Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

Part 2

Chapter 24,139 wordsPublic domain

Ge leeft nog niet in den hemel, maar in de wereld. Allerlei overlegging en bezigheid is u daar opgelegd. Ge moogt u daaraan niet onttrekken. Het is uw »Goddelijk« beroep. Maar ging dat bezig zijn in de wereld nu altoos door, dan zou die wereld u allengs assimileeren. De gedachte aan God zou bij u wegsterven. Uw beroep zelf zou ophouden »Goddelijk« voor uw besef te zijn. Alle _middellijke_ dienst van God put zichzelven uit.

Zooals ge uw kracht uit zoudt putten, zoo ge dag en nacht woudt doorwerken, en daarom telkens _slapen_ moet om uw kracht te vernieuwen, zoo ook moet ge, om in dien _middellijken_ dienst van God niet te bezwijken, geregeld _rust nemen_, en in die rust komen tot _onmiddellijken_ dienst van uw God.

God _middellijk_ te dienen is veel zwaarder. Want dat is een gestadig worstelen tegen de wereld in, om onder en in haar bezigheid toch uw God niet los te laten. Maar bij den onmiddellijken dienst van uw God houdt die worsteling op, laat af, en gunt u tijd en gelegenheid, om u ongestoord aan uw God te wijden.

En dat is het nu, dat God den zevenden dag _geheiligd_ heeft. Zooals Hij in zekeren zin den nacht heeft _geheiligd_ voor de rust van den slaap, zoo heeft Hij in veel hoogeren zin den Sabbath geheiligd voor de _rust uwer ziel_.

* * * * *

De _ruste_ hoort dus wel terdege bij uw Sabbath. Ze maakt er het uiterlijk kenmerk van uit. Ze is er niet af te scheiden.

De Sabbath moet telken weke een breking in uw leven brengen. Altoos dienst van God, heel de week door. Maar die zes dagen van den arbeid kunt ge dien dienst slechts _middellijk_ verrichten, en daarom komt dan de Sabbathdag, die uw heelen dag voor den _onmiddellijken_ dienst van uw God vrijlaat.

De _tijd_ is een vreeselijke tiran. Hij jaagt en zweept voort en is als een drijver, die niet ophoudt. Maar zoo is de eeuwigheid niet. In dat eeuwige leven, waarin uw eigenlijk leven is, heerscht rust en kalmte en stille duur.

En daarom breekt God nu door dien Sabbath die vernielende macht van den tijd, en neemt een zevende deel van uw tijd eruit, om met dat zevende deel tegen den tijd en voor de eeuwigheid te worstelen.

Dit lag reeds in de Schepping.

In zes dagen schiep God den hemel en de aarde, en op den zevenden dag rustte Hij met een Sabbath, die nog altoos doorgaat. En omdat Hij u naar zijn beeld schiep, heeft Hij ook in u als mensch dien trek, die behoefte, dien drang gelegd, om na zes dagen van arbeid een heilige _pauze_ te laten intreden, een Goddelijk _Selah_. Dan houdt de drijver op. Dat jagen en voortzweepen neemt een einde. En er komt over zijn menschenkinderen _rust_.

* * * * *

Ge gaat dus tegen die heiliging van den Sabbath in, zoo ge die breking van de dagen niet in acht neemt.

Veeleer moet er uw toeleg op uitgaan om heel dien Sabbathdag anders te maken dan andere dagen.

Zoo is het goed, dat ge u anders kleedt, en op uw Sabbath uw Zondagskleed aantrekt. Het is goed, dat heel uw huis een ander karakter toont. Zoo ge kunt, dat ge uit uw huiskamer naar de sierlijke kamer verhuist. Kortom, dat ook in het uitwendige het sterke onderscheid tusschen den Sabbath en de overige dagen in het oog springe.

Er ligt leering en onderwijzing ook in die uitwendige symboliek.

Maar de hoofdzaak is en blijft toch, dat ge van den _middellijken_ dienst van God tot zijn _onmiddellijken_ dienst voortschrijdt.

