Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

Part 16

Chapter 164,114 wordsPublic domain

Maar, helaas, zoo is de groote menigte niet. De gemeene lieden worden zelden diep geroerd. Bij het zien en het hooren van menschelijk lijden sluipt er even een trilling door hun gevoel. Vluchtig worden ze een enkel oogenblik bewogen. Maar dan heeft het ook uit. Tot een eigenlijke _aandoening_ zelfs komt het maar hoogst zelden. En om zich anderer lijden _aan te trekken_, hebben ze het te druk; deden ze te veel teleurstelling ook in het medelijden op; en wat ook iets zegt, hebben ze te zeer genoeg en te over aan hun eigen leed. En zoo ontwikkelen ze in hun ziel de ontferming niet. Het zoet der barmhartigheid is, o, zoo zelden, en dan nog maar even hoogst oppervlakkig, door hen gesmaakt.

Toch is er nóg erger.

Er is ook een »_on_goedertieren volk« op aarde. Hardere naturen, die zelfs die eerste trilling van het medelijden niet kennen, en eer in hun boos en bitter hart in anderer leed vermaak scheppen.

In den diepsten grond van hun hart ontevreden met eigen lot, verbitterd tegen het leven om zich heen, is het hun een zoet der wrake voor de ziel, als het ook anderen tegenloopt en bij anderen de nood nog banger schreit. Het is, of anderer schreiender smart hún lot een oogenblik met een vriendelijker glans bestraalt.

Een leedvermaak, vermaak in anderer lijden, is de sombere, booze neiging van hun hart geworden.

Zóo bitter, dat ze drang in zich gevoelen, om, als ze geen leed _zien_, leed te _veroorzaken_.

Geluk te _verstoren_ is voor dit ongoedertieren volk zoet.

Een wonde open te rijten is hun wellust.

* * * * *

Dan vooral geniet dit »ongoedertieren volk«, als het zijn hatenden zin koelen kan aan wie voor den Heere koos.

»Verlos mij van het ongoedertieren volk!« klaagde de Psalmist in zijn zielsbenauwing, en nóch eer hij zong, nóch na zijn zang, is er ooit een ziel geweest, die voor God riep en voor Jehovah streed, of ze heeft aan de giftige pijlen van dit ongoedertieren volk ten mikpunt gediend.

Toen Noach zijn arke bouwde, heeft dat ongoedertieren volk hem met zijn spot en schimp vermoeid. Toen Lot nog in Sodom woonde, heeft dat ongoedertieren volk dezen rechtvaardige gekweld. Toen David voor Absalom vluchtte, heeft dat ongoedertieren volk van Jeruzalem hem nageroepen. Toen Israel naar Babylon toog, heeft dat ongoedertieren volk in Edom het staan beschimpen en het stof der aarde tegen hen opgewoeld. Toen Stefanus als eerste bloedgetuige stierf, heeft dat ongoedertieren volk de steenen op zijn lijk opgehoopt. En toen de Man van smarten zijn kruis naar Golgotha's heuvel sleepte, heeft datzelfde ongoedertieren volk geroepen: »Zijn bloed kome over ons en onze kinderen,« en straks, nog terwijl Hij den bangen doodsstrijd streed, Hem getergd met zijn duivelschen spot.

En gelijk het den Herder der schapen gegaan is, zoo ook is het den schapen zijner kudde vergaan.

Lees maar, wat de historie, vooral de historie der martelaren, u van de wreedheid van dat ongoedertieren volk weet te verhalen.

En nog, ga maar rond onder Gods volk in onze steden en dorpen, en altoos weer zult ge het droef verhaal beluisteren van de hardheid van hart, waarmeê dat ongoedertieren volk zijn verblinde bitterheid aan de sekte van den Nazarener heeft gekoeld.

Zelfs onze kinderen weten daarvan.

Want datzelfde ongoedertieren volk zit ook op de schoolbanken, speelt ook de spelen der jeugd mede.

