Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

Part 17

Chapter 173,910 wordsPublic domain

»Mijn vader,« zoo zong hij in zijn weemoed, »mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten; maar ik heb een anderen Vader in den hemel; want de Heere zal mij aannemen, d. w. z. _aannemen als zijn kind_.«

* * * * *

In een _vaderlijk_ huis worden we geboren en naar een _Vaderhuis_ gaat de gezaligde door zijn sterven heen.

Goddelijk schoone speling van de heilige ordinantie onzer schepping.

Niet bijgeval is het, maar een heilige ordinantie, dat we uit vader en moeder geboren wierden. Het had ook anders kunnen zijn. God de Heere had ons allen stuk voor stuk, evenals Adam, uit het stof der aarde opeens volwassen kunnen scheppen. Maar dat wilde de Heere niet; dat deed Hij niet. Neen, Hij bestelde het door zijn wondere macht in dier voege, dat Hij het beginsel van den mensch, die komen zou, inschiep in den mensch, die er reeds was, en zoo den eenen mensch uit den anderen deed geboren worden.

Zoo ontstond op aarde een vader en moeder.

Ze wierden dit niet door eigen keuze; maar door en krachtens deze heilige ordinantie des Heeren, en tegelijk wierd door diezelfde ordinantie de mensch, die nu volgde, _kind_.

God heeft Adam _vader_ en Eva _moeder_; Abel _kind_ gemaakt, en sinds datzelfde wonder alle eeuwen door herhaald.

Het was in Gods gedachte, eer het op aarde verwerkelijkt wierd, en lang eer het eerste menschenhart in vader- en moederweelde van kindervreugde blij geklopt heeft, had God de Heere deze geboorte en dezen band en deze weelde bedacht en zich voorgesteld.

Ook al wat uit die geboorte en band en die weelde later uitvloeide, was dus in Gods bestel besloten en is uit dit bestel ons toegekomen.

Die inrichting, dat het kind eerst volkomen machteloos is, en zoo weer sterven zou, zoo het niet geholpen wierd; die moederborst, die gereed is, om de dorstige lipjes te besproeien; die sterke aanhankelijkheid van de jonge kraamvrouw aan dat wichtje; dat tobben met het kindeke, eer het iets spreken of loopen kan; die arbeid, die er in het zweet des aanschijns voor moet afgesloofd, om het te kleeden en brood te geven; en straks te ontwikkelen, iets te doen leeren, en te vormen; en wat ge er uit de ziekekamer en het bidvertrek nog bij kondt voegen,--dat alles ligt als in kiem in die éene gedachte Gods: een _kind_ uit een _vader_ en _moeder_.

En als nu straks ook in dat kindeke besef ontwaakt van wat het is, een _vader_ te bezitten en een _moeder_ rijk te zijn, en er vormt zich aanhankelijkheid en verkleefdheid, trouw en liefde, volgzaamheid en gehoorzaamheid, kortom die duizend banden, waarmeê het _kinderlijk_ besef aan _vader_ en _moeder_ verbonden is, dan is ook die weelde van het hart niets dan uitvloeisel uit de Goddelijke gedachte. Altegader goede gaven, van Boven van den Vader der lichten afdalende.

* * * * *

Maar hierbij blijft het niet.

Neen, God de Heere riep al dit schoons niet uit niet tot aanzijn, als een bloem des velds, die eerst wel sierlijk pronkt, maar straks verwelkt.

Neen, deze heilige ordinantie van den _vader_ en het _kind_ heeft hooger, heeft eeuwige beduidenis.

God schiep den mensch naar zijn beeld, naar den beelde en de gelijkenisse Gods schiep Hij hem. Let wel, niet enkel in zijn persoon, maar ook in zijn optreden. En als straks de eerste mensch _vader_ wordt, is dit aardsche en _vergankelijke_ vaderschap niets dan een afdruksel van het _eeuwige_ Vaderschap des Heeren HEEREN.

En al wat er nu in dat vaderschap op aarde uitkomt, is niets dan afdruksel, afschaduwing, afbeeldsel van dat eeuwige Vaderschap Gods. Alleen het splitst zich. Adam deelt zich in Adam en Eva. En de rijke volheid van het Vaderschap des Eeuwigen valt in het vader- en moeder-zijn uiteen, om saam in zijn onderlinge verbinding af te beelden en te vertolken het uit God geteeld en geboren worden; het door God gedragen en getroeteld worden; het door God gevoed en verzorgd worden; het door God gekleed en gedekt worden; het door God gevormd en ontwikkeld worden; ja, het gemind en geliefd worden door _den Vader_, die in de hemelen is.