Uw anders »Goddelijk« beroep is op den Sabbath »ongoddelijk«.

De wereld moet op den Sabbath uit uw overlegging en uit uw bezigheid weg. Aan haar zuiging moet ge onttrokken. Aan haar macht moet ge dien dag de gehoorzaamheid opzeggen. Op den Sabbath heeft de wereld geen enkelen eisch op u. Het is de dag des Heeren in dien zin, dat ge op dien dag uw God niet in de wereld, maar in afzondering van die wereld te dienen hebt.

Kleingeestigheid en formalisme heeft hierbij niets te zeggen. Dat is Farizeïsme, alsof het God te doen zou zijn om te zien, wie het nu 't verst bracht in de uitrekening van wat op aarde wel ongedaan kan blijven.

Tegen dat Farizeïsme waakt God reeds in zijn schepping. Want de koe moet op Zondag toch gemolken. Als het koud is, wordt er toch vuur ontstoken. Uw maag prikkelt u op den Sabbath evengoed als de andere dagen. De ziekte wordt op Sabbath niet gestuit. De donkerheid valt 's Zondags evengoed als 's Maandags in, en roept om licht.

Daar zit het ook niet in.

Neen, het hangt aan uw zin en neiging.

Wat is uw zin en neiging? Om, blij temoê, dat ge u tot Gods _onmiddellijken_ dienst moogt keeren, te laten wat maar eenigszins laatbaar is? of wel om nog allerlei op Sabbath te doen, wat ge uitrekent, dat er nog wel door kan?

Wiens dit laatste streven is, die _ontheiligt_ Gods Sabbath, ook al doet hij bijna niets. En in wien die eerste zin is, die heiligt Gods Sabbath, ook al drijft de nood hem tot allerlei bezigheid.

En dat mag niet verzwakt.

De Sabbath moet een dag _der ruste_, der ruste van de wereld zijn, om nu met heel uw ziel, en al uw verstand, en al uw kracht tot den rechtstreekschen dienst van uw God te komen.

Maar ook in _die ruste_ zelve moet uw hart en uw ziel spreken.

Ge moet _willen_ rusten, niet omdat uw moêheid u naar rust doet verlangen, maar omdat God zijn Sabbath _geheiligd_ heeft.

IV.

DE SABBATH DOOR GOD GEZEGEND.

En God heeft den zevenden dag gezegend.

Gen. 2:3.

Als er staat, dat God den zevenden dag _gezegend_ heeft, moet ge weten, waarin die zegen bestaat.

Die zegen kan natuurlijk niet daarin liggen, dat op de overige dagen van de week alle zegen des Heeren ons ontzegd zou zijn. Elken morgen en elken avond roepen we Hem aan om zegen op onze bete broods en om zegen op onzen arbeid, en het geloof leeft in de blijde zekerheid, dat de Heere onze God ons dezen zegen niet onthoudt.

En omgekeerd derft de Sabbath een zegen, die op de overige dagen ons deel kan zijn; want wie op den Sabbath handel drijft of zaken doet, beseft uitnemend wel in zijn conscientie, dat juist om den Sabbath _geen_ zegen op zulk een nering te wachten is.

Geld op den Sabbath gewonnen, is zóo geronnen, en gedijt nooit.

De Sabbathszegen moet dus een geheel ander karakter dragen en met den aard van den Sabbath saamhangen.

Wat is een _zegen_?

_Zegen_ staat tegenover _vloek_, en dat God den Sabbath zegende, beduidt dus allereerst, dat God de Heere den vloek, dien Hij voor de overige dagen onzes levens op dit aardrijk heeft gelegd, op den Sabbath stuit en vervangt door zegen.

En ook al is nu die vloek, die op het aardrijk rust, door genade getemperd, en al zijn wij er door de heugenis van het voorgeslacht en door ons eigen leven aan gewend geraakt, toch _is_ die vloek er en drukt.

