Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath
Part 6
Demonische nabootsing onder de ingeslopen inbrekers van diezelfde fluistering, die op de ziekenkamer den kranke ontziet.
Zoo grijpt de zonde altoos naar het heiligste en misbruikt het, en op die wijze nu wordt uit het heilige fluisteren des stillen vertrouwens ook de booze, de giftige oorblazer geboren.
De oorblazer ziet, dat er ergens liefde en vertrouwen of een band van aanhankelijkheid bestaat, en gaat er nu op uit om dien band door te snijden.
En hierin ligt nu het giftige: om dat doel te bereiken kiest hij juist den vorm van het zoet vertrouwen, en legt het door voorgewende, gekunstelde en ingebeelde vertrouwelijkheid op de vernietiging van de liefde in uw hart toe.
Vertrouwen is zoo iets heiligs, zoo iets teeders. Het kan niets velen. En als gij nu zoet en rustig in zalig vertrouwen leeft, en er komt opeens een stem, die u vraagt: »Maar zijt ge wel zeker, dat ge niet bedrogen wordt?«--o, dan ligt er in die enkele vraag reeds zulk een helsch magische kracht, dat er niets meer behoeft te gebeuren, of, zoo die vraag maar blijft natrillen in uw oor, heeft uw vertrouwen reeds een schok ontvangen.
En een geschokt vertrouwen, helaas, het is als een berst in de porceleinen schaal: het wordt nooit weer wat het vroeger was.
En dat weet nu de oorblazer.
En met die giftige macht werkt hij op u.
Als een slang sluipt hij op u aan, en kronkelt zich om u, en als een, die het nu eens zeer wel met u meent en u voor misleiding wil bewaren, druppelt hij zijn helsche verzinsels in uw ziel.
En daar is niets, niets bestand tegen.
Veeleer hoe inniger de band is, dien hij aanrandt, hoe eerder en zekerder hij zijn doel bereikt.
Hoe vaak is niet de teerste band op aarde, die, tusschen man en vrouw, door een onheiligen oorblazer voor altoos uiteengereten!
o, De Heilige Geest sprak het zoo diep realistisch door Salomo voor heel de kerk uit: De oorblazer _scheidt_; meer: hij scheidt den vriend; en wat het ergst is: hij scheidt altoos den _voornaamsten_ vriend; het beste wat uw hart op aarde onder menschen gevonden had.
* * * * *
En toch, niet die volleerde oorblazer sticht het meeste kwaad. Zulke felle, vinnige, opzettelijke oorblazers zijn er Goddank weinigen, en waar zulke slangen betrapt worden, huist er in het hart van bijna ieder Christenmensch zekere natuurlijke weerzin, als waarmeê het kind zijn hand van de adder terugtrekt.
De volleerde oorblazer heeft meestal iets demonisch in zijn oog, dat hem verraadt, en waardoor een reine van hart veilig voor hem is.
Maar, en hier steekt het veel grootere gevaar in, die enkele uitgestudeerde oorblazers hebben achter zich een heel legioen van kleine oorblazertjes en oorblazeressen, en dat wel van allerlei graad en soort.
Er zijn, o zooveel menschen, die er lust aan hebben, om altoos over uw naaste personen te spreken, deels uit snap- en babbelzucht, maar meer toch nog uit bemoeizucht; uit zucht om zich in eens anders zaken te mengen, uit lust om te oordeelen; om interessant te zijn; om een duit meê in de schaal te werpen; en als van achter de schermen in elken kring en in elk huisgezin, waarin ze verkeeren, een soort van kleine rol spelen.
Gaat dit nu ver, dan merkt ge er aanstonds het oorblazen in, en ge zijt op uw hoede.
Maar meestal gaat dit niet zoo heel ver, en zoo wordt ge zorgeloos.
Die het doen, zijn van uw beste kennissen; overigens uiterst beminnenswaardige personen; en wier gesprek, juist doordien er altoos achterklap in loopt, zoo prikkelt en boeit.
