Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath
Part 3
En dat hebt ge ervaren. Als gij nu aan zijn Sabbath meêdoet, heeft God, die barmhartig is, u in zijn Sabbath ingeleid. Hij heeft u, die er niet aan wilde, het oog voor het schoon van zijn Sabbath geopend. Diezelfde Sabbath, die u van nature afstiet, is u door zijn genade bekoorlijk geworden. Ge kreegt er lust aan. Hij wierd u op het hart gebonden. En eindelijk kwam het er toe, dat ge, ja, waarlijk in het spoor van zijn Sabbath met uw hart en met uw leven en met heel uw huis ingingt.
Dat deedt niet gij, maar dat werkte God door zijn genade in u.
En het einde van den Sabbathdag was dan ook, niet dat gij voor uw God roemdet, maar dat ge in dankzegging voor zijn Sabbath neerknieldet, en roemdet in de genade van uw God.
* * * * *
Maar bij die dankzegging bleef het niet.
Immers zelfaanklacht en zelfbeschuldiging bleef ook bij den Sabbath u achtervolgen.
Wat toch hadt gij gedaan?
Uw God schonk u een dubbele genadegave. Vooreerst doordien Hij den Sabbath ook voor u inzette. En ten tweede, dat Hij den lust en den wil in uw hart schonk, om er naar te leven.
Maar omdat uw hart niet recht voor uw God stond, hebt gij in den Sabbath toch weer uw zonde gemengd; toch weer Gods gave bevlekt met uw twist; en de sneeuw, die blank uit zijn hemel was neergedaald, bemorst met de onreinheid van uw hart.
En dat deedt ge niet alleen in zoover ge toch zijn Sabbath _niet_ hieldt, of ook _vormelijk_ hieldt, zonder geestelijken inhoud, maar zelfs daardoor, dat, bij hetgeen ge deedt, om zijn Sabbath te houden, de overleggingen en bewegingen uws harten zich onzuiverlijk in u bewogen.
Op de _intentie_ van het hart komt het bij al Gods geboden aan.
En, o, hoe vaak komt het niet voor, dat ge dan, ja, den Sabbath hieldt; maar omdat anderen u waarnamen; omdat ge een voorbeeld voor anderen moest zijn; omdat ge prijssteldet op uw vromen naam; ja, zelfs met de bijgedachte, om door een vromen Sabbath veel onvrooms in uw leven goed te maken.
En is nu al zulke overlegging en heimelijke bedoeling niet gevloekt van den Heere der heirscharen?
Wil Hij niet, dat ge _Hem_, _Hem alleen_, uw Sabbath houden zult, en is niet al wat ook in uw Sabbath op iets anders dan Gods eere gericht is, eene zonde die u aanklaagt, wijl het _niet_ ontspruit uit het geloof?
Welnu, daarom zijn de beste Sabbathsvierders en die den Sabbath het nauwst en het teederst waarnemen, juist degenen, die de scherpste aanklacht over hun Sabbathsviering in hun conscientie ervaren, en den sterksten drang gevoelen, om als de Sabbath weer uit is, de verzoening van hun God over het verzondigen van hun Sabbath in te roepen.
* * * * *
Maar zij ervaren het dan ook, dat hun God, die hun den Sabbath en hun lust in zijn Sabbath schonk, ook die zonde van hun Sabbath hun _gaarne vergeeft_.
En zoo drinken ze dan telkens en telkens weer het zoet der verzoening ook van hun zonde in zake den Sabbath in, en juist door die verzoening brengt de Heere er hen toe, dat ze Hem ook in zijn Sabbath gaan vreezen.
Zoo werkt Hij wonderbaar.
Eerst geeft Hij ons den Sabbath als een uitwendig gebod, dat onze natuur er tegen ingaat. Dan brengt hij ons den Sabbath toe als een spiegel om onze ellende te kennen. Ontwaakt er iets van die kennisse in ons, dan wordt zijn Sabbath ons een tuchtmeester tot Christus. En komt het eenmaal zoover, dat we ook voor dit gebod gevallen, en over dit gebod in Christus ons verzoend weten, dan brengt Hij ons dienzelfden Sabbath nogmaals toe, nu in het Genadeverbond, als een regel des levens, waarin Hijzelf ons doet wandelen.
