, aan heel uw aanzijn, aan gansch uw persoonlijkheid geven.

»Bidden zonder ophouden,« zooals ge ook onophoudelijk en vanzelf weer telkens lucht inademt, om de borst vrij en onbeklemd te voelen.

En zoo dan ook hier, een grijpen naar het eeuwige leven, met een dorsten der ziel, dat werkt, ook als ge het zelf niet bespeurt.

Een bidden: »Kom, Heere Jezus!« en altoos Hem, den Eenige, van noode hebben.

Niet meer buiten Hem kunnen!

En daarom met heel uw ziel een altoos grijpen naar die hoogere wereld, waar Hij is, uit Wien alle zegen en alle genade tot u komt.

ZESTIENDE ZONDAG.

»IN HEILIGE SIERADIËN.«

Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag uwer heirkracht, in heilige sieradiën; uit de baarmoeder des dageraads zal u de dauw uwer jeugd zijn.

Psalm 110:3.

's Heeren volk is een heirschare voor Immanuel; vergaderd en bestemd om Immanuels strijden te strijden.

Hoor maar wat Jehova in Psalm 110 tot zijn Uitverkorene zegt: »Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag uwer heirkracht; in heilige sieradiën zal het als versch gesprenkelde dauw uit den schoot van den dageraad u toekomen.«

Als de nacht voorbij is gegaan, dan wordt de oosterkim purper, en uit dat morgenrood van den dageraad schieten de prachtige stralen den dampkring in. En grijpt afscheiding in de atmosfeer plaats. En met dat morgenrood worden duizenden en tienduizenden dauwdroppels op blad en bloem gesprenkeld, glanzend en glorend in de schittering van het morgenrood.

En zoo, zegt de Schrift, zal het ook voor Immanuel zijn, zoo dikwijls Hij opstaat om den nacht van leugen en zonde, om het rijk en de macht van Satan te bestrijden.

Ook dan zal voor hem aan de kim het morgenrood purperen, en uit dat purper van den dageraad zal zijn volk, in menigte als de dauwdroppels ontelbaar, Hem toevloeien, glanzend en glorend in het heilig sieraad, dat uit dat purper op hen geworpen wordt.

Een beeldspraak, voor wie ze indenkt, van onvergelijkelijke schoonheid.

Eenerzijds die heerschappij van den nacht van leugen en ongerechtigheid. Daartegenover opkomend de Zonne der gerechtigheid. En nu uit den purpergloed, die hierdoor geboren wordt, komen als tienduizenden dauwdroppen zoo ontelbaar en zoo schoon zijn geroepenen Hem tegen, en vormen om Hem als een machtig, onafzienbaar heir, dat in schitterenden dos zich opmaakt en aanbiedt, om onder Hem en met Hem en voor Hem op den dag zijner heirkracht te strijden.

* * * * *

Dien strijd strijdt Immanuel dag aan dag. Gisteren, heden, morgen. Die strijd gaat altoos door. En elken morgen, dat de dageraad weer aan de kimmen opgaat en de zon als een held haar stralen schiet, om in het bestemde veld den vijand te bestoken, gaat ook het hemelsch bazuingeschal van Gods engelen uit, om al zijn volk opnieuw ten strijde te roepen, ze te roepen tot den strijd, die ook dien dag door Jezus weer gestreden zal worden tegen het rijk van duisternis en zonde.

Trekt gij in dien strijd meê op? Voelt, weet, merkt ge, hoe in uw huis, bij uw arbeid, in elke ontmoeting, bij elke verleiding, die heilige strijd ook door u moet worden meêgestreden? En zijt ge in dien strijd een krijgsknecht, die _willig_ optrekt? Immers, dát juist is een der kenteekenen: »Uw volk zal _willig_ zijn op den dag uwer heirkracht.«

Het is geen heirleger, dat met de bajonet in den rug en het pistool op de keel in den slag moeten worden gedreven. Maar zooals de troepen van Gustaaf Wasa jubelend en God lovend ten strijde trokken, en Cromwells legerschaar knielde, eer ze den strijd aanvingen, en psalmzingend tegen den vijand optogen, zoo, en in nog veel hooger zin, is 's Heeren volk een _willig_ volk, dat bezield, met geestdrift, en om eigen leven niet denkend, moedig en willig het zwaard uit de scheede trekt, en zijn goed en bloed veil heeft voor de banier van het Kruis.

»Gord, gord, o held!« roept dat leger zijn Veldheer dan toe, »het zwaard aan uwe zijde, en rijd heerlijk op het zuivere Woord der waarheid!« en als dat volk de banier van Jezus dan maar wuiven ziet, dan _is_ het niet tegen te houden, dan _moet_ het meê den slag in, en _willig_ is het op elken dag van zijn heirkracht. Een corps van heilige Levieten, om den strijd des Heeren te strijden.

* * * * *

Maar ook dit is niet genoeg.

Reeds op aarde geldt bij elk leger de wet, dat, als de koning zelf aan het hoofd van zijn leger verschijnt, dat leger rijk en prachtig zal zijn uitgedost. Dan komt het in geen kazerneplunje, maar in paradetenu, gedost _in zijn sieradiën_.

En zoo nu wil de Heilige Geest in dezen psalm, dat ook het volk des Heeren voor zijn Koning zal uittrekken. Niet maar onafzienbaar in menigte, en willig ten strijde, maar ook _in heilige sieradiën_.

En nu, _sieradiën_, wie onder 's Heeren volk heeft die? Natuurlijk is bij dat geestelijk volk ook het stel sieradiën _geestelijk_. Daarom staat er bij: »_heilige_ sieradiën.«

Dus is het niet genoeg, dat ge het zwaard in de hand houdt, en u dekt met het schild des geloofs, en uw hoofd voorzien hebt van den helm der zaligheid; neen, bij dat alles moeten nog de _sieradiën_ komen, en er ontbreekt iets aan de eere, die Christus van u vraagt, zoo _die heilige sieradiën_ niet aan u schitteren.

Nu zijn _deze heilige sieradiën_ velerlei. Wat u sieren kan, is een rijke gave des gebeds. Is stille, deemoedige nederigheid. Is kalme, waarachtige ootmoed. Is zelfbedwang over alle korzelheid en kwaad humeur. Is teedere nauwgezetheid der conscientie. Is macht van het woord of zang, om den lof des Heeren te vertellen. Is dienende liefde. Is teedere deernis met wie lijdt. Is zoekende ontferming over wat verloren ging. Is de heilige kunst, om vrede te maken, waar vrede verstoord wierd. Is, om niet meer te noemen, stille dulding van eigen leed, een met geestdrift dragen van uw kruis, een roemen in de verdrukking.

Doch met wat naam ge den rijken overvloed van _heilige sieradiën_ ook noemen wilt, ze zijn alle _geestelijk_. Glans door de opgaande Zonne der gerechtigheid in u als dauwdrop afgespiegeld. Heilige sieradiën voor Koning Jezus zijn nooit anders dan stralen uit _zijn_ genade, die _gij_ opvingt.

En nu komt in Psalm 110 de vraag aan u, _welke_ heilige sieradiën _u_ sieren, zoo dikwijls ge optrekt in den strijd uws Heeren op den dag zijner heirkracht.

* * * * *

En dan, helaas, wat ziet ge dan om u heen? Wat speurt ge dan telkens aan uzelven?