Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath
Part 18
Een gansch wonderbaar hart: diep, geheel ledig, en toch op onverzadigbare wijze smachtende naar _vervulling_. Zooals het luchtledig de lucht inzuigt; zooals de dorre aarde den plasregen inzuipt; zooals een oog, dat in donker doolt, het licht indrinkt; zoo ook zuigt uw hart.
Noem dat zuigen van uw hart nu _hongeren_, noem het _dorsten_, noem het _begeeren_; maar onder wat naam ook aangeduid, het is toch altoos dat éene zelfde hart, dat uit zijn diepe gapende kolken en ledige gewelven roept en schreeuwt om inhoud, om vervulling, om iets, waarmeê het zijn ledige ijlheid verslinden en stillen en bedaren kan.
Uw hart _moet_ dus begeeren.
Een hart, dat _niet_ begeert, is dof en dood en in het levend lijf gestorven.
En zoo kan uw hart niet kloppen, niet geprikkeld worden, niet trillen, of al zijn uitgang is éen begeeren, éen schreiend roepen uit zijn innerlijk ledig, om vervuld te worden met wat het derft en mist.
Wordt dat begeeren nu waanzin, dan heet het _gieren_, zooals Habakuk roept: »Wee dien, die met kwade _gierigheid giert_ voor zijn huis« (2:6). Zoo spreken we nog van »gieren van het lachen«, als we onszelven niet meer meester zijn. Zoo is »gieriglijk« handelen een handelen uit onzinnigen hartstocht. En »gierigheid« is niet maar »tuk op geld zijn en bang om geld uit te geven«, neen, een gierigaard is een jammerlijk mensch, die geen meester meer over zijn begeeren is; en »gierigheid« daarom de wortel van alle kwaad, omdat _gierigheid_ zeggen wil: al het diepe begeeren van zijn hart naar het goud der wereld laten uitgaan insteê van naar de heilschatten Gods.
* * * * *
Is het nu wél met uw ziel, dan zal u een _zeer sterk_ begeeren prikkelen. Prikkelen bij dag en bij nacht. En u nimmer rusten laten. Maar dat begeeren zal uitgaan naar den Heere HEERE; naar _zijn_ Naam en gedachtenis; naar _zijn_ diamanten en peerlen; naar het sieraad en het schoon van _zijn_ geducht paleis.
Toen Adam met zijn ledig, diep hart in het Paradijs zich voor het eerst bewust wierd, dronk dat diepe hart met éen diepe, volle teug op eenmaal den adem des levens uit God in. En Satans gruwel was juist, dat hij Adams hart straks zuigen liet naar de wereld.
»Heere! mijn hart blijft onrustig,« riep Augustinus uit, »tot het rusten kan in U!«
Schoon, kostelijk en toch niet diep genoeg gezegd.
Neen, ons hart moet niet in God rusten, maar het moet uit God _zijn inhoud_ hebben; met den Naam des Heeren vervuld worden; het moet rusten, doordien het God in zich ontving; en dan zelfs nog niet rusten, maar altoos opnieuw begeeren; om met frissche teug nogmaals en altoos weer in te drinken de schatten van zijn God.
Daarvan zegt Jesaja: »Mijn ziel heeft U _begeerd_ in den nacht, en in den morgenstond zal ik U vroeg zoeken.« Daarvan zegt de Psalmist: »Heere! voor U is al mijn _begeerte_!« Daarvan getuigt de Spreukendichter: »De _begeerte_ der rechtvaardigen is alleenlijk het goede.« En daarvan durft de zanger in Psalm 27:4 betuigen: »Eén ding heb ik van den Heere _begeerd_, dat zal ik zoeken, dat ik alle dagen wonen mocht in de tente des Heeren!«
Ge ziet dus wel.
_Niet_ werkeloos, _niet_ in zichzelf tevreden, neen, altoos dorstend, altoos hongerend, altoos vragend, roepend en begeerend moet uw hart wezen.