En zoo ook omgekeerd, als God Abel _kind_ maakt, en na hem alle mensch eerst _kind_ maakt, dan heeft ook dat _kind_-zijn eeuwige beduidenis. Want ook dat _kind_-zijn uit _vader_ en _moeder_ is niets dan afdruksel en afschaduwing van wat ge zijn moet voor uw God. Afbeeldsel, opdat ge in deze schilderij van het huisgezin zoudt zien en er van zoudt leeren, hoe ook gij u door God hebt te laten dragen en voeden, alleen voor uw God hebt te leven, en voor uw God hebt te staan in die verkleefdheid en aanhankelijkheid, in die gehoorzaamheid en volgzaamheid, in die trouw en die liefde, die ge aan »vader en moeder« geleerd hebt.

Worden nu »vader en moeder« ten grave uitgedragen, dan houdt die heilige leerschool op; want leerschool was ze; meer niet. Dit alles moest teniet gaan en zich terugtrekken, om eindelijk het volle schoon der werkelijke, eeuwige liefde te doen doorbreken, als Hij u tot _zijn eigen kind_ zou gemaakt hebben, en ge Hem, den Heere, als _uw wezenlijken en eeuwigen Vader_ zoudt hebben leeren minnen.

Zoo werkt de _natuur_ voorbereidend en afbeeldend voor de _genade_!

En als dit eenmaal mag beseft worden, dan treurt het kinderhart niet in wanhoop bij het graf, dat vader en moeder omsluit; maar dankt het voor de liefdeweelde, die het genoot, en meer nog voor de heilige les, die het in die liefdeweelde geleerd heeft, om nu eerst recht _wezenlijk kind_ te worden, en nu tot zijn _wezenlijken Vader_ te komen.

»Mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mij [tot zijn kind] aannemen!«

_Kind_ te zijn is onze eeuwige roeping.

Indien gij niet wordt als dit kindeke, voor u geen zaligheid!

En nu maakt de Heere ons eerst kind van onzen vader, die ons gegenereerd, en van onze moeder, die ons gebaard heeft. En dan ontwaakt al spoedig het streven, om den kinderschoenen te ontwassen, en _geen_ kind meer te zijn.

En dat _moet_; want het eerste _kind_-zijn kon niet duren en is voorbijgaand.

Maar dan ontsluit God de Heere allengs het oog voor het _eeuwige kind_-zijn, en in zijn wondere liefde wordt Hij u als een _eeuwige_ Vader openbaar.

Dit is dus de samenhang tusschen dat vergankelijke en dat eeuwige kindschap.

Die aardsche _kinder_weelde de afschaduwing en de teekening, het bestek en de aanduiding van wat het eeuwige _kind_schap wezen zou.

En zoo werkt alles harmonisch op elkander.

Als _kind_ geboren, om eens als _kind_ van een _beteren Vader_ te sterven, en eeuwig in het _Vaderhuis_ daarboven _kind_ van den _Vader_ in de hemelen te zijn.

TWEE-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

»IN EEUWIGHEID NIET DORSTEN.«

Maar zoo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden eene fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.

Joh. 4:14.

Het water is in zijn kabbelen en perelen, in zijn wellen en vloeien, in zijn schuimen en bruisen een der schoonste stukken uit de schepping onzes Gods.

In alle vormen voegt het zich. Als damp wordt het vervluchtigd; straks tot sneeuw en hagel, tot rijm en ijs verhard.

Het besproeit den akker; het verfrischt den dampkring, het draagt de scheepkens, het omsluit het heir der visschen, het reinigt wat bezoedeld is; het lescht den dorst.

o, Dat wondere water, dat oor en oog en tong gelijkelijk weldadig aandoet, het kan vreeslijk worden; want als de golven worden opgestuwd, schrikt de schepeling; en als het breekt door dam en dijk, vernielt het hoeve en akker; maar in zijn aard is het water zegenend, reinigend, benedijend. In ons lage land, waar schier alles water is, waardeert ge dien wonderen rijkdom niet zoo; maar in hooger streek, waar het schooner uitkomt en meer moeite vergt voor zijn genieting, is het water een natuurpracht, een zegenende engel, een weelde der volken.

