Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

Part 15

Chapter 154,002 wordsPublic domain

Nu hebt ge ook die lippen van uw God. Ze zijn zijn kunstig maaksel. Uw menschelijk sieraad, zooals geen vogel, hoe fijn gesnaveld ook, of geen engel het ontving. Iets van uw schepping naar den beelde Gods. In u en op uw lippen een woord, gelijk het Woord eeuwig bij God en God was. En gelijk in Gods schepping alles door dat eeuwige Woord gemaakt is, zoo is er ook geen maaksel door menschen gewrocht, of ons menschelijk woord wrocht er in. Eerst _denkt_ ge; dan _spreekt_ ge het uit; en dan _volvoert_ ge wat gesproken wierd.

Vandaar die ontzettende macht der lippen; en wee hem, die deze ontzettende macht, die God tusschen zijn lippen legde, misbruikt en verderft.

Ge kreegt die lippen van uw God, om er uw naaste in liefde meê toe te spreken; om er uw beleid en uw wetenschap meê te openbaren; en in en boven dat alles, om er uw God meê te loven.

Diep achter die lippen schuilt uw hart, en van den stroom, die uit uw hart opwelt, zijn die lippen de monding, waardoor het leven van uw binnenste in den oceaan, die zich om en vóor u uitbreidt, wegvloeit.

Nu moet uit God dat leven in uw hart zijn. Die stroom, van de bergen van Gods heiligheid in uw ziel neergedaald, moet opwellen en door uw lippen naar buiten uitvloeien; en al wat uitvloeit moet óf rechtstreeks óf over en door uw naaste in lof en dank terugvloeien naar God.

Daarom heet het bij Jesaja: »Ik schep _de vrucht der lippen_, vrede dengenen, die verre, en vrede dengenen, die nabij zijn, spreekt de HEERE«; jubelt de psalmist van den Middelaar: »Genade is uitgestort _op uwe lippen_«; roemt het volk bij Hosea: »Heere! wij zullen U betalen _de varren onzer lippen_«; en dankt David na zijn uitredding: »Mijn mond zal U roemen, o, mijn God! met _vroolijk zingende lippen_!«

* * * * *

Uw lippen kreegt ge dus, om liefde uit te ademen in het woord tot uw naaste; uw lippen, om de zonde te bestraffen; uw lippen, om te zegenen, om te bidden, om te belijden, om te danken, om zingend in psalmen den Naam van uwen God groot te maken.

Doch zie nu, wat de zonde deed.

o, Van meet af wist Satan wel, wat machtig instrument hem in die lippen ten dienste stond. Daarom begon hij bij Eva met een gesprek; lokte haar tot een uiting der lippen; en heeft van die ure af steeds in die lippen zijn kracht gezocht.

Hoor maar, hoe de heilige apostel het van de kinderen der zondaren zegt: »Slangenvenijn is _onder hunne lippen_ en hun keel is een geopend graf.« Of, zooals er in Psalm 140 nog scherper staat: »Heet addervergift is _onder hun lippen_.«

En als de klier van dat booze gift onder de lippen van den zondaar openberst, dan spuwt hij gif, en dan spat om hem heen de nijd, en de laster, en de achterklap, en de oorblazing, en de krenkende, de smadende, de schimpende, de scheldende taal.

Dan is het, zegt de psalmist, of er zwaarden uit die lippen uitglippen, en alsof de booze mensch zich inspant, om zijn naaste in zijn hart te snijden.

Ja, dan keert zich die schriklijke boosheid der lippen ten leste tegen God zelf; en die lippen, die God gaf om Hem te loven, onderstaan het, Hem, den Almachtige, te vloeken en uit te dagen en uit te braken de godslasterlijkste verwensching.

En als men dan zegt: »Mensch! houd uw lippen toch in!« dan is het hooge antwoord: »_Onze lippen zijn onze!_ en met mijn lippen braak ik uit, wat ik wil!«

En al raast _gij_ nu niet derwijs in waanzinnigen vloek, dat doet er niet toe.

Elk woord van nijd; elk woord, dat bitter is; dat grieft en krenkt; dat anders dan om der waarheid wille zeer doet; dat lasterlijk is; of ook maar achterklapt; het is al uit éen bron. Het is uit dat venijn, uit dat addergif, dat door de zonde uwer lippen is aangebracht.

Schriklijk misbruik van die lippen, die niet uwe zijn, maar die uw God u heeft geschonken.

