Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

Part 14

Chapter 143,863 wordsPublic domain

Daar is het in den hof van Eden God zelf, die den mensch, toen hij het eerst zijn naaktheid en zijn schaamte gevoelde, met de wol der lammeren dekte. God de Heere, die in zijn wet waakt, dat het kleed »van de huid des armen« nooit geroofd worde. God Almachtig, die in de woestijn uitwerkt, dat Israels kleederen niet verouden. De Heilige Israels, die in de priesterkleeding zijn majesteit symboliseert; en geen kleed van tweeërlei stof om de lendenen zijns volks gedoogt. Onze Vader in de hemelen, die de leliën des velds bekleedt, en veel meer u bekleeden zal, o, kleingeloovigen! En eindelijk, de God van alle barmhartigheden, die door het bloed zijns lieven Zoons u bekleeden wil met den mantel des heils.

Vreemd, niet waar?--om ons dagelijksch brood zullen we bidden, voor onze spijs zullen we danken; maar hoe zeldzaam klimt gebed en dank op ook voor _het kleed_, dat ons verwarmt, en _het gewaad_, dat ons dekt!

* * * * *

En toch, ook uw kleeding is een gave Gods.

Bijna alle stof voor het kleed, waarmeê de mensch zich dekt en opschikt, is saamgevat in wat de Heere bij Hosea roept: »_Mijn_ wol en _mijn_ vlas!« De _wol_ als saamvatting van alle stof, die ons uit het rijk der dieren toekomt; het _vlas_ als aanduiding van al wat we voor kleeding nemen uit het rijk der planten. Wol der lammeren, of gelijk het in Spreuken 27:26 heet: »De lammeren zullen zijn tot uw kleeding«, en dus ook het spinsel van de zijdeworm, de pels van het wouddier, het leder voor ons schoeisel, en de vederen, die ons de vogels bieden. Dat uit het dierenrijk. En daarnaast het vlas, en dus ook het katoen en wat plantvezels meer in weefsel verwerkt worden. En van dat alles nu zegt God de Heere bij Hosea: »Dit alles is _mijn_ wol en _mijn_ vlas, dat _Ik_ u schenk, om uw naaktheid te dekken.«

Gij, nietige mensch in uw naaktheid, kunt geen enkel haar wol op het lam, geen enkele vlok vlas op het land laten groeien. Ik, de Heere, doe alle deze dingen.

En als dan uw kleed allengs weer veroudt, en de versleten plek laat de koude weer door, dan laat Ik, de Heere uw God, telken jare de afgeschoren wol op de lammerenhuid weer aangroeien, en gebied Ik den akker, dat het vlas weer uitschiete uit de kiem.

Zoo maakt de Heere alle wol en alle vlas; zoo is Zijns alle zijde en alle veder. Hij doet het alles uitspruiten, en zooveel millioenen als er zich met kleederen dekken, die allen zijn gekleed met een kleed, dat God voor ze bereid heeft.

* * * * *

Dit verrijkt het leven, zoo ge het inziet en er inleven gaat. In een geheel nieuwe wereld straalt de majesteit des Heeren voor u uit. Al die keurige eigenschap van _zijn_ wol en _zijn_ vlas, om u te dekken, zonder dat het deksel u bezwaart, en u te omkleeden, en dat toch de uitwaseming van uw huid niet wordt afgesloten, u te omhullen, en dat toch uw gestalte als mensch niet teloor gaat, dat is al _zijn_ werk.

Het werk van denzelfden God, die zoo schoon en prachtig de leliën bekleedt, en de vogelen des hemels met vederen bedekt, en zoo ook voor de kinderen der menschen stof voor hun kleeding verordineerd en geschapen heeft.

Heel een nieuwe, rijke wereld, om zijn wijsheid en majesteit in te bewonderen.

Te bewonderen ook dit, dat er een gewaad van hoogen prijs is voor den man van vele goederen, en toch ook een kleed, dat duurzaam en van lagen prijs is, voor den arme in zijn nood.

Gij voedt, Heere! al wat leeft, maar ook, Gij dekt al wat koud en naakt is.

Hoe groot zijn uw werken. Gij hebt ze met wijsheid gemaakt. De aarde is vol van uwe goedertierenheid!

* * * * *

Draagt ge nu den naam des Heeren ook in die wereld van uwe kleeding in, dan krijgt ge het oog op een nieuwe barmhartigheid uws Gods, en is er nieuwe oorzaak om voor te danken.