En dat rijke, schoone water, in welks spiegel de natuur al haar weelde afkaatst, dat water koos de Heilige Schrift ten beeld voor het ruischen van uw geestelijk leven.

In uw heiligen Doop is dat sterksprekend beeld ook aan u persoonlijk beteekend.

»Dorsten« is de vaste Schrifttaal voor wie dat geestelijk goed zoekt en derft.

En Jezus zelf sprak het immers tot de Samaritaansche waterputster uit Sichar: »Wie drinkt van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal niet dorsten in eeuwigheid.«

Ja, noemt niet de Eeuwige zelf zich in zijn Godspraak »een Springader des levenden waters«? (Jeremia 2:13.)

* * * * *

Op velerlei wijs biedt het water zich u aan voor uw dorst: Water, dat vliet; water, dat vanzelf welt, en water, dat ge putten moet.

Water, dat welt, leeft. Het is niet in ruste, maar borrelt aldoor op. En dit wellend, levend water vooral koos de Schrift u ten beeld voor den stroom, die geestelijk door de wereld der menschenkinderen trekt.

Komt ge nu in een bergstreek, gelijk Jezus bewoond heeft, dan spreekt dit beeld u, o, zoo wonderbaar toe.

In zulk een streek heeft niemand water in huis. In huis geen put of pomp of waterleiding. In het gansche huis geen drup waters, dan voorzoover het in kannen of vaten is aangedragen.

Maar middenin het dorp is de bron, staat de fontein, springt de springader. En naar die bron komt een ieder met zijn vuil geworden kleeding, en wascht ze; en komt een ieder met zijn leege kruik of kan, en vult die;--of ook, wie dorst heeft, legt zijn lippen aan de opening, waar het water uitborrelt, en drinkt.

Schoon en heerlijk beeld van den Zoon des menschen, die in het midden zijner gemeente staat. En tot Hem komt elke getrokkene om rein te worden; en tot Hem, om zijn dorst te lesschen, en tot Hem, om water te verzamelen, dat hij uitdrage naar zijn huis.

Maar lang niet elk dorp op de bergen is zoo gelukkig, om althans éen zoo sterk wellende fontein van levend water te bezitten; en in de Schrift leest ge telkens, en zoo ook bij Sichar, van een welput, waar het water niet uit opborrelde, maar uit _geput_ moest worden; en wee hem, dien dorstte en die bij deze bron zat, maar niet had, om mede te putten!

Geestelijk genomen is dan de stroom des levens wel nabij u, en wel is in u de dorst, en de kennis van het oog, dat uit die bron u de lessching moet komen; maar de macht des geloofs ontbreekt, en met het oog op het water daar in de diepte, vergaat ge van dorst.

* * * * *

Maar hetzij die Springader reeds vanzelf voor u opborrelt en u als overvloeit met zijn wateren, hetzij ge nog puttende zijt, om met moeite u den beker te vullen, toch is die Fontein van wateren _buiten uw eigen woning_ nog het hoogste niet, wat God u beschikt heeft.

o, Als in zulk een dorp, waar geen druppel waters in eigen huis is, en het al elken morgen, elken middag en elken avond weer in kruik en kan moet aangedragen, een vreemdeling, van buiten komend, eens met toovermacht een eigen fontein in ieders huis kon doen ontspringen, hoe zou al het vermoeide volk in luiden jubel uitbarsten en hem zegenen, dien brenger van hun geluk.

En zoo toch is het hier.

Uw Heiland wil u levend water _in uw eigen woning_ doen ontspringen, dat ge met de Samaritaansche, maar in geestelijken zin, roepen zoudt: »Heere! geef mij van dat water, dat ik niet meer hier behoef te komen om te putten.«

Niet meer als op Sion, het heiligdom daar verre, en daar hoog alleen de beekjens, die verblijden de stad Gods, maar aanbidding in geest en waarheid; niet meer in Jeruzalem of bij den put Jakobs, maar in ieders huis en hut en stulp; overal waar harten voor zijn glorie kloppen, en waar zijn Woord den dorst der zielen lescht.

* * * * *

En toch, ook dat was voor den rijkdom van Gods genade nog niet rijk genoeg.

Nóg sterker zegt Jezus het: Het water, dat Ik u geven zal, zal niet maar in uw eigen huis, maar _in uzelven_, in uw _persoon_, in de diepte uwer eigen _ziel_, worden tot een _fontein_ van wateren; en in wien het alzoo wierd, dien kwelt geen dorst meer in der eeuwigheid.

o, Wel u, zoo het ook in uw eigen zielsleven tot dat hoogste mag gekomen zijn.