* * * * *

Toch is niet elke droppel van dat venijn _wrang_. Er zijn ook _zoete_ droppels in dat addergif. En als dát venijn werken gaat, dan wordt de lip _vleiend_.

Van die vleiende lip heeft de psalmist in het twaalfde lied reeds geklaagd.

Dan heeft men een doel. Men wil zich indringen. Men poogt iemand, als de spin het vliegje, te omwoelen. En als ge dat nu met open woorden deedt, zou hij zich loswringen uit uw rag. Maar nu neemt ge klevend rag, dat hem streelt; dat hij prettig vindt; waar hij gaarne naar luistert. En zie, nu is uw slachtoffer in uw macht. Uw vleitaal bedwelmt hem. En gij bereikt uw doel. Boos is uw opzet, maar de gevleide drinkt het als lieflijke bedoeling in. En zoo slaat ge twee vliegen in éen klap. Ge krijgt gedaan wat ge wilt, en voor een volgend maal blijft de kans voor u open.

Misschien keert hij, om weer gevleid te worden, vanzelf, uit eigen aandrift, zich naar u toe.

o, De vleier is zulk een gevaarlijk zondaar!

Alleen maar, hij gebruikt zijn lippen niet als »zwaarden«; neen, hij vangt u, gelijk de vogelaar, in een strik, waar gijzelf invliegt. Salomo heeft in zijn Spreuken er u reeds voor gewaarschuwd. »De strik van den booze,« zei hij, »is in de misdaad van zijn lip.«

* * * * *

In den vleier schuilt _de leugenaar_.

En dat is de diepste gruwel, dien het venijn der lippen werkt. De lip van een zondaar is _valsch_.

Soms laat hij in drift en woede het booze hart langs de monding der lippen uitvloeien. Maar lang niet altijd. Hij heeft ook de kunst geleerd, om, onderwijl de stroom uit zijn hart naar de lippen dringt, dien tegen te houden, en iets uit zijn lippen voort te brengen, wat niet alzoo in zijn hart is.

Die kunst is de macht van het liegen, van de valschheid, van het bedriegen van den naaste, en het willen bedriegen van een alwetend God.

»Laat de valsche lippen stom worden,« bad David. »Valsche lippen«, zegt Salomo, »zijn den Heere een gruwel.« Ja, tot zijn eigen volk getuigt de Heere bij Jesaja: »Uwe ongerechtigheden maken scheiding tusschen u en uw God, want uw lippen spreken valschheid.«

Want, helaas, zóo diep wortelt de leugen in ons, dat men met bedrieglijke lippen zelfs voor zijn God verschijnt.

En dan klaagt de Heere: »Zij eeren Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij!«

* * * * *

En dat alles nu spruit altegader uit dat éene voort, dat we denken, ook al zeggen we het niet: »_Onze lippen zijn onze!_ In wat we met onze lippen doen, zijn we vrij!«

o, Kom daar toch van terug, en zie het beter in. Neen, neen, onze lippen zijn _niet_ onze, maar _van Hem_, die ze ons schiep.

Want zie, zoolang ge denkt: »Onze lippen zijn onze,« houdt ge uw lippen voor goed, en denkt ge er niet op, hoe uw zonde die lippen, die God u rein gaf, met gif en met venijn verontreinigd heeft.

Dat voelde Jesaja plotseling, toen hij voor den Heere verscheen. »Heere!« riep hij uit, »ik ben een man van onreine lippen!« en toen kwam er genade en heeft de Heere Jesaja's lippen gereinigd.

Dan zijt ge bang voor uw booze lippen, om geen woord onbedachtelijk voort te brengen.

Dan leert ge met den Psalmist smeeken: »Heere! behoed de deuren mijner lippen en zet een wachter voor mijnen mond!«

o, Zelfs eer ge bidden zult, is het u dan behoefte om te vragen, dat »uw gebed met onbedrieglijke lippen mocht gesproken zijn!«

En dan gaat het beter, en wordt het anders.

De ervaring getuigt er van en de belofte bezegelt het u.

Want, ja, er zijn er geweest, en er zijn er nog, wien God de lippen besneden heeft, wien Hij het venijn onder de lippen heeft uitgebrand, en van wier lippen voor nijd en bitterheid weer liefde en vrede afvloeide.

Als men u dan vloekt, dan zegent ge. En als men u wondt met haat, gaat ge in het gebed.

Kostelijke vrucht des Heiligen Geestes!

o, Heere! geef die vrucht des Geestes aan al uw kinderen, en ga de lieflijke reuk van de varren der lippen weer voor U op!