Hoe nader men bij God leeft, hoe sterker men dan ook dien druk, die op het aardsche leven rust, gevoelt. De profeten en apostelen hebben steeds onder den indruk van dien druk geschreven en gesproken. En als Paulus betuigt, dat heel de schepping zucht en als in barensnood is tot nu toe, toont _hij_ zeer sterk te beseffen, wat de man der wereld nauwlijks gewaar wordt.

Dien vloek, dien druk nu ervaart Gods kind niet het meest daarin, dat het hem tegenloopt of dat hij smaadheid lijdt; integendeel, dàt kan hem goed doen; maar wat hem drukt, is, dat dit aardsche leven van God afleidt, en dat er iets tusschen hem en Gods zaligen hemel is ingeschoven.

* * * * *

Welnu, in dien zin dan verstaat Gods kind het, dat God de Heere den Sabbathdag heeft gezegend, d. w. z. dat God de Heere dezen dag der ruste tusschen de tweemaal drie heeft ingeschoven, om op dien éenen dag dien druk, die benauwdheid, dat bange van hem te weren; om de gordijn weg te schuiven, die hem in het leven der wereld en des daags gedurig van zijn God scheidt.

Zooals de overige dagen, zoo hij niet waakt en bidt en strijdt, hem onverbiddelijk van zijn God aftrekken, zoo leidt deze heerlijke Sabbath, tenzij hij opzettelijk tegenworstele, hem naar zijn God op. _Dit_ is dus de zegen van den Sabbath, dat de pelgrim naar betere gewesten op de overige dagen met zijn geloof _tegen den stroom oproeit_, maar op den Sabbathdag _den stroom meê heeft_.

De dagen der week staan aan Gods Koninkrijk, maar de Sabbath aan de zaken der wereld in den weg. En omgekeerd, de dagen der week schikken zich voor het bedrijf der wereld, maar de Sabbath schikt zich voor een leven in de voorhoven onzes Gods.

Men kan die voorhoven daarom ook wel in de dagen der week betreden, en ook op den Sabbath drijft de wereld haar zaken wel; maar toch altoos met dit onderscheid, dat op de dagen der week de wereld, en op den Sabbath de dienstknecht des Heeren in zijn element is.

* * * * *

Toch ligt er nog meer in.

Immers als God zegent, wil dat zeggen, dat er een woord zijner kracht ten goede uit zijn mond uitgaat, en dat de kracht van dat woord haar doel bereikt en ten goede werkt.

Door eens en voor altijd zegen tot zijn Sabbath te spreken, heeft God de Heere dus een heilige kracht te werk gesteld, die zeer bizonderlijk op den Sabbath heilbrengend naar zijn kinderen uitgaat.

Zoo biedt u deze _zegen_ van den Sabbath een heerlijke belofte, een Goddelijk crediet, waarop ge staat kunt maken. En deze belofte houdt in, dat er op al wat ge des Zondags doet om te wassen in godzaligheid of het rijk des Heeren te bevorderen, een gedijen door u mag worden ingewacht, nog sterker dan op andere dagen.

Niet alsof dit in den dag kleefde, of aan dezen dag hing; maar omdat God vrijmachtig is, om deze bizondere werking van zijn zegen ook aan zekeren tijd te verbinden.

En zoo leert ook de ervaring ons, hoe de diepte en de ernst van het gebed, hoe de innigheid der heilige meditatie, hoe de rijkdom van den dienst des Woords en der Sacramenten, hoe zelfs het werk der barmhartigheid en der milddadigheid aan den Sabbath een rijken geur ontleent.

Op den Sabbathdag wordt het meeste zaad voor het Koninkrijk des Heeren uitgestrooid. Op den Sabbath wordt deze akker het mildst begoten. Op den Sabbath kiemt het gestrooide zaad het weligst uit.

De zegen Gods, dien Hij aan zijn Sabbath schenkt, is dus geen uitwendige zegen voor het goed der wereld, maar een inwendige zegen voor het goed des hemels.

Op den akker des Koninkrijks druppelen de wolken ook in de week wel, maar op den Sabbath komt de plasregen.