Dan is van Hem onze Sabbath en van Hem de lust, die in onze ziele voor den Sabbath opwaakt. En dan leven we in dezen zijn Sabbath in, maar zeer gebrekkig; onze schuld mengende in zijn kostelijke gave; en als weer de Sabbath om is, dan dankt Gods kind voor wat hij ontving, en bidt om vergeving voor wat hij aan zonde uit zijn eigen hart in den Sabbath mengde.
Zoo wordt hij teeder voor zijn God.
Tot de Heere ook die gestadige belijdenis van ingemengde zonde gebruikt als middel, om hem nog dieper in zijn Sabbath in te leiden.
En zoo gaat het voort en voort. _Hij_ altoos de genadige God, die ook voor den Sabbath genade op genade stapelt, en ons zijn kostelijke gave toebrengt en in het hart indraagt; en _Gods kind_ de schuldenaar, die met zijn eigen natuur het al verderft, maar door zijn God verzoend wordt, door zijn God sierlijk bewerkt wordt, en dank zij die Goddelijke inwerking, steeds rijker en voller in het schoon en het zoet van Gods Sabbath geniet.
VII.
DE SABBATH VAN GOD VEREEUWIGD.
Er blijft dan eene ruste over voor het volk Gods.
Hebr. 4:9.
Toch kan uw Sabbath op aarde nog nimmer de volle ontplooiing van uw Sabbath voor het aangezichte uws Gods zijn.
De Sabbath op aarde is en blijft een _compromis_.
Er staan twee zekere en strijdige belangen tegenover elkander: eenerzijds roept, eischt en nijpt de wereld met haar leven _in den tijd_; en aan den anderen kant lokt, roept en trekt het Paradijs daarboven met zijn leven _in de eeuwigheid_.
Die beide liggen op den bodem van uw hart dooreengestrengeld. Ge zijt een menschenkind _in den tijd_ en een kind Gods _in het_ _eeuwige_. Vandaar die bange worsteling, die dooreenstrengeling van belangen, die mengeling van het aardsche en Goddelijke in uw wezen.
En nu is uw Sabbath op aarde een dam, dien God opwierp, opdat de stroom der wereld u niet vervolgen zou; het is een Jakobsladder, die God u voorzette, om op te klimmen naar boven; het is een inschuiven in den tijd van een dag, die aan het merk van den tijd ontkomen is, en het stempel van het eeuwige draagt.
Maar toch, daarmeê is aan het kermen van uw ziel nog geen volle bevrediging gegeven. Ge proeft daarmeê wel iets van den Sabbath en geniet er een voorsmaak van; maar toch, de ware, de eigenlijke Sabbath brengt het u nog niet.
Dan toch zou de Sabbath hermetisch van de wereld moeten zijn afgesloten. Ook zoudt ge, als de Sabbath inging, uw zondig hart aan de poorte moeten kunnen achterlaten. En ook, dan zou er na den Sabbath geen week in de wereld meer volgen moeten, maar het, _eens Sabbath, altoos Sabbath_ moeten zijn, om nimmermeer uit de tente van uw God te scheiden.
* * * * *
Daarom komt de Heilige Schrift dan ook tot u, en zegt u in naam des Heeren aan, dat er nog een heel andere, dat er ook een eeuwige Sabbath is, en dat, welke ruste ge ook op den Sabbath hierbeneden moogt smaken, er altoos nog een heel andere ruste overblijft voor het volk van God.
Dit is het, wat boven deze meditatie staat, dat God u den Sabbath niet alleen _schonk_ en dien _instelde_, _heiligde_ en _zegende_, en nog altoos _keurt_ en _verzoent_, maar dat Hij ook nog dit laatste doet, dat Hij u den Sabbath _vereeuwigt_.
