Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath
Part 4
Ge wandelt in de leugen. De wezenlijkheid, de werkelijkheid, de waarheid ziet ge niet meer. Alle verhoudingen zijn voor uw zielsbesef vervalscht geworden.
En zooals gezichtsbedrog het kind doet denken, dat hij minstens tweemaal zoo groot als de zon is, zoo ook waant het nietig kind des stofs zich schier grooter dan zijn God te zijn.
Tot de _waarheid_ hem aangrijpt en de glans van de Majesteit des Heeren over zijn ziel opgaat.
En dan wordt het: Dat Eeuwig Wezen onmetelijk en onbeschrijflijk in zijn heerlijkheden, en ik een stofje op de schaal.
* * * * *
Pas dit nu toe op uw leven, en ge loopt recht of ge waggelt als een dwaas, al naar gelang ge bij al uw denken en overleggen in uzelven opzwelt tot een Dagon, of weer, ook in uw eigen schatting, een stofje aan de weegschaal voor uw God zijt.
Staat ge nog in uw _leugenbeeld_, dan hebt ge allerlei pretentiën, dan zijt ge prikkelbaar en lichtgeraakt, veeleischend en alles begeerend, ontevreden en gestadig in gemor.
Maar komt _de waarheid_ en weet ge weer een drop aan den emmer en een stofje aan de weegschaal te zijn, dan is opeens die overgevoeligheid weg; de rietstaf uwer hoogheid geknakt; stille, nederige zin komt over u en ook bij een minder deel wordt uw vreugdevolle tevredenheid rijk in die goedertierenheid des Heeren, die u nog zóoveel schonk.
Wat minder met uzelf en wat meer met uw God in uw zin en ziel vervuld, zijt ge dan als de bloem, die zich laat bedauwen, en niet langer als de doornstruik, die prikt en afstoot.
Liefderijk helpen, dienen en vertroosten valt u dan licht, omdat het valsche beeld van uw eigen ik u niet langer in den weg staat.
Inschikken wordt u dan natuurlijk, vergeven een vanzelfheid, zelfverloochening geen kunst meer, maar de aard van uw aanzijn en de eigen natuur van uw bestaan.
Wie weet zelf _een stofje_ te zijn, kan _vreeze Gods_ in de ziel omdragen. Alles trekt dan naar boven. Alles in hem smelt dan weg in bewondering voor Hem, die alleen groot is. En terwijl hij God vreest, kent hij geen vrees voor het kind des menschen meer. Immers ook zij zijn dan stofjes en druppelen als hij is. En een stofje, wie zou dat vreezen!
* * * * *
En dan komt juist in dat nietige van het stofje _het zoet der zaligheid_.
Hoog zijn vermoeit en mat af, maar wie stil en nederig kan wezen, rust met ongekende zaligheid in dat innerlijke van zijn wezen. Hij heeft niets op te houden. Geen valschen schijn te maken. Hij wandelt in zijn eenvoudigheid.
En als dan in dat nietig »stofje aan de weegschaal« genade gaat werken, en in dien druppel aan den emmer zich de glans van het licht gaat spiegelen, o, dan wordt het in de ziel heilige verrukking en zalige aanbidding.
Op mij, nietig creatuur, onbeduidend schepseltje, op mij, die op de weegschaal als een stofje neerzweef en als een druppel aan den emmer gespet hang, op mij zag eeuwige Genade neer, naar mij heeft die heerlijke Majesteit van het Eeuwige Wezen Goddelijk mededoogen uitgestraald. Mij roept Hij met den naam van »kind van God«. Op mijn lippen wil Hij het _Abba, lieve Vader!_ doen fluisteren. Voor mij verordineerde Hij een eeuwige bestemming onder de gezaligden in het eeuwige licht!
o, Mijn broeder, mijn zuster, dan begint de mond van lof en liefde over te vloeien. Dan wordt het al aanbidding. Dan smelt heel uw ziel in zalige verrukking.
Ja, wie zou dan al den lof des Heeren uitspreken! Wie naar waarde eenigszins verhalen, wat Hij u, nietig stofje aan de weegschaal, u, drupje aan den emmer, naar zijn grenzenlooze ontferming aan uw ziel gedaan heeft!
DERDE ZONDAG.
»MIJNE ZIEL IS VOOR U ALS EEN DORSTIG LAND!«
Ik breide mijne handen uit tot U; mijne ziel is voor U als een dorstig land.
Ps. 143:6.
