Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

Part 5

Chapter 53,982 wordsPublic domain

Vooral bij den arbeider zij dat gebod u heilig. Het loon van den daglooner wil de Schrift, dat zelfs niet bij u _overnachten_ zal. Ja, stipte, strikte betaling van het loon van den arbeider is een der teederste en heiligste rechten van de mingegoeden, waar de Heere, wiens oogen op alle plaatsen zijn, streng op let.

Evenzoo staat het met _de betaling van rekeningen_. Ook daarbij sloop ongelooflijke slordigheid in. Voor sommigen is het laten staan van rekeningen, soms tot twee en meer jaren, zelfs regel geworden. Zelfs is er gehoord van een rijk man, die een prachtige kast vol zilverwerk had aangekocht, en die er op roemde, dat al deze pracht was aangeschaft door rente, die was uitgespaard door zijn laat betalen van rekeningen. Dit nu is klinkklare roof. Gestolen geld. Rente, die aan den winkelier toebehoorde, en dus aan zijn meester onthouden wierd. En wat de zaak nog erger maakt: sluipt deze booze usantie eenmaal in, dan is de winkelier ook slim, zondigt op zijn beurt, en kalkt de rekening dikker aan. En aldus worden kooper en verkooper beiden bedriegers.

Ook bij het _leenen van geld_ sluipt er dan kwaad in. Eertijds zag men op tegen leenen; want men wist: Geleend geld is eereschuld, en liever droog brood, dan geleend geld niet op tijd terug te brengen aan zijn meester. Maar ook hierover bestaan thans andere denkbeelden. Menschen, die zich schamen zouden om u een gift te vragen, komen kwansuis _leenen_. Leenen met belofte van terugbetaling in hoofdsom en rente. Zoo heft men fier zijn hoofd op. Het is nauwlijks een gunst, die ge bewijst. Louter een zaak van handel. Maar heel anders zijn daarbij soms de overleggingen des harten. En als nu het geleende geld opgeteerd is, acht meer dan éen, _dat geleend geld slapen mag_. Een kwaad, dat reeds zoover inkroop, dat het regel is, bij leenen te denken: »Och, dat geld ben ik toch kwijt!«

Dit nu wordt een vloek voor onze samenleving. Zoo wordt de maatschappij van de ordinantiën Gods afgeschoven. Soliditeit raakt zoek. Het vertrouwen vlucht naar de woestijn. En het eind is, dat alle zaken achteruitgaan; onze waar op de markt geen prijs meer kan bedingen; failliet aan de orde van den dag is; tal van personen wrak staan; en als straf voor dit alles de zegen des Heeren wijkt, die eens ons volk had rijk gemaakt.

* * * * *

»_Onthoud het goed aan zijn meester niet!_« is voor dezen kanker het eenig proefhoudend medicijn; mits ge begint met dezen gulden regel allereerst _op den Heere zelven_ toe te passen.

_Zijns_ is al uw goed. Hij gaf het u slechts, om er over te rentmeesteren, en er over te rentmeesteren onder beding, dat ge elk jaar Hem en zijn armen een door Hem bestemd deel ervan zoudt afstaan.

Noem nu dat deel _eerstelingen_ of _tienden_, dat doet er niet toe. Zooveel staat vast, dat een vast deel van uw vrije beschikking onttrokken en door God _voor zijn dienst en zijn werk voorbehouden is_.

En indien er dan ook in de laatste jaren eenig meerder welvaren onder ons Christenvolk waarneembaar is, dan hebt ge dit daar vooral aan te danken, dat God de Heere door den loop der gebeurtenissen inzake kerk en school een deel van zijn volk _dwong_, om veel milder en ruimer dan eertijds dit _deel uit het goed_ niet langer voor eigen gebruik aan Hem _te onthouden_.

Want _ontstelen aan God_ het deel, dat Hij zichzelven voorbehield, dat, en niets anders is het, zoo ge uw eerstelingen en uw tienden niet besteedt voor zijn dienst en zijn armen, maar aanwendt voor eigen genot of geldbelegging.