En zoo is het eerste vonkje ongemerkt in het vlas neergezegen.
Reeds begint er iets bij u te smeulen.
Ge ziet op uw omgeving anders dan ge vroeger deedt.
Bij veel wat ge vroeger niet opmerktet, denkt ge nu: »Ja, daar dacht ik nooit op; maar iets is er dan wel van aan!«
En zoo begint de lawine met het kleine sneeuwvlokje.
Eerst niets dan een sneeuwvlokje, en straks de lawine van uw levensgeluk.
Want, drong de angel eenmaal in uw hart, dan gaat het vanzelf al dieper.
Straks streelt dat gebeuzel van den oorblazenden snapper u.
_Hij_ zag het in, _hij_ heeft u de oogen doen opengaan.
Niet lang meer, of ge spreekt met hem mede.
Tot eindelijk ook al uw fluisteren voor den oorblazer wordt en er van een fluisteren des vertrouwens met de panden uwer liefde niet meer komt.
* * * * *
Weet elk Christen, is elk kind van God er op bedacht, dat hij aan het gevaar van deze zonde der oorblazing blootstaat?
Blootstaat aan het gevaar, om er zijn eigen levensgeluk door te zien verwoesten?
Maar ook blootstaat aan het gevaar, om verwoestend in anderer levensgeluk in te grijpen?
Is het oog er open voor, dat snap- en babbelzucht, en dat altoos uitvezelen van allerlei persoonlijke dingen, en altoos snappen over iemand achter zijn rug, wel duivelsch-verleidelijk is, maar in negen van de tien gevallen zonde voor God?
o, Die kwade saamsprekingen, waaronder zeer stellig ook die bemoeizieke, die alles over den hekel halende saamsprekingen behooren, waaruit zooveel bitterheden geboren worden!
Dat spelen met anderer naam en karakter, zonder iets van den eisch der liefde te verstaan!
Nu, de Heere leert ook daartegen zijn kinderen waken, bidden, strijden.
Maar persoonlijk dit te doen is niet genoeg.
In heel onzen kring moet zulk een kwaad bestreden, tot het uitgeroeid zij.
En als er iemand tot u komt, en zich bij u neerzet, en zoo eens heel vertrouwelijk heel uw omgeving door de zeef wil laten loopen, heb dan toch den moed, om kloek, om dapper, om zonder aarzelen van u af te spreken, en te zeggen, dat vertrouwen u een te heilige zaak is, om het na zoo korte aanraking te gunnen.
NEGENDE ZONDAG.
»GOD IS MEERDER DAN ONS HART!«
Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen.
1 Joh. 3:20.
Er is een innerlijk Getuige, die getuigt in uw binnenste, of ge goed staat of kwaad.
Die Getuige getuigt reeds in een kind van twee, drie jaar; en misschien zelfs vroeger reeds, zonder dat wij het merken.
Die Getuige keert telkens in u weder, zoo dikwijls er iets in u omging of bij u opkwam, zoo dikwijls ge iets deedt of spraakt, of uit de herinnering u tebinnenbracht, _wat slecht was_.
Die Getuige getuigt tegen u en laat u geen rust, als ge iets kwaads in het zin hebt.
Die Getuige verscheurt u inwendig, zoo dikwijls ge iets doen dorst, dat nog slechter was dan uw gewone doen.
En die Getuige kwelt u, zooals een worm knaagt, soms nog jaren na uw zonde, altoos met hetzelfde stellige vonnis.
Let wel, het is niet een _getuigenis_, maar een _Getuige_; niet een eigen wetenschap van u; of wat men thans zijn »geweten« noemt; maar _de levende, heilige God zelf_, die u zóo schiep, dat Hij in u getuigen _kon_; in u getuigen ook _na_ uw val in zonde; en dat buiten alle genade om, soms zelfs in het hart van den verstoktsten booswicht.