Alleen maar, al zijn begeeren moet wezen _éen begeeren naar God_.
* * * * *
»Gij zult _niet_ begeeren!« keert zich dus tegen den mensch, die _valsch_ begeert.
Niet zooals dolende godgeleerden zeggen, dat iets te begeeren op zichzelf nog geen zonde is, en dat de zonde eerst komt, als ge in uw ziel aan die valsche begeerte wilt toegeven. Zoodat dan ook Jezus heet, wel begeerd, maar niet toegegeven te hebben.
o, Neen, het gebod is volstrekt: »Ge zult _niet_ begeeren.« En zoo God iets anders bedoeld had, dan zou dat er ook staan. Maar nu staat er: »Gij zult niet begeeren,« en is dus het begeeren zelf _zonde_.
Zonde, om dat verlangen van het leege hart naar vervulling uit te strekken naar de wereld in plaats van naar het Eeuwige Wezen.
Niet alsof ge niet trek en neiging in u mocht gevoelen, om het goede des levens te genieten; mits het maar zij een genieten uit Gods hand, en nooit in plaats van Hem, en tegen Hem in, en om van Hem af te leiden.
En ieder mensch kan wiskunstig zeker weten, of zulk een trek en neiging gezond en onschuldig, dan wel een zondig begeeren is, zoo ge maar onderzoekt, of het tegen God ingaat, of in gebed en dank tot Hem opklimt.
* * * * *
En dat nu is eerst de ware proefsteen, waaraan ge den diep jammerlijken toestand van uw afvallig en afkeerig hart bekennen kunt, zoo ge ook maar van éen enkelen dag eens nagaat en onderzoekt, waar uw hart heel dien dag naar gejaagd, naar gehongerd en om geroepen heeft.
En ja, dan zijn er uitgangen naar boven; dan zijn er ontwakingen, dat het kind zeggen mag: »Heere! mijn ziel heeft U begeerd in den nacht!« en dan zijn er insluimeringen, dat men met zijn God mag inslapen.
Maar helaas, van de vier en twintig uren, die elk etmaal heeft, hoeveel minuten dorst het hart naar den levenden God en hoeveel uren hongert het niet naar de goederen en genietingen der wereld!
»Zoekt de dingen, die boven zijn,« roept de heilige apostel, »en niet de dingen, die op de aarde zijn.«
En toch....
Ga het leven der Christenen maar na. Sla ze maar gade bij het doen van zaken. Wat zeg ik, raadpleeg uw eigen leven van éen enkelen dag maar.
o, Dát is onze diepe jammer juist, dat eindeloos begeeren van het holle, leege, diepe hart, dat onstuimige, zij het ook bedekte begeeren van de schijngenietingen en schijnschatten der wereld, en dat, o, zoo zeldzaam _begeeren_, dat naar God uitgaat; dat het eens waarlijk was: »Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, zoo schreeuwt mijn ziel naar U, o God!«
* * * * *
Neen, God de Heere wil geen hart, dat _niet_ begeert. Het _moet_ begeeren. Al uw begeeren moet _bidden_ worden. Bidden en goed begeeren is éen. En het is volkomen eender, of Jezus zegt: »Al wat gij _bidden_ zult in mijn naam, dat zal Ik u geven,« of: »Al wat ge _begeeren_ zult in mijn naam, zult gij ontvangen.«
»Tot uw Naam is de begeerte onzer ziel,« roept 's Heeren volk in zijn geloofstaal en Jakobus: »Al wat gij begeeren zult _in het geloof_, zal u geworden.«
En daarom, houd dezen regel vast.
Verboden is u elk _begeeren_, dat ge in geen _gebed_ durft omzetten; en ook geen gebed deugt, of het _begeeren_ uwer ziel moet er in uitvloeien.
En daarom is het gebed 's Heeren volk zoo van noode.