Dat mag niet. Dat is zonde. Een kwaad, waarbij de gerechtige wrake Gods niet achterblijft.

Immers de Heere hoort het geroep, als de dienst zijner kerk in armoê kwijnt. Hij hoort het geroep, als uw scholen in verlegenheid tobben moeten. Hij hoort het geroep, als de blinden en kranken hun hulp derven. En Hij hoort ook het geroep van zijn armen, als de arme Lazarus omkomt en de rijke man in overdaad tiert.

Dit deel van uw goed is het uwe niet. Het is _Godes_. De Heere is van dit deel van uw goed _de Meester_.

En daarom wee u, als ge iets ook maar van dit deel van uw goed aan zijn Goddelijken Meester onthoudt.

ZESDE ZONDAG.

»IK ZAL ZE LOUTEREN.«

En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men het zilver loutert.

Zach. 13:9.

In elken levenskring doet ge telkens weer de droeve ervaring op, dat er zijn, die u _eerbied_ afdwingen, maar ook dat er zijn, die u _minachting_ inboezemen.

Ge vindt dat onder alle standen, ge vindt dat bij man en vrouw, ge vindt dit bij het kind zoowel als bij den grijsaard.

Aan de eene zij hebzucht, lafheid, hoogheid, laagheid van zin en karakter, en aan den anderen kant zekeren adel van ziel, een liefde, die zichzelve geeft, heilige geestdrift en veerkracht van karakter.

Bij den een denkt ge: »Ik wilde, dat ik in dien man, in die vrouw, in dat kind iets kon overgieten uit mijn eigen hart.« En bij anderen, die ge benijdt: »Ik wilde om wat liefs, dat in mij mocht blinken, wat als sieraad blinkt in hen.«

Die scheiding bestaat eenmaal. Die grenslijn loopt door alle volk en door elken kring. En in dien zin zijn er slechten en goeden; zijn er eerbaren en eerloozen; zijn er menschen, die ge verfoeit, en menschen, die ge bewondert. En al beslist dat nu volstrekt over hun eeuwig wel of wee niet, en al kan het voorkomen, dat God een verachtelijk zondaar bekeert, en dat een zeer rechtschapene van hart om den trots op zijn eigen gerechtigheid zedelijk omkomt, toch doen we in het leven der wereld allen de ervaring op, dat dit onderscheid tusschen boozen en goeden wel terdege bestaat. En als we hulp van menschen noodig hebben, of met menschen moeten omgaan, dan zoekt soort soort, en gezelt zich de goede bij de goeden, en zoekt, wie slecht wil zijn, gezelschap onder de slechten.

* * * * *

Doch nu loopt er nog een andere grenslijn, ook van boozen en goeden, maar dat niet voor óns oog, doch voor het oog van God den Heere.

Ook Hij zuivert en schift en toetst, en bij _zijn_ scheiden is _onze_ onderscheiding tusschen goed en boos nog niets dan kinderspel. Immers ons misleidt de schijn, maar Hij ziet het hart aan. Wij oordeelen naar het oogenblik, maar Hij kent de eeuwige uitkomst. Ons oog hecht zich aan het werk, maar Hij ziet en kent van verre reeds het motief, de innerlijke beweegreden van het hart.

Zoo kruist dan zijn oordeel ons oordeel. Soms loopen beide lijnen saam, dat de Heere ons te ontdekken geeft, wie de zijnen zijn. Maar meestal gaat onze kennisse zoo ver niet. En daarvandaan komt het dan, dat soms het gezelschap van belijders ons tegenstaat en dat velen uit de kinderen der wereld ons aantrekken. Want natuurlijk, wij kunnen niet anders oordeelen dan naar wat we waarnemen, en waar nu in personen, die buiten God leven, soms zooveel nobels schittert, en op personen, die in de vreeze Gods staan, soms nog zooveel van het stof der aarde dof maakt wat glinsteren moest, is het zoo onbegrijpelijk niet, dat ons oog door hetgeen blinkt geboeid wordt, en zich aan het doffe en nog bestovene niet hecht.