Want weet wel, uw conscientie in u is geen apart vermogen, dat ge als mensch bezit, om in uw eigen wijsheid goed en kwaad te onderscheiden; maar het is het beluisteren van _een vonnis_ over uw daad, over uw _gedachte_ en over uw _persoon_, dat, zonder dat iemand het hoort, in uw binnenste u wordt toegefluisterd. Dat ge verneemt en moet _toestemmen_. En dat juist door die _toestemming_ op dat oogenblik de uitspraak van uw conscientie wordt.
Uw conscientie is niet iets aparts, dat God u inschiep, en dat ge als een instrument in u omdraagt, om het te laten werken, als het u gevalt.
Integendeel, de uitspraak van uw conscientie komt dan juist, als het u zeer óngelegen komt, en als gij ze om wat liefs zoudt willen bannen.
In uw conscientie is altoos de openbaring, dat _uw Rechter_ zich aan u heeft bekend gemaakt; in uw binnenste u veroordeeld heeft; u dat oordeel waarschuwend of bij vonnis heeft aangezegd; dat gij dit vonnis vernaamt; zelf uw schuld niet kondt ontkennen; en daarom geoordeeld ligt voor God en voor uzelf.
* * * * *
Was nu uw innerlijk gehoor nog even fijn en zuiver als God het u in zijn Paradijs inschiep, dan zoudt ge nu nog in staat zijn, om dit u veroordeelend vonnis over uw daad, of dit waarschuwend vonnis over uw verborgen gedachte, juist zoo te verstaan als God het velt.
Maar dit fijne gehoor _mist ge_. In een zondaar is dat gehoor _nooit_ meer zuiver. En als God, die innerlijke Getuige, rechterlijk over uw ziel komt en vonnis slaat, is het al veel, zoo ge nog tamelijk wel de _hoofdstrekking_ van zijn vonnis verstaat.
Toch is zelfs dit lang niet altoos het geval.
Ge zult een heelen dag doorleven, dat ge hoogstens éen of twee malen gemerkt hebt: »De Rechter sprak weer in mijn binnenste.« Maar tegenover die enkele oogenblikken zullen er honderd andere overstaan, waarbij ge _niets_ van dien innerlijken Getuige hebt bespeurd.
Gaandeweg wordt dit er voor een zondaar zelfs niet beter op. Toen hij een jong kind was, bloosde hij nog bij het minste kwaad. En dat blozen was iets kostelijks; want dat blozen komt daar vandaan, dat de innerlijke Getuige ons inwendig zoo sterk aangrijpt, dat de schok ervan zich aan ons hart meêdeelt en uit ons hart het bloed naar het gelaat opdrijft.
Maar op later leeftijd gebeurt dat zelden meer. De sterkte van het innerlijk gehoor neemt af. De _gewoonte_ van zondigen maakt, dat we dien Getuige meestal niet meer hooren; evenals ge het tikken van een klok, die altoos in uw kamer staat, op het laatst niet meer opmerkt.
Zoo komt er verergering van het kwaad; verharding van het hart; verstomping van de conscientie; en eindelijk komen er van die schriklijke toestanden, waarvan de apostel zegt, dat het lijkt of de conscientie met een brandijzer toegeschroeid is.
Dan getuigt de Getuige nog wel aldoor; want die getuigt in elk menschenkind bij elke levensbeweging; maar de verharde en aan zonde gewende zondaar _hoort_ het niet meer.
Ja, wat meer zegt, door het feitelijk bedrijven van zonde wordt op het oogenblik, dat we zondigen, de stem van dien Getuige bijna geheel voor ons gesmoord.
Schriklijke zondaars, die in ontzettende misdaden gevallen zijn, hebben het meer dan eens betuigd, dat ze op het oogenblik zelf niet de minste weet van hun zonde hadden, geheel gewetenloos en zonder hinder hun misdaad bedreven, en dat daarna eerst, als de ontspanning op de overspanning volgde, de stem van den innerlijken Getuige weer schriklijk hoorbaar werd.
