Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath
Part 7
Of gaat ook tot u niet soms een prediking uit, als uw God bij uw inslapen u indachtig maakt: »Zoo omvang Ik u eens in mijn armen, als _ge den slaap des grafs_ gaat sluimeren,« en straks bij uw ontwaken tot uw ziel zegt: »Zoudt ge aan Mij dan ook _in uw doodsslaap_ u niet toevertrouwen; zie, Ik, uw God, bracht u immers _terug_ in het heerlijkst licht?«
ELFDE ZONDAG.
»DE BOKKEN VAN DE SCHAPEN.«
En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.
Matth. 25:32.
Er komt een dag des oordeels.
Ons natuurlijk besef wil daar wel niet aan, en daarom stelt men zich dat vaag en zwevend voor, alsof er eigenlijk _geen_ oordeelsdag komende was. Maar al ons phantaseeren vermag niets tegen het stellige zeggen van den Christus: »Alsdan zal de Zoon des menschen zitten op den troon zijner heerlijkheid, en voor Hem zullen alle volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.«
Zweef er dus niet omheen, zwerf er niet met uw gedachten van af, maar bid veelmeer om een luisterend oor, als Jezus van dien dag des oordeels spreekt. Alleen een _geestelijk_ oor kan het verstaan.
Ook hier wordt het beeld van den herder volgehouden, en al de geslachten der menschenkinderen zijn voor dien van God bestelden Herder als éen groote kudde. Maar die kudde is gemengd. Er zijn een gansch groote menigte schapen, maar ook een gansch heir van bokken in die kudde.
Lees wat er staat. Jezus zegt niet: schapen en _rammen_, maar schapen en _bokken_. En bokken zijn wat iedere jongen eronder verstaat, niet rammen, maar geitebokken.
In ons land vat men dat zoo niet; maar in een land van bergen als waarin én de Heere én zijn profeten omwandelden, vat ieder dat. Want in een land van bergen komt men telkens groote kudden tegen, eenerzijds van _schapen_ en anderzijds van _geiten_. Die grazen dan bij elkaar en trekken saam uit, de heuvelen en bergen langs. Maar als de herder met zijn dubbele kudde huiswaarts is gekeerd, dan gaat het niet in éen kooi, maar moet voor de deur der kooi de kudde gesplitst worden, en gaan de schapen door het eene hek binnen en de geiten door het andere.
En zoo nu, zegt de Heere, zal het eens ook in den dag des oordeels zijn. Lang, eeuwenlang zullen de kinderen der menschen bij elkaar weiden en met elkander op den weg zijn. Maar eens komt het einde. En dan trekt alles huiswaarts. En bij de eeuwige woningen aangekomen, gaat het dan in tweeën uiteen. De schapen rechts, de bokken links. En de eeuwigheid zal ingaan.
* * * * *
Waarop doelt dit onderscheid?
Stellig niet, althans niet enkel, op het verschil tusschen het vrouwelijk en het manlijk geslacht. Zóo staan schapen en bokken niet tegenover elkander.
Wie van een kudde schapen spreekt, bedoelt niet alleen de wijfjes, maar de rammen er bij. Daarentegen wordt van het ander deel der kudde wel terdege het manlijk soort, de bok, als aanduiding van het soort gebezigd. En ongetwijfeld moet op die tegenstelling gelet.
Wie ooit zulk een kudde schapen met een kudde geiten en bokken onder elkaar grazen zag, vat die tegenstelling dan ook met een oogwenk.
In die weidende schapen is stilheid, is zachtheid, is volgzaamheid, is een toon van ernst. Langzaam bewegen ze zich voort of liggen rustig bij de beke neder. En zulk een kudde van grazende of herkauwende schapen geeft u het toonbeeld van rust en aanhankelijkheid en ernst in het gemoed.
Maar heel anders is het met de kudde geiten en bokken.
Die springen en stoeien en spelen eindeloos. Ze steigeren op de achterpooten, en hebben er lust in, om met de hoornen te stooten. En in de vlugge, sierlijke wijs, waarop ze half steigerend den gehoornden kop ombuigen, om in het neervallen den stoot toe te brengen, geven ze u het toonbeeld van speelschheid, van trots en ijdelheid tegelijk.
Het is zoo, ook onder de schapen ziet men soms een verwoed stooten tegen elkaar in, en soms kunnen ook de geiten en bokken vredig saam neerliggen; maar als ge naar aard en karakter de twee uiteenhoudt, is het verschil toch sprekend en in het oog loopend. In die eene kudde stilheid, zachtmoedigheid en ernst. Die andere woelig, trotsch en speelsch.