ZES-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»HET GELD VERANTWOORDT ALLES.«

Het geld verantwoordt alles.

Pred. 10:19_b_.

Vooral onze negentiende eeuw is _slavin van het Geld_ geworden.

Ook wel in vroegere eeuwen was het Geld een macht. Een macht, die den een in een vrek omschiep, den ander tot diefstal en moord verlokte, en een derde tot een verkoopen van lijf en eer bewoog; maar toch, het Geld was nog geen _koninginne_ geworden.

Dit komt daar vandaan, dat de inklevende macht van het Geld, om, als leefde het, nieuw geld uit zichzelf voort te brengen en te genereeren, toen nog slechts in kindschen staat van ontwikkeling was. Wat men nu »de macht van het Kapitaal« noemt, leefde nog niet in het bewustzijn der volkeren. Het ging nog om klinkende munt.

Maar thans wierd dit anders. Onder den naam van _Crediet_ heeft het Geld zijn _schaduw_, zijn _beeld_ op den wand geworpen; en vergt nu, dat de zonen onzer eeuw, niet enkel voor het wezenlijk _goud_, maar ook voor deze _schaduw_ van het goud knielen zullen.

Hierdoor heeft het Geld zijn rijk meer dan _vertienvoudigd_. Het Geld en zijn schaduw, of het goud en zijn crediet, maken nu saam _de_ geldmacht uit. En gelijk ge door verderaf te gaan staan, uw schaduwbeeld al grooter, en eindelijk reusachtig groot kunt maken, zoo heeft het Geld deze zijn credietschaduw al grooter, al onmetelijker, al reusachtiger doen uitgroeien, en is, dank zij dezen aanwas van het crediet, allengs tot die oneindige afmetingen genaderd, die thans het _Kapitaal_ den indruk doen maken van een afgod.

Men spreekt veel van de aanbidding van het _gouden kalf_. Doch ten onrechte. Wat Israel in de woestijn aanbad, was volstrekt niet de Geldmacht. Al wat Israel bedoelde, was een zichtbaar teeken van Jehovah voor oogen te zien, en daartoe maakten ze dit beeldje van goud; dat hun geen geld _bracht_, maar waarvoor ze integendeel hun geld _offerden_.

Maar wat thans _wel_ insloop, het is de aanbidding van het _Kapitaal_, van het geld, in zijn dubbelen vorm van goud en crediet. Naar die macht hongert en hunkert schier een iegelijk. Voor wie die macht bezit, ontbloot een ieder eerbiedig het hoofd. Om die macht aan zich te trekken, en priester of priesteresse der fortuin te worden, is geen zedelijk offer in veler oogen te groot.

* * * * *

Ook Gods volk heeft hier op te merken.

En dan moet het belijden, dat ook deze schriklijke macht niet door Satan, maar door God geschapen is. Satan schept niets. Het goud in de mijn en het stofgoud op den bodem der stroomen is 's Heeren maaksel. Hij schiep het zilvererts. Zijns zijn alle diamanten en robijnen. En meer nog, alle gaven van scherpzinnigheid, vindingrijkheid en machtig beleid, waardoor de geldwolven de schoven van den akker der volken in hun schuur optassen, is verstandelijk vermogen, dat God in hen schiep, werken doet en in hen in stand houdt.

Ja, ge moet nog verder gaan. Het geheele denkbeeld van _Geld_, als een algemeen ruilmiddel, dat, in zichzelf tot het verschaffen van genot onbekwaam, toch het vermogen om u alle genot te verschaffen in zich draagt, is niet een booze vinding van den mensch, maar uit de ordinantie der schepping zelve voortgekomen. Eén waardemeter voor alle waardij lag in den aard der dingen.

Alleen maar, de mensch heeft ook deze macht misbruikt en doen ontaarden. Insteê van deze geweldige macht onder den band der gerechtigheid en der barmhartigheid te stellen, heeft hij deze macht aangewend, om te gaan zitten in Gods stoel, en zijn hart te zetten als Gods hart.

Een groot kapitalist, die met den stroom der wereld afdrijft, voelt zich _als een god_. Wat zou hem deren! Voor zijn geld kan hij alles! Voor zijn geld ligt heel de wereld aan zijn voeten; om zijns gelds wille aanbidt hem al wie van zijn geld leven moet.

In het Geld voer de hoovaardij, en toen eens de hoovaardij er in was gevaren, wierd het Geld middel om teugelloos aan zijn driften bot te vieren; anderen op den nek te trappen; en als een Djaggernaut de volken te vertreden onder de raderen van zijn zegekar.