* * * * *
Toch komt er in dezen toestand een gansch wondere omkeering, zoodra God de Heilige Geest in de ziel dringt, haar tot zijn tempel kiest, en het »Abba, Vader!« aan de diepte des gemoeds ontlokt.
Dan licht de Heilige Geest het cataract van het oog en spreekt het _Effatha_ tot het doove en verstompte oor der ziel, en opeens begint de geroepene met dusver ongekende kracht de stem van den innerlijken Getuige weer te hooren.
Doch nu heel anders.
Nu niet meer over dit of dat, maar nu over heel uw persoon, heel uw bestaan, heel uw aard en wezen; en wonderbaar komt ge tot de vreeselijke overtuiging, dat ge niet maar zonde deedt, maar diep zondig en verzondigd tot in den wortel van uw wezen zijt, en niets dan zonde doen kunt; dán zelfs als ge dacht goed te doen.
Door _het Woord_ werkt de Geest dat. Die Heilige Geest, die aan den innerlijken Getuige een uitwendigen Getuige toevoegde _in het Woord_ en nu door dat dubbele getuigenis u omverwerpt.
Ja, erger nog.
Als de Heilige Geest, door het zielsoor te openen, u dan die veroordeelende stem van den uitwendigen en inwendigen Getuige heeft doen hooren, dan doet Hij u ook bekennen, dat er _achter_ hetgeen gij van uw zonde begrijpt, nog heel een veld van dingen, en heel een afgrond van diepten ligt, waarvan ge niets begrijpt. Als gij dan uitgehoord zijt en niet meer hooren kunt, is die Rechter toch nog niet uitgesproken. Op verre na niet. En als uw hart niet meer kan, dan kan God nog aldoor. En ge merkt het: God is meerder dan mijn hart, en Hij kent alle dingen.
Er komt dan een inzicht in een _eeuwige_, een besef van een _oneindige_ schuld en doem.
En dan eerst komt het wegzinken, het innerlijk verbrijzeld worden.
o, God! wees mij, armen zondaar, genadig!
* * * * *
Daarom brengt _het Woord_ u veel verder dan de _conscientie_; want de uitwendige Getuige openbaart u een diepte van _eeuwigen dood_, waaromtrent het getuigenis van den innerlijken Getuige _niet_ tot u doordrong.
Maar toch, al komt het dan uit het Woord, de innerlijke Getuige geeft er toch in elk gegeven geval voor u _het zegel_ aan. En wie zonder den inwendigen Getuige alleen het uitwendig getuigenis neemt, wordt _niet_ geraakt.
En op dat _geraakt_ worden komt het toch aan. Want gij moet neergeworpen; ge moet neergeslagen; de afgod van uw ik moet in u verbrijzeld. _Dagon_ moet vallen. En die uitwerking heeft het uitwendig getuigenis _zonder_ den innerlijken Getuige _nooit_.
Niet de innerlijke Getuige _zonder_ het Woord. Dat kan evenmin. Neen, eerst als die twee saamstemmen, dan gaat de vonk in ons af, en wordt ons hart in vlam gezet, en brandt onze hoogheid tot assche.
En dan blijkt diezelfde God meerder dan ons hart óok in genade.
Want wie zoo neergeworpen wierd, die heeft geen hope meer. Voor dien is alles doem en oordeel, stikdonkere nacht en duisternis en al het roepen van binnen is eeuwige dood!
Maar God is meerder dan dat enkel verdoemende hart. Hij is lankmoedig en genadig en groot in ontfermingen. En als dan de uitwendige Getuige op den Immanuel wijst, en de innerlijke Getuige predikt ons dien in zijn dierbaarheid, dán, maar ook dan eerst, wordt de conscientie in ons _goed_.