Niet alleen, dat de Fontein welt en de wateren uit de Springader _daarbuiten_ ruischen; en ook niet enkel, dat er een springader van geestelijke wateren _in uw eigen woning_, middenin uw eigen gezin ontsprong; maar rijker nog, dat het _tot in uzelven_ doordrong; dat er leven onder den bodem uwer eigen ziel ging ritselen; en dat binnenin u de wateren uitborsten, die het dorstig land overvloeiden, en u drenkten en u zoo zalig genieten deden in de weelde uws Gods.

Christus niet maar in het midden der gemeente; Christus niet maar in het midden van uw huiselijk leven; neen, maar de Christus binnenin u; woning in u makende. De Springader des levens altoos nabij!

Want ook dan komt er nog wel trek naar en behoefte aan die geestelijke wateren in u op; maar het wordt geen pijnlijk dorsten, geen branden van de lippen meer; want eer ze branden konden, heeft de liefde Christi ze reeds besproeid.

Een Fontein van levende wateren, en dus nooit meer een dorst, die brandt en verschroeit, dan door schuld van eigen ongeloof. En, zelfs onder dat ongeloof en kleingeloof door, Christus in u toch in het verborgene den wortel van den stam uw levens besproeiende.

o, Dat is het zalige.

Bij wien het zoo is, dien dorst niet meer in der eeuwigheid.

DRIE-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

»UWE GLASVENSTEREN KRISTALLIJNEN.«

En uwe glasvensteren zal Ik kristallijnen maken, en uwe poorten van robijnsteenen, en uwe gansche landpale van aangename steenen.

Jes. 54:12.

Het glasvenster is de opening in den wand, waardoor ge uitziet naar buiten. Is het glas van dat venster met ijsbloemen bevroren, dan glinstert en spiegelt het, maar geeft geen doorzicht. Is het met vocht bevlekt en met stof bezoedeld, dan vervalscht het uw uitzicht en tint alles somber en grauw. Maar ook, is het glas in uw vensteren zuiver spiegelglas, zonder spat of vlek of verwering, en is dat zuivere spiegelglas van binnen en van buiten volkomen glad en stofvrij, dan laat het uw blik niet alleen door, maar dan leent het glans aan wat ge waarneemt.

Door heerlijk glas gespiegeld, is de omtrek, dien ge waarneemt, zelfs nog schooner dan door het open raam.

Soms zelfs poogt men door een tint in het glas nog hooger uitwerking te bereiken. Bij het walmen van het Bengaalsche kunstvuur tint heel de omtrek zich soms zoo tooverachtig schoon. En als om dat schoone effect na te bootsen, nam men eertijds vaak purpergetinte glasvensteren. Dan scheen door dat paarsroode glas al wat te zien kwam in nog boeiender kleuren voor te komen. Het gaf aan het vergezicht, waarin men zich vermeide, een nog verhevener glans.

Zooals 's morgens soms de dageraad de natuur in purperen glansen doopt; zooals des avonds soms de ondergaande zon pracht over heel de schepping spreidt; zooals bovenal het dalend zonlicht soms de sneeuwwitte toppen der Alpen doet gloeien; of ook het noorderlicht het firmament weet rood te verven met een rood, dat niet dekt, maar plechtige diepte ontsluit; zoo poogde men vaak ook door purpergetinte glasvensteren het tafereel om zich heen te verlevendigen. In zacht purper weggedoken, scheen dat tafereel zoo bemoedigend, zoo boeiend, zoo schoon!

En zoo nu ook zegt de profetie van Jesaja, dat God de Heere voor zijn volk een woonstede bereidt, gegrondvest op saffieren; en die dit bovenal tot heerlijkheid zal hebben, _dat het uitzicht naar buiten door kristallijnen vensteren zal wezen_. Een uitzicht zoo boeiend en zoo schoon.

Nu blijve de vraag hier onbeslist, wat stof hier met dat kristallijn bedoeld is. Jesaja schreef _Kadkood_. En nu zegt de een, dat dit _kristal_, de ander, dat dit een _robijn_, een derde, dat dit een _karbonkel_ of _agaat_ aanduidt. Maar wat keurgesteente ook bedoeld zij, dit staat vast: het doelt op een glasvenster, dat een _heerlijk_, een _schitterend_, een _prachtig_ uitzicht geeft, en den aanblik van wat ge waarneemt in glans en in schoonheid verhoogt.