Want, neem dit vooral ter harte, wat 's Heeren ingeleide kinderen bij ervaring kennen: Er is geen middel zoo doeltreffend, om het booze begeeren ten onder te houden, als veel in het gebed te zijn.
Als ge in het gebed gaat, dan merkt ge wel, of uw hart ook met booze begeerten bezig is.
Als ge in het gebed uitvloeit, dan merkt ge wel, wat begeerten ge in den hoek van uw harde hart wegstopt, en wat ge naar voren schuift, om het voor den troon der genade neer te leggen.
o, Veel gebeds ontdekt u niet alleen, hoe het met uw begeeren staat, het _heiligt_ ook uw begeeren, door u met schaamte over uw zondig begeeren te overgieten, en het begeeren naar heiligheid sterker te prikkelen.
VIJF-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
»VLAS EN VONK.«
En de sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werkmeester tot eene vonk, en zij zullen beiden tezamen branden, en er zal geen uitblusscher wezen.
Jes. 1:31.
Om ons heen in de wereld woelt een macht, die menschen vernielt.
Keer op keer komt ons het droef gerucht ter oore van weer een jongen man, een jonge vrouw, van wie men hoort, »dat ze weg zijn«; »dat het met hen uit is«; dat ze zedelijk vernietigd zijn; dat ze als zedelijke karakters niet meer meêtellen.
Zulke personen waren eens aanminnige kinderen, die dartel speelden op moeders schoot. Glans blonk in hun oog. In hun hart waakte edeler besef op. Ze hebben de ure gekend, dat ze bloosden over hun eerste kleine leugen. Hun conscientie was nog teeder.
Maar nu zijn ze op; ze zijn weg; ze zijn een uitgebranden haard gelijk.
Schimmen, geen menschen meer.
Ze zijn er nog; maar het is, alsof ze er niet meer waren.
Ze zijn zedelijk, ze zijn als personen, ze zijn in hun karakter vernietigd.
Vernietigd tot onherkenbaar wordens toe.
En hoe kwam dit nu anders, dan door hun aanraking met de wereld en in die wereld met de booze, duivelsche, vernielende macht der zonde, waarmeê de Satan, die een menschenmoorder van den beginne is, er reeds zoo duizenden gedood heeft voor de hel?
o, Ze is ontzettend, die macht des verderfs, die vernietigende, zielmoordende macht, die rondwaart.
Als een vlinder vliegt ze uit. Even komen de vleugelen uwer ziel er meê in aanraking. Ge zengt ze. Reeds kunt ge u niet meer op de wieken des levens verheffen. Met verzengde vleugelen valt ge neder. En straks wordt ge geheel verbrand, en vindt men niets dan uw verkoolde mummie.
* * * * *
Het vuur is iets ijslijks.
Eens uitgebroken, woedt het voort en voort, al wat het ontmoet in vuur omzettend.
En voor zoo ontzettenden brand is _éen vonk_ genoegzaam.
Dan steekt die vonk aan, en lang smeult het, en eindelijk slaat het uit, en de vernieling is niet meer te stuiten.
En ijslijker nog is het met dit vuur der zonde.
Een vonk van dit zondevuur der wereld spat op u over, en zoo ge die vonk niet aanstonds wegblaast, wordt die éene vonk in een oogwenk tot drie en meer vonken. En het smeult in uw ziel ongemerkt voort. En niet lang meer, of de vlam slaat laaie uit, en gij, arme mensch, zijt verloren.
Daarom spreekt ook de Heilige Schrift van _die vonk_. Van die vonk in verbinding met _vlas_, omdat vlas in een oogenblik vlam vat.
»De sterke,« zegt de Heere bij Jesaja, »zal zijn tot _vlas_, en zijn werkmeester tot _een vonk_, en saam zullen ze branden, en er zal niemand zijn, die het bluscht.«
Dát nu is die ontzettende vonk van de verdervende en vernielende macht, die om u is, en zoo God het niet verhoedt, ook uw kleed vuur zal doen vatten, tot ge reddeloos weg zijt.
