Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

Part 19

Chapter 193,981 wordsPublic domain

Men voelt en tast weer, dat, zoo Immanuel onze _Koning_ zijn zal, er voor Immanuel dan ook een _eigen volk_ zijn moet, en dat het toch niet aangaat, dezen Koning, die zich een eigen volk tot den prijs van zijn bloed heeft gekocht, om menschen te believen, van _zijn volk_ te berooven.

Jezus onze _Koning_, en wij zijn _volk_; men doorziet weer, dat dit niet is te scheiden. En dat men ook wel van _kerk_ en ook wel van »geloovigen« spreken mag en moet, maar dat deze beiden ons geenszins van de verplichting kunnen ontheffen, om ook te spreken van _'s Heeren volk_.

Doch nu prikkelt dit dan ook tot bitterheid. Nu keert zich hier de woede tegen van wie dien naam bannen wilden. Nu heet het, dat wie dien naam gebruiken, zich inbeelden, zelven _al_ het volk te zijn; dat ze de broederen afsnijden; en dat ze dies een scheur trekken door het lichaam van Christus.

Ge hoort het wel, hoe de Ethischen vooral de laatste tijden ons dit voorwerpen.

Dit nu maant tot scherp zelfonderzoek. Het werpt de vraag aan uw conscientie toe, of er ook iets van aan is, dat ge bij dit roepen over »'s Heeren volk« meer aan eigen verheffing boven anderen, dan aan de eere van den _Konings_-naam van Immanuel hebt gedacht.

Zelfs doet het vermoeden, dat er wel onvoorzichtiglijk en ongeestelijk aanleiding zal gegeven zijn, om ons van min kiesch en min teeder gebruik van dien naam te verdenken, zoo niet te beschuldigen.

* * * * *

Evenwel, hoe groot ook die verkeerdheid ware, aan de zaak doet dit niets af noch toe.

Immers niet uw misbruik van de Schrifttermen, maar alleen de termen der Schrift stellen hier den regel.

Nergens leert Gods Woord ons, dat we onze wijze van spreken moeten inrichten naar onze verkeerdheid; maar overal wil de Schrift, dat we de heilige sprake zelve ten richtsnoer nemen.

En wat toont ons dan de Schrift?

Dit, dat wie van het volk zijn, keer op keer alles bederven; dat Sion bijna stelselmatig de verzenen tegen de prikkelen slaat; en dat Jeruzalem soms aan Sodom en Gomorra gelijk is,--en dat desniettemin _het volk_ er komt, en _Sion_ het heilige draagt, en dat de Heere _Jeruzalem_ nog verkiest.

Het is nergens in deze heilige Schriftuur: Zie, wat heilige personen, en wat vroomheid in Sion, en wat een godzalig Jeruzalem,--en deswege is de Heere dat volk en dat Sion en dat Jeruzalem, genadig. Neen, het is altoos _ondanks_ die personen, en in spijt van wat _Sion_ is, en in weerwil van wat _Jeruzalem_ van zich merken laat, enkel maar _om den raad des welbehagens_.

_Vrijmachtig_ is dat volk geroepen; _vrijmachtig_ dat Sion verheven; _vrijmachtig_ dat Jeruzalem uitverkoren. En wat nu ook dat volk, dat Sion, dat Jeruzalem doe, _dat blijft zoo_. Van die vrijmachtige keuze is geen appèl of herziening. Die raad gaat door. Die beslissing van eeuwigheid blijft. En hoe ook Jeruzalem tegenworstele, _Hij zal nog Jeruzalem verkiezen_.

* * * * *

En hierin nu juist ligt de rust voor uw hart bij dat verwijt der broederen, alsof we onszelven tot _'s Heeren volk_ stempelden, en dat onszelven alleen.

Zie toch, 's Heeren volk is zijn volk niet om wat het zelf is, maar alleen om de banier, waarbij het te hoop loopt, en om het veldteeken, waarbij het neerknielt en zweert.

Het is niet _in_ ons, maar _buiten_ ons; en wat er in ons van te zien komt, is »naar de werking van dien Christus, die in ons werkt met kracht«.

De banier van zijn waarheid is het kenteeken, waaraan dit volk gekend wordt; en al loopt wie die banier omklemt nog in armelijke lompen en al is zijn gelaat nog bezoedeld en al wankelt zijn voet, dat doet er niet toe en kan de zaak niet verkeeren; het is de waarheid, het is de kennisse des Heeren, het is het welbehagen Gods, dat hier beslist.