_Geld_ of _God_ wierd de vraag, waarvoor onze eeuw op haar Karmel kwam te staan.

Wie zal God zijn? De Vader van onzen Heere Jezus Christus, of... deze schriklijke Mammon?

* * * * *

Nu kiest natuurlijk elk kind van God, als zoo de vraag staat, met Elia voor Jehovah. Maar werkt die keuze ook in het hart en in het leven door?

Reeds bij Israel waren er zoo velen, die op elk Pascha weer naar Jeruzalem trokken, maar om, als Pascha achter den rug was, in stilte weer naar de hoogten en naar de bosschen te sluipen, en daar de knie voor het Baäl-beeldje te buigen.

En zoo is het, helaas, nog.

Nog lichter gaat een kemel door het oog van een naald, dan een rijke in het Koninkrijk der hemelen. En ongelooflijk en onbegrijpelijk is het, wat tal van lieve Christenen nog altoos slaven en slavinnen van hun geld zijn.

Altoos meer schrapen. Niets wagen, als het geld in gevaar kan komen. En als er geld meê te verdienen is, een deur meer open in hun conscientie.

Een toenemen der zonde, die niet kon uitblijven. Want het is _de_ zonde onzer eeuw, en de Christenen, die in deze eeuw leven, en niet toezien op de uitgangen van hun hart, moeten dus wel in veel verzoeking vallen. Maar een zonde, die deswege niet minder _doodsgevaarlijk_ blijft.

Een doodsgevaarlijke zonde, let nu wel op, volstrekt niet enkel voor de groote kapitalisten, maar sterker haast nog voor den jongeling of de jongedochter, die _niets_ heeft; en die alle rangen en standen der maatschappij derwijs heeft aangetast, dat dorst naar geld de allesoverheerschende trek is geworden.

Het _geld_ boeit het oog; _geld_ prikkelt de zinnen; _geld_ vervult de gedachten; er wordt op _geld_ gepeinsd en gezonnen; en de gedachte aan _geld_ neemt zoozeer aller hart in, dat _geld_ te winnen voor velen het rijkst ideaal, _geld_ te verliezen een nagel aan hun doodkist wordt.

Van de loterijen, de speelbanken, de roekelooze speculatiën zwijgen we nu nog.

Wie zich daaraan bezondigt, is nog een schrede verder op den boozen weg. Dit zijn menschen, die in koortsachtigen gelddorst aan het ijlen slaan, tot God ze op hun weg ontmoet, hun plotseling uit de hand slaat al wat ze saamschraapten, ze zoo ontnuchtert, en weer op de knieën voor _Hem_ brengt.

* * * * *

Wel mogen Gods kinderen daarom toezien, dat ze worstelen, om zich aan deze zonde te onttrekken.

En dat op allerlei manier.

Een kind van God moet tegen deze geld_zonde_ de geld_deugd_ overstellen in milde barmhartigheid voor 's Heeren huis en voor al wie in nood is. Niet, dit versta men wel, door zijn geldafgod nog met het kroontje van weldadigheid te sieren, zooals velen doen, die f 30,000 's jaars opleggen, en dan... eenige guldens aan de armen toewerpen. Neen, maar door welbewust en opzettelijk gedurig een stuk van den geldgod af te breken en het te vergruizelen op het altaar des Heeren. Nu Satan het geld tot zijn instrument maakt, moet Gods kind het geld dienstbaar stellen aan de macht des Heeren. Rijk, mild en overvloedig geven is genezing van een wonde in uw hart, is een uitgaan uit de verzoeking.

Daarom moet _een iegelijk_ geven. Ook wie weinig heeft. Want allen hebben genezing van noode. En rijke kapitalisten, die reeds in het geld zwemmen, moesten nooit iets opleggen, maar _al de winst_ van elk jaar geven voor 's Heeren dienst! Daar ontvingen ze het voor. Ze rentmeesteren den Heere.

Maar er is meer. Een kind van God moet dan ook weigeren meê te doen aan de zonde van hen, die een geldwolf alleen om zijn geld eere en invloed gunnen. Een man met geld, maar zonder liefde, zonder geloof, moet hem niets, en een arm kind van God, dat liefde en lof ten offer mengt, moet voor hem dierbaar en groot in zijn oog zijn.

Elk kind van God heeft toe te zien, dat hij nooit uit vrees voor schade ook maar in iets zijn Heere verloochene, of den dienst zijns Heeren onvervuld late.