Een dorstig land _weet_ niet, dat het dorst heeft. Eigenlijk _is_ het dan ook niet dorstig. Het _heeft_ geen dorst. Wel heeft het gebrek aan water, aan vocht, aan levenssap. Ook kan het alleen door water, dat er op gesproeid wordt, weer groen gras doen uitspruiten. Maar zelf heeft het hier geen kennis van. Het heeft geen bewustzijn.
Een akker is dood en kent zijn eigen plage niet.
Toch spreekt de Heilige Schrift gedurig van een »dorstig land«; niet enkel overdrachtelijk om op onze ziel te doelen, maar ook in eigenlijken zin, als ze spreekt van het veld, van een stuk land, van een akker.
Dit komt daarvandaan, dat de Heilige Schrift de natuur nooit van den mensch afscheidt. Die natuur is er om den mensch; als Adam valt, gaat de vloek ook over de natuur uit; al het schepsel zucht, verwachtende de openbaring van de heerlijkheid der kinderen Gods; en eerst als de heerlijkheid eens voor Gods kinderen ingaat, komt ook die natuur weer van onder haar plage uit.
Dat er een akker ligt te verdorren uit gebrek aan vocht, is alzoo _om de zonde_; en de mensch, die zijn zonde bekent, ziet nu op dien akker _als om zijnentwil lijdende_ neder. Zoo leeft die mensch in het leven van dien akker in; _voelt_ voor dien akker, wat die akker zelf niet voelen kan; spreekt zoo uit, dat het land dorst, al weet het zelf van dorsten niets af; en straks bidt nu die mensch, zoo hij wél bidt, om wegneming van die plage ook voor dien akker. En als dan eindelijk de regen nederdruppelt en de dorstige akker wordt mildelijk verzadigd, dan dankt Gods kind ook voor dien akker, dat de Heere er de plage van wegnam.
In Israel, lees het maar bij Joël (1:9 v.v.), treurt de priester, als het land treurt, met en voor dat land. En als de redding gekomen is, juicht met den juichenden priester alle boom des velds voor het aangezicht des Heeren HEEREN.
* * * * *
Hierin nu is het beeld van den zondaar.
Zooals dat land dor en verwoest ligt, maar het niet weet, dat het dorst, en dies om water van den hemel niet roepen kan, evenzoo is het met uw ziel van nature.
Ook uw arme ziel ligt verschroeid en verdord. De bodem van uw gemoed is verhard en verstijfd. Er spruit niets uit op. Het ligt al met den valen tint des doods overtogen. IJl moge hier of ginds een enkel sprietje door de kluit dringen, maar dor en geel en verzengd toont het zijn machteloosheid.
Als een dorstig land ligt uw ziele in u. o, Als de wateren maar nederstroomden, en het akkerveld uwer ziel de malsche dauwdruppen opving, hoe zou alles ruischen van vreugde en frischheid en weelde!
Maar het was dor en bleef dor, en wat nog het bangste is, hoewel geheel verdord, kent ge uw eigen dorheid niet en kunt ge niet zeggen: »Heere! ik dorst!«
Dorst hebt ge niet!
Maar denk nu aan wat straks van het »dorstig land« gezegd is. Ook het land, hoe dor en verzengd en verschroeid ook, heeft van zijn dorheid geen kennisse. Maar de landman, die langs dien dorren akker heenwandelt, _die weet het_, die voelt, dat het land dorstig is, en die bidt, dat de Heere den dorst van het land wegneme en lessche.
En is ook dit niet uw beeld?
Of wandelde ook langs de zoomen van uw dorre ziel niet telkens die hemelsche Landman, die den akker uwer ziel aanzag, en in innerlijke ontferming haar dorheid gadesloeg, en die, waar gij nog geen dorst kendet; voor u en in uw plaats dien dorst voelde? En gelooft ge niet, dat deze barmhartige Hoogepriester toen ook voor den dorst van uw dorstende ziele bad, nog lang eer gij ook maar vermoeden kondt, hoe uw verdorde ziel in haar _on_gekenden dorst wegkwijnde?
* * * * *
Maar hier houdt de gelijkenis dan ook op. Want wat bij het dorstige land nooit kan, dat kan _bij u_, en _moet_ bij u.
De landman kan wel voelen, dat het land dorst, al weet het dat zelf niet, maar hij kan nooit zijn gevoel van dorst aan dien akker meêdeelen.
En dat nu kan uw hemelsche Landman wel en dat doet Hij.