De tegenstelling is in de natuur zelve, o, zoo scherp en duidelijk geteekend.
* * * * *
En zoo zullen dan eens voor den Zoon des menschen, en op zijn woord, de kinderen en geslachten der menschen uiteengaan.
Eenerzijds die allen, die, o, zoo speelsch en guitig het leven doorsprongen. Die woelige, drukke, rustelooze menigte. Die altoos de hoornen op den kop gereed hadden, om van zich af te stooten, en altoos steigerden in hun ijdelheid en trots.
En anderzijds die anderen, onder wie ook dat stooten en woelen wel voorkwam, maar als uitzondering, en die in den regel stil en ernstig huns weegs gingen; en vrede op het gelaat vertoonden; en iets bleken te beseffen van den ernst des levens. Lieden, die zich stooten _lieten_ en zachtmoedig bleven. Voor zich uitgaande, gelijk schapen achter den herder gaan.
En nu weet ik wel, dat zulk een spelende, steigerende, stootende bok veel aardiger schijnt en ons natuurlijk gevoel meer toespreekt; en ook wel, dat _een schaap_ te zijn, in het oor der wereld een klank van verachting heeft. Zoo dom en zoo onnoozel, zoo sulachtig, dat men er alles meê doen kan!
Maar ik weet ook, dat dit in Gods heilig Woord gansch anders uitkomt.
Daar heeten _de bokken_ die fiere, trotsche, speelsche koningen en machtigen, die in onderdrukking lust hadden. »Al de bokken der aarde«, zooals ze in Jesaja 14 heeten. Terwijl omgekeerd die Eéne, die Heilige, die Immanuel, die Trooster onzer ziele, niet als een bok komt met hoornen van macht, maar als »een _Lam_, dat de zonde der wereld wegneemt«, en als »een _Schaap_, dat stom is voor dien, die het scheert«.
Tegen de bokken staat de Heilige Geest in het Woord, om hun overmoed, om hun kwaadheid, om hun speelschheid, altoos over; maar »schaap te zijn« is naar de ingeving des Heiligen Geestes het hoogste. Schapen zijner weide, schapen van den eenigen Herder, schapen, die de stem van den goeden Herder kennen. En terwijl de bokken worden uitgeroeid, is het voor de schapen zijner weide, dat die Herder zijn leven stelt. En de Vader zelf strekt de hand zijner eeuwige ontferming uit en hoedt ze, en niemand kan ze rukken, de wolf niet en Satan niet, uit de hand van den Vader.
* * * * *
En daarom daal toch een iegelijk in uw hart, in de diepte van uw wezen in, en doorzoek en onderzoek, aan welke dier beide dierennaturen ge het meest gelijk zijt. Aan den stootigen, speelschen, woeligen bok, of aan het stille, zachtmoedige, rustige lam!
Niet naar uw temperament vraagt de Heere daarbij; niet naar uw inborst en aanleg. De Heere, die te Kana wijn voor de bruiloft schonk, veroordeelt de vreugde en vroolijkheid des harten niet. Humor vloeide vaak van zijn eigen lippen. Er is een tijd _van weenen_, o, gewisselijk; maar met nadruk stelt de Schrift er een tijd _om te lachen_ naast.
Neen, de vraag gaat veel dieper en dringt tot den wortel van uw wezen door. En daar, in dien wortel, is een ieder een bok, een speelsche, woelige, stootige bok van nature. Dat is der zonde aard en de speling van het verderf in ons.
En zóo diep wortelt die booze aard in ons gemoed, dat niemand van nature den vrede, den ernst, de zachtmoedigheid van het lam bezit, tenzij dan dat het Lam van God tot hem zij gekomen en in zijn ziele geopenbaard zij.
Alleen wie den beelde van den Zoon van God, d. i. _aan het Lam_, dat de zonde der wereld droeg, gelijk wierd gemaakt, zoo niet in voleinding dan toch in beginsel, is bij de kudde der schapen geteld en gaat achter den goeden Herder aan.
De _schapen_ in den dag des oordeels zullen alleen zij zijn, die het beeld van het _Lam Gods_ vertoonen, en al de anderen gaan als bokken terzij.
Hoor het maar aan de uitkomst.