* * * * *
Maar, God zij lof, er wordt door Gods engelen ook water aangedragen, om dat schriklijk vuur te blusschen.
Er zijn ook wateren der genade.
Ze vloeien uit de Fontein des levens; ze stroomen uit de Springader der barmhartigheden, en Gods engelen zijn gedienstige geesten, om die blusschende wateren aan te dragen, en te beletten, dat de vonk en het vuur van die vonk u niet verniele.
Nu nog is het heden der genade.
En zoo ge voor die vonk maar een oog hebt, en terstond het spatten van die vonk op uw eigen ziel of op de ziel uwer kinderen ziet, en er is toevluchtnemend geloof, en de smeeking gaat uit, dan _is_ er ook voor u en voor uw kind nog redding.
Nu kan die vonk en die brand der zelfvernielinge nog worden gebluscht.
Althans, indien ge bekent _vlas_ te zijn; want anders werkt er geen geloof en komt de smeeking om die blusschende wateren niet over uwe lippen.
_Vlas_, en niet metaal en niet marmer!
Niet denken: »o, Voor mij kan die vonk geen kwaad; mijn ziel zal ze niet deren; bij mij zal ze niets vuur doen vatten; ik ben als _marmer_ gehard en als _metaal_ voor die vonk der duivelsche macht onaandoenlijk.«
Neen, maar _vlas_.
_Vlas_, dat opeens in volle vlam kan staan.
_Vlas_, dat met éen vonk in vuur kan omgezet.
Als _vlas_ zonder verweerkracht tegen die vonk.
Zoo er geen bluschwater ijlings komt, op eenmaal weg en verloren.
Wie vlas op zijn zolders heeft, is, o, zoo voorzichtig met licht, en past wel op, dat er geen vuur bijkomt. Het is hem als een kruittoren.
Met éen vonk kon alles weg zijn.
En nu, zoo is ook uw hart, en daarom betaamt ook u zoo het uiterste der voorzichtigheid.
* * * * *
Of erger nog, eens komt de ure, dat al uw voorzichtigheid u niet meer baten zal.
Die ure, waarvan Jesaja roept, dat vlas en vonk zal branden, en dat er niemand is, die blusschen kan.
De vreeslijke ure van het »onuitblusschelijk vuur«, dat eeuwige vuur in de buitenste duisternis. Geen vlam, maar een eindeloos donkere walm.
En daarom, wat we u bidden, speel niet met dat vuur, en doe er uw kind niet meê spelen.
De macht van die vreeslijke vonk is zoo ontzettend.
En opdat in die ure, die komt, uw ziel voor die vernieling gevrijwaard blijve, zoek omringd te worden door de wateren, die blusschen kunnen, nu nog in het heden der genade.
Wie wonen mag aan de wateren des levens, op dien heeft dat vuur dan geen vat.
Dien deert het niet.
Die zal van verre dien vreeslijken gloed aanzien, maar hem zal geen haar gezengd worden.
o, Wel u, zoo ge de reuke dier frissche wateren nu reeds van verre riekt, zoo ge den Blusscher van het vuur der zonde kent, en de Heere als een schild en rondas om u is geworden.
Dan wordt, wat hier _vlas_ was, daar als diamant en als robijnen, en de klove zal te breed zijn, geen vonk zal kunnen overspatten, en uw ziel zal opbloeien en wassen in uw Heere.
ZES-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
»DES SPOTS VEEL TE ZAT.«
Wees ons genadig, o Heere! wees ons genadig; want wij zijn der verachting veel te zat. Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hoovaardigen.
Ps. 123:3, 4.
Daarmeê, dat God den mensch _de sprake_ inschiep, is het machtigste wapen in onze hand gelegd.