Een kind van God moet om winste van geld niet te zeer verheugd, om verlies van geld niet te zeer bedroefd zijn.

Hij moet er los van wezen, en te inniger kleven aan zijn God.

Want hoe ge het ook wendt of keert, op die tegenstelling komt het altoos voor Gods kind weer neder.

Die Geldmacht is de _afgod der eeuw_, en Jehovah onze Gerechtigheid moet _zijn_ God zijn. En dus moet ook ons geld aan de macht en het gebod, aan den dienst en aan de eere van dien God onderworpen.

ZEVEN-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»VERGEET GEENE VAN ZIJNE WELDADEN.«

Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geene van zijne weldaden.

Ps. 103:2.

Het is zoo gemakkelijk gezegd, en zoo licht gezongen: »Vergeet _nooit éen_ van zijn weldadigheden; vergeet ze niet, 't is God, die ze u bewees!«

En toch, wat komt er van het herdenken van Gods trouw in ons leven, wat onder ons zingen, wat onder ons bidden vaak terecht!

Zoo soms, als we, bij een nieuwen mijlpaal van ons leven aangekomen, ons nederzetten om den weg te herdenken, dien we afliepen, is er zin en behoefte in ons hart, om ons althans de _groote_ uitreddingen van ons leven weer tebinnen te brengen.

En wat is dan de eerste uitwerking van deze overdenking bij Gods kind? Is het niet, dat hij schrikt bij het opmerken, hoe hij tal zelfs van wondere uitreddingen schier geheel uit zijn geheugenis had laten wegvloeien?

Hij leeft nu weer terug in zijn verleden. Hij doorleeft nog eens met beving in het hart de bange stormen, die hij is doorgekomen. En nu komt het hem weer voor den geest, hoe hij toen worstelde om redding, nauwlijks op redding meer hopen dorst, en toen eindelijk toch die redding kwam, danken kon met een innigheid, alsof hij althans deze weldadigheid zijns Gods nimmer, nimmermeer zou kunnen vergeten.

En toch, nu hij er weer aan denkt, nu ontdekt hij tot zijn zelf beschaming, hoe er desniettemin twee, drie en meer jaren van zijn leven konden voorbijsnellen, dat hij er toch niet aan gedacht had, het toch uit zijn herdenking had laten wegglippen, en den herhaalden dank voor de verleende genade schandelijk had verzuimd.

En dat niettegenstaande hij sinds zoo keer op keer Psalm 103 had gezongen. o, Dan heette het weer uit de volle borst: »Vergeet niet éen van zijn weldadigheden!« en die dat zong, zong er zijn eigen oordeel in uit.

* * * * *

Helaas, zoo zijn wij, hulpelooze, koude, ongevoelige, zondige wezens.

God de Heere goed genoeg, om te worden aangeloopen in den dag der benauwdheid. Een heerlijk God, om in den nood onze Redder te zijn. En, o, zoo gretig zijn vertroostend aangezicht gezocht, als de ziel in ons overstelpt is.

Maar als Hanna haar kind maar heeft, of Hizkia maar weer van ziek gezond wordt, of Jonas maar weer uit het ingewand van het dier gered is, dan is het, of het _vergeten_ van Gods weldadigheden ons opzet en het _niet_ herdenken van zijn trouw onze toeleg was.

Ge zoudt zoo zeggen: zulk een angst had u zoo diep geroerd, zulk een wondere redding u zoo machtig aangegrepen, dat het niet uit uw gedachtenis weg moest _kunnen_ gaan. En toch, niet lang meer, of heel andere dingen verdrongen de heugenis van de goedertierenheden des Heeren, en gij gingt in vergetelheid van zijn liefde uw weg.

o, Dat gedachtelooze roepen: »Heere! als Gij mij zult hebben uitgered, zal ik Uwer in eeuwigheid gedenken!« het getuigt zoo tegen ons.

Ons innerlijk wezen staat zoo diep zelfs beneden de gelofte, die over onze lippen kwam.

En dan viel er nu alleen nog maar sprake van die wondere, machtige, aangrijpende weldadigheden des Heeren, die zoo onuitwischbaren indruk op ons hadden gemaakt, en die op de hoogtepunten van ons leven ons dan ook weer overstralen met haar lieflijken glans.

Maar in ons zingen lag _veel meer_.

Wij zongen: »Vergeet nooit _éen_ van zijn weldadigheden,« en we voegden er nog bij: »Vergeet ze niet, _het is God_, die ze u bewees!«

En nu nog eens de vraag: Wat is daarvan terechtgekomen?