De Sabbath is geen plagen, alsof God de Heere u telken zevenden dage even smaken liet, hoe goed en zoet het in zijn tente is; maar om dan weer ijlings voor al dit schoon en heerlijk een gordijn te laten vallen, opdat na het genoten licht de duisternisse te duisterder om u zou zijn.
Neen, in uw Sabbath ligt een _profetie_; de heerlijke profetie van een eeuwig leven, waarin dáarom geen breking van dagen en oogenblikken zal bestaan, omdat het al éen Sabbath, een Sabbath zonder storing, een Sabbath zonder einde, en bovenal een Sabbath zonder zonde zal zijn.
Zoo ziet ge, hoe het, van trap tot trap, uit het lage en ijdele dezer wereld naar boven gaat.
Eerst kwijnt ge op den bodem der zonde en zijt ge nog geheel in het leven der wereld bevangen. Van een eeuwigheid wilt ge niet hooren; uw tijd is uw.
Dan scheidt God, die genadig is, u van die in zonde kwijnende wereld af, en doet u hooger opgaan tot dat betere hoogland, waar slechts zij verkeeren, die met de wereld geen vrede meer hebben, en dorsten naar iets, dat bestendig is en beklijft.
Hieruit ontstaat die tweedeeling in uw leven, die u tusschen de polen van den tijd en de eeuwigheid inplaatst, en nu brengt God u zijn aardschen Sabbath, om u in dien Sabbath een spiegel en voorsmaak van een _nog hoogeren_ Sabbath reeds hier op aarde te doen bezitten.
Daarna voert Hij nóg hooger op, en doet u in dien Sabbath ingaan met een veranderd hart, om op dien Sabbath uw ziel op te heffen tot Hem, die in de hemelen is, en u op uw Sabbath te doen verkeeren in Gods tente.
Maar toch, ook zoo moet ge nog altoos weer in het leven der wereld terug; uw zondig hart nog met u meêsleepen; en gedurig weer de smart kennen van het gemis, als de Sabbath weer uit is en de drukte der wereld weer aan uw deur komt kloppen.
Tot eens uw einde daar is, en uw barmhartige Vader in de hemelen nu tweeërlei doet; _ten eerste_, dat Hij u losmaakt van de wereld en het lichaam der zonde, zoodat de wereld niets meer op u te pretendeeren heeft, en uw zondig hart niets giftigs meer in Gods kostelijke gave kan mengen; en _ten andere_, dat Hij u alsnu niet door opheffing uwer ziel in de gedachte, maar door optrekking van heel uw persoon in de werkelijkheid, overzet in dat land, waar geen klok ooit getikt heeft, en niets te beluisteren valt dan het zalig ruischen van den stroom der eeuwigheid.
* * * * *
En dan komt uw _eeuwige_ Sabbath. Nog altoos diezelfde Sabbath, dien ge soms op aarde genoot; maar nu uit den tijd losgewikkeld, en door Gods wondere ontferming voor u _vereeuwigd_.
Een Sabbath, niet daarin schitterend, dat ge in _dolce far niente_, d. i. in een zalig nietsdoen uzelven verliest.
Immers dat zou ook op aarde geen Sabbath geweest zijn.
Neen, maar een eeuwige Sabbath, die dit heeft, dat hij de _wereld_ volkomen buiten-, den _hemel_ geheel insluit, en nooit meer door een dag in den tijd, in die wereld en in de zonde zal worden afgebroken.
En in dien eeuwigen Sabbath zal het dan zijn, niet een _enkele maal_ in »de vergadering der geloovigen« verkeeren, maar _altoos_ met al Gods uitverkorenen saam zijn.
In dien eeuwigen Sabbath zal het wezen, niet een _even_ opgaan naar Gods tempel, maar _eeuwiglijk_ in dien tempel daarboven verwijlen, waar het Lam zelf de kaars en onze God onze Zon zal zijn.