Wel wordt dit allengs beter bij hooger geestelijke ontwikkeling, als ons geestelijk oog meer geoefend wordt en de liefde krachtiger instinct erlangt. Maar toch geheel teboven komen kunnen we deze tegenstelling nooit in dit leven.

En misschien is dit goed ook. Het zou ons, zoo we altoos juist zagen, te zeer ons gevoel van waardeering voor het goede ook bij de kinderen der wereld ontnemen, en te vergoelijkend doen heenzien over wat de kinderen Gods nog vaak ontsiert.

* * * * *

Bovendien het hoeft ook niet; want die de wanne schudt en eens zijn dorschvloer doorzuiveren zal, is niet het kind van God, maar God zelf.

Wel zal dan het kind van God meê rechter zijn en meê oordeelen, maar in geen anderen zin, dan dat hij alsdan uit de volle ziel onbewimpeld zijn Amen zal uitspreken bij het oordeel Gods; Gods gerechtigheid in al zijn oordeel lovend; zelfs al gold het zijn eigen ziel, of wat misschien nog vreeselijker is in te denken, uw eigen man of vrouw, uw eigen vader of uw eigen kind.

Al wat nu nog scheiding maakt tusschen _Gods_ oordeel en _ons_ oordeel valt dan weg. De gedachte, die nu nog zoo dikwijls in ons hart oprijst: »Hoe kan God zóo doen!« zal dan voor altoos wegvallen, en ons oordeel nooit iets anders zijn kunnen dan een echo en weerklank op het rechtvaardig oordeel Gods.

Maar intusschen werkt, onafhankelijk van onze instemming, nu reeds dit oordeel Gods door.

Hij _onder_scheidt niet slechts, maar _scheidt_. Scheidt deel van deel in elk volk en in elken levenskring; en, helaas, naar wat de Heilige Schrift ons deswege openbaart, is het deel, dat ten kwade moet afgescheiden, altoos _het grootst_, en het deel, dat ten goede wordt afgescheiden, altoos _het kleinst_. De Heiland zelf riep het met zielverscheurenden weemoed uit: »_Velen_ zijn geroepen, maar _weinigen_ uitverkoren!« »_Velen_ zijn er, die op den breeden weg wandelen; maar nauw is de poort en eng de weg, die ten leven leidt, en _weinigen_ zijn er, die dezelve vinden.« Uit duizenden bij duizenden werden er slechts _acht_ zielen in de arke gered. Geen _vijf_ rechtvaardigen wierden in Sodom gevonden. Bij Jesaja heet het, dat slechts een _tiende_ deel van het volk overblijft; en bij Zacharia, waar een symbolisch getal bedoeld is, een _derde_, dat wil zeggen, dat waar _drie_ de volheid uitdrukt, de _twee derde_ de aanduiding zijn van het _grooter_ deel en het _éen derde_ de benaming van het _kleiner_ deel.

* * * * *

Toch wordt daarom aan het _kleiner_ deel, aan die _weinigen_, aan die ten goede afgescheiden zijn, het oordeel niet gespaard.

God de Heere doet juist omgekeerd als wij. Als er onder onze kinderen goede en booze zijn, dan leggen wij de kastijdende hand het meest aan de booze aan, en zijn voor de goede het meest verschoonend.

Maar zoo doet God de Heere niet.

Voor zijn doen is de metaalgieter zinbeeld.

Als de metaalgieter in eenzelfden ertsklomp koper en goud, of lood en zilver saamgemengd vindt, en hij scheidt het edel en het onedel metaal, dan zet hij al de kracht van zijn _louteren_ niet op het lood, noch ook op het koper, maar op het _zilver_ en het _goud_.

En zoo nu doet God de Heere ook.