Waar nu die banier wappert, en bij die banier voor den Koning wordt geroepen, daar loop ik naar toe, als ik bij 's Heeren volk wil zijn. En dan zie ik _niet_ op die personen en niet op hun leidslieden, en dan peil ik nog minder hun hart, maar dan roep ik met hen: _Jehovah Tzidkenu_, om met al het volk te belijden, dat onze gerechtigheid niet onze, maar buiten ons in den Immanuel is.

Wat zou het ook zijn, zoo iemand, van »'s Heeren volk« roepend, daarmeê te kennen wilde geven: »Deze alle zijn in Sion geboren!« Weet ge dit dan? Zijt ge dan kenner der harten? Hebt ge dan de gangen van ieders wedergeboorte nagespeurd? Kunt gij iemands staat beoordeelen? Moogt gij gaan zitten in Gods stoel en uw hart zetten als Gods hart?

En als ge dat niet kunt en niet moogt, en niemand kan het, wat anders dan de banier der waarheid, in haar wapperen, zal dan aanduiding en kenteeken zijn van de plek, waar 's Heeren erfvolk vergaêrt?

o, Wacht u toch voor dat bouwen op indrukken van »liefheid« en van »vroomheid«. Ge kunt er zoo schromelijk in mistasten. Dat staat aan ons niet. _God_ keurt. En al is er een oordeel ook van den geestelijk ingeleide, waardoor de eene Sioniet den anderen verstaat, toch kan dit het kenmerk nooit wezen. _Gods volk_ wordt alleen gekend aan zijn banier. Niet persoonlijk, maar _als volk_. Of het saam om die banier vergadert, en saam bij die banier neêrknielt, om te roepen voor de eere van zijn Koning en op dien Koning alleen te zien. Jehovah Tzidkenu!

* * * * *

En nu mag het zijn, dat er bij die banier onder dat volk staan, die _niet_ van het volk zullen blijken te zijn. De oude regel van _Ammi_ en _Lo Ammi_. Maar dat staat aan ons niet te schiften. Die voor dat schiften de wanne in de hand heeft, om zijn dorschvloer te doorzuiveren, is de Heere.

Ook omgekeerd kan het zijn, en zal het zoo zijn, dat altoos enkelen, soms zelfs velen, die wel van het volk zijn, van bij het volk wegloopen, de banier vergeten, het geklank van den Koning smoren op de lippen, en tijdelijk omdolen in Damascus en Tyrus; maar ook daar hebt gij niet meê te rekenen.

Als ge van het volk spreekt, telt ge niet, en rekent ge niet, en sluit ge niet uit noch in. Die sluit en niemand opent, is alleen Hij, die den sleutel Davids heeft.

Maar niets van dit alles kan noch mag u van de wijs brengen.

Er is een volk des Heeren.

Dat volk moet bij de opgestoken banier gezocht worden.

En daarom voegt ge u bij wie die banier omringen, en al het verdere verblijft aan uw Heere!

ACHT-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

»ZIE, DE DIENSTMAAGD DES HEEREN.«

En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.

Luk. 1:38.

Vervult vooral in onze dagen de Christenvrouw haar roeping tegenover haar Verlosser en Heere?

Het historieblad verhaalt ons van zoo wonderschoone, zielsinnige en aan kostelijke vrucht zoo rijke toewijding aan den Heere, die eertijds uit zoo menig vrouwenhart en in zoo menig vrouwenleven geblonken heeft.

De vrouwen overtroffen de mannen zeer verre.

Het was, of zij, fijner en teederder van aard, minder in de beslommeringen van het machtige leven der wereld ingetrokken, en met warmer gloed in de borst, dieper en klaarder verstonden, wat de liefde Christi was, en macht ontvingen, om uit die liefde te leven.

Vooral in de eerste jaren der Christelijke kerk moet dit schoon zijn geweest.

Als feit, door niemand betwist, schrijft de heilige apostel aan de kerk van Corinthe (1 Cor. 7:34), dat de nog niet getrouwde meisjes zich bekommerden, waarom? Om te trouwen? o, In het minst niet. Neen, maar _om de dingen des Heeren, opdat zij heilig zijn mochten, beide aan lichaam en aan geest_.

Roerend schoon en aantrekkelijk zijn de aandoenlijke overleveringen van vrouwen, die zich ganschelijk aan den dienst des Heeren gaven. En nog treffender de verhalen, die ons bereikten van zoo menige jonge maagd, die als martelaresse haar bloed voor haar Heere vergoot, en door geen foltering noch wreedheid van haar innige, vurige liefde voor den Heere was af te brengen.