Hij komt door zijn Heiligen Geest in dat dorre hart, in die dorstende ziel in, en geeft haar uit genade _besef_ van dorheid, _kennis_ van haar dorren staat, en brengt ze er ten leste toe _dat ze zelve haar dorst gaat bekennen_.
Daar wacht Hij niet op.
Hij is niet wreed, om als Hij een ziel als een dorstig land voor zich ziet liggen, te toeven en te beiden, tot tijd en wijle ze zelve haar dorst bekennen gaat, om ze eerst dáarna te bevredigen.
o, Als de Immanuel zóo met met ons handelde, dan kwam er nooit éen enkele malsche drop op haar dorheid neder.
Neen, neen, Hij voorkomt haar.
Hij weet, dat ze uit zichzelve tot den einde toe even stom en onwetend als een dorstig land blijven, en nooit om die droppelen der genade roepen zou.
En daarom komt Hij in zijn genade niet eerst dan tot u, als gij bekennen zoudt: »Ik verkwijn van dorst,« maar breidt Hij zich naar u uit, terwijl gij meent _niet_ te dorsten, en bij uw gebroken waterbakken in koortsachtige overprikkeling veeleer droomt, dat de volle waterstroomen om u heen ruischen.
Ismael wist ook niet, dat de dorst zijn leven bedreigde. Hij wist niets. Hij lag in heete koorts bedwelmd. Maar de Immanuel kwam tot Ismael, en Hij wees Hagar de bron.
* * * * *
Weg daarom met dat valsche zeggen, alsof in ons het besef van dorst zou zijn, en alsof de Heere eerst op ons roepen uit de dorstige ziel, die dorstige ziel verzadigen zou.
Heel omgekeerd spreekt de Heere hem, die zoover kwam, dat hij dorsten kan, reeds zalig.
Want dat kennen van uw dorheid, dat besef van dorst is reeds genade. Dat was niet uit u, maar kwam u toe van boven. o, Wie maar zoover is, dat hij dorsten mag, die is er. Want als er maar een waarachtig dorsten mag zijn, dit _wordt_ gelescht, zoo waarachtig als de Heere een Ontfermer is.
Bedrieg u dus niet.
Zeg niet: Ik ben als in Psalm 42, en mijn ziel schreeuwt naar den levenden God, gelijk een hert dorst naar de waterstroomen, maar de hemel houdt zijn regen in.
Neen, zoo is het niet.
De man van Psalm 42 _is_ een geredde, juist omdat hij dorst kent; en nu wordt zijn dorsten het echte bidden en smeeken, en op dat smeeken volgt het toevloeien der volle stroomen gewisselijk, ook al beproeft de Heere hem voor een tijd.
Waar het aan schort, is dat ge denkt: »Den dorst heb ik uit mijzelf, en de Heere moet mij alleen het water geven!«
En zoo is het niet.
Diezelfde God, wiens de stroomen des levenden waters zijn, moet eerst en vooraf den dorst naar dat levende water in u brengen en anders drinkt ge uit dien levenden stroom nooit éen enkelen drop.
Het is, dat ge nog te hoog van uzelven denkt. Denkt: Dorsten kan ik zelf nog wel. En daarom blijft én de echte dorst én de toevloeiing der wateren bij u uit.
Och, dat ge ook dien valschen dorst, dien nagemaakten dorst niet langer voor het echte dorsten woudt aanzien!
Heere! ik breide mijn handen naar U uit; mijn ziele ligt voor U als een dorstig land, dat wel zeer dorre en verdord is, maar zijn eigen dorst nog niet doorgrondt!
VIERDE ZONDAG.
»ZALIG ZIJN DE VREEDZAMEN!«
Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.
Matth. 5:9.
De machtige, alles teboven gaande tegenstelling tusschen den hemel daarboven en de aarde hierbeneden, is, dat er in den hemel éen psalm des vredes ruischt, en dat op aarde de schrilste wanklanken tegen elkander ingillen.
Vrede in den hemel bij onzen God, maar onvrede, twist, gemis aan harmonie, saamwerking en overeenstemming hierbeneden.
Er is vrede op uw harp, zoolang de snaren elk op heur eigen toon gespannen staan, en die harmonisch gespannen snaren door een vaardige hand op evenredig maatgeluid getokkeld worden. Maar de vrede is van uw harp weg, zoodra er ook maar een enkele snaar ontstemd is, of door een, die valsch speelt, een valsche greep op uw snaren gedaan wordt.
En nu, als met die _harp_, zoo ook is het met uw _hart_.
