Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

Part 13

Chapter 133,913 wordsPublic domain

»Houthouwers en waterputters« duiden dientengevolge in de Heilige Schrift aan die pariahs, die op de laagste sport van de maatschappelijke ladder stonden. Wie nergens voor deugde, kreeg een bijl in de hand of een kruik op den rug. Houthouwen en waterputten kon een ieder nog!

En kom hier nu niet met valsche denkbeelden van »gelijkheid« tegen op; want de maatschappij leeft nu eenmaal op een ladder en staat niet op een gelijk, effen vlak.

Dat moge de Communist willen en de Nihilist beweren; maar al hun razernij stuit af op het feit, dat de menschen hoogst _ongelijk_ geboren worden, en dientengevolge hun leven lang zeer _ongelijk_ zijn.

Met de keurigste opvoeding kunt ge aan een kind, dat zonder genie geboren wierd, geen genie instorten. Talenten worden niet aan den boom gehangen, maar liggen in kiem en wortel. En wie kan dan het feit loochenen, dat de kracht van denken, de kracht van willen, de kracht van handelen, waarmeê de eene mensch begaafd is, soms tien- en twintigmaal die van anderen, soms onder de zonen van éenzelfde huis, overtreft?

Vandaar de ladder, en aan die ladder de sporten. En nu zijn er sommigen, die op de hoogste sporten staan, anderen, die in het midden hun stand hebben; maar ook velen, voor wie er niets aan te verhelpen is, dat ze hun leven lang nooit van de laagste sporten afkomen. En dat nu zijn onze houthouwers en onze waterputters.

* * * * *

Die ladder schiep _God_ alzoo; maar omdat Hij niet alle mensch even hoog plaatste, maar velen op de laagste sport doet leven, gaat dan ook heerlijk zijn barmhartigheid uit, om over die laagst geplaatsten te waken.

Wie hooger op die ladder staat, doet zoo gaarne aan wie lager geplaatst wierd de zool van zijn schoeisel voelen; en dat nu wil God de Heere niet.

Integendeel, niemand is door Hem op een hooger sport geplaatst, om wie vlak onder hem staat, neer te drukken; maar omgekeerd, juist met het gebod der liefde, om hem, zooveel het kan, naar zich op te trekken.

Niemand is, omdat hij hooger staat, een zier meer of beter of van hooger waardij in zichzelven. Niemand heeft zich te verheffen. En wie op de hoogste sport staan mag, is en blijft in alles, met uitsluiting van allen eigenroem, even diep afhankelijk als hij, die nog met éen voet op den grond en nog pas met den anderen op de laagste sport trad.

En daarom is er in de woelzieke ontevredenheid, die zich steeds sterker onder de lager geplaatsten openbaart, ongetwijfeld een deel zondige vermetelheid en hoovaardij, die hen belet, vrede te hebben met Gods vrijmachtige beschikking over hen; maar toch is er ook in een aanmerkelijk deel rechtmatige klacht tegen de vermetelheid en hoovaardij, waarmeê de hooggeplaatsten op hen neerzien.

* * * * *

Wat nu 's lands wet en burgerordening hierin te voorzien heeft, dient elders besproken; maar wat op het heilig erf wel aan 's Heeren volk op het hart mag gedrukt, is, dat ze toch vooral in eigen huis en in eigen kring en bovenal in het heilig Huis des Heeren de barmhartigheden des Heeren door de hardheid en ingebeeldheid huns harten niet weerstaan.

Gods Woord is ook in dezen deele zoo teeder, en als heel Israel voor Gods aanschijn treedt, en alleen de aanzienlijken uit elk huis schijnen meê te rekenen, komt Mozes het hun in 's Heeren naam aanzeggen, dat ze ook hun vrouwen, ook hun kinderkens, ook hun vreemdelingen, maar ook, om hen vooral niet te vergeten, _hun houthakkers en waterputters er bij zullen roepen_.