In dien eeuwigen Sabbath zal het wezen, niet een verdeelen van uw Sabbathsruste tusschen uw ziel en uw gezin, maar eeuwiglijk in het groote Vaderhuis genieten met de volle harmonie uws harten.
Ja, in dien eeuwigen Sabbath zal het zijn, niet voor enkele oogenblikken uw hart opheffen tot den Heere uw God, en een enkel oogenblik in zalige meditatie tot zijn zielsinnige gemeenschap doordringen; maar voor _altoos_ en in de rijkste _volheid_ het zoet van Gods verborgen omgang en van zijn zalige nabijheid indrinken met al de zuigkracht van heel uw geestelijk bestaan.
* * * * *
En dat toeft, dat beidt nu wel; maar eens komt het voor Gods lieve uitverkorenen gewisselijk.
Er blijft een ruste over voor het volk van God.
We zullen in dat Kanaän ingaan.
Ja, meer nog.
Deze eeuwige Sabbath is niet slechts in den aardschen Sabbath geprofeteerd, maar wordt, zooals de Catechismus het zoo schoon en waar zegt, _reeds in dit leven aangevangen_.
Niet door iets, dat wij doen.
Niet door uw ruste van aardschen arbeid, of uw ingaan in geestelijken arbeid.
Neen, dien Sabbath reeds hier op aarde doen aanvangen, dat doet uw God en uw Vader voor u en in u.
En dien drinkt ge in en ervaart ge dan, als gij _viert_ van uw booze werken en het Volzalige en Eeuwige Wezen door den Heiligen Geest _werken laat in u_!
MEDITATIËN VOOR ELKEN SABBATH IN HET JAAR.
EERSTE ZONDAG.
GEDENK VAN HOEDANIGE EEUW IK BEN!
Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller menschen kinderen tevergeefs geschapen hebben?
Ps. 89:48.
God de Heere leeft in een twist met den nietigen mensch.
Dat hebben _wij_ gemaakt. Dat is door _onze_ zonde zoo gekomen. Dien twist hebben _wij_ in de onvermengde, storelooze zaligheid van het Eeuwige Wezen ingedragen. En nu _worstelt_ Hij met ons. »Bij den verkeerde, o mijn God! betoont Gij U een worstelaar!«
Nu is er in dat worstelen van den Heere onzen God met ons een onbeschrijflijk nederbuigende goedertierenheid.
Hij kon ons op staanden voet verdoen van voor zijn aangezicht, dat we geen hinder meer voor Hem waren en ophielden twist te werpen in zijn eeuwigen vrede. Zijn almacht ontzegt Hem daartoe het vermogen niet. Zijn majesteit zou er voldoening in vinden.
Maar omdat Hij een genadig God is, doet Hij dat niet. En nu gaat Hij met ons worstelen. Met ons worstelen in onze conscientie. Met ons worstelen in de overleggingen van ons binnenste. Wij willen ons ophouden en Hij wil dat we het voor Hem opgeven zullen. Hij rust niet en kan niet rusten, eer Hij zoo diep en zoo lang en zoo schriklijk met ons geworsteld heeft, tot we eindelijk niet meer kunnen, en het Hem gewonnen geven, en erkennen: »Heere God! Gij zijt rechtvaardig en ik deed nooit iets anders dan mijn weg voor U verderven.«
o, Dat kost wat, eer het daartoe komt, vooral voor vrome, burgerlijk brave menschen. Bij dronkaards, bij roekelooze lieden, als ze tot staan komen, gaat dat vanzelf. Maar als men levenslang vroom en onberispelijk voor der menschen oog heeft gewandeld, en door de menschen lief is gevonden, o, dan is dat bijna onmogelijk. Niet om het te _zeggen_, maar om het te _meenen_, en wezenlijk als een verworpeling voor zijn God te liggen.
* * * * *
Daarom heeft de Heere met zijn Jakobs en zijn Jobs en zijn Davids dan ook zooveel banger en ontzettender te worstelen.
Bij hen kon het niet bij zulk een worstelen in de conscientie blijven, want bij zulke karakters misleidt de vrome natuur.