Ook op dat hart des menschen spande God in de schepping allerlei snaren; en Hij spande die snaren in zalige harmonie; en gaf aan elke snaar een toon om te doen klinken, die met de tonen van andere snaren in zuivere melodie ruischen kon.
Vrede en harmonie vervulde in de ure der schepping niet enkel den hemel, maar ook de natuur.
Vrede en harmonie lag in Goddelijken glans over den hof van Eden uitgegoten. Vrede en harmonie deed mensch en dier naar Goddelijke ordinantiën saamleven. Vrede en harmonie was het _om_, vrede en schoone harmonie _in_ den mensch. En, toen Eva aan Adam geschonken was, vrede en harmonie eveneens tusschen mensch en mensch onderling.
En al week nu door de schrikkelijke verwoesting der zonde die vrede en harmonie ook van deze aarde weg, eens keert ze in heilige zegepraal weder; en dies meldt ons de profetie van een dag, waarop de wolf en het lam saam zullen weiden, een kind zich met een adder zal vermaken en de leeuw stroo zal eten gelijk het rund.
* * * * *
Maar inmiddels is die heilige, Goddelijke vrede weg.
Wij _derven_ die schoone harmonie op elk terrein van het leven. En hoe dicht de betere evenredigheden soms ook de volkomen zuiverheid van toon weer nabij komen, toch vindt ge de diepe, volle harmonie nergens meer.
Zoolang ge een grove van gehoor zijt en onfijn van gevoel, moge u dat niet deren; maar zóo kunt ge niet in gehoor verfijnd en in uw gevoel verdiept zijn, of aanstonds beginnen de wanklanken u te hinderen, de disharmonieën u te kwetsen, de onevenredigheden uw zielsrust te storen, en hoe meer ge in het leven thuis raakt, hoe meer ge tot de droeve ontdekking komt, hoezeer twist en tumult en nijd op den bodem van heel ons menschelijk leven ligt.
Zoo is het in uw eigen persoon. Telkens de vrede verstoord tusschen ziel en lichaam. Telkens de vrede weg tusschen de verschillende neigingen van uw hart. Telkens de vrede bedreigd tusschen plicht en plicht, dien ge volbrengen moet. Gedeeld, geperst, uiteengescheurd wordt keer op keer uw menschelijk hart tot zelfs door de teederste liefde, die u innerlijk bewegen mag.
En waar ge dan uit eigen sfeer uittreedt in het leven buiten u, altoos weer vangt uw oor ook daar denzelfden wanklank op. Verschil van opiniën, van inzichten, van overtuigingen, van beginselen. Uiteenloopende belangen en neigingen, die diep in het bloed of in het verleden der historie hun oorsprong hebben. Volken tegen volken, standen tegen standen opstaande.
Op wetenschappelijk gebied de eene school, die aan de andere de heerschappij betwist. En zelfs in de kerk van onzen Heere Jezus Christus vrede, ja, in geesteloos lauwe dagen, maar zóo begon de adem des Geestes weer niet in de doodsbeenderen te blazen, of strijd verving ook daar de ruste; tot ten leste zelfs de naaste broeders en belijders met gespannen trek om de lippen tegenover elkander stonden.
* * * * *
En temidden van die wereld treedt nu Jezus op en roept: _Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden!_
Wat wil dit woord?
Zegt het u, dat ge den strijd voor uw overtuiging zult prijsgeven, de worsteling voor het u heilig beginsel zult laten varen? Wil het, dat een kind van God met zekere goedbloedigheid alle water over Gods akker zal laten loopen, en alles sussend, alles blusschend, elken morgen en elken avond roepen zal: »_Vrede, vrede en geen gevaar_«?
Stellig niet.
Immers, het merkteeken van deze »vreedzamen« is, dat ze kinderen Gods zullen genaamd worden, en is het dan de Heere zelf niet, die gezegd heeft: »Ik zal vijandschap zetten«, en die in den Zoon roept: »Ik ben niet om vrede te brengen in de wereld gekomen, maar het zwaard«?
Dus dat _kan_ niet gemeend zijn. Beginsel te missen en overtuiging prijs te geven is karakterloos, en een kind Gods is niet iemand zonder karakter, maar met een karakter, dat diep ingegraven is en nochtans blinkt in harmonie.
De ervaring leert dan ook, dat zulk een blusschen van elk vonkje niets baat. Het vuur smeult onder de asch toch voort. En, als het dan eindelijk uitslaat, is de vernielende kracht zooveel te sterker.