Er is geen macht op aarde, die zoo ver reikt als de macht van _het woord_. De dichter die zingt, de redenaar die wegsleept, de wijsgeer die betoogt, de prediker die bestraft, troost en verteedert, beschikken over oneindig grooter invloed dan de veldheer, die heele legerkorpsen commandeert, en de vorst op den troon, wiens lijftrawanten elkander verdringen.
Dit ligt daaraan, dat zich in ons menschelijk _woord_ het beeld afspiegelt van het _eeuwige_ Woord. En wat zegt nu de Schrift? Maar immers, dat door dit Woord al wat er is geschapen wierd; dat door dit Woord van Gods kracht alle ding gedragen wordt en nog bestaat; en dat, waar dit Woord ook nu nog onder menschen uitgaat, geen Damascener kling met de scherpte van dit Woord te meten is, want dat het snijdender en scherper is dan een tweesnijdend zwaard en doorgaat tot in pees en merg.
_Ons_ woord, als afschijnsel van dit _eeuwige_ Woord, moet daarom wel een ontzettende macht bezitten. En dat is natuurlijk ook. Immers het _zwaard_ is het wapen van het lichaam, in het stoffelijke, in het uitwendige, in het zichtbare; maar het _woord_ is het wapen voor de ziel, in het onzienlijke en geestelijke. Vandaar dat, zooveel machtiger als uw _ziel_ is dan uw _lichaam_, zooveel hooger in macht ook de kracht van het _woord_ staat boven de kracht van het _zwaard_.
De ziel is meer dan het lichaam; uw ziel draagt heel uw lichaam; ze tilt uw lichaam op; ze speelt met uw lichaam; ze kan in vollen, koninklijken zin heerschen over het lichaam. Dus is ook de aard van uw zielskracht oneindig sterker dan de aard en de kracht van uw lichaam. Dat toont een martelaar. Dat ziet ge aan den kranken lijder, die God looft temidden van zijn pijnen. En zoo kan het niet anders, of ook _het wapen_, waar de ziel over beschikt, moet veel dieper gaan en verder reiken, dan het wapen van uw hand.
Niet bij een iegelijk. Dat spreekt vanzelf. Er zijn lieden, die hun zwaard stomp lieten en linksch zijn in het hanteeren. En zoo zijn er ook, die het »woord«, als het wapen van hun geest, niet slepen, noch ook de macht verstaan, om er al zijn werking aan te geven.
Maar wat zegt dat?
Als ge van de macht van een _zwaard_ spreekt, spreekt ge van een zwaard, dat wel gewet in de hand van den held rust. En evenzoo, als ge van de macht van het _woord_ handelt, bedoelt ge niet het gemeesmuil van een botterik, maar de bezielde taal, die uitstroomt uit den mond van wie spreken kan.
* * * * *
Nu kan dat geestelijk wapen van het _woord_ gehanteerd, om voor God te strijden en den zegen van zijn heil over alle creatuur te doen ruischen. Maar het kan ook tot dolk geslepen, om te wonden, te kwetsen en te dooden. En dat wil _de spot_.
Ge voelt toch, ook als een mensch zondaar is en kwaad wil, blijft die macht van het woord hem bij; maar om nu in haar tegendeel te worden omgezet. En zoo wordt het _woord_ op 's menschen lippen een wapen _tegen_ God en menschen, om te vloeken en God te lasteren, om te tieren en te morren, om te schelden en te schimpen, om te hoonen en te kwetsen door bitterheid en spot.
Een vreeslijk wapen, omdat er geen schild tegen beschermt. Het dringt in u, eer ge er op verdacht zijt. Verraderlijk overvalt het u. En ge hebt giftige wonden beet, eer ge zaagt, wat dolk tegen u wierd opgeheven.
o, De spot vlijmt zoo diep en zoo snerpend, zoo wreed en zoo wee!
Hij grijpt u in het merg van uw ziel en van uw wezen aan. Hij kerft tot in den wortel van uw aanzijn. Spot ontzenuwt, ontmant en ontzielt.