En nu, wat wordt tegen deze ordinantie der ontferminge Gods niet nog altoos in Christus' kerk gezondigd!

Och, dat het toch anders mocht worden!

Hoe lange jaren zijn door de schandelijke wijze van verhuren van zitplaatsen in het heiligdom niet alle armen van het Evangelie afgesloten geweest! En hoe is er niet eerst, toen de kerken leeg liepen, weer plaats ook voor de houthouwers en waterputters gekomen!

o, Het is zoo, achteraf konden ze staan, op de koude blauwe zerken.

Och, al waren ze Gods vroomste kinderen, in zijn Huis wierden ze geminacht. De wereld in het Huis des Heeren ingedragen. Nogmaals de vooraanzittingen der aanzienlijken. De man van Jakobus met den gouden ring aan zijn vinger, nog altoos de u zoo scherp veroordeelende type.

En als er dan in die kerk wierd omgegaan om »armengeld«, en dat geld wierd straks uitgedeeld, o, zeg zelf, wat viel er dan te merken van ambtsdragers van Koning Jezus, die in zijn Naam aan zijn bruiloftskinderen het goed van hun Koning uitdeelden; en hoe bijna altoos was het dan een aalmoes, die schier hoonde en beleedigde!

* * * * *

Dit nu oordeelt en veroordeelt de Heere.

En veroordeelt Hij niet alleen in het Huis des gebeds, maar ook in uw eigen woning.

Hoogheid, die laag neerziet, en inbeelding, die minacht, wordt nooit tegenover den mindere door God den Heere geduld.

Ook die houthakker, ook die waterputter is _zijn_ schepsel, en door Hem op uw weg gesteld, opdat ge iets, niet van _uw_ vernederende, maar van _zijn_ opheffende ontferming aan hen zoudt oefenen.

Wie den mindere weldoet, is de knecht, die in naam van zijn Koning iets uitreikt, en die mindere, die het ontvangt, is de beweldadigde van zijn Koning.

De verhouding dus juist omgekeerd.

Maar zoo moest het dan ook in onze eigen woningen wezen, vooral op heilig terrein.

Dat wel zorgen voor de zaligheid zijner eigen ziel, en ook wel voor het zieleheil van zijn kroost, maar zonder zich ooit er om te bekreunen, of zijn dienstbaren en minderen in de duisternis wandelen, of het licht des levens zien, is een smet op uw Christelijk karakter en een vlek op uw huislijk leven.

God _wil_ dat niet.

Neen, zijn verbond is ruim in ontfermingen, en zijn genadeverbond omvat naar de huishouding in het zichtbare de grooten met de kleinen, de rijken met de armen, de heeren met hun dienstbaren.

Voor beiden éen weg en éen Heiland en éen hope des eeuwigen levens.

o, Het is wel zoo, dat die »houthouwers en waterputters« door veel onbescheiden taal de verhoudingen wel eens omkeeren, en dat daardoor uw zin voor ontferming vaak wordt afgestompt.

Helaas, de zonde der brutaliteit woedt schriklijk.

Maar kan, kan ooit _hun_ zonde _uw_ schuld wegnemen? En nog moet er gevraagd, of niet de verwaarloozing en schuld onzer vaderen in de vorige eeuw oorzaak is, dat deze zonde der onbeschoftheid zoo voortwoekerde!

Doch wie hier ook de diepst schuldige zij, het heft _Gods ordinantie_ niet op, en die ordinantie is, dat vrouw en kinderen en dienstbaren in alle oefeningen van het genadeverbond door u worden saamgenomen.

Och, wie onzer leerde ook _voor_ de »houthouwers en waterputters« in zijn eigen huis of op zijn eigen werkplaats bidden?

_Met_ hen bidden ging nog, maar _voor_ hen!

Om hun zieleheil!

Om hun eeuwige behoudenis!