Er gistte en blonk iets in haar van die liefde, die sterker dan de dood is; een liefde, wier gloed al de wateren niet konden blusschen.

En al geeft de heilige apostel toe, dat de _gehuwde vrouw_ meer wierd afgeleid en meer in de zorgen van het gezin opging, toch, hoe schoon en boeiend zijn niet de historiën van vrouwen, die haar mannen sterkten in het geloof, verwarmden door heur liefde, en de vonke der hoop in hen aanbliezen; of, op andere wijs weer, zonen voor Christus' kerk kweekten, in wier manlijk gemoed zij een indruk wisten in te prenten, die ons in een Augustinus nog danken doet voor wat de Christus ons in Monica schonk.

* * * * *

Kan dit thans nóg gezegd? Nog in die mate gezegd? Voor elk op haar wijze gezegd én van de jongedochter én van de gehuwde vrouw?

o, Gewisselijk, er valt ook nu nog te roemen. Voor veel in de Christenvrouw is ook nu nog te danken. Er blinkt nog adel van hart. Er gloort nog koestering van liefde. Er vonkt nog iets hemelsch in menig hooger blikkend oog!

Nog altoos is in menig gezin en in zoo menige familie een jongedochter met een hart vol liefde, of een vrome moeder in Christus, of een Godgewijde maagd het cement, dat de steenen in den muur saamhoudt.

En toch, al sluiten we daar het oog niet voor, toch vragen we: Is er geen oorzaak, om over verachtering van den invloed der vrouw ten goede te klagen?

Gaat niet in maar al te veel gezinnen de levenwekkende adem meer van den vader dan van de moeder uit? Vindt ge niet maar al te dikwijls bij den jongeling warmer trouw en kloeker gehechtheid aan de zaak des Heeren dan bij de jongedochter?

Of ook, waar de vrouw het misschien nog in aantal wint, is er daar toch geen tekort in diepte van opvatting, in de verloochening der toewijding, in dat overgegevene en over alles heen komende der zichzelve nooit ontziende liefde?

Van Eva zoo dikwijls te veel, van Maria soms nog zoo weinig.

Is het niet, of de zondige ontwikkeling der wereld het er op toelegt, om de vrouw vooral in beuzelarijen te doen opgaan; te verstrikken in nietigheden; te dempen en uit te dooven; te blusschen de hooger, heiliger vonk; en háar vooral als slachtoffer te kiezen voor het bederf van karakter en zielstrek?

We vragen slechts.

Ga die vraag slechts rond in elken kring. Worde ze gesteld in elk huisgezin. Geve elke jongedochter of gehuwde vrouw er voor zichzelve het antwoord op.

Van elke Christenvrouw moet het gelden kunnen: _Zie, de dienstmaagd des Heeren!_

En nu, hoevelen telt ge er, van wie dit in waarheid kan worden gezegd?

* * * * *

En toch, het is het welbehagen onzes Gods, dat er niet alleen onder ons, mannen, _dienstknechten_ des Allerhoogsten en _knechten_ des Heeren zullen zijn, om dag en nacht te staan in zijn voorhoven; maar ook elke Christenvrouw schiet tekort in haar roeping, zoo ze nog iets hoogers en begeerlijkers kent, dan om dien schoonsten eerenaam van »_dienstmaagd des Heeren_« te verwerven.

Gods_dienst_ is God te _dienen_, en wat vrouw zou zichzelve dan gods_dienstig_ mogen achten of vroom noemen, zoo ze niet God den Heere _dient_, en alzoo weet een »_dienstmaagd_ des Heeren« geworden te zijn?

Gehuwd of nog ongehuwd, moet immers de vrouw, die jubelt in haar verlossing van zonde, inwonen in het Huis haars Gods, om in dat Huis Hem te _dienen_ nacht en dag.

Niet door haar eigen huis uit te loopen. o, Er zijn er, die dat zeer zeker doen moeten, en voor wie de dienst des Heeren bij gevangenen en kranken en stervenden ligt. Maar in den regel moet _de dienst_ des Heeren in het _eigen_ huis vervuld, door het _eigen_ huis en de _eigen_ woning als in het Huis des Heeren in te zetten.