* * * * *

Zoekt ge dien zegen?

Zoekt ge dien elken Sabbath? En merkt ge bij het klimmen uwer jaren, dat die Sabbathszegen steeds milder uw deel wordt?

Want dit voelt ge toch, _ruste_ op zichzelf maakt den Sabbath nog niet, tenzij met het schuiven van het gordijn voor het tooneel der wereld tegelijk het gordijn, dat voor Gods Koninkrijk hing, worde weggeschoven.

Ruste naar den kant der wereld, maar juist in en door die ruste te voller en te rijker ritselen van het leven in het Koninkrijk Gods.

Geen _ledig_, waar de wereld uit is; maar een _ruste_, waar de hemelen in nederdalen.

Stilstand van winste voor uw schatkist op aarde; maar winste volop voor uw schat, die in de hemelen is.

En nu gaat dit wel niet even werktuigelijk als bij den arbeid der wereld, dat ge aan oud en jong, aan man en vrouw, van uur tot uur hun taak kunt voorschrijven. Integendeel, het werktuigelijke doodt den geest en zou ook den gloed van uw Sabbath dempen.

Maar al kunt ge voor uw Sabbath niet van uur tot uur een lijst van uw taak opmaken, ge weet daarom toch zeer wel, waar ge op den Sabbath met uw hart, met uw ziel, met uw zinnen en uw overleggingen zijt.

Ge weet zeer goed, waar de twaalf uren van dien dag aan weggaan, en wat, als de Sabbath ten einde spoedt, het besef van uw winste is.

Want dan zult ge den eenen Sabbath uitkomen met het rijk gevoel, dat ge als _met versche olie overgoten zijt_, maar ook den anderen Sabbath uitsluipen met de aanklacht in uw conscientie, dat ge dien heerlijken dag verkwist en verspeeld hebt.

* * * * *

Hoeveel nu uw geest op den Sabbath reeds _dragen kan_, moet ge zelf beoordeelen.

Er zijn er onder Gods kinderen, dien het genot bracht, dat ze den ganschen Sabbathdag eenzaam en met hun God gemeenzaam waren. Maar zoover zijn de meesten niet. Voor de meesten ware dit te veel. Die gloed ware voor hun oog te sterk. Daar zouden zij zich star op turen, en in het eind willoos staan zonder iets meer te zien.

Ook in de dagen der week kan niet een ieder evenveel arbeids in de wereld dragen. Voor een ieder geldt zijn eigen maat. En ook de Heere weet, hoever onze geestelijke draagkracht voor den Sabbath reeds gekomen is.

Ge moogt daarom ook nooit uw maat aan uw kind opleggen. Gij moet meer dragen dan uw lieveling, en ge zoudt het geestelijk leven van uw kind neerdrukken, zoo ge op den Sabbath van uw kind vergdet, wat ge vergen moogt en moet van uzelf.

Maat zij er dus; maar uw volle maat worde dan ook uitgeleverd, en daarbij de regel in acht genomen, dat die maat dijen moet bij het klimmen uwer jaren.

Er moet op den Sabbath gezocht naar de gemeenschap der heiligen en den zegen des Woords en der Sacramenten. Er moet op den Sabbath welgedaan en nood gelenigd en in smart getroost. Er moet op den Sabbath op de knieën geleefd. Er moet op den Sabbath rekening met uw ziel gehouden. Er moet op den Sabbath nagedacht over uw verleden en over uw toekomst, over uw eeuwige toekomst bovenal. En onder dat alles moet op den Sabbath van binnen gestreden en overwonnen, tot Satan terugwijke, en de tente van 's Heeren verborgenheid zich voor uw ziel kan openen.

En in die tente moet ge op den Sabbath ingaan.

V.

DE SABBATH DOOR GOD GEKEURD.

_Mijne_ Sabbathen.

Ezech. 20:12.

Ook over uw viering van den Sabbath gaat een oordeel. Juist omdat hij niet door u uitgedacht, maar door God ingesteld, geheiligd en gezegend is, staat ge tegenover dien Sabbath van uw God in een verplichting. En zoo ontstaat de vraag, _wie uw Sabbath keurt_.