Tot die ter rechterzijde is het: »Ik, uw Jezus, ben naakt geweest en hongerig in mijn armen, en voorzooveel gij mijn armen gekleed hebt en gevoed, hebt ge Mij beschut voor de koude en voor den honger behoed!«
Tot de armen van den Heere Jezus en tot zijn hongerigen voelden ze zich aangetrokken, en toch, ze dachten er niet bij: _Dat heb ik nu voor den Heere Jezus gedaan._
Neen, stil, zonder vertoon, zonder inbeelding van hun goede werken zijn ze het Lam Gods nagewandeld.
Maar daarom juist is hun stille ernst en hun teedere zachtmoedigheid ter gedachtenisse voor God opgeklommen, en in den dag des oordeels, dan zal 't de Zoon des menschen toonen, dat Hij het zag en van elk schaap zijner kudde weet.
TWAALFDE ZONDAG.
»DOOR ZIJNS ZELFS OFFERANDE.«
Om de zonde teniet te doen door zijns zelfs offerande.
Hebr. 9:26_b_.
_Offerande_ is de diepste gedachte, waarop heel Gods schepping doelt.
Alle creatuur, dat God schiep, schiep Hij om zichzelfs wil. Om het zelf te bezitten; om het geheel ten eigendom te hebben; om allen geur en bloesem ervan te genieten; om er alle eer en glorie van in te drinken; om uit dit creatuur, als uit zijner eigen handen werk, de echo te beluisteren van zijn eigen stem, de warmte op te vangen van zijn eigen Goddelijk leven; ja, om het in zoo volstrekten zin alleen voor zichzelven, als God, te hebben, dat er niets in dat creatuur was, dat niet verteerd wierd door zucht en dorst naar Hem.
Dit nu is de _offerande_.
Als de Heere tot u zegt: »Mij zult gij liefhebben met heel uw hart en heel uw ziel en heel uw verstand en al uw krachten«, dan vergt uw God van u niets minder, dan dat gij uzelven, met heel uw persoon en heel uw wezen, op zijn altaar zult nederleggen, om door de vuurvonk des Heiligen Geestes Hem tot een liefelijke reuke te worden verteerd.
Alle schepsel, dat niet in dien volsten zin, _een offerande_ voor zijn God is, verkeert daardoor in een toestand van zonde. Hij rooft en ontsteelt aan zijn God een deel der offerande, die Hem toekomt.
Al onze zonde, al onze boosheid schuilt juist daarin, dat onze wereld, dat ons geslacht, dat ons land, dat onze stad of ons dorp, dat ons huis of ons kind of onze eigen persoon weigert een offerande voor den Heere onzen God te zijn.
Slechts in zooverre wijkt de zonde, als er door genade weer willigheid tot offerande onder ons en in ons geboren wordt.
En dit zal eens de triomf van Gods glorie zijn, dat de doorluchte dag wel toeft, maar nochtans gewisselijk komt, waarin God de Heere het rijk zijner heerlijkheid hebben zal in een schare, die niemand tellen kan, die van den eerste tot den laatste toe niets meer zullen willen noch anders kunnen zijn, dan éene offerande Gode in heel hun wezen en bestaan.
* * * * *
De offerande van ram of var _verzinbeeldde_ dit wel, maar _was_ het niet.
Hoe kon het ook?
Of als een man in Juda honderd schapen had, en hij offerde Gode éen zijner rammen, was dat Gode zijn eere geven? Was het dan enkel die éene ram, waarop God recht had, of was het niet al zijn bezitting, of niet veel meer om hemzelf, om zijn hart, om zijn persoon? Ja, zelfs dien éenen ram, had God hem dien gegeven, om tot asch verbrand te worden, of niet veelmeer om voor hem te leven als zijn dier?
Dat kon dus niet anders dan _zinbeeld_ zijn. Of zou God dorsten naar bokkenbloed? Zou de reuk van een verbranden var Hem welriekend zijn geweest? Alsof niet alle dieren des velds zijns waren, het wild op duizend bergen?
Maar hoe doelloos en volstrekt waardeloos het verbranden van var of ram ook op zichzelf voor God was, als daad van gehoorzaamheid, als sprekend zinbeeld, als afschaduwing van de éene, ware offerande, die er zijn moest, maar door de zonde was weggenomen, ja, dan had dat outervuur op Sion hoogheilige beteekenis. Dan sprak er in dat dier, welks bloed vergoten wierd, een schriklijk oordeel over het leven der wereld. Dan ging er in dat bloed, dat vergoten wierd, een machtige prediking tot heel Israel uit. Dan lag er in het feit, dat God zulk een dierenoffer zelf had willen instellen, een profetie, dat eens de ware offerande terug zou keeren. Ja, dan blonk er in dat offerdier, dat in rook en walm opging, genade voor genade over het arme kind van God, dat zelf een offerande zijn moest, maar geen offerande meer zijn kon.