En dan moet _al_ het leven _éen dienen_ van den Heere onzen God zijn. Niet voor huis en have zorgen, en dan des avonds in een stil gebed of op den Sabbath de dienst des Heeren _erbij_. Neen, _al het leven_ moet in den dienst des Heeren ingezet. En het leven met vader en moeder, met broeders en zusters, met dienstboden en vriendinnen, het moet al geheiligd worden door dien eenigen, heiligen wil.

En dat wordt het, niet door drukke _veelbezigheid_, en nog minder door jacht op _buitengewone_ dingen, en vooral niet door eigengerechtige goede werken, maar door wat tintelt en gloeit in het hart.

In het hart zijn ook voor de vrouw en de jonge maagd de _uitgangen des levens_. En de vraag is maar: Waar loopen die uitgangen des levens naar toe? Naar behaagzucht? Naar streeling van eigen lust? Naar interessantheid? Naar een gelukkige toekomst en schatting in het oog der menschen?

Of wel, is van dat alles het holle, het ijdele _ingezien_? Ingezien, dat dit alles _uit_ den dood en _voor_ den dood is? En gloort er nu een andere geestdrift, een heiliger liefde, een uit den hemel ontstoken vuur?

Dat vuur moet in de beenderen branden, zooals Jeremia het uitriep. Dan is het geen gemaakt werk, maar tweede, heiliger natuur. Dan is er belangstelling. Dan komt er onderzoek. Dan trilt er lust en liefde. Dan gaat de dofheid van het oog weg. De behaagzucht wordt verachtelijk. En dan is er ongezocht een vinden van het werk, dat de Heere u op de hand legt.

En als het lot dan tegenloopt; of de toekomst wordt somber; en bange offers worden van hart en leven gevraagd,--dan stemt dat niet droefgeestig en melancholiek, noch maakt morrend en murmureerend; maar dan is alles boodschap van nieuwe offerande, een engelenboodschap tot het hart, dat de Heere _zijn dienstmaagd_ weer oproept en van noode heeft, en uit het volle hart zegt ze het dan Maria na: _Zie, de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw Woord_.

o, Vooral bij het stroeve en stramme, dat het manlijk Calvinisme zoo vaak op onze kringen stempelt, is _de dienst der vrouw_ in het Huis haars Heeren zoo dubbel noodig.

We _kunnen_ ze niet missen, die smelting, die verteedering, die koestering, die zachtheid, die de dienstmaagd des Heeren ook den man en broeder schuldig is.

NEGEN-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

»ZEND UW SIKKEL EN MAAI.«

En een andere engel kwam uit den tempel, roepende met een groote stem tot dengene, die op de wolk zat: Zend uw sikkel een maai; want de ure om te maaien is voor u gekomen, dewijl de oogst der aarde is rijp geworden.

Openb. 14:15.

Alles heeft zijn bestemden tijd. Voor elk ding, dat komen zal, is een ure. Voor elke beslissing, die komen moet, toeft het juiste oogenblik.

Dat doet ons vreemd aan. Niet dan met moeite kan onze trage geest in dat denkbeeld van een beslissend oogenblik inkomen. En toch toont heel de schepping het ons.

Eerst snijdt de ploegschaar door den akker. Dan gaat de zaaier uit, die zaaien zal, en strooit het zaad in de opgeploegde voren.

En als God dan van zijn hemel zonneschijn en regen neerzendt, geraakt die bodem in gisting, dat zaad ontkiemt en schiet uit, en lange weken, lange maanden verlustigt ons oog zich in dat groeien en gelen der halmen. Van den morgen op den avond en van den avond op den morgen gedijt het koren er in. En het schijnt wel, alsof dat koren geen andere bestemming had, dan om dien akker met golvend goud te overdekken en weelde te tooveren in de natuur.

En toch, dat was slechts _schijn_.

Zie maar, eindelijk speurt het kennersoog van den landman, dat het graan nu in de airen _geheel_ gerijpt is. En hij neemt den wind en het getijde waar, of er op droogte in den dampkring te rekenen valt. En is dat gunstig oogenblik gekomen, dan gaat het bevel uit zijn mond aan zijn knechten uit. En morgen, als nauw de zon is opgegaan, is dat halmenveld ten doode gedoemd. Dat goudgeel graan heeft voor het laatst in den zonneglans geblonken. Zie, daar daalt de sikkel neer, door vlugge, rappe hand tegen de buigende halmen ingeslagen, en niet lang meer, of al het prachtige halmenveld ligt bij handvollen op den bodem neergeworpen; wordt straks tot schooven opgezet; en als weer de landman zijn dienstknechten en dienstmaagden beveelt, rijdt kar en wagen den akker op, en al het gemaaide koren wordt van den akker naar den dorschvloer weggedragen; tot de wees en de arme komt, om zijn nalezing te houden. En dan blijft er straks niets meer over dan die leege, zwarte, kale akker, tot in zijn stoppelen omgeploegd.