En dan wordt het een hartaangrijpend worstelen in uw bestaan, in uw levenslot, in wat u lief is, en tot in uw bloed. En dan krijgt Satan, als bij Job, den vrijbrief, om niets te sparen, tot zelfs het eigen vleesch niet.
o, Dan stormt het zoo schriklijk om het hoofd en door het hart, en giert de huilende wervelwind in de snaren van ons fijnste innerlijk wezen.
Dan is alles benauwing en banden des doods om ons.
Dan zijn we tot voor de koperen deuren gedrongen.
o, God! wat krimpt uw arm menschenkind dan onder uw sterke hand weg!
* * * * *
Maar dan, onder dat bloeden en wegkrimpen van het hart, komt er in Gods kind iets op, dat, o, zoo eenvoudig schijnt, en toch zoo nameloos moeilijk te leeren valt; want dan overvalt ons het bang besef, dat die tegen ons worstelt _niet onzes gelijke is_.
De Heere _niet onzes gelijke_, het is zoo, we beleden dat ook vroeger wel, maar toch bleef het bij al ons tegen worstelen, alsof _onze_ persoon en _de Heere God_ wel aan elkaar gewaagd waren. Alsof we eigenlijk toch _wel_ tegen God opkonden. Alsof een mensch, als hij maar wilde, _wel_ tegen God bestand was. Ja, alsof hij het van God den Heere ten slotte nog wel _winnen_ kon.
Altoos die diep satanische trek van onze zonde: Gij zult als God, d. i. _aan God gelijk_ wezen.
Het demonische: _Eritis secutis Deus_[1]. De gruwelijke hoovaardij van ons boosaardig hart.
[1] Gij zult als God wezen.
En dat nu gaat er dan in die worsteling door genade uit en ten leste belijden we dan onze schrikkelijke minderheid, en komt onze ziele er voor uit: »o, God! Gij zijt een almachtig God! Waarom worstelt Gij ten bloede met mij, nietigen mensch?«
Zoo riep Job het in zijn berooving en zijn rouwe en zijn smarte uit: »o, God! wat is de mensch, dat Gij met hem worstelt en op hem aanlegt?« en zoo klaagde David: »Heere! gedenk mijner _van hoedanige eeuw ik ben_!«
En de Heere, die barmhartig en zeer ontfermende is, liet het, opdat we in deze verbrijzeling niet bezwijken zouden, ons door zijn Heiligen Geest betuigen, dat »Hij weet, wat maaksel we zijn, _gedachtig zijnde dat wij stof zijn_« (Ps. 103:14). Hij had het vanouds reeds betuigd: »Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, _dewijl hij ook vleesch is_.« Van Israel staat geschreven: »Hij dacht er aan, _dat zij vleesch waren_, een wind, die henengaat en niet wederkeert« (Ps. 78:39). En bij Jesaja schonk Hij zijn kinderen het woord van zalige vertroosting: »Ik zal niet eeuwiglijk twisten, en Ik zal niet altoosdurend verbolgen zijn, _want uw geest zou voor mijn aangezicht overstelpt worden_, en de zielen, die Ik gemaakt heb!« (57:16.)
* * * * *
En dan heeft God de Heere ons op het punt, waar Hij ons hebben wil, want dan is in den angst van de worsteling de gevloekte hoovaardij van het »Gode gelijk te wezen« overwonnen.
Dan willen we _de minste_ voor God zijn. Dan houdt op de verheffing van den hoogen mensch, en krijgen we lust aan kleinheid en geringheid en nietigheid.
Zoolang de booze heldenmoed van den duivel nog in ons blies, was het: »Wees sterk en houd het tegen Hem uit!«; maar nu is het: hoe kleiner hoe liever. »Zie, Heere! dat ik stof en assche ben.« Of misschien onze nietigheid en geringheid den Almachtige tot aflaten van zijn worsteling mocht bewegen!