* * * * *
En nu komt de Hoogepriester onzer belijdenis en spreekt: »Zie, Heere! Ik kom om uwen wil te doen; slachtoffer en brandoffer hebt Gij niet begeerd, maar Mij hebt Gij het oor doorboord!«
En wat nu verklaart Messias hiermeê anders, dan dat Hij weer _een offerande Gode_ wil zijn? Wat anders, dan dat Hij Gode wou doen toekomen, niet maar _iets_ van zijn schepsel, maar _heel_ zijn schepsel? Dat Hij de ordinantie herstellen zal, die de zonde aan flarden reet? En dat, waar God niets van zijn schepsel vraagt dan dit éene, dat het Hem _een offerande_ zijn zal, en toch alle schepsel die offerande Gode onthield, Hij, onze Messias, dit recht zijns Gods herstellen, het een en al Hem weer toewijden, geheel en onverdeeld Hem, zijn God, toebehooren, en alzoo _Gode een welriekende reuke_ zijn wil en zijn zal?
Dit is zijns _zelfs_ offerande. Niet in zinbeeld, maar in werkelijkheid. Niet langer een var uit stal of kooi, maar _zichzelven_. Het schepsel in eigen persoon en wezen, gelijk de Schepper het vroeg. Want wel kan de Zoon naar zijn eeuwige Godheid nooit anders dan God zijn, maar zijn menschelijke natuur was creatuurlijk. En die zei Hij zijn God toe; en die legde Hij op het altaar des Heeren; die heeft Hij ter offerande Gode en zijnen Vader gewijd.
Waar alles op aarde riep: »Hoe zal ik mijzelven handhaven, hoe zal ik mijzelven bezitten en mijzelven toebehooren?«--en juist in dat schijnbaar manmoedige woord het vermetelst de eere van zijn God aanrandde, daar komt over de lippen van Messias het eerste zoete woord voor God: »Zie: _Ik_ kom om uwen wil te doen, U en niet Mijzelven toe te behooren. o, God, neem mijn _zelfs_offerande aan!«
* * * * *
Er was dus _zelfs_offerande in Messias ook vóor en buiten Golgotha. Reeds daarin, dat Hij de vleeschwording aan had gewild. Daarin, dat Hij, vleesch geworden, Satans aanbod afsloeg en den diepen weg van bloed en tranen koos.
Daarin ook, dat al zijn spijze was Gods wil te doen. Daarin niet het minst, dat Hij Gods wil deed, waar niemand dien deed; en alzoo tegen den prikkel der verleiding, die in aller anderer boos voorbeeld lag, in.
Maar toch, hierbij kon het niet blijven.
Hij had _onze_ natuur aangenomen; en deze onze natuur hadden wij onder het oordeel des doods gebracht. Zoo kon er dan geen _zelfs_offerande zijn, of de offerende moest tot in die natuur zelf doorgaan. Het brandoffer, dat op Sion geheel verteerd wierd, wenkte als heilige roeping. Zooals die var in den dood ging, zoo moest ook Hij tot in en door de poorte des doods zijn zelfsofferande Gode toebrengen; en zooals het bloed van dien var vergoten en geplengd wierd, zoo ook moest zijn bloed vloeien en gesprengd worden op al zijn volk, zou de zelfsofferande van Messias volkomen zijn.
En toch is Hij niet achterwaarts geweken, maar heeft uit liefde voor zijn God en uit liefde voor Gods volk ook dat dal der schaduwen des doods al de dagen zijns levens doorwandeld, en is, toen het einde van zijn einde gekomen was, van die schaduwen des doods tot den dood zelf ingegaan, en altoos roepende: »Zie, Ik kom om uwen wil te doen!« is Hij door dien dood doorgedrongen tot achter het voorhangsel, in het heilige der heiligen van zijn God!