Dat men toch toezie. God laat zich niet bespotten; en Hij heeft het alzóo, en niet anders verordend.

Ook dit nog. Gij, die het deedt, leerdet ge het ook uw kinderen doen?

Onze kinderen verheffen zich zoo gaarne boven onze dienstbaren, en o, juist die tergende kinderhoogheid heeft zoovelen der lager geplaatsten van de liefde Christi vervreemd!

DERTIGSTE ZONDAG.

»UIT DENZELFDEN KLOMP.«

Of heeft de pottenbakker geene macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken het eene vat ter eere, en het andere ter oneere?

Rom. 9:21.

Het gevaar, om in hoogmoed tegenover de lieden der wereld te vervallen, is voor Gods kinderen zoo ontzettend groot.

Men ziet het onderscheid dan toch tusschen hen en zich. Men ergert zich aan wat zij uit lust en onder lach en spot drijven. Men zou het in hun midden niet kunnen uithouden. Het zou de ziel pijn doen. Het zou het teeder gevoel kwetsen. En het zou ons zijn, of ons de goudvederen uit onze wieken wierden uitgerukt.

Het is dan ook niet te loochenen: de lieden der wereld leven anders. Zien op andere dingen. Zijn in geheel andere gedachten bezig. En wat ook niet verheeld noch verbloemd mag: bij veel althans, dat Gods kinderen van de kinderen der wereld onderscheidt, mag vrijuit beleden, dat de kinderen der wereld het slechtste deel kozen, en dat de kinderen Gods _in hun streven en bedoelen althans_ gelijk hebben.

Stond dat niet vast, waaraan zouden we dan het recht ontleenen, om een oordeel over de wereld te hebben? En zoo we dát misten, hoe zouden we haar ooit haar oordeel kunnen aanzeggen en ze tot bekeering kunnen vermanen?

Daar ga dus nooit iets van af. Er _is_ onderscheid. Een sterk sprekend onderscheid zelfs. En wat beginsel, drijfveer en bedoelen aangaat, is stellig de keuze der wereld te veroordeelen en alleen de keuze van Gods kinderen goed.

In zooverre mag er nooit aarzeling of onzekerheid in ons zedelijk bewustzijn heerschen. Dat moeten we zoo inzien en gelooven. We moeten het aandurven en zeggen durven ook. Met dat te verzwijgen breken we onze kracht.

Maar, en dit springt terstond in het oog, juist hierin dreigt dan ook het ontzettend gevaar van zelfverheffing en hoovaardij.

Vergeet ge toch ook maar éen oogenblik, dat al wat ge boven de wereld vooruit hebt, u _uit genade_ toekwam, en dat al wat ge in die wereld veroordeelt, in kiem in uzelven schuilt, dan kruipt de duivel van den hoogmoed in uw hart en uw ziel is vergiftigd.

* * * * *

Daarom is het zoo goed, dat apostolisch zeggen van »_denzelfden klomp_« ons gedurig in het oor te laten dreunen.

Gelijk een pottenbakker een klomp klei of leem van den bodem grijpt en op het wiel drijft, om er een vaas als vat der eere, of een vuilnispot als vat der oneere van te maken, zóo, zegt de heilige apostel, heeft het God den Heere beliefd, ook met u te doen. Gij, kind van God, en die volop in de wereld levende man, die tot allerlei uitgieting van ongerechtigheid komt, gij zijt niet maar van éenen bloede en van éen maaksel, maar ook van éenzelfden klomp. Het is éen leem, wat in hem en in u wordt gevonden, en al hetgeen _hem_ van u en _u_ van hem onderscheidt, is niets anders dan het Goddelijk welbehagen, dat u bewrocht met een genade, die aan hem niet alzoo wierd besteed.