Goed, zooals de heilige apostel het bedoelde, toen hij schreef van het _vragen om een goed geweten_, dat in ons roept _naar God_!
TIENDE ZONDAG.
»IN VREDE NEDERLIGGEN EN SLAPEN!«
Ik zal in vrede tezamen nederliggen en slapen: want Gij, o Heere! alleen zult mij doen zeker wonen.
Ps. 4:9.
Psalm éen en twee vormen een inleiding op heel het boek der Psalmen; en de drie psalmen, die dan volgen, zijn _Morgen- en Avondliederen_.
Psalm éen heft dies aan met het: »_Welgelukzalig_ is de man, die niet wandelt in den raad der goddeloozen,« en Psalm twee sluit eveneens met een: »_Welgelukzalig_ zijn allen, die op Hem betrouwen.«
Zoo is alles in den Psalmbundel schoon geordend. Eigenlijk zijn het vijf bundels in éen bundel, en zijn elk dezer bundels door een bijna gelijkluidend refrein van elkaar gescheiden. Zoo maken de eerste 41 psalmen den eersten bundel uit, en eer ge dan met het: »_Het hert schreeuwt naar de waterstroomen_,« aan den tweeden bundel toekomt, staat er het refrein tusschenin: »_Geloofd zij de Heere, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja, Amen!_« Dan loopt de tweede bundel van Psalm 42 tot aan het lied van Asaf (Ps. 73), en ook dan staat weer tusschen beide bundels het refrein: »_Geloofd zij de Heere God, de God Israels, enz. Amen, ja, Amen!_«--met er bij: »De gebeden van David, den zoon van Isaï, hebben een einde.« Van Asaf op Mozes gaat de derde bundel, van Psalm 73-90, waar we aan het slot van Psalm 89 wederom lezen: »_Geloofd zij de Heere in eeuwigheid, Amen, ja, Amen!_« Terwijl eindelijk de 4e en 5e bundel gescheiden worden door geheel hetzelfde refrein aan het slot van Psalm 106: »_Geloofd zij de Heere, de God Israels, van eeuwigheid tot in eeuwigheid, en al het volk zegge: Amen, Halleluja!_« Een lofverheffing, die zich aan het slot van heel het boek der Psalmen tot al de schepping uitbreidt, als het in Psalm 150:6 heet: »_Al wat adem heeft, love den Heere. Halleluja!_«
En naar even schoone orde nu bewegen zich ook de eerste psalmen, die op de inleiding van de beide eerste psalmen volgen, _om den slaap_.
In Psalm 3:6 heet het: »_Ik lag neder en sliep_; ik ontwaakte, want de Heere ondersteunde mij.« In Psalm 4:9: »_Ik zal nederliggen en slapen_, want Gij, o, Heere! alleen zult mij zeker doen wonen.« In Psalm 5:4: »_Des morgens, Heere! zult Gij mijne stem hooren, des morgens_ zal ik mij tot U schikken en wacht houden.« En in Psalm 6:7: »Ik doe _mijn bed_ den ganschen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijne tranen.«
Avond- en morgengedachten alzoo!
Liederen voor wie zich te slapen legt, en liederen voor wie van zijn bedstede verrijst.
En hetzij dat we slapen gaan, hetzij dat we uit den slaap opwaken, altoos het hart en de gedachten des harten nabij den Heere, wiens alleen de sterkte is.
* * * * *
Voor een kind van God is de slaap iets wonderbaars. Als hij slapen gaat, maakt God hem weg. Hij weet dan van zichzelven niet meer af. Hij sluit de oogen, vergeet wat om hem is, en werpt zich al slapende in de armen van zijn God, dien Wachter Israels, wiens oog nooit sluimert.
Zoo wacht de Heere elken avond zijn kind op, en spreidt hem zijn leger, en bedwelmt hem, en waakt nu aan zijn sponde, terwijl hij weg is en van niets af weet en slaapt.