Als ook Hij in het éene erts van ons menschelijk geslacht het edel en het onedel metaal vermengd vindt, en hij scheidt die beiden af, dan schijnt het soms, als had Hij met die _boozen_ gansch geen bemoeiing, maar die _goeden_ loutert Hij, zooals de smelter het zilver in zijn smeltkroes loutert, op het allernauwkeurigst, tot zevenmaal.

En dan lachen de boozen en pochen op hun voorspoed, en die kinderen Gods in de smeltkroes weenen van weedom des harten. En zelfs Asaf verstaat het niet, en was bijna uitgegleden, ziende den voorspoed der goddeloozen.

Maar ook bij dien angst houdt de Heere zich niet op.

Hij gaat door, altoos door met het heilig louteringsproces, dat zijn kinderen doorloopen moeten. En dan treft en wondt Hij den een in zijn gekrenkte positie onder menschen; een ander in zijn kleinere gaven; een derde in zijn welstand en gezondheid; een vierde in de mislukking van wat hij ondernam; een vijfde in een kind, dat hem ontnomen wierd of, schrikkelijker nog, in een kind, dat hem verdriet doet.

o, Dat louteren Gods kan soms zoo ontzettend diep gaan!

Maar, hoe dan ook zijn kinderen weenen, Hij gaat door. Zijn zilver _moet_ zuiver worden. Het moet eens in den vollen glans van het heerlijk metaal blinken. Zijn kinderen zijn kinderen, die niet liegen mogen. Er moet uitkomen, wat Hij er in verscholen had.

En dat is niet hard; dat is niet onmeêdoogend. Veeleer is deze liefde veel vuriger en hooger dan onze liefde.

Want immers het echte Goddelijk mededoogen is niet om te maken, dat ge hier lacht om eens eeuwig te weenen, maar dat ge eeuwig lachen zult van heiligen jubel, al is het ook, dat hier u het weenen niet kon gespaard worden.

En dit staat vast, als eens het louteren ook bij ons een einde neemt, en het zilver is gansch gezuiverd, dan zal dat gezuiverde zilver eens zelf in die loutering roemen, en God danken, dat Hij, niettegenstaande zijn tranen en gebeden bij die loutering, dat louteren toch heeft doorgezet.

ZEVENDE ZONDAG.

»HEBT UWE VIJANDEN LIEF.«

Maar ik zeg ulieden, die dit hoort: Hebt uwe vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten.

Luk. 6:27.

Nog altoos schuilt de triomf van ons Christelijk levensideaal in dat hoogste, waartoe de Liefde komen kan, in de liefde _voor onze vijanden_.

Waar ge bij liefde voor wie u liefhebben, en bij liefde voor wie in jammer of ellende neerligt, nog iets in uw natuurlijk hart voelt, waaruit die liefde vanzelf kan opspruiten, beseft ge daarentegen bij de »liefde _voor uw vijand_« zoo kennelijk, dat _deze_ liefde van Boven is, van den Vader der lichten, en alleen door den Heiligen Geest in de ziel kan worden ingestort.

»Liefde voor zijn vijand« staat dan ook zoo ontzaglijk hoog, dat men, om het Nieuwe Testament boven het Oude te verheffen, het meer dan eens heeft voorgesteld, als leerde het Oude Testament: »Oog om oog en tand om tand« en als had Jezus het eerst op aarde, »de liefde voor den vijand« uitgeroepen, Hij, die in liefde voor zijn vijanden ons allen is voorgegaan.

Toch is dit een dwaalbegrip. Het stond reeds in Spreuken 25:21 zoo duidelijk geschreven: »Indien dengene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten, en, zoo hij dorstig is, geef hem water te drinken«; terwijl met »Oog om oog en tand om tand« allerminst _persoonlijke_ wrake wordt vrijgelaten, maar enkel de regel _voor den rechter_ wordt getrokken, waarnaar hij in stipte gerechtigheid zijn recht te spreken heeft.