»_Van eenzelfden klomp_« is het woord, dat u zoo alle aanleiding tot hoogmoed en zelfverheffing afsnijdt; want er ligt in dat woord _klomp_ iets zoo vernederends, zoo neerwerpends, zoo verlagends, dat ge opeens al de verachting, die ge op den man der wereld woudt leggen, met dat éene woord van _klomp_ op uzelven voelt terugvloeien.

In het leem en in de klei zelf zit niets. Het is alles éen, of ge dien klomp hier of ginds opraapt. En gij, die als kind van God zeer terecht inziet en belijdt, dat ge iets anders en _beters_ zijt dan die man der wereld, zoudt opeens prooi van bittere zelfmisleiding worden, als ge ook maar éen oogenblik denken gingt, dat dit betere dan ook uw naam beter dan den zijnen maakte.

Want ongetwijfeld is, ja, een fijne vaas beter en hooger in waardij dan een vuilnispot. Dat kan niet betwist, dat is zoo. Maar, en hierin ligt het verschil, de meerdere prijs wordt door den kooper niet aan die vaas, maar _aan hem, die die vaas maakte_, betaald. Want niet in die handvol leem, maar in _zijn kunst_ ligt de hooge waardij, die de vaas verkreeg. En het is dus geheel naar recht, dat ook de kunstenaar, die de vaas wrocht, en niet die vaas zelf, de eere hebbe.

En zoo ook bij u.

Zijt ge kind van God, o, natuurlijk, dat ge dan veel hooger waardij bezit dan een goddelooze. Maar die meerdere waardij komt Gode en niet u toe; moet Gode en niet u betaald; en zoo gij u vermeet, die meerdere waardij voor uzelven te nemen, pleegt ge roof aan den Heere uw God!

* * * * *

»_Van eenzelfden klomp_«, dat is dus de diepe gedachte, waar de nederigheid in wortelt.

Want buiten Gods genade zijt gij niets beter dan de slechtsten. Nu nóg zou, als Gods genade u losliet, het kwaad misschien veel erger in u dan in hen uitbreken. Al de zaden en kiemen van zonden, die in hen uitschoten, worden ook in uw hart gevonden. Och, de meest goddelooze man der wereld laat u niets anders zien _dan wat gijzelf zijn zoudt_, zoo God de Heere u had losgelaten.

En zoo komt dan uit dien nederiger zin vanzelf tevens de ontferming in u op, die het laatste spoor van hoogmoed uitdrijft.

Ontferming met die kinderen der wereld, die God niet kennen, en daardoor zoo ontzettend veel missen. Ontferming met die afgedoolden, in wie gijzelf afdoolt, en in wier zonden gij de wonde van uw eigen hart herkent. Ontferming met die lieden van »eenzelfden klomp« met u, in wie ge niets ziet, dat aan uzelven vreemd zou zijn, en wien ge toebidt, en, o, zoo innig graag toe zoudt willen brengen, diezelfde genade, die u behouden heeft.

o, Heel uw houding onder de lieden der wereld wordt zoo geheel anders, naar gelang ge als een beter soort wezen op die slechtheid der slechtsten neerziet, dan wel, of ge, als met hen _van eenzelfden klomp_, het schier niet vat en het u niet verklaren kunt, dat _gij_ van zóoveel boosheid wierdt afgehouden.

* * * * *

Ja, nog meerderen zegen brengt die gedachte »_van eenzelfden klomp_« u.

Immers, het maakt u bang. Want ge _waart_ niet slechts van denzelfden klomp, maar ge _zijt_ van dienzelfden klomp nog; en ziet dus in de lieden der wereld, aan wat ontzettende gevaren van zonde en verleiding ge nog steeds, evenals zij, zijt blootgesteld.

Niet alsof er in een Christelijk verleden niet ook een macht ter behoudenis zou liggen. De gewoonte heeft macht ten kwade, maar ten goede ook.

Doch al geven we grif toe, dat ge daarin een schild voor uw borst hebt, vergeet niet, dat Satan u ook bizonderlijk aanport, meer dan de lieden der wereld, en dat Satan voor den val van een David hooger prijs biedt dan voor den ondergang van een goddelooze.