Maar er komt dan meer!

Immers, zoolang de wereld van uw kleeding buiten God ligt, wordt ze u in den regel een oorzaak van zonde.

Ze dient u dan tot pronk en opschik. Ze kweekt ingenomenheid met uzelf en ijdelheid. Of ook, ze verleidt u tot slordigheid, onreinheid en achteloosheid! Op zichzelf een wereld vol zonde, waarvan de vernielende kracht nauwlijks te berekenen valt. Lees maar, hoe de Heere in Jesaja 3 dat misbruik in de wereld der kleeding bij den man en de vrouw van Jeruzalem aantastte.

Voor niet weinigen zelfs wordt het een _worsteling_; vooral bij _vrouwen_, en het meest bij _jonge_ vrouwen, die God met _schoonheid_ sierde. Dat het wordt: Hebt _gij_ uw kleed? of heeft uw kleed _u_? Dat de bezigheid om altoos schooner kleed te dragen, heel het hart en heel den zin inneemt, en het kleed een afgod in uw droom, een afgod in uw kamer, ja, een afgod om uw leden wordt; en ten leste dat schijnbaar zoo onschuldige kleed uw tijd rooft, uw gedachte verzinlijkt, uw ik bewierookt en uw ziel vermoordt.

* * * * *

Doch komt de Heere ook in de wereld uwer kleeding in, dan wordt dit alles nieuw en anders.

Als ge daar dan al uw kleederen voor u ziet liggen, dan hoort ge de stem des Heeren: _Mijn wol en mijn vlas!_ en ge verheft u niet, maar dankt.

_Zijn_ wol en _zijn_ vlas! En daarom kunt ge uw kleed niet ongebruikt wegbergen, terwijl een arme bij bittere kou, uit gebrek aan deksel, verkleumen zou.

_Zijn_ wol en _zijn_ vlas! En daarom vereischt uw kleeding zorg, en mag het kleed niet verwaarloosd. De stof mag het niet verteren, vuil het niet verslijten, de mot het niet opeten. Ook voor _dit_ goed des Heeren moet gewaakt.

_Zijn_ wol en _zijn_ vlas! En daarom moet Hij er in gediend en _mag_ het niet misbruikt voor zondige ijdelheid, veel min om zondige gedachten in anderer zin op te wekken.

_Zijn_ wol en _zijn_ vlas! En daarom, als er nieuw gewaad of nieuwe kleedij in ons huis wordt ingedragen, niet het ik in hoogheid gekitteld, maar Hem er de dank en de eere voor.

Ja, _zijn_ wol en _zijn_ vlas! En dus ook onze magazijnen met kleeding van allerlei wol en vlas, _zijn_ voorraadschuur, waarin Hij den winkelier slechts als instrument en uitdeeler gebruikt.

o, Met dat éene diepe woord: _Mijn_ wol en _mijn_ vlas, op heel de wereld onzer kleeding toegepast, hoeveel zonde wordt dan niet uitgebannen, hoe machtig het leven niet verrijkt!

DRIE-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»IN EEN EERBAAR GEWAAD.«

Desgelijks ook, dat de vrouwen, in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen _des haars_, of goud, of paarlen, of kostelijke kleeding.

I Tim. 2:7.

Zie toe, dat ge niet in zondige overgeestelijkheid scheidt, wat God saamvoegde, en uiteenrukt, wat Hij verbond.

Het gevaar om in die zonde te vallen is zoo groot.

Als ge merkt, en uit de ervaring uwer onbekeerde jaren weet, hoe een schepsel buiten God er bijna altoos toe vervalt, om te doen, alsof hij geen _ziel_ had en alleen _lichaam_ was; en dan voor dat lichaam slooft en slaaft; om dat lichaam maar te laten eten, en dat lichaam te laten drinken, en dat lichaam in pronk en kleedij en allerlei wellust te laten genieten; o, dan is het zoo natuurlijk, dat een mensch, na bekeerd te zijn, nu overslaat in het andere uiterste; en denkt: »Als ik maar voor _mijn ziel_ zorg!« en onder dien indruk zijn _lichaam_ en wat _des lichaams_ is, verwaarloost.

Dan sluipt er ongemerkt een soort minachting voor dat ongeestelijke lichaam in de ziel. Men draagt het als iets overtolligs met zich om. Eens is het toch voor het graf en voor het verderf in den kuil bestemd. Wat zou ik mij om dat lichaam veel bekommeren?