Eerst knielt het kind dan voor zijn Vader, die in de hemelen is, neder. Hij zoekt en vindt Hem bij die sponde, waarop hij zich zal neerleggen, en als hij zijn God dan aanspreekt, dan is het, of hij tot Hem zegt: »Zijt Gij daar weder, o, mijn goede, trouwe God! om mij in de armen uwer trouw voor dezen nacht te besluiten?« En als het stil gebed dan is uitgestort, en gedankt is voor al Gods trouwe op dien langen dag, en vergeving is gevonden in het bloed des Lams voor al de zonden, die dien dag bevlekt hebben, dan klimt het vertrouwen in de ziel weer op, en bij het: _Amen, ja, Amen, Hallelujah!_ voelt hij zich door zijn God als opgenomen, en op zijn sponde neergelegd. »Ik lag neder en sliep, want de Heere ondersteunde mij!« is dan zijn zalige bevinding. En met God bij zijn ziel en zijn ziele met zijn God vereenigd, sluimert hij zacht in de ruste des slaaps.
Het is zoo, er zijn ook _onrustige_ nachten. David kende ook den angstkreet: »Ik sliep, maar mijn hart waakte.« Hij wist ook van nachten, dat de slaap van zijn oogen week, en de bitterste tranen zijn oog bevochtigden.
Maar juist bij de schaduw dier bange en in angst doorworstelde nachten komt het zoete en schoone der gewone nachten te heerlijker uit.
En immers de goede nachten, dat God de Heere achter zijn kind toesluit, en hem dekt met de vleugelen zijner liefde, en hem zaliglijk met zijn hoede omringt, ze zijn altoos nog tien tegen éen nacht in onrust doorgebracht. En het einde _ook van al de nachten_, die we in ons korte leven doorbrachten, is lof en eere en prijs voor dien Vader in de hemelen, die ook in onze nachten, ook in onze sluimeringen, ook om onze legerstede groot en heerlijk is!
* * * * *
De slaap is zulk een diep mysterie; want _gij_ kunt niet slapen, tenzij God de Heere u _doet_ slapen.
Neem er de proef slechts van. Ge kunt, ja, gaan nederliggen; ge kunt u schikken tot den slaap; ge kunt met veel zelfbedwang en zelfbeheersching uw leden stilhouden; maar uzelven den slaap _geven_ kunt ge _niet_. En als het Gode niet belieft dezen engel der nachten over u te brengen, dan waakt ge nóg, als het daglicht rijst, en al uw gewaande rust heeft u afgemat instede van versterkt.
Het is zoo wonderbaar.
In uw slaap zijt ge een machtelooze. Soms gaat de slaap zoo diep, dat men uw slaapvertrek zou kunnen leeghalen, zonder dat gij het bespeurdet. En om in die machteloosheid van den slaap weg te zinken, zijt ge toch weer onmachtig, tenzij God de Heere u de macht van uw dagbewustzijn ontneemt.
_Machteloos_ wordt ge in den slaap, maar juist om in dien slaap met _nieuwe kracht_ bekleed te worden. Een _sterven_ bij den dag, om elken morgen in nieuwe kracht _op te staan_.
Zoolang gijzelf, bij vollen dag, uw lichaam hanteert, _kunt_ ge niet anders dan het vermoeien, uitputten en in kracht doen dalen. En eerst als ge uw lichaam door den slaap uit _uw_ hand in _Gods_ hand laat overgaan, houdt die uitputting en afmatting op, en God de Heere neemt uw lichaam in de hand zijner almogendheid, om het te verfrisschen, te verkwikken, en weer voor een langen dag met levenswarmte en levenskracht te bezielen.
In den nacht, als alles slaapt, is God de Heere in uw huis de machtige Werker, die op al die bedsteden, in al die kribben, en tot in de wieg toe als uw God en uw Schepper herschept, wat teloorging door het leven des daags.
o, Wat merkt ge die wondere kracht van uw God niet soms bij uw kranken!