Bovendien, ge moogt, ge zult dien weg der goedbloedigen niet betreden, wanneer het gaat om de waarheid _Gods_ en niet om _uw_ waarheid. Ja, wee u, zoo ge de wacht bij het heiligdom dier waarheid Gods niet betrekt.
Neen, vreedzaam in zulk een zin te zijn, dat ge daar_door_ en daar_om_ »Gods kind« zult genaamd worden, heeft heel iets anders in.
Er staat letterlijk: Zalig zijn ze, _die vrede maken_; wat onze vertalers zeer terecht niet door _vredemakers_, maar door _vreedzamen_ vertaald hebben, omdat _vredemaker_ een veel te beperkt begrip is.
»Vredemaker« beduidt iemand, die, als twee ruzie of geschil hebben, een poging waagt om zulk een geschil bij te leggen.
En zeker, ook dat is goed en nuttig. Ook dat hoort er toe; want gevloekt zijn ze van den Heere Zebaôth, de duivelsche geesten, die er lust aan hebben om het vuur van twist aan te blazen en te heller te doen opvlammen. En waar ge twist bij _kunt_ leggen, is dit zeer zeker uw roeping.
Maar toch die vreedzame zin, dien de Heere zalig spreekt, is nog heel iets anders en iets veel diepers.
Bij de harp werkt snaar op snaar. En of al de zes snaren zuiver gestemd zijn en éen snaar klinkt valsch, dan is er toch aan die harp geen zuivere melodie te ontlokken.
En zoo ook is het onder ons kinderen der menschen. Een iegelijk van ons is schuldig aan den onvrede en de disharmonie, die krijschend door het leven der wereld gilt. Elkeen van ons draagt daartoe zijn eigen ontstemdheid, zijn eigen valschen toon bij. Het is de zonde, het _ik_ willen zijn van ons eigen hart, onze baatzucht, eerzucht, geprikkeldheid, die, ineenvloeiend met de baatzucht en geprikkeldheid van den ander, als met een stemme veler wateren dit wangeluid van onvrede en disharmonie doet aanzwellen tot een machtigen stroom.
En dat blijft nu zoo, tot de Heilige Geest uw hart omzet, uw wil ombuigt, uw zinnen omstemt, en er, dank zij de vrucht van die hemelsche gave, een zin in u komt, gelijk de zin des Heeren uws Gods is, om _voor zooveel u aangaat_, dien schriklijken wanklank met al Gods heiligen in te zingen in hemelsche harmonie.
Vreedzaam is hij, die zich in zijn nieren niet prikkelen laat. Vreedzaam is hij, die zijn driften in toom houdt. Vreedzaam is hij, die zich speent aan booze, giftige woorden. Vreedzaam zijt ge, als ge liever schade en ongelijk lijdt, dan een reeds zoo machtig aangezwollen stroom van bitterheid en twist nog te verhoogen. Vreedzaam is, wie niet achterklapt; den laster niet tot geleiddraad dient; het boos gerucht begraaft insteê van opwekt; den een niet vleit en den ander niet prikkelt.
De vreedzame heeft pijn van den onvrede om zich heen, en is er daarom op uit, om den twist neer te leggen, wat onverzoend is te verzoenen, en, met dooding van al den boozen prikkel, dien het kleine ikje zoo scherp in de ziel van den broeder kan drijven, balsem te gieten in de wonde, die schrijnt, en den storm der hartstochten, waar die opstak.
Welnu, wie dat _kan_, door _genade_ kan, die is zalig; want in deze dingen te leven is zielsgenieting.
Zoo werkt de Heilige Geest, die God zelf is. En daarom zal, wie alzoo met den Heiligen Geest medewerkt, _Gods kind_ genaamd worden; want in Hem zijn de eeuwige harmonieën, en nooit een enkele harmonie zal van de harp van uw hart de wereld inklinken en Gods heiligen verrukken, of ge _ontvingt_ ze van uw God.
VIJFDE ZONDAG.
»ONTHOUD HET GOED AAN ZIJN MEESTER NIET!«
Onthoud het goed van zijne meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen.
Spr. 3:27.
De practijk onzer vaderen was streng; streng bovenal op het punt van _eerlijkheid_. Een Hollandsch koopman stond in alle landen en op alle markten als de belichaamde soliditeit bekend. En wat nering dreef of zaken deed in onze aloude republiek, zon letterlijk, soms tot in het kleingeestige toe, op stipte, strenge nauwgezetheid in levering van waar en betaling van schulden.