Zoo veelzeggend, zoo veelbeduidend.

Eerst weken-, maandenlang dat stille, kalme, bijna onmerkbare rijzen en rijpen. En dan opeens die dag des oogstes. Die sikkel, die in de halmen slaat. En weg is alles, wat er stond.

* * * * *

In dat zaaien en rijzen, dat rijpen en maaien nu spreekt een stemme Gods.

Zijn heilige Schriftuur wijst er telkens op. Ook wel in het beeld van de rijpende en blauwende trossen aan den wingerd tot de wijngaardenier de sappige druiven afsnijdt. Maar onder welk beeld ook, altoos keert diezelfde gedachte weer, eerst dat langzame, stille worden en gedijen, en dan plotseling die breuke, die voleinding, dat maaien of dat afsnijden. Alles aanloopend op een einddoel, tot dat einddoel bereikt is, en dan opeens dat ingrijpen van de hand des maaiers; die volheid des tijds; die ure, dat het uit is met _wat achter was_ en dat _iets nieuws_ zijn aanvang neemt en straks begint.

Want als nu de sikkel in de halmen is geslagen, en alle schoof op den dorschvloer is saamgebracht, dan is het wel uit met dat _eerste_ proces, maar begint even beslist terstond een _tweede_ proces. Dan wordt die halm gedorscht en uitgeklopt; het graan op de wanne gezuiverd; de gezuiverde korrel stukgestooten of tot meel vermalen; en zoo rijpt door een nieuw proces _het brood_, dat den mensch ter voeding zal zijn; om in 's menschen lichaam door een nieuw proces nogmaals een ander doel na te jagen, en niet te rusten, eer het door menschenhand uitgestrooide zaad tot den mensch is weergekeerd en _in zijn eigen bloed_ is omgezet.

En dat alles beschikte en bestelde en verordineerde God Almachtig. Hij, die den tijd voor het zaaien en den tijd des oogstes heeft afgemeten. Die aan het koren en het zuurdeesem de verwantschap schonk, om deeg en brood te vormen. En die thans dat kostelijk brood met zijn zegen achtervolgt, om het in ons om te zetten in bestanddeelen van ons eigen bloed.

En dan is er in elk proces, dat daarbij plaats grijpt, altoos _dat dubbele_. Eerst dat langzame rijpen en gedijen, en dan eindelijk het plotseling oogenblik, waarin dat rijpen en gedijen zijn voleinding vindt en Hij afbreekt wat er was, om uit wat Hij doet ondergaan, het nieuwe te doen uitspruiten.

Altoos _zijn_ Woord, dat niet ledig tot Hem wederkeert, maar doet hetgeen, waartoe Hij het uitzendt. Als sneeuw en regen daalt het vocht uit zijn schatkamer neder. Dan drinkt de aarde het in en bemorst het. Tot het in den bodem der aarde de zwangere graankorrel ontmoet. Die doet ze dan zwellen en bersten en een kiem uitschieten. Het laat zich in den halm opzuigen. Tot in de air dringt het vocht op. En als straks het gedijde en gezegend brood insluipt in ons bloed, om onze levenskracht te sterken, is er altoos nog een druppel van dat vocht in, dat God in sneeuw en regen uitzond, om brood aan den eter te geven en zaad aan den zaaier.

* * * * *

Eén ding vooral wil Gods heilig Woord, dat ge daarbij steeds voor oogen zult houden. Het wil, dat ge bedenken zult, hoe het zoo toegaat met _alle_ ding, dat _om_ u is, maar dat het zoo ook toegaat _met uzelven_.

Zooals die halmen op het veld opschoten en groeiden, en straks van dat veld worden weggemaaid, zoo bloeien en rijpen ook de kinderen der menschen op den akker van ons menschelijk leven; maar komt ook voor hen de ure der voleinding, dat de sikkel in de halmen daalt, en hun plek, die ze op het veld hielden, niet meer gekend wordt.

En ook hier weer dezelfde tegenstelling. Eerst weken-, maanden-, jarenlang dat stille, gestadige, schijnbaar altoosdurende voortrijpen en voortgelen op den akker; en dan plotseling die keer in den toestand, dat inslaan van den sikkel in de halmen. En dan is het uit en buigt ook hun hoofd zich neder, tot straks hun plaatse ledig is.