Geen ander kon dat. Elk zondaar zou op dien weg neergestort en bezweken zijn, nog eer de helft van den bitteren, bangen weg was voleind. Maar Hem ondersteunde zijn vlekkelooze onnoozelheid; Hem droeg de verborgen glorie zijner Godheid; Hem drong en lokte het eeuwig raadsbesluit. Zoo worstelde Hij, en overwon, en de Heere rook den welriekenden reuk van zijns zelfs offerande, en in die reuke der eeuwige liefde was het welbehagen van zijn God.
* * * * *
En is nu dit het mysterie, dat wij Hem, onzen Heiland, in deze zelfsofferande volgen, en alzoo voor God bestaan?
Och, ware dit zoo, wiens hart zou hem niet aanklagen, wiens geloof niet zijn oordeel zijn?
Neen, maar dit is het wondere geheim, dat Hij, onze Messias, dank zij deze zelfsofferande en Goddelijke almacht, de liefde bezit, om op u te werken, u te trekken, en u met koorden aan de hoornen van het altaar uws Gods te binden.
Zoo maakt _Hij_ en niet gij uzelven ter offerande. En Hij doet dit, door u in de gemeenschap zijns lichaams in te lijven. U in zichzelven voor God te stellen. Dat de Heere u niet in uzelven, maar in _Hem_ aanziet.
Ja, meer nog.
Wat nu nog in Hem verborgen is, dat werkt de almacht zijner Goddelijke liefde eens ook persoonlijk in u uit.
Nu reeds in aanvang en ten teeken en u tot troost, als er reeds hier in en door u geofferd wordt, wat uw boos hart nog zoo gaarne aan uw God ontstal.
Maar eens veel heerlijker nog, als uw Messias in uw sterven u afsnijdt van uw eigen levenswortel, en u in hemelsche glorie op den wortel zijner zelfsofferande zal doen bloeien.
En dan daarboven in zijn toekomst eens éen schare van priesters en priesteressen Gode en den Vader, bij wie alle eigen zin en eigen liefde wegviel, en door wie dag en nacht in zijn tempel slechts éene offerande gebracht wordt, het offer van heel hun aanzijn, van al hun liefde, van gansch hun bestaan.
DERTIENDE ZONDAG.
»ALS EEN LAM TER SLACHTING GELEID!«
Als dezelve geëischt werd, toen werd Hij verdrukt: doch Hij deed zijnen mond niet open: als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzoo deed Hij zijnen mond niet open.
Jes. 53:7.
Er ligt in al Gods schepselen, ook in het dieren- en plantenrijk, een heerlijke symboliek, waarvan de rijke beteekenis ons slechts een enkel maal door de Schrift ontsluierd wordt.
Een symboliek in het tarwegraan, dat in de aarde valt en sterft, en in den wijnstok, die in zijn ranken vrucht draagt. En zoo ook een symboliek in de duive, die neerzijgt op haar vleugelen, en in het lam, dat wel vroolijk blaat, als het ter weide wordt uitgeleid, maar stom is voor wie het slacht of scheert.
Heilig is ons die symboliek, omdat ze kleeft aan de gestalte en de verschijning van Hem, die ons met zijn bloed gekocht heeft. Hij dat Tarwegraan, dat sterven moet om niet alleen te blijven; Hij die Wijnstok, die al zijn ranken het levenssap toevoert; op hem die Duive neergedaald, opdat Hij vervuld zou worden met den Heiligen Geest zonder mate, en zoo bovenal, Hij, onze Jezus, dat Lam, dat ter slachting gaat, het Lam, dat de zonden der wereld draagt, het Lam, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders.
En zoo was het lijden van den Man van smarten.
Niet in dien letterlijken zin, alsof Hij al de uren zijns lijdens geen woord zou gesproken hebben. Dat ondervond Judas anders in den hof, toen de Heere hem door zijn booze ziel sneed met zijn schriklijk woord. Dat is anders door Kajafas ervaren, toen de Heere hem profeteerde van den Zoon des menschen, die op de wolken komen zou. Dat overkwam Pilatus heel anders, toen Jezus hem de holheid en de leegheid toonde van zijn sceptischen waarheidszin.
Neen, in dien zin was Jezus onder zijn lijden niet stom. Eer sprak Hij betrekkelijk veel. Tot zelfs van zijn kruis zeven malen. Nog vlak eer Hij sterven ging: »Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest.«
* * * * *
Neen, de stemmeloosheid van het Lam ligt in het inhouden van den kreet van verzet tegen het lijden.