Och, waar ge aanklopt, in onze kazernen, op onze schepen, in onze kantoren, schier altoos is dat ongoedertieren volk er vertegenwoordigd, op krenking van wie voor Jezus kiezen dorst belust.

* * * * *

En dat kán niet anders.

Het is en blijft Kaïn tegen Abel. De innerlijk ontevredenen van hart, die, bewust of onbewust, door bittere vijandschap tegen den Heere onzen God gedreven worden, en nu ze God zelf niet deren kunnen, Hem pogen te treffen in den man, in de vrouw, in het kind, dat durft opkomen voor zijn Naam.

Voor een beest, dat lijdt, zullen zulke lieden nog een meewarig oog hebben; voor dieven en moordenaars zullen ze het verblijf in den kerker nog zacht zoeken te maken; voor gewonden in den krijg zullen ze het Roode Kruis nog om den arm spelden; alleen maar voor de gekenden des Heeren kennen ze geen ontferming. Tegen hen spitst al hun ongoedertierenheid zich op het uiterste.

Dan huwt zich hun wreede zucht naar leedvermaak aan hun vijandschap tegen het heilige. En zoo vlamt in hen op die diepe goddelooze haat, die er in geniet, om een Abel, een Lot, een Stefanus te krenken en zeer te doen. En dan gaat het, al naar de tijden zijn, tot moord toe, of het blijft bij kwetsing, kwelling, grieving, terging, om maar zeer te doen en, kan het, schade te berokkenen in eer en naam en goed.

Dan woedt er hartstocht in dat ongoedertieren volk.

Een hartstocht, die, pas verzadigd, straks opnieuw om voedsel vraagt, en eigenlijk nooit verzadigd, nu reeds zestig eeuwen gebrand heeft, van Kaïns nijd tot op den schimp, waaraan thans nog 's Heeren volk is blootgesteld.

Dit is een plage voor Gods volk. Een levensplaag, die hen vervolgt tot aan hun graf, en die soms na hun dood nog knaagt aan hun nagedachtenis.

Een plage, door menschen ons aangedaan, maar die komt uit Gods hand. Door Hem over ons beschikt. In zijn wijsheid voor ons noodig gekeurd.

En de vrage is maar, hoe 's Heeren volk onder dien druk van het ongoedertieren volk verkeert.

Het mag er tegen bidden. De Psalmist zelf gaat er in voor: »Heere! verlos mij van het ongoedertieren volk!« En wee u, zoo ge er ongevoelig voor wordt, en zoo uw ziel er zich tegen afstompt!

Maar wat niet mag, is, dat ge er bitter tegen in zoudt worden. Wat zonde voor God zou zijn, is, als ge er _zelf_ ongoedertieren door wierdt, om leedvermaak in de smarten dier boozen te hebben.

De tegenstelling moet altoos blijven: _zij_ het _on_goedertieren, maar _gij_ het _goedertieren_ volk.

»Als dan uw vijand hongert, spijst hem; zoo hij weent, vertroost hem.«

Het kind moet het beeld zijns Vaders dragen. En Hij, onze Vader in de hemelen, is de ondoorgrondelijke in eeuwige ontfermingen.

In ontfermingen, immers ondoorgrondelijk niet het minst ook over u?

NEGEN-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»MIJNE SCHAPEN!«

Mijne schapen hooren mijne stem.

Joh. 10:27.

Onze kerk belijdt in hare Confessie, dat heel de natuur om ons heen als een boek met letterkens is, »die ons de onsienlicke dinghen Godes ten aanschouwen gheven«.

En dit is schoon gezegd.

Maar toch kon men allicht nóg schooner zeggen, dat heel die wereld een boek met sprekende beelden om ons uitspreidt, die ons in heilige beeldspraak de verborgenheden van het eeuwige Koninkrijk, zoo er ons oog maar voor geopend is, ontvouwen.