* * * * *

Kennelijk doelt deze ontfermende profetie niet eerst op het Vaderhuis daarboven; want er volgt op, dat de verderver komen zal, om te beproeven, of hij Gods volk nog ten val kan brengen, en dat geschiedt in den hemel niet meer.

En ook wordt er niet gedoeld op een _uitwendigen_ gelukstaat op aarde; want er staat, dat de verschrikking, die komt, »niet eens tot hen geraken zal«, terwijl het kruis, dat we onzen Heiland hebben achterna te dragen, eerst van ons scheidt bij den dood.

Neen, dat huis op saffieren gegrond, met zijn ingangen van robijnen en zijn kristallijnen vensteren, is de woonstede van geestelijken gelukstaat, waarin _door het geloof_ soms reeds op aarde Gods lieve kinderen zich verblijden mogen. Want aldus besluit de profeet: »Alle tong, die in het gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen; dit is de erve der knechten des Heeren, en hun gerechtigheid is uit Mij!«

En _nu_ verstaan we die kristallijnen vensteren, die een zoo geheel andere tint werpen op wat we door die vensteren waarnemen. Want nu beduidt het zien door die kristallijnen vensteren het zien op wat ons in den zaligen glans van het geloof voor het zielsoog verschijnt, het bezien van heel ons leven en van wat om en voor ons ligt in den glans van den eeuwigen dageraad; een op en over alles zien glinsteren der purperen, spelende stralen van de Zonne der gerechtigheid!

* * * * *

Aan onszelf overgelaten, zou er óf geen venster in den somberen muur, óf niets dan een bestoven en bezoedelde glasruit wezen, die voor ons oog alles nog grauwer, nog somberder, nog doffer tintte, dan we het zien met het bloote oog.

Dan overkomt ons wrevel en moedeloosheid. Zoo donker is het pad voor ons uit. Zoo met ongerechtigheid overvloeid is het eindweegs, dat we achter ons hebben. Zoo weinig moedgevend, zoo triestig, zoo in grauwe mist gehuld vertoont zich het leven. En zelfs als we naar het uitspansel opzien, is er geen star, die ons vriendelijk tegenflonkert, maar grauwt alles mat en dof.

o, Het leven van een ontdekte ziel zou haar tot stikkens toe benauwen. Zoo hopeloos somber en droef als de wereld zich aan haar oog ontdekt.

Dat deed haar vóor ze ontdekt wierd geen pijn. Want och, toen staroogde ze gedachteloos en merkte niet op; toen bleef ze hangen aan de oppervlakte, gelijk een kind doet; toen vergaapte ze zich aan het Bengaalsche vuur, waarmede de wereld aan haar ellendig ledig een schijn bijzet.

Maar nu er licht van boven in haar zielsoog viel, en ze de wereld ziet, zooals ze is; ziet door de nevelen heen; ziet tot op den bodem en tot in den verkankerden wortel; nu, ja, komt én die wereld én haar eigen verleden, haar eigen wezen, en het wezen van wat ze het liefst op aarde had, kortom alles, zoo naakt, zoo ontbloot, zoo onooglijk uit, dat ze het gelaat liefst afwendt en maar liever _niet_ ziet, om door het zien niet bij vernieuwing te lijden.

En dan komt de ondoorgrondelijke Barmhartigheid en zet in dien somberen muur voor u _kristallijnen vensteren_.

En als ge daar doorheen gluurt, o, dan wordt het opeens alles zoo geheel anders getint.

Dan ziet ge uw pijnlijk verleden gedekt met witte wol. Dan ziet ge den strijd en de woeling des levens gedoopt in den glans eener eeuwige heerlijkheid. En zelfs op het droefste levenspad ziet ge dan den felst gejaagden pelgrim nog wandelen in het licht van Gods vriendelijk aanschijn.

En ziet ge dan op naar boven, o, door die kristallijnen vensteren gezien, is die hemel dan niet meer droevig rood, noch grauw van nevelen, maar tintelend met vonken van eeuwige heerlijkheid, en u tegenstralend met bekoorlijken gloed.