Vandaar bij enkele Christenen soms een zoo schromelijke verwaarloozing van de reinheid en zindelijkheid; verwaarloozing in kleeding en deksel; en als gevolg hiervan verwaarloozing in de huishouding; slordigheid in alle gedraging; ongeregeldheid ook, tot schuldmakens toe, in zijn geldelijke zaken.

Men heeft dan voor dat _uitwendige_, voor alles wat met _het lichaam_ samenhangt, ómdat het vergankelijke en wereldsche dingen zijn, geen hart en geen oog.

Men mengt er zich in, voor zooveel het hoognoodig moet; maar plicht en roeping werkt er niet; en tot op zekere hoogte acht men niet zelden zulk een schuldige verwaarloozing nog wel een niet te versmaden teeken van vroomheid en geestelijken zin.

* * * * *

Dit nu mág niet.

Wat God vereenigd heeft, zal de mensch niet scheiden. Ge zijt niet ziel, maar gij zijt ziel _en lichaam_. Ge bestaat niet anders. God schiep u zoo. En al klaagt ge nog zoo bitter over de slavernij, waaronder dat »lichaam des doods« u doet gebukt gaan, altoos moet er ook voor dat lichaam de juichtoon op volgen: »Ik danke God door onzen Heere Jezus Christus!«

Hij is ook een »Behouder des lichaams«. Ook dat lichaam is door Christus tot den prijs van zijn bloed gekocht. Eens zal Hij ook dit uw sterfelijk lichaam aan zijn verheerlijkt lichaam gelijk maken. En onze kerk schreef zoo roerend schoon boven het voorportaal van haar Catechismus, dat »Christus eigen te zijn« troost biedt; indien het zijn mag, in leven en sterven _met lichaam en ziel_ het eigendom van Christus te wezen.

Hiermeê is dus niet enkel de kastijding van het vleesch en de monnikspij, maar ook elke verwaarloozing van het lichaam geoordeeld. En een Christen gaat een weg van zonde op, zoo hij het beneden zich durft achten, om ook aan spijs en drank, aan kleeding en deksel, aan zijn huis en hof, en ook aan zijn geldelijke aangelegenheden, een stuk tijds, een deel van zijn kracht en een zekere mate van zijn inspanning te wijden.

_Over_geestelijkheid is _on_geestelijkheid. Te willen zorgen voor de ziel, als had ze geen lichaam, is zorgen voor een ziel, die niet bestaat.

Toch ontleene Gods kind hieraan nooit ook maar van verre een vrijbrief, om, overslaande in het tegendeel, nu weer de wereld achterna te hunkeren, en de ziel op éen lijn met het lichaam, of zelfs bij het lichaam achter te stellen.

Dat mag evenmin!

Uw ziel, uw geestelijk leven blijft altoos _hoofdzaak_, en nooit mag het lichaam anders gelden dan als _dienend instrument_.

Vandaar dat Jezus' heilige apostel er zoo op aandringt, dat een kind des Heeren zelfs tot in zijn kleeding toe _des Heeren_ zal zijn.

Ge zult geen naaktlooper zijn, zooals de razende dolheid der Wederdoopers het eens wilde. Ge zult geen slordige plunje aanschieten, zooals de valsch-mystieke dweper het zich veroorlooft. Maar ge zult nog veel minder als een pronkende pauw rondloopen. Neen, ge zult u kleeden in _een eerbaar gewaad_.

Die eisch van _eerbaarheid_ voor uw gewaad ligt in den oorsprong van _alle_ kleeding; want vergeet nooit, dat alle kleeding haar oorsprong vindt _in de zonde_; dat in het Paradijs, waar geen zonde was, van kleeding geen sprake viel; dat eerst uit de zonde het bewustzijn van naaktheid en schaamte sproot; en dat in het Kanaän daarboven geen ander dan een lichtgewaad denkbaar is. Zelfs de ruwheid van den dampkring, die ons de noodzakelijkheid van warme en soms zeer dikke kleeding oplegt, bestond in het Paradijs niet en is als een deel van den vloek over de aarde gekomen.

* * * * *

Maar is dat zoo, dat het gewaad strekt, _om de schaamte onzer naaktheid te bedekken_, dan volgt hieruit immers vanzelf, dat elk gewaad of kleedingstuk, dat strekt om _niet_ te verbergen, maar te doen _uitkomen_, tegen het eerbare indruischt.