En dan leert de ervaring, dat er voor den vrome een bizondere verleiding in ligt, om zich tot keurder van den Sabbath bij zijn broeder op te werpen.

Over niets veroorloven de broeders zich zoo licht een opmerking, een oordeel en zelfs een vonnis, als over de wijze waarop een ander den Sabbath houdt.

Onverklaarbaar is dit niet.

Immers de Sabbathsviering is een sterk onderscheidend merkteeken, waardoor Gods volk van de wereld is afgescheiden. Het is een zaak, die onder ieders gezicht en bereik valt. En ook, men kan iemands wijze van den Sabbath te vieren, afkeuren, zonder hem in zijn karakter te kwetsen.

Vooral bij dit gebod bestaat er dus noodzakelijkheid voor elk onzer, om toe te zien; er ligt in dit gebod een prikkel tot allerlei aanmerking; en een aanklacht van overtreding van dit gebod is wel ernstig, maar kwetst toch den burgerlijken persoon niet.

Zeg dus ook niet, dat het beter ware, zoo dit oordeel der broederen zweeg. Integendeel, meer dan éen, die nog geen vreeze Gods in zijn hart had, om den Sabbath om Gods wil te houden, is begonnen met het uit vreeze voor de broeders te doen, en is zoo op weg gekomen, om een Sabbathsvierder om Gods wil te worden.

Alleen maar, op de vraag: »Wie keurt uw Sabbath?« moogt ge nooit antwoorden: »Mijn broeder.«

Uw eenige Keurmeester bij uw Sabbathsviering is de Heere HEERE!

Hij heeft gezegd: »Het zijn _mijn_ Sabbathen.«

* * * * *

Ook treedt de kerk wel op, om in inzake de Sabbathsviering te oordeelen, en zeer zeker ligt dit op haar weg.

De kerk is ongetwijfeld geroepen om niet alleen _op_ den Sabbath, maar ook _den Sabbath_ te prediken. Ze moet tot Sabbathsviering opwekken. Ze moet aan de Sabbathsviering leiding en stuur geven. De Sabbath is haar kerkelijk terrein.

Zelfs moet ze verder gaan, en bij _slordige_ Sabbathsviering vermanen, bij _overtreding_ waarschuwen en ten laatste bij in het oogloopende _schending_ van den Sabbath zelfs met haar discipline optreden en den Sabbathsschender weren van het Heilig Avondmaal.

Slechts zie ze daarbij wel toe, dat ze den naam van _schending_ niet geve aan wat slechts verschil van Christelijk inzicht, of ook onopzettelijke overtreding is.

Sabbathsschennis onderstelt altoos kwaad opzet; de bedoeling, om het heilige te verachten; en heeft haar wortel in vijandschap tegen God.

Hier dient dus omzichtelijk en met bedachtzaamheid te werk gegaan.

Er zij onderscheid des oordeels.

Zijn er Christenbroeders, die met den kerkeraad verschillen in opvatting van den Sabbath en in ernst verklaren, voor hun conscientie iets wel op den Sabbath geoorloofd te achten, wat een kerkeraad voor ongeoorloofd houdt, dan mag er van vermaning en waarschuwing, maar nooit van censuur sprake zijn.

Censuur komt eerst tepas, waar booze toeleg of verregaande vergetenheid van God in het spel is.

Ook de kerk keurt uw Sabbath niet.

De Keurmeester van uw Sabbath is en blijft de Heere.

* * * * *

Wil dit nu zeggen, dat ge dus op den Sabbath u noch aan uw broeder, noch aan uw kerk te storen hebt?

Dat zij verre.

Reeds de liefde eischt, dat ge ook in het stuk van den Sabbath uw broeder niet ergert, en de eerbied voor de dragers van het kerkelijk ambt stelt het u ten plicht, u, zooveel uw conscientie toelaat, naar hun oordeel te schikken.