Eerst was het: Ja, hoe sterker, hoe beter, om tegen God op te kunnen. Door _zijn_ worstelen tot _tegen_worstelen geprikkeld. Maar nu wierd het een pleiten op de grootmoedigheid en op het erbarmen des Almachtigen: »Heere! waarom worstelt Gij met zulk een nieteling? Zie mijn kleinheid aan en heb ontferming!
»Een held worstelt niet met een hulpeloos kind! Gij, sterke Held! laat af te worstelen met wat stof en assche is.
»Gedenk van hoedanige eeuw ik ben! Gij, eeuwige Worstelaar! wat ben ik, verdwijnend en verkwijnend wezen, om met U te worstelen?
»Ik kan niet meer. Als Gij slaat, zal ik mij weerloos laten slaan door uw sterke hand.
»o, God! het is uwe eere als God om U te erbarmen.
»Ik ben een worm voor U en geen man!«
* * * * *
En neen, dan is er geen morren in dien toon. Dan is het geen vermetel verwijt, alsof de Heere zich vergreep aan een ellendige en vergeten had een weerlooze genadig te zijn; maar een zich vastklemmen van het gebroken hart, dat niet meer kan, _aan Gods eeuwige deugden_.
Weg, weg zou ik zijn als in den Heere mijn God die eeuwige deugden niet waren. Als Hij _niet_ groot van moed en _niet_ groot van ontferming was.
Maar dat _is_ Hij. Ja, waarlijk, de Heere is grootmoedig en zeer barmhartig.
En die deugden grijpt het geloof aan. En daar pleit de worstelaar in zijn smeekingen op.
Zoolang hij het tegen God uit wilde houden, was hij volkomen machteloos tegenover den Heere. Een weerloos lam, dat waande het tegen den sterken Leeuw te zullen volhouden.
Maar nu slaat dat om. Nu het verbrijzeld kind niet meer tegenworstelt; en geen hand meer opheft; en geheel lijdelijk zich laat kastijden; en nu eeniglijk op de deugden van Gods grootmoedigheid en lankmoedigheid gaat pleiten, _nu is hij opeens sterk_ tegenover dienzelfden sterken God geworden.
Het smeeken om genade ontwapent den sterksten held.
Daar kan ook God niet tegen in.
Een worstelaar tegen den verkeerde, is Hij, de Ontfermer over stof en assche en over den worm, die in het stof wegkrimpt.
En diezelfde Majesteit, die in den bangen avond nog toornde in verbolgenheid, blinkt in goddelijk mededoogen bij het aanbreken van den morgenstond.
Doordien we vleesch zijn en bekenden vleesch te zijn, gedacht Hij, wat maaksel we zijn, en heeft zijn vertroostend aangezicht ons verkwikt.
TWEEDE ZONDAG.
»EEN STOFJE AAN DE WEEGSCHAAL.«
Ziet, de volken zijn geacht als een druppel aan den emmer en als een stofje aan de weegschaal; ziet, Hij werpt de eilanden henen als dun stof.
Jes. 40:15.
Bij een apotheker vindt ge een weegschaal onder een stolp om gif, en bij een juwelier een weegschaal onder glas om diamantgruis te wegen. Bij gif en goud luistert het ontzettend nauw. Wat roest aan het mes van de balans, zou het juiste wicht vervalschen.
Maar als Jesaja, de profeet des Heeren, van een stofje aan de weegschaal spreekt, dan denkt hij aan zoo haarfijne balans in de verte niet. Reeds om de afdoende reden, dat zulke weegschalen toen nog ganschelijk onbekend waren; maar ook om wat er van _den emmer_ bij staat.
Een stofje aan de weegschaal, is het eene beeld; het andere, daarmeê evenwijdig loopend, het beeld van »den droppel aan den emmer«.
Van een kunstweegwerktuig is dus geen sprake. Dan ware niet de druppel _aan den emmer_, maar de spet aan de kristallijnen bokaal er naast gesteld.