Hoe zou er ook verschil tusschen Oud en Nieuw Testament kunnen zijn? Alsof het niet éen God en Vader was, die ons _beide_ schonk; éen Zoon, die in _beide_ ons als de hoogste Profeet en Leeraar toespreekt; en éen Heilige Geest, die _beide_ ingaf!

Slechts dit staat in het Oude Testament: »Heere! zou ik niet haten, _die U haten_?« maar ook in het Nieuwe Testament wordt ons nergens het gebod gegeven: »Hebt de vijanden van God, als zoodanig, lief.«

Het woord van Jezus, dat de wereld inging, luidt: »Hebt _uwe_ vijanden lief,« d. w. z. die allen, die om persoonlijke reden _u_ ten vijand zijn geworden, en tegen wie deswege de haat in uw hart het sterkst opwoelt.

_Gods_ vijanden en _onze_ vijanden mogen hier dus nooit verward worden. En slechts daarom mag ook tegen de vijanden Gods persoonlijk onze wrake nooit uitgaan, omdat zoo vaak bleek, hoe wie nu nog een vijand Gods is, straks Zijn uitverkorene kan zijn.

Heden Saulus, morgen Paulus.

En daarom verblijve, ook wat de vijanden Gods aangaat, de wrake aan den Heere, en late onze ziel van wrake af.

* * * * *

Maar anders staat het met uw _persoonlijke_ vijanden.

Bij hen toch moet ge niet enkel van wrake aflaten, zoolang ge u zoudt kunnen vergissen; maar altoos, in volstrekten zin; ja, moet ge de wrake in haar _tegendeel_ omkeeren, en uw vijand _liefhebben_.

En vraagt ge, in wat zin dat bedoeld is, dan eischt de Heilige Schrift uiteraard niets tegennatuurlijks van u, en vraagt dus niet, dat ge uw vijand _lief_ zult vinden; dat ge hem _beminnelijk_ in zijn woeden zult keuren; en met zekere zoetsappigheid _onaandoenlijk_ zult zijn voor zijn boos en bitter woord.

Neen, integendeel, de Schrift eischt, dat ge den bitteren beker, dien hij u mengde, tot op de heffe toe zult uitdrinken; goed en terdege proeven zult, hoe bitter en wrang zijn nijd en haat is; en dus in vollen omvang weten zult, dat die man wezenlijk uw vijand is, en die vrouw u haat.

Op het diepe, volle besef van die vijandschap dingt de Heere niets af.

Neen, neen, Hij stelt dien man en die vrouw voor u, zooals ze werkelijk in het leven tegen u optreden. Hij spreekt van _uw vijand_, in al den schrikkelijken, bangen zin van het woord.

En nu stelt Jezus u den eisch, den strengen, den onverbiddelijken eisch, dat _dien_ man, _die_ vrouw _als zoodanig_, in qualiteit van uw vijand; niet als ze straks ophielden het te zijn; maar nu, zooals ze daar vijandig en in vijandschap tegen u overstaan, en dus als uw _vijand_ hen zult _liefhebben_.

Zooals Hij aan het kruis hing, en in elke pees en in elke zenuw de wringende, schrijnende doodssmart gevoelde, die zijn vijanden Hem aandeden, en hun bittere woorden opving, en _toen_ ze liefhad en voor hen bad, zoo wil de Heere, dat ook gij, wetende, gevoelende, ervarende, dat _deze_ man of _die_ vrouw u ten vijand is, ze op datzelfde oogenblik zult zegenen, voor ze zult bidden, en ze als uw _vijand_ zult liefhebben.

* * * * *

En denk nu niet, dat de Heere Jezus dat alleen van een hoog enkele eischt, die, in vroomheid en godzaligheid bizonder ver voortgeschreden, allengs tot een heiliger levenstoon gekomen is.

o, Neen, de Heere richt zich bij dat zeggen tot een _iegelijk_.