En dat wetend, heeft Satan juist daarom vooral dat snijdende, giftige wapen van den spot tegen Christus en zijn volk opgeheven. Tegen den Christus, toen Hij stierf op Golgotha, toen ze Hem tergden en hoonden aan het kruis.
En eveneens tegen zijn volk, tegen zijn kerk, tegen zijn martelaren en kruisdragers. Altoos dat giftige wapen van den spot, of hij ze ook ten val en van het geloof af kon brengen, omdat God ze niet uithielp.
Want dát is de spot, die dan tegen Gods volk gaat: »Gij Gods lievelingen! en ziet, wij triomfeeren over u! Gij Gods gunstgenooten! en ziet, hoe wij u in uw onbeholpenheid den voet op den nek zetten, en onze lach zich verzadigt en dronken drinkt uit de aanschouwing van uw armelijk aanzijn, en zich vermaakt met uw leed!«
Altoos weer dat duivelsch geroep: »Ha ha, waar of nu wel hun God mag zijn!«
Zoo groeit de spot in het zeer doen, kwellen, beschimpen en uitlachen, tot ge recht diep gekweld, gekwetst en gewond zijt, en de spotter ziet, dat het gelukt is, u verdriet aan te doen; zoo te verdrieten, dat ge zelf bitter en boos wierdt; ja, of het gelukken kon, om ook u aan het schimpen te brengen. En dan hebben ze eerst recht volop schik in hun duivelsch bedoelen; want u óók driftig, u ook bitter te maken, is hun zaligste wellust.
Immers dan klimt het genot der spotzucht tot de hoogste hitte, als ze u in uw machteloos wezen voor zich hebben, en dan in die machteloosheid tot woede kunnen tergen.
* * * * *
En daarom klaagt Gods volk uit de diepte van het gewonde hart, en roept het uit: _We zijn des spots veel te zat!_
Want, dat spreekt vanzelf, een kind van God is niet opeens door den spot vermand. Als die spottende, sarrende, tong pas begint, dan weet Gods kind wel: _Nu moet ik op mijn hoede zijn_, en neemt het zich zeer ernstig voor: _Ik zal een wacht voor mijn lippen zetten_.
Een tijdlang gaat het dan ook. En soms is het prachtig om te zien, hoe het vrome volk keer op keer genade ontvangt, om kalm en stil en lijdzaam te blijven; en telkens den giftigen pijl weer uit de wonde trekt, niet om dien terug te schieten op hem, die hem wierp, maar om hem te blusschen in de wateren des heils.
Maar als het _lang_ duurt, dán wordt het gevaarlijk. Als de spotter ons _rusteloos_ achtervolgt, en altoos nieuwe, in gif gedoopte pijlen in zijn koker gereed heeft. Als er geen eind aan komt. En we zien, dat onze lijdzaamheid hem prikkelt, om altoos dieper met zijn spot te wonden. Ja, dan waakt de korzelheid op; de nieren worden in u ontstoken; en zoo God ons niet hield, zouden we dan pijl tegen pijl willen inwerpen. Zoo zijn we des spots _dan veel te zat_.
En dan _moet_ er ook iets gebeuren.
Dat kan de ziel zoo niet dragen. Tegen die zonde van het _woord_ in den _spot_ moet dan ook onzerzijds met het wapen van het _woord_ gestreden. De vraag is maar, met _welk_ wapen van uw woord?
En dan hebt ge de keus. Dan kunt ook gij doen wat uw hater doet, en uw woord tot een giftige pijl toespitsen, of wel, ge kunt uw woord adelen en bezielen tot een klank _des gebeds_.
En wie nu goed staat, die voorkomt dan de verzoeking om terug te schimpen, en gaat _bidden_.
Het _gebed_, dat is voor hém het wapen van het _woord_, gelijk de _spot_ het wapen des woords is voor wie een hater van God en zijn volk is.