En dit nu overwegende, dat ge van _eenzelfden klomp_ zijt met den diepst gevallene en verst afgewekene, en dat Satan nog zeer bizonder op u loert bovendien, o, dan komt er een toevluchtnemend roepen naar die eeuwige Genade, die uit dien klomp u tot een kind van God herschiep, om veilig bij Hem te schuilen.

En dan herleeft de moed!

Want immers, als ge er dan om u heen zoo enkelen ziet, die _bizonder sieraad_ ontvingen, of leest in het historieblad van kinderen Gods, die zoo _zonderling begenadigd_ wierden, dan past ge dat »_van eenzelfden klomp_« ook op hen toe.

Ook zij waren geen _geboren_ heiligen, maar door God alleen bevruchten en bewrochten.

Zoo kon genade zich in leem van dienzelfden klomp verheerlijken.

En daarom, hoe dor en moedeloos ook ingezonken, als ik een handvol leem van dienzelfden klomp ben, waarvan God de Heere zulke vaten der eere schiep, o, dan durf ook ik, kleine, wegschuilende, vergetene in den lande, nog hopen.

»Van dienzelfden klomp« bereidt God de Heere zich de vaten der eere nog.

EEN-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»EEN ÉENIG ZONDAAR VERDERFT VEEL GOEDS.«

De wijsheid is beter dan de krijgswapenen; maar een éenig zondaar verderft veel goeds.

Pred. 9:18.

»Zondaar« en »zondaar« is twee.

De Schrift spreekt van »zondaren«, om er meê aan te duiden alle kind des menschen, dat in Adam viel en in erfschuld geboren is. Zóo als het in Rom. 5:19 heet, dat »door de misdaad van éenen velen tot _zondaars_ zijn gesteld geworden«; of ook als de heilige apostel Paulus zegt, »dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog _zondaars_ waren«.

Maar toch kent de Schrift ook een ander gebruik van het woord »zondaar«, dat niet op _allen_ slaat, maar alleen op hen, in wie de zonde _buitengewoon_ zeer is uitbrekende. Dan staan aan den eenen kant de lieden, die God vreezen, en aan de andere zij de kinderen Belials, de »dwazen«, de »ijdele lieden«, de »spotters«; en die laatste soort, die de verzenen tegen de prikkelen slaan, heeten dan »zondaren« in bepaalden zin.

Dat hoort ge al dadelijk in den eersten Psalm, als het heet: »Welgelukzalig is de man, die niet staat op den weg _der zondaren_.« Aan Davids gebed, als hij roept: »Raap mijn ziel niet weg met _de zondaren_.« Aan Jesaja's profetie, dat Gods volk in Jeruzalem weer jubelen zal van vreugd, maar »dat er verbreking zal zijn _der zondaren_«. En dat merkt ge eveneens in allerlei uitspraak van den Christus zelven: »Indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? want ook _de zondaren_ doen hetzelfde«; of als Jezus profeteert, »dat Hij zal overgeleverd worden in de handen _der zondaren_«. Iets wat telkens weerkeert, als er sprake is van »tollenaren en _zondaren_«, waarmeê, gelijk duidelijk is, lang niet _alle_ menschen zijn bedoeld.

Verwar die beiden dus nooit.

Zondaren zijn we allen, van nature _allen_ kinderen des toorns; maar onder deze zondaren is een geslacht, dat nog in _bizonderen_ zin een soort erger _zondaren_ onder de _zondaren_ vormt.

Lieden, die zich aankanten tegen het heilige. Die de heerschappijen weerstaan en lasteren. Die er lust in hebben om veel goeds en schoons te verderven. Menschen, in wie ge een in het oog vallende werking van den duivel bespeurt.