Er ligt in den kreet, waarmeê het gevoelige schepsel tegen het lijden inschreeuwt, een middel van verweer. Zoo schreit het kind in de wieg, als het pijn heeft. Zoo gilt het kind op straat, als het leed ervaart. Zoo is een gil van verzet op ieders lippen, als hij gewelddadig aangerand of door schrik vervaard wordt. En zoo krijt en kreunt en gilt en schreeuwt ook het dier, als het geslagen wordt of pijn voelt. En als zich straks bij dien kreet het verzet van den weerstand voegt en het getergde dier op zijn plager aanvalt, dan is dat geschreeuw en die woede éen. Het is de zin, om niet te willen lijden, maar tegen pijn en leed in te gaan.
En zonder nu staande te houden, dat een lam nooit kreunt en zich nooit verzet, maakt toch het lam meer dan eenig dier op ons den indruk, van zich hulpeloos en weerloos aan zijn leed over te geven. Heel dat dier is er op geschapen. Weerloosheid is zijn uitdrukking. En vooral als het sterven gaat, wekt het lam uw deernis op. Een lam te slachten vergt meer overwinning van uw zelfgevoel dan het slachten van een var of os.
En in dien algemeenen zin nu moet ge ook die beeldspraak van het Lam in zijn toepassing op Jezus verstaan. Hij verzet zich niet. Hij scheldt niet weder, als men Hem scheldt. Als men Hem sart en lastert, bidt Hij voor zijn vijanden. Den drinkbeker, dien Hem de Vader gegeven heeft, drinkt Hij met volkomen zelfbeheersching, en dien willende drinken, tot den laatsten druppel leeg.
* * * * *
En dit nu is de diepe doorgronding van het mysterie des lijdens.
Er is ook lijden, dat bestemd is om onze veerkracht te prikkelen. De doornen en distelen der aarde prikkelen Adam, om in het zweet zijns aanschijns zijn brood te zoeken. De brullende leeuw, die op den mensch toespringt, prikkelt zijn manlijke kracht, om te worstelen om levensbehoud. De storm, die losbrak over de wateren, prikkelt den zeeman, om met mannenmoed tegen den orkaan in te worstelen. Allerlei ziekte en kwaal prikkelt 's menschen vindingrijkheid, om genezing te ontlokken aan het kruid der aarde. Kortom, allerlei leed en gevaar, dat ons bedreigt, is niet bestemd, om er ons onder te doen verkeeren als het lam, maar om er met mannenmoed en menschelijke wilskracht den strijd tegen op te nemen.
Maar dit is slechts de bast en niet de kern, niet het pit van het mysterie des lijdens.
Ook buiten het lijden, dat ons door de natuur overkomt, is er een lijden, dat van mensch op mensch loert, en in de menschelijke boosheid het venijn, dat Satan naar ons spuwt, voelbaar maakt.
Er is bang verdriet, dat moet doorworsteld; wreede teleurstelling, waaronder het menschenhart te zwoegen heeft; schriklijke weedom des harten, waaronder de matte ziel heeft weg te zinken. En dan is er heel dat heirleger van opzettelijke kwelling in laster, hoon en krenking; straks in het spuwen op iemands gelaat, en voortgaande tot in het aangrijpen van het lichaam, met allerlei geeseling en kwelling tot in den dood, ja, in den dood des kruises. En als ware het nog niet genoeg, dat alles nog verergerd door lastering en kruis saam te voegen, en den armen mensch onschuldig te doemen, en als onschuldig gedoemde over te leveren aan aller verachting en hoon!
Dat is het eigenlijke, dat het de ziel gansch ontroerende lijden. Een lijden, dat ons prikkelt, maar in zijn prikkeling de ziel vergiftigt, en u prikkelt niet tot mannenmoed en oefening van wilskracht, maar tot weerwraak, bitterheid en haat.
En nu is hier de proef.
Oefent het lijden op u die prikkeling en laat ge die prikkeling doorwerken, zoo brengt het u geheel ten onder.
Maar ook, weet ge die prikkeling van Satans venijn te weerstaan en, weerloos als het lam, zulk lijden over u te laten komen, dan triomfeert ge.
* * * * *
Het allerdiepste pit van dit lijden nu heeft Jezus en Jezus alleen in al zijn bitterheid gesmaakt.
Niet, omdat er niet wel menschen zijn, die men erger gemarteld heeft. o, Tal van martelaren en martelaressen hebben veel schrikkelijker barbaarschheden geleden. Vooral in Japan leden de Christenen zoo ontzettend.