* * * * *

Het is wel zoo, dat Gods kind _niet altoos_ die heilige genieting smaakt. Och, zoo dikwijls vergeet hij dat kristallijnen venster geheel, en trekt zich terug in een hoek, of verbergt zich achter de gordijnen van zijn legerstede, of blijft nederhurken in de laagte; en natuurlijk, dan ziet hij niets van dat schoon, en gunt dat kristallijnen venster hem zijn glansch niet.

Het inzinken is ons vaak lief. Verre beneden onzen staat te leven schijnt soms ons klein geloof te bekoren. En dan zijn we weer pessimisten. En dan wenkt ons de hope niet meer. En bestoven door onze eigen weerstrevigheden, mompelen en morren we dan tegen ons lot, en soms zelfs tegen onzen God.

Een nog levende boom kan soms zoo schrikkelijk verdord en kaal en door den stormwind of door wormen en rupsen gehavend wezen.

Maar daarin hebt ge dan toch geen rust.

Temidden van die matheid der ziel komt dan weer de heugenis van wat ge eens door de kristallijnen vensteren gezien hebt. En ze trekken u weer, tot ge eindelijk uit uw hoek uitkomt, of uit uw legerstede weer opstaat, en ja, dan is uw eerste gang weer naar die kristallijnen vensteren, om in die pracht en in dien glans van Gods vertroostend aangezicht u weer te verlustigen, en uw ziel leeft weer op.

Soms bestelt God de Heere daartoe een helpende hand.

Dan is er éen, die aan dat kristallijnen venster stond en er doorgluurde en genoot, en het uitriep en het uitjubelen moest: »Hoe Goddelijk, hoe verrukkelijk schoon!«

En als hij op datzelfde oogenblik dan u in uw somberen hoek hoorde klagen en morren, dan drong hem de liefde soms, om u toe te roepen: »Kom herwaarts toch bij mijn kristallijnen venster! o, Door dit venster des geloofs is alles zoo schoon!«

Zoo lokte soms een moeder haar dochter, een vader zijn zoon, een zuster haar broeder!

Engelendienst en liefdedienst tevens!

Tot ze saam voor het kristallijnen venster stonden, en toen naar dien zaligen hemel gluurden, en als uit éen mond Hem verheerlijkten, die hun dat _kristallijnen venster_ schonk.

VIER-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

»MET MIJNE ZIEL HEB IK U BEGEERD!«

Met mijne ziel heb ik U begeerd in den nacht; ook zal ik met mijnen geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken.

Jes. 26:9.

Tweeërlei gebod komt tot uw ziel.

Van den eenen kant heet het: »Gij zult _niet_ begeeren!« en toch van den anderen kant wordt u gezegd: »Bidt zonder ophouden.« En bidden, wat is dit anders dan _begeeren_? Sterk, dringend, met al de aandrift der ziel _begeeren_, en niet rusten, eer ge uw begeerte hebt.

De diepe, gapende afgrond, waar dit sterke begeeren uit opkomt, is _uw hart_. De Heilige Schrift noemt dit: »Het _diepe_ hart.« Bodemloos diep. Zoo diep, dat God zelf _de eeuw_ in uw hart heeft gelegd.

En dat hart (en hier merke toch een iegelijk scherpelijk op), dat diepe hart is _leeg_.

Van nature is er in uw hart niets in. Uw staat als schepsel brengt dat met zich. Een schepsel heeft niets. En ook al staat gij onder de creaturen het hoogst, creatuur blijft ook gij toch; en daarom _kunt_ ge van nature niets in u hebben. In den Heere HEERE is het _wezen_; niet in u. En hol, ledig, naakt en ontbloot te zijn is uw aard, die u is ingeschapen. Zoo sterk, dat zoo te kwader ure allerlei inbeeldingen in uw hart zijn ingebroken, al uw heil juist daarin gelegen is, dat ge weer _ont_ledigd wordt en komt tot verloochening.

Wie het zich anders voorstelt, bedriegt zichzelven, en tot dien komt de Heere en zegt het hem aan: »Gij zegt, ik ben rijk en verrijkt geworden en heb geens dings gebrek, en ge weet niet, dat ge zijt arm en naakt en blind!«

* * * * *

En _diep_ hart, en dat hart _ledig_;--en toch, ook dàt is nog het ontzettende niet.

Neen, al het aangrijpende, al het onrustbarende, al het noodlottige van uw hart verstaat ge dan eerst, als ge er nu bijvoegt: _en dat er op aangelegd is, om geheel vol en vervuld te zijn_.