Dat lag niet aan hen, alsof zij betere of andere menschen waren dan wij; maar aan het Woord Gods, dat onder hen gepredikt was; aan de macht van Gods ordinantiën, die onder hen was doorgedrongen; en aan het geloof, dat wie op God ook in zijn handel zag, door dien God van hemel en aarde ook in zijn handel zou worden gezegend.
Er staat in de Spreuken: »Vereer den Heere van uw goed en van de eerstelingen aller uwer inkomsten, _en dan zullen uwe schuren vol zijn van goed_.« Toepassing dus van het sterven om te leven ook op uw bezitting. Wie houdt wat hij heeft, verarmt, en wie geeft van zijn bezit, dien maakt God rijk.
En dat woord nu is aan onze vaderen waar gemaakt. Tengevolge van de krachtige prediking van de Wet des Heeren was een diep besef van de zonde der oneerlijkheid hun ingeprent. Uit dat besef ontkiemde een stipt eerlijke handelsusantie. Die handelsusantie drukte haar stempel van eerlijkheid op alle bedrijf en nering. En als soms uitzicht op oneerlijke winste verlokte, ontried de hebzucht zelfs, om naar dat lokaas de hand uit te steken. Immers ze stonden in de vaste overtuiging, dat stipte eerlijkheid hun op den langen duur nog machtiger crediet en daardoor nog milder winst in den schoot zou werpen. Hun stelregel was: _Eerlijk duurt het langst_.
Wel waren er ook in die dagen uitzonderingen, en wierd vooral in den hoogen groothandel soms schandelijk gespeeld; maar de manieren van het volk leden daar niet onder. De volksgewoonte bleef solide en prompt.
* * * * *
Thans, helaas, is dit anders geworden. De kracht van het Woord is er bij ons volk geheel uit. Men drijft op den zacht kabbelenden stroom der _beschaving_. En de uitkomst is, dat men van allen kant tegen bedrog, fopperij en oplichting op zijn hoede moet zijn; dat er bijna geen waar meer te vertrouwen is; dat in allen tak van handel leelijke praktijken gewoonte zijn geworden; dat men op crediet instede van op kapitaal teert; en dat schulden en faillieten een ornament des levens schijnen.
Daardoor is de volks_zede_ achteruitgegaan; de volks_usantie_ onder het vroeger zedelijk peil gedaald; de volks_gewoonte_ slap en mat geworden; en kan er, o, zooveel door, dat er niet door kan bij God, noch bij den man, die voor God bij zijn conscientie leeft.
En zeg nu niet: »Zoo is het in de wereld, maar onder Gods kinderen niet«; want dit zeggen rust op een hoogst bedenkelijke dwaling; op de dwaling namelijk, alsof een kind van God niet aangestoken zou worden door de kwade praktijken van zijn vakgenooten.
In elk vak van nering, waar ge in komt, bestaan usantiën; ge hebt te handelen en te rekenen met personen, die bij die veelszins kwade usantiën zijn opgegroeid; en als gij nu _tegen_ die usantie in wilt gaan, krijgt ge heel de markt tegen u, maakt ge uw handel moeilijk en lijdt ge natuurlijk schade.
In dien strijd bezwijken dan de meesten; en dan hebben ze _tweeërlei geweten_, het eene voor het _particuliere_ leven en dan nog een _handelsgeweten_ er bij. En overmits ook de orthodoxe prediking in onzen tijd veel te eenzijdig in de mysteriën des geloofs blijft hangen, en van een degelijke, diep ingaande, ontdekkende prediking van Gods Wet, in haar toepassing op het leven, veelszins vervreemd is, bezwijkt dan ten leste de beste, en doet, zij het ook op eenigen afstand, met die onzuivere praktijken meê.
Dit nu is een kwaad. Een ongerechtigheid, die bestreden moet. En waar Gods Woord de uitspraak tegen stelt, _dat ge het goed niet aan zijn meester moogt onthouden_!
* * * * *
Het sterkst tast dit zeggen het niet betalen van schuld aan.
Schuld is geld, waarover niet _gij_ heer zijt, maar waarover _een ander_ meester is. Het is van _hem_, niet van _u_. En op u rust van Godswege de verplichting, om dat geld zoo spoedig mogelijk bij zijn meester thuis te brengen.
Evenals ge een kind van een ander, dat verdwaald was, niet bij u zoudt houden, maar ijlings naar zijn vader terugzenden, zoo ook moet ge met schuldgeld doen. Schuld is een verdoold kind, dat niet bij u hoort en in uw huis niet blijven mag, maar terug moet naar zijn eigen huis.