Hij spreekt algemeen: »Gij, hebt uw vijand lief, zegen ze die u vervloeken, doe wel dengenen, die u haten, en bid voor degenen, die u geweld aandoen en u vervolgen.«

Meer nog, nooit kunt ge het _Onze Vader_ bidden, of die gesteldheid der ziele moet in u verwezenlijkt zijn. Want immers ook in dat _Onze Vader_ heet het: »En vergeef ons onze schulden, _gelijk wij vergeven onzen schuldenaren_.«

En dit kan ook niet anders, want de _liefde voor onze vijanden_ wortelt in heel uw Christelijke belijdenis.

Let maar op deze vier punten:

Als David voor Absalom vlucht en Simeï hem van de hoogte vloekt, willen de zonen van Zeruja aan Simeï den kop voor de voeten leggen. Maar David verstaat het anders, en zegt: »Wat heb ik met u te doen, o zonen Zeruja? Want de Heere heeft tot hem gezegd: Vloek David. Wie zou dan zeggen: Waarom hebt gij alzoo gedaan?« (2 Sam. 16:10.)

Hier ziet ge uit, hoe een kind van God in elken vijand een instrument des Heeren heeft te zien; een mensch, die zonder zijn wil zich niet roeren noch bewegen kan; en zonder wiens wil en bestel geen enkele vijandschap ons overkomt.

Nu bijt _de hond_ wel in den steen; maar _gij_ weet, dat de oorzaak niet bij dien steen, maar bij den werper ligt. En zoo dan ook hebt ge bij alle persoonlijke bitterheid, die u treft, niet op uw vijand te zien, die u hoont, maar op uw God, die dit hoonen noodig voor u acht, om u te kastijden of te heiligen.

* * * * *

Dat vooreerst, maar er zijn nog _drie_ andere stukken, waarop ge hier te letten hebt.

Immers, wat uw vijand tot haat prikkelt, is niet anders dan de vreeslijke macht der zonde. En die macht der zonde woont waarlijk niet in hem alleen, maar in uw hart evenzeer. En als nu in zijn hart die zonde zoo schriklijk uitbot, en bij u wierd ingehouden, wat is dat dan anders dan een meerdere genade, die u verleend wierd; en wat zou die meerdere genade dan anders in u verwekken dan deernis en mededoogen voor dien minder bedeelde, die zooveel erger onder de macht der zonde lijdt, en die, omdat hij in zijn haat _zelf_ niet kan bidden, geholpen moet door _uw_ gebed?

En dan in de tweede plaats.

Is hier geen oorzaak ook voor zelfaanklacht? Of waar was ooit een vijand, die ons haatte, dien wij door onze woorden, of daden, niet geprikkeld hadden? De wederzijdsche verhoudingen in het leven zijn zoo onuitsprekelijk kiesch en teeder en fijn. En, o, als nu liefde ons gedreven had, hoeveel hadden we dan niet kunnen mijden en voorkomen, waardoor het booze vuur in hem wierd aangeblazen insteê van het te blusschen. En is dit dan niet een liefde, die we in geheel bizonderen zin _aan onzen geprikkelden vijand_ schuldig zijn, dat we voor hem uit den weg gaan, en zijn gevoeligheid niet gedurig opwekken?

En eindelijk:

Waartoe is deze uw vijand op uw weg geplaatst?

David riep van Simeï: »Misschien zal de Heere mij _goed_ vergelden voor dezen zijn vloek.«

En is het niet alzoo, dat Gods bedoeling met dit loslaten van de vijandschap tegen ons nooit kan zijn, om ook ons tot zonde te brengen, maar altoos zijn moet een _geloofsbeproeving_, om nu te zien, hoe het in uw binnenste staat, en om juist door die vijandschap de macht ten goede in u te sterken, en u zoo door uw bittersten vijand een zegen te doen brengen aan uw eigen hart?

Zonder strijd is er geen overwinning. En nu treedt die vijand tegen u op, om u die kroon der schoonste victorie voor het zielsoog te doen schitteren.

Wat kiest ge dan?