Want er volgt, ja: »Die al uw krankheden geneest«, maar er gaat aan die herinnering van onze uitredding uit nood en dood nog iets heel anders vooraf.

»Vergeet,« zingt de Psalmist, »geene van zijne weldaden,« en dan volgt er onmiddellijk dit heel andere: »_Die al uwe ongerechtigheid vergeeft._«

En nu, het is zoo, die »genadige vergeving van onze zonden« heeft op ons een minderen indruk van weldadigheid gemaakt; maar waarom anders, dan omdat de nood onzer ziel ons minder bang dan de angst voor doodgevaar beklemd had?

Want op zichzelf voelt ge toch wel, dat Gods weldadigheid in het »vergeven van _al_ uw ongerechtigheid« nog veel machtiger was, dan in het redden van uw leven.

»_Al_ uw ongerechtigheid«; o, wie zal uitspreken, hoe hoog die berg onzer zonden opgestapeld lag, en wie spellen, wie gissen, hoe machtig, hoe wonderbaar het ontfermen was, dat ons _al_ deze ongerechtigheid vergeven kon en _al_ onze zonde wegwierp in de diepte der zee!

»Barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden. Want zoover het Oosten is van het Westen, zoover doet Hij onze overtredingen van ons!«

* * * * *

En dan, de allergrootste weldadigheid des Heeren, is dat niet zijn liefde, waarmeê deze Vader in de hemelen zijn verkorenen van eeuwigheid heeft gemind in den Geliefde?

En als Hij ook u dan deed komen tot de erfenis der vromen, wien de vreeze zijns naams bekoort, is dan niet juist daarin u een »weldadigheid« bewezen, die in lengte en breedte zeer verre alle andere »weldadigheid« uws Gods teboven gaat?

En toch, wie is er, die niet ook voor _die_ weldadigheid den dank in zijn ziel vaak besterven liet, en ophield ook daarvoor te danken?

o, Dan genieten we wel in zijn heil, en we jubelen wel in ons kindsrecht; maar zoo, dat wij die vromen zijn, die ons nu aan ons heilgoed te goed doen, zoo maar niet er ons op verheffen.

Dan wordt het »kind zijn« ons gewoonte. Alsof het zoo bij ons hoorde. En alsof het ons niet uit louter barmhartigheid geschonken ware. En we vergeten, hoe we hebben tegengestaan. Erger nog, hoe we tegen zoo oneindige liefde in toch den Heiligen Geest nog telkens bedroeven konden!

En zoo mag het toch niet zijn!

Daardoor verarmt Gods volk aan rijkdom van genade. Waar het danken verstomt, versterft ook het diep besef der Eeuwige Liefde in ons binnenste.

De stomme lippen brengen een oordeel over onze ziel.

En daarom heeft de oude Psalmdichter zijn roepstem nog eens onder 's Heeren volk laten uitgaan, en het hun nog eens in de ziel doen dreunen, dat ze toch de weldadigheden huns Gods niet vergeten zouden.

En als ge in uw machteloosheid dan klaagt: »Niet _éen_ van zijn weldadigheid vergeten, dat _kan_ ik niet,« o, bid dan, bid dan met en voor Gods volk om indachtigmakende genade ook voor de weldadigheid uws Heeren.

En wat weldaad ge ook vergeten moogt, vergeet die éene weldaad, dat Hij uw ziel uit den dood in het leven bracht, _nooit_.

ACHT-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»HET ONGOEDERTIEREN VOLK.«

Doe mij recht, o God! en twist Gij mijne twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.

Psalm 43:1.

Er is, Gode zij lof, nog een kring op aarde van lieden, onder wie goedertierenheid gekend wordt; die zich ontfermen over een ellendige; die den hongerige niet zonder brood van hun deur wegzenden; die bij het zien van anderer smart zelven smart gevoelen; en het weenen met de weenenden verstaan. Engelen der vertroosting, die ge meest onder de geloovigen, maar toch ook onder de ongeloovigen vindt. Gevoeligen van ziel, in wie de toon van het menschelijk hart zijn weldadigen klank blijft geven. Soms te zeer enkel gevoelslieden, dat meer weekhartigheid, dan de geestkracht eener heilige liefde hen drijft. Maar toch ook in dien eenigszins ziekelijken vorm goedhartigen van inborst, die, o, zooveel tranen gedroogd hebben, en temidden van het hebzuchtige en, o, zoo zelfzuchtige leven u vaak met uw geslacht hebben verzoend.