Naar gelang dan ook in de eerste jaren der Christenheid de invloed van het Evangelie won, week het oneerbare in de kleederdracht der heidenwereld voor soberder snit en eerbaarder vorm. En toen nogmaals het gewaad zijn eerbaren plooi verloren had, is het de macht van datzelfde Evangelie geweest, dat in de dagen der Reformatie, met name in de Calvinistische kringen, stilheid van kleuren, soberheid in versiering en eerbaarheid van vorm heeft teruggebracht.

Steeds ging de kleedij in eerbaarheid met den invloed van het kruis van Christus op en neder.

Won die invloed veld, dan wierd het gewaad soberder en _eerbaar_. Daalde die invloed, dan kwam de heidensche weelde en pronkzucht met den _oneerbaren_ vorm terug.

Vandaar ook nu weer die smakelooze uitbotting, in wat door kleedij en opschik het oog bekoren en de zinlijkheid streelen en de ijdelheid prikkelen kan. Sommige vrouwen vooral gaan letterlijk in dezen afgodendienst van de _Godin der kleedij_ op. Het neemt heur hart in. Ze spreken er van. Het prikkelt heur begeerlijkheid. Het wekt heur nijd en heur jaloerschheid op. En wie het sierlijkst gewaad om kan hangen, acht zich het voorwerp van aller bewondering, als ze uitgaat langs de straten.

Zelfs naar onze »kleynere luyden« en naar het platteland dringt die koorts der pronkzucht door.

Parijs, waar het Evangelie bijna alle macht verloor, geeft den toon aan. Weinig zedelijke vrouwen schrijven de wet der mode, en door die mode het gewaad, aan alle vrouw in Europa voor. En alleen Engeland, waar het Evangelie nog eenige macht behield, weet door beter snit en fijner smaak en stiller kleur een eenigszins eerbaar gewaad te bieden.

* * * * *

Ligt ook hier dan niet een roeping voor onze kerken en voor onze huisvaders en huismoeders?

Neen, we bepleiten geen zonderlingheid. We ijveren niet voor een terugkeer tot de neepjesmuts. Och, ook in die zonderlingheid kan zelfbehaagzucht en duivelsche ijdelheid spreken.

Een _anders_ gekleed gaan dan een ieder zich kleedt, kan ook de aandacht doen trekken, en het doen _trekken van de aandacht_ is voor het jeugdig vrouwenhart immers de groote klip.

Maar wat wel kan en moest, is drieërlei.

Vooreerst biedt de mode altoos stiller en hooger kleuren, schriller en zediger vorm, en uit die veelheid kon men in ons Christelijk gezin toch altoos het sobere en stille kiezen, om het hooge en schrille te mijden.

Dan, vormen van gewaad, die er opzettelijk op aan zijn gelegd, om de eerbaarheid der kleedij tot een bespotting te maken, zijn altoos te mijden, al droeg een ieder ze.

En ook, waar stof van goed, dat snel vergaat, door zijn ondegelijkheid prikkelt om gedurig weer nieuwe kleeding te maken, en aan dit bereiden van nieuwe kleeding al uw kostelijken tijd te verdoen, die toch zooveel degelijker gebruikt kon, ligt het daar niet op der Christenen weg, om door de keus van degelijker stof den tijd uit te koopen, en te maken, dat niet aldoor de lieve lange dag aan dit kleene onderdeel van het leven weggaat?

Het zijn maar wenken.

Maar wenken, die toch een vingerwijzing kunnen zijn.

Een Christenvrouw, die in haar kleedij opgaat, dient een afgod en werpt zichzelve en haar belijdenis weg.

VIER-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»MET NETELEN BEDEKT.«

En ziet, hij was gansch opgeschoten van distelen, zijne gedaante was met netelen bedekt, en zijn steenen scheidsmuur was afgebroken.

Spr. 24:31.

»Een weinig slapens,« roept de Heilige Geest door Salomo, »een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende,--en uw armoede zal u overkomen als een wandelaar en uw velerlei gebrek als een gewapend man!«

En zie wel toe, dat ge dit nu niet aanstonds op het geestelijke overbrengt. Neen, het geldt eerst van uw beroep en van uw huislijk leven.

Door vlijt en arbeid zegen, en bij loom en tragelijk voortsukkelen, tegenspoed in uw zaken en achteruitgang u op de hielen nazittend.