Daar ziet Jezus langs Galilea's glooiende heuvelen een herder met zijn kudde omdwalen, en die schapen met hun witte wol boeien Hem; die schapen met hun lammerkens er bij huppelend; en opeens ziet Jezus, door dat uitwendige heen, in die kudde het wezen van zijn heilige kerk.

_Hij_, de goede Herder, en die kudde _zijn_ schapen, die Hem volgen zullen, waar Hij ook henengaat.

Niet, dat Jezus er dat zoo bij dacht en bij manier van vergelijking het er van maakte.

Neen, _Hij las het er uit_; het stond er in;--in die kudde met haar herder stond, van het Paradijs af, het beeld van Christus en zijn kerk geteekend.

De Heere onze God, die in zijn eeuwigen raad het bestek voor zijn kerk had geteekend, was ook de God, in wiens denken het eerst het denkbeeld van zulk een kudde met haar herder was opgekomen, en toen schiep Hij die kudde en in die kudde de lammeren en de schapen, en in die schapen de natuur der schapen, en onder die schapen onderling en met dien herder een ongedwongen en instinctief levensverband, en dit alles schifte en ordende en regelde Hij, naar het wezen zijner kerk moest zijn.

Zoo lag dan in die kudde het beeld der kerk van het Paradijs af geteekend.

En nu, iets had de Heilige Geest hiervan reeds in David en in Psalm 23 en bij Zacharias en bij Ezechiël laten merken.

Maar toch, die het er in las, en het er aan zijn kerk in lezen leerde, was de Heere.

»Ik ben de goede Herder en Ik ken mijn schapen,« dat was het voorlezen aan zijn kerk van wat in dit keurig beeld der kudde bij de schepping bedoeld was en van de schepping er lag.

* * * * *

Als God de Heere ons zulk beeld geeft, is het zoo rijk en zoo schoon.

Of als die schapen der kudde op elkaar dringen en niet van elkaar te scheiden zijn, zoodat waar het eerste schaap gaat al de andere opeendringend volgen en nakomen, en ge uit de verte éen veld van witte wol ziet, en nauwlijks schaap van schaap onderscheiden kunt, spreekt dan daarin _de liefde_ niet, die teedere, innige, aanhankelijke liefde, die de leden Christi verbinden moet? Heeft dat dan aan de kerk niets te vertellen van »de gemeenschap der heiligen«? En als dan de zonen van hetzelfde huis zoo vaak verdeeld uiteenloopen, elk naar een kant, gaat er dan van het instinct dier kudde niet een roepen uit, dat u een verwijt brengt en u beschaamt?

Hebt ge in streken, waar kudden van duizend schapen en meer samen weiden, des morgens bij het uitgaan uit den schaapstal het vroolijk blaten wel eens beluisterd? En is dan dat blaten als met éen stem, met éen geluid, niet als de morgenpsalm met éen akkoord door heel de kudde voor heur Schepper aangeheven? En ook die éene stem, die zich uit aller keel saampaart en als met éen akkoord door de velden dreunt, heeft zij geen sprake voor de kerke Gods, dat ook zij in veel hooger zin als met éen stemgeluid en in éen heilig akkoord haar lofpsalm voor haar God heeft te jubelen?

Duiken niet, als de kudde langs een beek wordt geleid, al die vriendelijke kopjes neêr, om aan eenzelfde stroomend water zich den dorst te lesschen, en als er maar plaats is, plukken ze dan het groene gras niet van eenzelfde weide?

En als ze zich moê hebben gehuppeld en de zon gaat hoog staan en het uur van ruste is gekomen, leggen ze zich dan niet allen saam als in éen kring om den herder neder, half tegen elkaar aangedoken en als leunend op elkaar?

En dit wondere instinctieve liefdeleven, die gemeenschappelijkheid, dat instinctief gezellige en saam doorleefde leven, is het niet een beeld, heeft het niet een sprake Gods, die het »Vader! dat ze allen éen zijn mogen!« zoo wonderschoon voor ons vertolkt?