Dan was er dagenlang getobd en gebeden en geworsteld; en alle middel aangewend, en alle medicijn beproefd. Maar niets baatte. Aldoor nam uw kranke af. Tot het eindelijk God beliefde een stillen, diepen slaap over het oog en over het bewustzijn van uw zieke te brengen. En hoe deed die éene slaap dan niet wonderen! Duizendwerf meer dan alle medicijn, door menschenhand bereid. Ja, hoe dagteekende niet veeltijds van dien éenen diepen slaap de voortgang tot volkomen genezing!
* * * * *
En zou die wondere slaap dan enkel voor uw lichaam zijn?
Maar ge weet immers beter.
Het kind, dat 's avonds voor zijn school niet meer werken kon zoo moe als het was, kan 's morgens weer vlug en helder leeren. De denker, die zich 's avonds moê had gepeinsd, kon na gezonden slaap in den morgen weer met frissche kracht zijn denkarbeid opvatten. En sterker nog, als ge in moeilijke levensomstandigheden des avonds met het matte hart geen raad meer wist, hoe dikwijls heeft God de Heere u dan in den slaap dat matte hart gesterkt, zóo gesterkt, dat ge 's morgens weer wilskracht hadt om te besluiten en helderheid om de juiste keuze te doen!
En zou die innerlijke verfrissching ook niet tot uw ziel doorgaan?
o, We weten het wel, hetgeen de psalmist zegt: »_Hij geeft het zijnen beminden als in den slaap_,« heeft in dat lied een andere beduidenis, maar als ge inslaapt met de bede: »Geef mij heilige gedachten en wees in den droom mijn lust!« dan mag dat naar de mystiek der Hernhutters onjuist zijn uitgedrukt, maar _deze_ waarheid was er dan toch in, dat ge ook voor den nacht iets van uw God _voor uw ziel_ dorst hopen.
En zou de Heere dan ook die zeven à acht uur van den slaap, als uw ziel rust en al uw denken niets heeft in te brengen, en uw booze opwellingen zwakker zijn, niet ook _met genade_ het hart van zijn kinderen sterken, en geloofswerkingen bereiden voor den geloofsstrijd, die straks in den morgen hen weer wacht?
* * * * *
Haast zou het de vraag zijn, in welk deel van ons leven we het meest voor de eeuwigheid worden voorbereid, _op den klaren dag_, als alles ons aftrekt, en als onze geesteskrachten in de wereld uitloopen, of wel _in den stillen nacht_, als niets ons afleidt, en al onze zielskrachten in ons teruggetrokken zijn en in ons worden opgesloten.
Want dát is het eigenlijk: Gij ligt op uw legerstede en slaapt, maar dan slaapt er nog iets anders in u, en _uw ziel_ rust in uw binnenste, gelijk _gij_ op uw sponde rust.
Sommigen, dit ontkennen we niet, hebben ook ontmoetingen des Geestes bij vollen, klaren dag; maar toch dit zijn zeldzaamheden. En hoe schoon, hoe lieflijk is dan de gedachte niet, dat God de Heere elken nacht zijn beminden opzoekt, om, als hun wezen in hun binnenste sluimert, dat sluimerend wezen te overkomen met reinigende en sterkende genadegaven.
Dit althans merken Gods kinderen wel zeker, hoe God de Heere hen in dien slaap voor de eeuwigheid bereidt.
In de morgenuren wordt veel minder gezondigd dan in de avonduren. Laat hier maar de herinnering uit eens iegelijks leven getuigen.
's Morgens is er meer reinheid over u uitgegoten, in de avonduren kleeft er te veel stof der wereld aan u.
Ook dit nog.
Uw slapen gaan is een voorbereiding, om eens den slaap des doods met stil vertrouwen tegen te gaan; een prediking van de opstanding, die komt.