Rusteloos tuchtigt daarom Gods Woord den luiaard, den tragen droomer, den ijdelen tijdverspiller, den zondaar, die aan Gods hoog gebod, dat ge in het zweet uws aanschijns brood zult eten, weerstand biedt en het veracht.

»Die niet werkt, zal niet eten,« roept de heilige apostel daarom aan de eerste Christenen toe; en wel verre, dat het een Christen voegen zou, in log en lui nietsdoen zijn kracht en zijn tijd te verkwisten, laat veeleer de eisch van »het zweet des aanschijns« ook voor hem geen oogenblik af.

»Het zweet des aanschijns« wil niet enkel zeggen: _werken_; maar: _hard_ werken; zóo werken, dat men de spanning van zijn kracht merkt, en na de sterke inspanning aan ontspanning in den slaap behoefte gevoelt.

Stellig deugt er dus iets niet in onze maatschappelijke toestanden, die een lui en werkeloos nietsdoen bij duizenden aankweeken, en een Christenmensch heeft stellig ook daardoor tegen zulk een misstand te protesteeren, dat hij én _zelf_ werke én een ieder in zijn huis en kring _doe_ werken; niet voor de leus, maar wezenlijk; zóo, dat het een werken zij, dat den geest spant.

Zoo moet man en vrouw, zoon en dochter, jongeling en oude van dagen werken. De akker onzer krachten mag niet braak blijven liggen. Rust roest.

En de uitkomst toont dan ook, dat gezinnen, dat familiën, dat natiën, waar gewerkt, waar, door ieder in zijn kring en op zijn wijze, terdege gewerkt wordt, tot in het zweet des aanschijns, wiesen in macht en in welvaart toenamen; maar dat den luiaard, hetzij dan een man, of een lui gezin, of een lui en loom geworden natie de eere afgaat en de ondergang opwacht.

En dat nu is het, wat ook Salomo in het Spreukenboek uitroept: »Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en ziet, hij was gansch opgeschoten van distelen en met netelen bedekt. Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte, ik zag het aan en nam onderwijzing aan.

Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende, zoo zal uwe armoede u overkomen als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man!«

* * * * *

Toch blijft die onderwijzing niet steken bij uw beroep.

Ook in uw geestelijk aanzijn dringt diezelfde onderwijzing door.

Want ook daarbinnen is u een akker, in het verborgene uwer ziele toevertrouwd, en ook op dien akker gaat de vaste regel door, dat de nijvere vlijt er bloemen plukt, en de geestelijke luiaard gestoken wordt door zijn eigen netelen.

Met de werkheiligheid en de eigen verdienste heeft dat niets te maken; en onze geestelijke zielsluiaards, die onder vrouwen en mannen zoo gereed zijn, om met een schimpwoord tegen de werkheiligheid hun zondige verspilling van geestelijke kracht toe te dekken, mogen toezien, dat de zoo verachte werkheiligen van Ninevé hen niet voorgaan in het Koninkrijk der hemelen.

Neen, tot zijn wedergeboorte brengt niemand iets, ook maar het allergeringste toe, en wie op den geestelijken akker, dien God de Heere hem toevertrouwde, het houweel of de spade en straks den sikkel hanteert, die weet uitnemend wel, dat het zaad, dat hij strooit, van God is, en dat van God de krachten zijn, die in dien akker op dat zaad werken zullen, en van God de zon, en van God de regen, en van God de wasdom en het gedijen; maar inmiddels mag hij niet in zijn hutje blijven droomen, maar moet hij er uit, dien akker op, en de hand aan den ploeg slaan, en arbeiden den lieven langen dag in het licht zijns Heeren, opdat Gode de eere zij.

* * * * *

Geestelijke vlijt noemt de Heilige Geest in de Schrift: _naarstigheid_, en elk lezer en minnaar der Schrift weet, hoe gedurig het vermaan _om u te benaarstigen_, door den Heiligen Geest herhaald wordt.

Geen dofheid en dompheid en loomheid. Dat baart het geestelijk moeras. Maar toewijding en inspanning van kracht. Een weer oprichten van de slappe knieën en de trage handen, om kloek, om manlijk, om in al de spanning van uw heilige geestdrift te dienen den Heere uwen God.

Dienstknechten en dienstmaagden uws Heeren zijt ge, en een dienstknecht en dienstmaagd zijn er, niet om stil te zitten en niets te doen, maar om te dienen, dienende te arbeiden naar het hun gegeven gebod en rusteloos in den dienst huns Heeren bezig te zijn.