* * * * *

En dan die ongeziene en toch zoo sterke band aan den herder!

Schier elk ander dier vindt zijn eigen weg; maar het schaap en het lam is zonder den herder blind, en kent niets, en komt om!

Die herder hoort bij de kudde, zooals uw hoofd bij uw lichaam hoort, zullen de leden werken kunnen. Zonder dien herder zijn het losse schapen, maar is het de kudde niet. Het is die herder, die ze tot kudde maakt.

En zooals er bij Ezechiël van de raderen der cherubijnen staat: »Waar de Geest ging, daar gingen zij«, zoo ook is het met de kudde achter den herder: »Waar de herder gaat, gaat de kudde na.« Het is éen beweging, die zich van zijn voetstappen aan heel de kudde meêdeelt. Het is, of hij leeft in die kudde en macht over ze heeft om ze in beweging te zetten.

En dat niet, omdat er _een mensch_ voor hem uitgaat. Beproef het maar, om bij een u vreemde kudde voor herder te spelen, en geen schaap komt van zijn plaats. Vreemd blaten ze u aan; maar hun instinct belet u, macht over hen te oefenen.

Totdat de herder komt, en dan opeens toovert die herder leven en gang in die kudde en alles trekt meê op.

En dat merken ze niet aan zijn kleed of gewaad, aan zijn staf of zijn hond. Want trek hem vrij andere kleederen aan en geef een anderen staf in zijn hand, en toch, _als ze zijn stem maar hooren_, gaat op eenmaal heel de kudde hem achterna.

En nu, wat is dit wondere instinct? Waartoe schiep de Heere dit aan zijn kudde in? Waarom anders, dan om ook daarin zijn Goddelijke teekening te volmaken, en de kerke Gods als in beeld te doen zien, wat het tusschen haar en den Oppersten Herder harer ziele moet zijn?

Aan Hem gebonden en aan Hem gewend en Hem volgend door niets dan door de macht van zijn Woord!

* * * * *

En dan die wolf, die komt en de schapen moorden wil, en die huurling, die haastig over de heining klimt en schapen wil stelen; en tegenover beiden die echte, wezenlijke herder, die om niets dan om zijn kudde denkt, en voor ze waakt en strijdt en zich desnoods door den wolf verscheuren laat!

o, Die goede Herder, die zijn leven voor de schapen stelt, en zóo niet ziet, dat de wolf uw ziel wil bespringen, of Hij is bij u!

Ja, als de wolf u reeds in de vacht had gegrepen, dan laat Hij u nog niet los, maar omklemt u en houdt u met zijn sterke hand, en noch wolf noch huurling kan u uit die sterke hand losrukken.

Dat merkt de wolf, dat merkt de huurling dan ook wel, en als wolf of huurling den Herder er bij ziet, durven ze niet. o, Blijft bij Jezus maar en laat Jezus bij u blijven, dan zijt ge niet maar veilig, maar komt zelfs de Verleider niet op u aan.

En dan, als ge afgedoold en verloren waart, die Herder, die u opzoekt en niet rust, eer Hij u weer heeft gevonden, en u op zijn schouders naar de kudde terugdraagt.

En, om niet meer te noemen, bij die kudde de teere lammerkens, die als het zaad der kerk zijn, en die nog niet zelf grazen kunnen, maar met melk gevoed worden.

o, Is het toch niet heerlijk, in zóo éen levend beeld heel het wezen en leven en lot en heil van de kerke Gods voor oogen te zien?

Dat we dan toch maar schapen der kudde wilden wezen en noch ooit dien Herder noch ooit de aanhoorigheid tot zijn kudde vergaten!

Het is zoo, een schaap geldt voor onnoozel en een schaap is weerloos en hulpeloos.