Paulus zag niet het minste kwaad in het eten van offervleesch; maar »als het mijn broeder ergert,« sprak hij, »dan zal ik geen vleesch meer eten in der eeuwigheid.«

Slechts tegen éen ding moet ge op uw hoede zijn: Ge moogt ook bij uw Sabbath nooit eenig mensch als keurmeester in de plaats van God laten treden, maar zijt verplicht om zelfs tegenover uw liefsten broeder het recht van uw God in dit heilig stuk te handhaven.

Vraagt dus uw broeder u, om na te laten wat gij deedt, en stemt hij toe, dat niet hij, maar zijn en uw God te dezen Rechter is, ga dan voor hem uit den weg.

Maar stelt hij zich met macht tegen u over, en matigt hij zich het recht aan, om voor u te willen uitmaken, wat wel en wat niet geoorloofd is, wijk dan geen uur met onderwerping, maar weersta hem. Want door dan te zwichten, zoudt ge zijn conscientie toeschroeien, en zelf aan de eere van uw God tekort doen.

* * * * *

Alles hangt hier aan het standpunt, dat ge inneemt. Omdat het _'s Heeren_ Sabbathen zijn, kan en mag _Hij_ alleen uwe Sabbathen keuren, en zijt ge _Hem_ en Hem _alleen_ van uw Sabbathen rekenschap schuldig.

Desaangaande nu onderwijst Hij u door zijn Woord en Geest; onderwijst Hij u door het voorgeslacht; onderwijst Hij u door uw kerk; en onderwijst Hij u door uw broeder; en gij hebt op al deze roepstemmen en aanwijzingen van uw God acht te slaan.

Maar als nu uw kerk en uw broeder gesproken hebben, blijft de rekenschap toch altoos tusschen u en uw God.

Alles wat ook op den Sabbath _uit het geloof_ is, doet u vrij uitgaan; al wat _niet uit het geloof_ is, is en blijft ook op het stuk van den Sabbath zonde.

Laat ge dus iets uit vreeze voor menschen, en uit beduchtheid voor hun oordeel, en omdat zij zich als keurmeesters opwerpen, dan laat ge dit niet uit het geloof, en is het u zonde.

En dan alleen, als ge op uw Sabbath rust, en in die ruste heiliglijk bezig zijt, _omdat uw God het zoo wil_ en opdat ge _zijn_ vrede moogt indrinken, is uw Sabbathsviering uit het geloof en is er in dezen deele geen zonde in u.

* * * * *

Wie anders te werk gaat, is een _dienstknecht_ en heeft »een geest der dienstbaarheid ontvangen wederom tot vreeze.«

Dan zijt ge nog onder de wet en kent het zoet der genade niet.

Ja, erger nog, dan bezwijkt ge straks onder de geboden en inzettingen van menschen, en torst een juk, dat ook uw vaderen niet hebben kunnen dragen.

En zoo is Gods kind niet.

Een kind van God staat in de vrijheid, waarmeê Christus hem heeft vrijgemaakt; en die vrijheid komt hierin uit, dat hij geen anderen heer noch meester kent, dan den Heere.

Met Hem en met Hem alleen heeft hij te doen, en dus ook alleen naar _Zijn_ wil vraagt hij.

En zeg nu niet, dat dit den Sabbath zal doen verslappen.

Want al ware dit zoo, dan nog tienmaal liever een slapper Sabbath, waarbij de vreeze Gods u vervult, dan een strenger Sabbath, waarbij ge uw God niet aanziet, maar eeniglijk vraagt naar het oordeel der menschen.

Maar bovendien, dit verwijt is zonder grond.

Een kind van God is teeder en nauw in de conscientie. En als slechts eenmaal de vreeze en eerbiedenis voor den Heere onzen God op uw Sabbathsviering in gaat werken, dan weegt ze u van week tot week ernstiger op het hart, wordt u een zaak des gebeds en des worstelens, en eindigt met heel uw leven te beheerschen.