* * * * *

Van dat soort lieden nu zegt Salomo, »dat _een éenig zondaar veel goeds bederft_«.

Want wel gaat deze stelling ook door van Adam, die als een éenig zondaar al het goed van Gods schepping verdierf. Maar zóo heeft Salomo het niet bedoeld.

De zaak bij Salomo is deze.

Hij nam het leven waar. Hij bespiedde het leven in maatschappij en huisgezin, en bevond nu telkens, hoe soms _éen, die kwaad wilde_, heel een kring van anders rechtschapen lieden aanstak.

Gelijk hij elders sprak, dat »éen doode vlieg heel een kostelijken nardusbalsum bederven kan«, zoo ook zegt hij daarom hier, dat soms _éen kwaad persoon_ heel een kring van anders betrekkelijk goede personen aansteekt.

En gold dit in Salomo's dagen, het geldt nog.

Ook nu nog heeft elk wijs man er een open oog voor, hoe _in een gezin_ éen kind, dat kwaad wil, soms een vloek voor heel het huis wordt. Hoe éen boos kind van slecht karakter soms heel een school bedorven heeft. Hoe éen verdorven karakter op een ambacht soms voor al de werklieden, die er werkten, ten verderve wierd.

Het is gezien onder _dienstboden_, die saam dienden, hoe éen verkeerde dienstmaagd niet enkel het geluk en den vrede, maar ten leste ook den beteren toon der anderen ten kwade deed keeren.

Het is gezien in onze _kazernen_, hoe éen slechte, nietswaardige vloeker soms een heele zaal onder den vergiftigden adem van zijn spot en zijn ongeloof bracht.

Het is gezien, hoe op _ziekenzalen_ éen enkele deugniet voor alle overige kranken de interessante persoon wist te worden, en ze onder de macht van zijn boosheid kreeg.

Het is gezien, hoe op een _kantoor_, waar het dusver goed toeging, éen enkele ingedrongen schelm heel de rest aanstak in woorden en slechte manieren.

En zoo is er onder menschen bijna geen saamwerking, geen saamwoning, geen saamleven denkbaar, of altoos doet zich hetzelfde vreeslijke verschijnsel voor, dat _éen eenig zondaar_, o, zoo vaak de goeden ten val brengt, en dat, o, maar zoo zelden de goeden macht krijgen over den deugniet.

Dat merkt men aan boord van een _schip_. Dat merkt ge in de _studentenwereld_ aan onze hoogescholen. Dat merkt ge op de _fabriek_ onder het werkvolk.

o, Salomo heeft het leven zoo diep gepeild!

Hij wist het wel: _Een éenig zondaar bederft veel goeds_.

* * * * *

Nu ontkent ge dit niet; maar _rekent ge er ook genoeg mede_?

Immers, dit beseft ge, is wat Salomo zegt waar, dan legt het naar alle kanten aan wie God vreest verplichting op.

Aan een ieder, die lieden in dienst neemt, teneinde ze met anderen saam te laten werken, de verplichting, om met dat in dienst nemen niet lichtvaardig te werk te gaan, maar wel te onderzoeken, of ge zoo ook »een éenig zondaar« in uw huis of in uw fabriek zoudt brengen.

De verplichting, om, als het uitkomt, dat ge »een éenig zondaar« onder uw dak of onder uw macht _hebt_ opgenomen, terstond te waken en toe te zien. Hem te weerstaan. Hem den teugel aan te leggen. Te waarschuwen tegen hem. En baat niets, hem, eer hij verder kwaad sticht, te verwijderen.

o, Er wordt soms ook door kinderen Gods zoo gewetenloos gehandeld. Dan hebben ze door Gods gunste goede dienstboden of goed werkvolk gekregen; en plaatsen ze er toch, gedachteloos en roekeloos, zulk een »éenig zondares« of zulk een »éenig zondaar« bij. En als nu straks de geest onder hun dienstboden verpest of onder hun werkvolk verdorven is, wie zal dan de zielen dier bedorvenen van hun hand eischen? Is het niet de Heere?