Maar is er zoo ook niet een erkentenis van eigen geestelijke blindheid en hulpeloosheid en weerloosheid, waartoe het bij u komen _moet_, zult ge in de kudde Christi een plaats vinden?

Een schaap der kudde te zijn, o, het klinkt vernederend, en toch dát juist is het, wat uw Herder van u vraagt.

VEERTIGSTE ZONDAG.

»ALS KAF VAN DEN DORSCHVLOER!«

Daarom zullen zij zijn als eene morgenwolk, en als een vroeg komende dauw, die henengaat; als kaf van den dorschvloer, en als rook uit den schoorsteen wordt weggestormd.

Hosea 13:3.

Er ligt een onbeschrijflijk diepe ernst in dat zeggen der Schrift, dat een mensch, die Jezus niet toebehoort, als _kaf op den dorschvloer is_.

Kaf is niet onnut, vuil, noch weg te vagen stof. Veeleer is kaf eens bloeiend groen aan den halm geweest.

Er wierd in de opgeploegde voren tarwegraan door den zaaier gestrooid en de egge trok de voren weer glad. En toen broeide de zaadkorrel in den bodem der aarde; en uit die korrel sproot de kiem op; en die kiem schoot tot een halm omhoog; en aan den top van dien halm botte de aire uit, en in die aire geelde het kostelijk graan.

Daarna is de maaier op dat goudgeel graan ingegaan, en sloeg er den sikkel in, en bond het in schooven. En zoo kwam de schoove op den dorschvloer, en de dorscher sloeg er de graankorrels uit de hulzen. Toen lag het daar onderscheidenlijk, los de graankorrels, en daarom hetgeen van aire en halm was overgebleven, en dat overgeblevene was _het kaf_.

Straks komt de wanne, en kaf en koren liggen voor het laatst vereenigd op de gespannen vacht; en op die wanne blijft dan het wichtig graan liggen en wordt in de korenmaat opgevangen; maar het kaf is te licht bevonden, en verstuift bij het schudden op den wind, of wordt straks in een hoek weggeworpen.

Eens heeft datzelfde kaf dus tier en sap gehad. Eens groende het aan den halm rijk en weelderig, en stal veel meer het oog dan het graan, dat in de huls verborgen zat.

o, Hoe scheen, wat nu kaf wierd, toen schoon en sierlijk!

En nu, waartoe anders is het nut, dan om te verstuiven op den adem des winds, of met vuur verbrand te worden?

* * * * *

Er is meer nog.

Wat op den dorschvloer als kaf wegstuift, was aanvankelijk met het tarwegraan zoo innig dooreengevlochten. Ge kondt niet zeggen, waar het kaf uitscheê en het tarwegraan begon. Het was al aan éen halm; saam éen plante. En niets scheen aan te duiden, dat het met kaf en koren een zoo geheel onderscheiden afloop zou hebben. Ze schenen lotgemeen; en toch op den dorschvloer heeft dat een einde. Dan komt er onherroepelijke schifting, en gaat het koren in de schuur en is het kaf voor het vuur.

Zooals Jezus het van die twee op den akker zeî: »Twee zullen op den akker zijn. En de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden!«

Dat is de schriklijke schifting tusschen _koren en kaf_.

Die twee waren misschien een vader en een zoon; een dochter en haar moeder. Twee, die bijeenhoorden; die elkaar liefhadden en omstrengelden; die elkaar hielpen en gesteund hadden. Juist zooals het kaf het koren doet. Want, merk er op, het kaf is de moeder en het koren de dochter. Eens heeft die huls en spriet en halm het koren, het sap uit de aarde toegevoerd; dat koren geschut voor de felle zonnestralen.

En toch, zooals Jezus zeî: »De eene wordt aangenomen, en de andere zal verlaten worden,« zoo ook gaat het op den dorschvloer. De dorscher neemt het koren aan en brengt het in zijn voorraadschuur, en het kaf _laat hij_.