Nu daarentegen verplaatst _de emmer_ u in het _gewone_ leven, en is ook de weegschaal in _ordinairen_ zin, zooals de winkelier die bezigt, in het oog te vatten.
En wat is nu op zulk een grovere weegschaal _een enkel stofje_? Wie vergt, dat de winkelier eerst elk stofje van schaal en koord afvege, eer hij het gewicht in de schaal zet? Zulk een stofje is _niets_ en _minder_ dan niets, en nog onder het toewegen laat zich ongemerkt stofje na stofje op waar en gewicht, op koord en schaal, op balans en evenaar neder.
En zie, in dat beeld komt nu de Majesteit des Heeren HEEREN u uw volstrekte _nietigheid_ aanzeggen.
Eerst waart ge met een bloem vergeleken, die verwelkt, en met het gras, dat verdort. Toen wierd tegenover dat verdorrend gras de majesteit en hoogheid geteekend van Hem, die al de wateren in zijn vuist meet, van de hemelen met de spanne zijner vingeren de maat nam, die al de bergen der aarde in zijn weegschaal, ja, al het onmetelijk stof der aarde in zijn drieling had gewogen. En daartegenover komt gij nu staan, niet eens meer als een bloem, die verwelkt, en op verre na geen gras meer, dat verdort; neen, maar als een enkel stofje aan de weegschaal, en als een drop aan den boordevollen emmer.
Ja, meer nog, sterker nog.
De profeet zegt niet, dat _éen menschenkind_ bij God als een stofje aan de weegschaal is, maar dat _heel een volk_ bij Hem als zulk een stofje geacht is. Ja, dat de machtige eilanden der zee, met al hun volk, als »dun stof« zijn uitgestrooid op de wateren.
* * * * *
Heel uw volk bij God éen stofje aan de weegschaal, en gij in dat volk nog geen millioenste deeltje van dat éene stofje bij God. Als een stofdeeltje, dat niet alleen niet meê_weegt_, maar ook niet meê_telt_. Want de druppel hangt aan den emmer, om er straks af te leken en het stofje vliegt op de weegschaal, om er straks te worden afgeblazen.
Het _is_ niets, het _weegt_ niets, het _telt_ voor niets.
En dat minder dan niets, dat zijt gij, o kind des menschen, voor uw God!
En waarom moet dat onbeduidende, dat nietsbeteekenende, dat verdwijnende van uw persoon voor uw God nu zoo aangrijpend scherp geteekend?
Och, waarom anders, dan omdat elk mensch in inbeelding des harten omwandelt, als ware hij de zon, en dat de maan en de sterren zich voor hem neerbogen, ja, als bestond zelfs God de Heere enkel om hem; om hem in den nood te hulpe te komen, en een hemel te verzekeren na zijn dood.
De oude droom van Jozef; maar nu niet in wondere profetie, neen, maar uit de booze hoovaardij des harten. _Ik_, _ik_ en altoos _ik_. Die Dagon van het _ik_ in ons eigen binnenste. Onze Diana der Efeziërs, waarvoor heel de wereld haar wierook heeft te branden. En dus beter temoê, naarmate er meer lof en eere voor ons opstijgt.
Dit nu is _de leugen_. De Vader der leugen heeft het ons ingefluisterd. Zoo is de Majesteit des Heeren voor ons verkleind en ver naar den horizont van ons leven weggedrongen; maar hoog en breed is de majesteit van ons eigen ik opgericht. Zooals Asaf het in Psalm 73 teekent: »De hoovaardij omringt den mensch als een keten, zijn tong wandelt op de aarde, en hij gaat de inbeeldingen des harten te boven.«
Hoor het in onze eeuw maar, hoe _de mensch_ al meer het éen en alles wordt. »Ik geloof in den mensch« allengs het _credo_ van ons geslacht begint te worden. Ja, zóo hoog de glans van het _menschelijke_ gaat blinken, dat de luister van het _Goddelijke_ er bij taant.
Dit nu is niet een omgehangen gewaad; maar het is een kwaad, dat uit uw eigen hart opklimt.