Ook scholen komen hier in het gedrang. Wie _school_ houdt, draagt een ontzettende verantwoordelijkheid. Vele ouders vertrouwen u hun kinderen toe. En alles loopt wel. Maar nu wordt u ook een kind aangeboden uit een ruw gezin, ofwel »een éenig zondaar« uit een goed gezin. Dan _kan_ dat éene kind de doode vlieg voor uw school worden. De vonk, die alles aansteekt. En daarom, zie toch toe, dat ge voor zulk een gevaar een open oog hebt; waar ge het merkt, zulk een verkeerde onder den druk der beteren brengt; en lukt het u niet het kwaad te stuiten, liever onverwijld hem van uw school afdoet, dan dat ge door dien »éenigen zondaar« uw andere kinderen laat vergiftigen. Vooral kostscholen mogen wel dubbel toezien.

En die regel gaat door, door ook voor wie _weezen_ onder zich heeft, of het commando over een kazerne of een schip in zee heeft, of aan het hoofd van een groot kantoor staat. In al die verbindingen toch dreigt hetzelfde gevaar. Altoos de kwaden, die de goeden bedreigen en vergiftigen willen, en altoos aan u die heilige roeping, om openlijk voor de goeden uit te komen, en den goeden den hoogen toon te verschaffen, de verkeerden tegen te staan, en scherp te waken, dat geen oogenblik in zulk een kring de _spotter_ de gevierde man worde, en wie God vreest, zich voor zijn God gaat _schamen_.

De _kerke Gods_ staat onder hetzelfde gebod. Een enkele vonk vuurs, zie, hoe grooten hoop hout ze aansteekt. Een weinig zuurdeesem verderft het gansche deeg. Vandaar de roeping van Gods kerk, om streng en ernstelijk _tucht_ te oefenen. Het kwade _mag_ de heerschappij niet hebben.

En wat nog het bangste is, ook in het huisgezin zelf kan dit kwaad schuilen. In een anders vroom gezin kan éen kind zijn, dat niet deugen wil. En laat ge dat éene kind begaan, dan steekt dat éene kind aldra heel uw huis aan.

Daarom is het zoo roekeloos en gewetenloos, als ouders hierover heenloopen en er geen onverzoenlijken strijd tegen voeren, of erger nog, er voor uit den weg gaan, en de vreeze Gods uit hun huis laten wijken, om onaangenaamheid met zulk een boos kind te mijden; of nog erger, het bedrijven van het kwade door dat kwade kind dulden in hun eigen huis.

Dit mag _nooit_.

De banier des Heeren moet in het aangezicht van zulk een verkeerd kind juist fier en moedig opgeheven blijven. Er moet _tegen_ en _voor_ zulk een kind gebeden. Er moet rusteloos aan zulk een kind gearbeid worden. En bovenal, de andere moeten gewaarschuwd, moeten geïsoleerd, moeten gesterkt worden. En dan eerst, als aller oog voor het gevaar van dat verkeerde kind geopend, en de liefde om het te herwinnen, ontvlamd is, dán kan het verkeer weer vrij en open zijn.

Dan bant zulk een éenig zondaar den Heere niet langer, maar komt de naam des Heeren over hem.

TWEE-EN-DERTIGSTE ZONDAG.

»~MIJN~ WOL EN ~MIJN~ VLAS.«

En Ik zal wegrukken ~mijn~ wol en ~mijn~ vlas, dienende om haar naaktheid te dekken.

Hosea 2:8.

Ook de kleeding, waarmede we ons kleeden, heeft voor het Godsrijk beteekenis: en dat die beteekenis zoo spaarzaam beseft wordt, is, omdat de ijdele mensch zoo weinig met God in zijn kleeding rekent.

In de wereld der Heilige Schriftuur is dat heel anders.