En dan heet het: »_Wees ons genadig, o Heere! wees ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat. Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hoovaardigen!_«
* * * * *
Wel u, zoo het daartoe, als ge tegenover den spotter staat, bij u komen mag.
Want als het op schimpen gaat, is hij uw meester, uw meerdere, u te machtig. Spotten kan hij onvergelijkelijk beter dan gij.
Maar _bidden_, dat kan hij op zijn beurt niet. Dat is het wapen, waarin gij meerder oefening hebt. Als het op dát wapen aankomt, zijt gij _zijn meester_.
En dan overwint ge, niet omdat ge onaandoenlijk wordt, of u aan den spot went; maar omdat hij u met zijn spot geen enkele wonde kan vlijmen, of op hetzelfde oogenblik wordt door uw Vader, die in de hemelen is, balsem in deze uw wonde gedruppeld.
Ja, meer nog!
Gelijk de storm en het onweder de natuur verfrisschen, en koorts soms het lichaam bevrijdt, zoo voelt gij dan ook, na zulk een strijd met den spot der weelderigen te hebben doorgestaan, u rijker en innerlijk sterker door meerdere genade.
En gelijk de held van achteren roemt in zijn wonden, die hem in den strijd voor het vaderland wierden toegebracht, zoo zoudt ook gij van achteren die wonde, u door den spotter in de ziel gevlijmd, niet willen missen.
Want zulk een wonde is u dan een heilsteeken, een waarmerk van de echtheid uws geloofs geworden.
Het dieplood is in de wateren uwer ziel neergelaten, en zie, de eeuwige Ontfermingen openden zich onder u.
ZEVEN-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.
»HIJ ZAL JERUZALEM NOG VERKIEZEN.«
Roep nog, zeggende: Alzoo zegt de Heere der heirscharen: Mijne steden zullen nog uitgespreid worden vanwege het goede; want de Heere zal Sion nog troosten, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.
Zach. 1:17.
Er wordt, God zij lof, in onze dagen weer _van 's Heeren volk_ ook in deze landen gesproken.
Bijna was dit er uit.
Men hoorde er de sprake nog van in de achterbuurten; het geluid ervan viel nog te beluisteren in de heggen en stegen; maar in het voorportaal was zulk zeggen _contrabande_ geworden. Van »Christenen«, van »lieve menschen«, van »geloovigen«, mocht daar nog gerept worden. Maar van _een volk_ des Heeren niet meer.
Dat was tale Kanaäns; evenals dat men van _Sion_ sprak, doelende niet op den bergtop vanouds, maar op de kerk van Christus in onze dagen.
Men duldde die wijze van spreken niet meer. Men wierd er korzel tegen in. Schier wierd er meê gespot. Stellig er de neus voor opgetrokken. Het moest uit zijn met die »ziekelijke« termen, als riekend naar bedorven mystiek.
Alle taal was goed. Taal, gebeeld uit het erts der philosophie. Taal, soms onverstaanbaar door allerlei nieuwmodische termen. Alleen maar, de _Schriftuurlijke_ taal wierd buiten de gemeene sprake gesloten. Of waar de Schrift nog meê mocht spreken, daar moest het dan althans uit het Nieuwe Verbond zijn, maar uit het Oude Verbond stellig niet.
En zoo wierd dan ook het spreken over »een volk Gods« in den ban gedaan.
Daar sprak Farizeïsme, daar sprak aanmatiging, daar sprak harde veroordeeling van anderen in.
Wat hoefde dat ook?
Het moesten altegader »vormen van onzen tijd« worden, en onze tijd wist van een »volk« in ons »volk« niets.
* * * * *
Thans betert dit weer eenigszins.
Uit de heggen weer naar de straten, uit de achterhoeken weer naar het voorportaal overgebracht, komt het spreken van het »volk des Heeren« thans weer in zwang.