Zal het dan uw vijand gelukken moeten, om u te schaden aan de ziel en u innerlijk te verwoesten?

En zoo niet, wat blijft u dan anders, dan te doen naar wat Jezus eischt; dat wil zeggen: uw vijand lief te hebben, en juist daardoor hem ten instrument te maken, om u te sieren met de schoonste kroon, waarin het keurgesteente schittert?

ACHTSTE ZONDAG.

DE OORBLAZER.

De oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.

Spreuk. 16:28.

De eerste en ergste oorblazer is Satan in het Paradijs geweest.

Salomo zegt door den Heiligen Geest, dat »de oorblazer den voornaamsten vriend van ons afscheidt,« en waar is dit schriklijker, waar meer tot in den wortel geschied, dan juist toen Satan den mensch van zijn God vervreemdde?

Satan is de aarts-oorblazer, en alle oorgeblaas, dat sinds het Paradijs onder de menschen is uitgegaan en onder menschen verwijdering en verbittering en vijandschap heeft teweeggebracht, is een vuur, dat uit die Satanische vonk van het Paradijs is aangestoken.

Zóo is er geen oorblazer, of ge kunt zeker zijn, dat Satan achter hem zit. Of om het nog scherper te zeggen: zal een oorblazer zijn onheilig bedrijf naar eisch verrichten, dan moet hij eerst zelf in het oor zijn geblazen door den Verleider.

Het is of in dat denkbeeld van »blazen«, in het oor »blazen«, nog iets van den slangenaard nawerkt.

Ge treedt met elke zonde, maar vooral met deze zonde van den oorblazer, zoo vanzelf op het demonische terrein over.

De oorblazer wil iets, heeft iets voor, zoekt een doel te bereiken. Hij is op kwaad stichten, op verdeeldheid stichten, op verstoren van vertrouwen en verkoelen van liefde uit.

Als de oorblazer bij u of in uw vertrek is geweest, is er behoefte aan geestelijke ontsmetting.

* * * * *

Wat is dan dit oorblazen, waar Gods Woord zoo scherp en gestreng tegen ingaat? Wat is in deze zonde de angel en de giftklier?

Zie, toen God de Heere den mensch het oor heeft ingeplant, schonk Hij hem daarmeê het vermogen, om én bij luid gesprek met velen in uitgebreiden kring gemeenschap te hebben, óf ook om in enger kring met een zeer enkele het zoet des vertrouwens en van de gemeenschap der ziele te genieten.

Vandaar dat er een luid _spreken_, maar vandaar ook dat er een _fluisteren_ is; en zal het wel zijn, dan is dat fluisteren iets _heiligs_.

_Fluisteren_ beoogt heilige intimiteit.

Reeds moet men er u dicht om naderen, u aanraken, u tegen den schouder leunen, en als met de lippen op uw oor drukken. En nu zegt dat fluisteren, dat er iets is, dat anderen niet weten mogen; wat iets geheimzinnigs tusschen u beiden is; en waardoor vanzelf de grond van wederzijdsch vertrouwen wordt verondersteld.

Teederheid in het heilige brengt er u daarom vanzelf toe, om in hoogheilige dingen niet te overluid, maar liefst zachter en stiller te spreken; en zelfs in de saamvergadering der geloovigen zijn er oogenblikken, dat een fluisterend spreken de schare zoo ontzettend aangrijpt.

Is niet, o zooveel van ons eigen bidden en fluisteren van onzen zielsnood in het oor van den Almachtige geweest; en wierd onze ziel niet het diepst en het machtigst aangegrepen, als het in de stille eenzaamheid bij het lezen van Gods Woord was, alsof de Heere zelf ons die tintelende, levende woorden in het zielsoor fluisterde?

* * * * *

Doch weet ook, gelijk de zonde steeds het heilige nabootst, is er naast het terrein van liefde en vertrouwen en gebed geen terrein, waarop zooveel gefluisterd wordt, als bij dieven en moordenaars.