Een tegenstelling, een plotselinge overgang, die, hoe dikwijls ook gezien, ons toch altoos zoo verrassen blijft, dat bijna niemand er op verdacht is, als de sikkel ook tot hem komt. Het scheen zoo zoetelijk voort te varen. Zoo ongemerkt scheen zich een nieuw eindweegs aan elk afgelegd eind van den weg vast te knoopen. De voortgang was geleidelijk, zoo gestadig, zoo duurzaam. Na elken avond altoos weer een morgen; na elken winter altoos weer een lente met haar bloemen, die ontloken, en haar vogelen, die in de takken hun lied voor God zongen. Ach, waarom zou er dan een einde aan komen? Waarom zou er geen eindelooze voortgang zijn?

En toch, dat einde komt, omdat God leeft en over u gebiedt en over u beschikt, en omdat Hij u dit stille groeien en gedijen schonk, niet om dat groeien noch om dat gedijen, maar _opdat er een oogst voor Hem zou zijn_.

Want zooals de landman het oogenblik beidt, waarop dat groeien uit zal hebben, en zijn woord tot zijn dienstknechten: »Zend den sikkel uit en maai« uit kan gaan, zoo toeft en beidt ook God de Heere bij elk van zijn menschenkinderen, steeds uitziende naar dat bestemde oogenblik, naar die beschikte ure, waarop het rijpen uit zal hebben, en de vrucht van al zijn zorge, die Hij aan u besteedde, kan ingedragen in zijn Koninkrijk.

Uw wereld is voor Hem. Ze is zijn akker, waarop al wat er bloeit en rijpt, rijpt en bloeit voor Hem, opdat Hij, de Heere des oogstes, ook van _dezen_ akker zijn oogst erlange.

En al de dagen uws levens merkt Hij op u, uitziende naar dat oogenblik der voleinding, tot Hem de vrucht zijns werks toekomt.

* * * * *

o, Wel hem, wien het in die ure des oogstes gebeuren mag, dat hij straks, op de wanne gezuiverd, een kostelijke vrucht van den akker der wereld voor den Heere zijn God mag zijn.

Dan maait de sikkel niet om te verderven, maar zamelt in voor Gods eeuwig Koninkrijk. Dan is er een groeien en bloeien geweest, dan was er een rijpen en gedijen. En dan wordt het einddoel bereikt: de voleinde en voltooide vrucht, die dan een nieuwe toekomst tegengaat, om naar nieuwe ordinantie God den Heere te dienen in zijn heilig bestel.

Alle man zie toe.

De sikkel, die de volle korenhalmen maait, maait ook het opgeschoten _onkruid_ weg, en maait ook weg de leege of vervuurde halmen, waaruit geen koren op den dorschvloer springen zal.

Dan ging het niet _naar_ Gods Woord, maar _tegen_ Gods Woord.

Dan was er geen groeien, maar verbasteren; geen rijpen en gedijen, maar vermageren en verschrompelen.

En als dan de dag des oogstes komt, dan is het oordeel zoo onafwendbaar.

De wanne, door Gods heilige hand geschud, schift zoo onherroepelijk het _koren_ van het _kaf_.

VIJFTIGSTE ZONDAG.

»BROOD UIT DEN HEMEL!«

Ik ben dat levende brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zoo iemand van dit brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het brood, dat Ik geven zal, is mijn vleesch, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld.

Joh. 6:15.

_Alle_ goede gave is afdalende van den Vader der lichten en in zooverre belijden we, dat _al_ ons brood uit den hemel komt. De bede: »Geef ons heden ons dagelijksch _brood_« klimt op tot onzen Vader, die _in de hemelen_ is, en _uit_ dien hemel ons de verhooring van onze bede nederzendt.

God schept het, God zendt het, God schenkt het. En als in een vroom gezin des morgens of des avonds dat kostelijk brood weer genomen is, dan wierd het nimmer zonder dankzegging genoten.

Ook in het brood op onze tafel is God alleen groot.

Maar neemt dat weg, dat het in de woestijn van Paran toch iets anders was, toen er _geen_ tarwe groeide, en _geen_ meel gemalen wierd en men _geen_ deeg kneedde noch _brood_ biek, maar het Manna van den grond opraapte en in zijn Gomer saamlas, en het _on_gemalen en _on_gekneed en _on_gebakken at?