»Mijn Vader,« sprak de Heere, »werkt tot nu toe, en Ik werk ook!«

En zie, hoe een Paulus gearbeid en gezwoegd heeft, volijverig in den dienst zijns Heeren tot zijn einde toe.

En zoo dan is ook onze roeping niet om te sluimeren als kinderen des nachts, maar om te arbeiden als kinderen des daags. De nacht komt, waarin niemand werken kan.

En zoo moet er dan in naarstigheid en volijverig ook in uw geestelijk aanzijn gearbeid. Gearbeid in uw geloof. Gearbeid in uw hope. Gearbeid in uw liefde. Volijverig nagespeurd alle u van God gegeven kracht en talent, en die kracht en dat talent niet in de aarde begraven, maar met woeker aangewend.

Geen plekje op dien akker mag onbebouwd blijven.

En wat bij den Farizeër zelfbespotting was, bij u moet het hooge waarheid en werkelijkheid worden: gij hebt voor uw God zelfs te vertienen de munt, de dille en de komijn.

* * * * *

Want, en dit is nu Salomo's leering voor elk kind van God, ook bij den geestelijken luiaard blijft niet enkel de akker van binnen braak liggen, en wordt aan God den Heere zijn oogst en vrucht en tiend van zulk een hart onthouden, maar wat niet minder erg is, zoo er geen graan in de opgeploegde voren wordt gestrooid, is heel de akker _voor de netelen_.

Stilstand van groei is er ook in den akker uwer ziele niet. Wie dat waant, bedriegt zich. Neen, de werking der sluimerende krachten gaat ook op dien geestelijken akker bij dagen en nachten rusteloos door.

En zoo gij niet zaait, is er altoos een ander, die zaaien wil. Satan staat altoos over de heg van uw akker te gluren, en zoo gij maar in wilt sluimeren, zal hij zich wel over den braak liggenden akker ontfermen.

Dat merkt ge dan ook aan uzelven, dat merkt ge aan uw omgeving wel.

Uw geestelijke arbeid strekt niet enkel, om de goede krachten te oefenen, te ontwikkelen, te doen rijpen; maar ook, en stellig niet minder, _om te wieden_, d. w. z. om het opgeschoten onkruid, eer de netel er aan uitgroeide, uit den bodem uwer ziel uit te trekken.

Wie in Gods gunste op den akker zijner ziele wakend, biddend, strijdend, in het zweet zijns aanschijns arbeiden mag, merkt dan ook van achteren, dat hij twee vruchten tegelijk van dien arbeid plukken mag. Vooreerst doordien er wasdom in Christus kwam. Maar ook ten andere, doordien de distels en de netels minder wierden, en de macht van het booze getemd bleek.

Maar koost ge de paden van den geestelijken luiaard, o, zie dan wel toe! Dan toch zullen u deze twee geestelijke kwaden overkomen: ge zult verarmen en verachteren in genade, en tegelijk zullen de netelen welig op gaan schieten.

Allerlei oude zonden, waarvan de zaadkorrels in uw hart reeds verstikt schenen, zullen op gaan schieten. Allerlei boosheid zal vurig en giftig u met haar stekende netels dreigen. En als een gewapend man zal uw eigen zonde tegen u overstaan!

* * * * *

En meest komt daar door genade dan nog een keer in, als God de Heere zulk een geestelijken luiaard eens met de stem zijns donders op doet schrikken.

Want komt het daartoe niet, dan verslimmert het met zulkeen steeds verder.

De netelen nemen toe; ze wassen dicht ineen; ze worden als een hegge en woud om hem; en ten leste wordt het in zulk een verdorven hart in letterlijken zin, wat Salomo van den akker zeide: met netelen _overdekt_.

VIJF-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»ONZE LIPPEN ZIJN ONZE.«

Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! wie is heer over ons?

Psalm 12:5.

Er kleeft in de lippen van een mensch een ongemeene macht; zelfs al laten we geheel buiten rekening »de lippen der vreemde vrouw, wier gehemelte gladder dan olie is, en wier treden de hel vasthouden.«

Onze lippen zijn het instrument van _het woord_. Ons oog kan flikkeren en toornen. Maar wat is het vuurschieten van het oog, vergeleken bij den donder der lippen, als de hartstocht van drift en woede losbreekt van de lippen des mans!