Het kaf is voor den wind. Of als het voor den wind te wichtig is, wordt het straks een prooi der vlammen.

* * * * *

Toen de Heere bij Hosea van dat »kaf op den dorschvloer« sprak, gold zijn zieldoordringend woord dan ook niet den Kanaäniet, noch den Tyriër, maar _Israel_. Lieden, die het bondszegel droegen, gesproten uit Abraham, en die bij Dans en Bethels altaren nog zeer vromelijk voor den Heere Jehovah op de knieën vielen, ook al symboliseerden ze Hem in een miniatuur-rund van goud.

Denk dus niet: het _kaf_ slaat op de _wereld_ en het _koren_ zijn _wij_. Van de wilde massa, die zichzelve op goddelooze paden verliest, is hier geen sprake. Lieden, die brutaal-goddeloos zijn, kunnen geen _kaf_ heeten; want het _kaf_ zit met het _koren_ dooreengevlochten, en de ruwe, wilde wereld woont op mijlen afstands van de tente, waar de aanbidders van Jehovah saamkomen.

_Kaf_ en _koren_ doelt altoos op menschen, wier leven dooreengestrengeld is; aan wie men het zoo niet aan kan zien, dat de eene koren is en de andere kaf. En het sterkst doelt dus dat vreeslijke zeggen van het »kaf op den dorschvloer« op de hypocrietisch-vromen, die onder de _echte_ vromen vermengd en verstrengeld zijn.

Die mannen uit Israel, op wie Hosea in Jehovahs naam dat brandmerk van »kaf op den dorschvloer« zette, waren dan ook nog aanbidders van Jehovah,--alleen, _ze dienden er den Baäl bij_.

Wel den Heere dienen,.... maar een aantrekkelijken afgod er bij.

Gedeelde harten; gesplitste zielen; tweeslachtige en daarom huichelachtige naturen. Neen, niet Jehovah geheel verlaten. Jehovah óok. Maar natuurlijk, dan moest Baäl er bij geduld worden.

En Baäl nu, dat is de dienst van den lust, van het vleesch, van het geld, van al wat ijdel is en bekoort in de wereld.

En die zoo knielt voor Jehovah en toch zoo Baäl nahunkert, die is kaf. Vlak bij het koren. Er meê dooreengevlochten. Tot het op den dorschvloer komt. En dan komt er de onnutheid van aan het licht. Dan gaat het ten vure!

* * * * *

Kaf en koren! Het legt de vraag van uw eeuwig in Christus verkoren zijn zoo snijdend aan uw hart.

Van der Groe gaf eens zijn _Toetssteen_ uit der valsche en ware genade, om de onzekerheid weg te nemen. Hij zag tweeërlei gevaar. Tobbende zielen, die altoos vreesden kaf te zijn, en die den troost der verlossing dierven, _daar ze toch koren waren_. Maar ook anderen, die er vast op gingen koren te zijn, en toch zoo vreezen deden, dat ze _kaf op den dorschvloer_ zouden blijken.

o, Het gezelschap der gezaligden in den hemel zal zoo veelszins anders zijn saamgesteld dan wij het ons hadden ingebeeld. Er zal er zoo menigeen bij zijn, van wie wij het nooit gedroomd hadden. Vooral uit de vroeg gestorven lievelingen zullen we bloemen ontloken zien, aan wier geur we ons nooit hadden verkwikt. Maar ook, er zal zoo meer dan éen gemist worden, op wie wij bergen gebouwd hadden.

Als de Heere schift, is het zoo heel anders dan naar de schifting der menschen. De zeven duizend onder Achab, van wie Elia nooit iets gemerkt had. Och, wie zal zeggen, wat er soms, bij reeds geloken oogen, nog tusschen het Eeuwige Wezen en de stervende ziel, eer ze stierf, omging!