Uiterlijke vormendienst heeft toch voor ons geen waarde. De Heere vraagt niet, dat ge een vromen Sabbath _nabootsen_, maar dat ge _Hem_, den Heere, uw Sabbath houden zult.

En eerst zoo ge daaraan toekomt, erlangt uw Sabbathsviering geestelijke beteekenis, en brengt ze een zegen voor uw huis en uw hart.

VI.

DE SABBATH DOOR GOD VERZOEND.

Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft.

Ex. 34:7.

Wees vooral tegen éen ding op uw hoede, en beeld u nooit in, dat ge wel onder de negen overige geboden voor uw God bezwijkt, maar dat ge het vierde gebod van zijn Sabbath wel houden kunt.

Het vierde gebod is een gebod uit Gods wet, zoo goed als elk ander, en ook van dit gebod geldt het, dat er »niemand is, die goed doet«, dat »ze allen gezondigd hebben«, en dus allen »de heerlijkheid Gods derven«.

Zoolang dus ook dit gebod als een wet tegenover u staat, moet ge ook voor dit gebod vallen; kunt ge het niet houden; kunt ge het nooit anders dan overtreden; wierd ook door dit gebod uw zonde ontdekt en uw schuld vermeerderd; en hebt ge ook van dit gebod te belijden, dat het u oordeelt en verdoemt, tenzij ge uw toevlucht neemt tot de Fontein, die er tegen de zonde geopend is voor het huis van Israel.

Vat dit diep op.

Het gebod, vooral dit gebod, komt tot u, in het Werkverbond, als middel, om door de volbrenging van dit gebod loon der zaligheid te ontvangen.

En dit loon nu ontgaat u niet alleen, maar ook door dat gebod komt niets dan schuld en verdoemenis over u. En omdat dit nu gemeenlijk wel bij het gebod tegen den diefstal, doodslag, echtbreuk, het valsch getuigenis enz. gevoeld wordt, maar niet gevoeld wordt bij het gebod van den Sabbath, willen we al Gods kinderen gebeden hebben, dat ze toch ook op dit gebied de waarheid der Heilige Schrift toepassen, en het mogen inzien en beseffen, hoe ook voor dit gebod elk hunner bezwijkt. Hoe ze reeds in dit éene gebod heel Gods heilige wet geschonden hebben. Alzoo Sabbathsschenders in den kwaadsten zin zijn, en reeds door de overtreding van dit éene gebod in hun schuld voor God bezwijken.

Want natuurlijk, ook dit gebod moet in zijn geestelijke diepte gevat worden, en een iegelijk, die in de _besteding_ van zijn tijd en in de _breking_ van zijn tijd, en in zijn leven voor het _eeuwige_, en in den _dienst_ van zijn God ook maar iets ooit tekortschoot, ligt reeds daarom door dit vierde gebod geoordeeld, en komt onder dit oordeel niet uit, dan door de verzoening, die in Christus Jezus is.

Ook uit dit gebod komt, als gebod, niets dan de _kennisse onzer ellende_.

* * * * *

Maar deze verzoening Gods over uw Sabbath strekt nog verder.

Want neem nu aan, dat ge werkelijk tot het inzicht kwaamt, hoe heel uw verdorde natuur ook tegen dit gebod ingaat; hoe ge met uw boos hart nooit anders deedt dan dit gebod in zijn wortel schenden en overtreden; en dat ge voor uw zonde en schuld, ook van dit gebod, vergeving bij uw Heiland vondt, in welken toestand kwaamt ge dan nu?

Natuurlijk, dan schoof ook voor u dit gebod uit het Werkverbond in het Genadeverbond over.

Alle verdienstelijkheid ging ook van dit gebod voor u af, en nooit beelddet ge u in, dat ge, door dit gebod, zoo goed zoo kwaad het ging, te onderhouden, alsnog iets, hoe gering ook, aan uw zaligheid kondt toebrengen.

Neen, het wierd nu ook bij u omgekeerd, _uw God, die zelf door zijn genade u ook in dit gebod wandelen deed_.

»_Ik_ zal maken, dat ge in mijne inzettingen wandelt.«