Maar maant dit dan niet de gerusten in Sion, om weer telkens de verfrissching van hun zegel te zoeken? Maant het niet, om onder uw huis den grond, waarop het staat, eens nauwkeurig te bezien, of het wel de Rotssteen is, en niet de bedrieglijke zandgrond, die, als de waterstroomen komen, wegkruit, afslaat en verzinkt?

Ge zijt aan de plante vast; wel u, maar dat was ook het kaf eens. Ge leeft dicht bij de vromen; maar doet dat ook het kaf niet bij het koren? Ge beschut Gods kerke; maar eilieve, heeft ook het kaf met zijn huls en spriet het koren niet gedragen?

* * * * *

o, Denk toch aan _den dorschvloer_!

Dagen, weken, maanden lang tiert het stil en rustig op den akker. De sikkel ligt te roesten, de dorschvlegel is opgeborgen, de wanne is vol stofs.

Het schijnt aan geen dorschen toe te komen.

Maar eindelijk, eindelijk breekt de dag des oogstes toch aan. En nu verandert opeens alles op den akker van gedaante. De rust heeft uit. De sikkel doet de halmen buigen. En in haaste dragen de maaiers schoof bij schoof uit.

En nu viert de dorschvloer zijn triomf, en _de schijn_ van het kaf heeft uit, en het koren wordt uitgescheiden, en het kaf verliest alle waardij. Bij busselen vol gaat het ten vure.

De dorschvloer der geesten nu komt even wis, als ook deze velden hun vrucht zullen voldragen hebben.

Dan is het de ure _des oordeels_. En dan zal de Zoon des menschen staan men de wanne in de hand, om _zijn_ dorschvloer te doorzuiveren.

Lezer! hebt ge grond, vasten grond voor uw zekerheid, dat gij dan geen kaf op den dorschvloer, maar koren op de wanne zult zijn?

EEN-EN-VEERTIGSTE ZONDAG.

»DE HEERE ZAL MIJ AANNEMEN!«

Want mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, maar de Heere zal mij aannemen.

Psalm 27:10.

Vader en moeder nog te hebben is een schat, ook op mannelijken leeftijd; zelfs dan, als uw hand reeds eigen brood won; en u voor de nooddruft uws levens niets van uw ouders meer toekomt.

Ge leeft dan wel niet meer bij hen en onder het ouderlijk dak. Gij bouwdet uw eigen huisje en werktet misschien zelf reeds voor vrouw en kinderen, die u geschonken werden. Maar _ze zijn er dan toch nog_, die vader en die moeder, uit wier vleesch en bloed u het vleesch en bloed toekwam en uit wier hand en liefde ge zoo lange jaren geleefd hebt.

Maar, helaas, ook die rijke schat is niet bestemd om altoos duurzaam te zijn, en voor den een vroeger, voor den ander spade, slaat ten leste het somber uur, dat vader en moeder den laatsten adem uitbliezen, en nu de grafzerk hen dekt.

En dan hebben ze ons verlaten en zijn heengegaan; God geve, naar zaliger gewesten en tot hun eigen gewin. Maar _wij_ hebben ze niet meer, en dat stille rustpunt voor het leven, dat het denken aan het ouderlijk huis nog bood, is dan weg. Een ander inwoner trad er in, en heeft voor ons teeder gevoel dit huis ontheiligd.

En dan weten we wel, het _moest_ zoo en het _kon_ niet anders. Maar toch, het laat een leemte, het slaat een wonde, die niet geneest, in ons hart. En als ten leste reeds lange de nachtwind over het graf van vader en moeder is heengegaan, kan nog, bij het denken aan onze lieve ouders, zulk een pijnlijk heimwee ons door het hart schrijnen.

Zoo had ook David, lang na Isaï's dood, nog zoo vaak heimwee naar zijn vader, die van hem ging; maar, en dat is het heerlijke, dit verleidde den Godsman niet, om sentimenteel bij de groeve te gaan weenen.

Neen, de man naar Gods harte kende een beteren en een hoogeren uitweg.