Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

Part 12

Chapter 124,087 wordsPublic domain

De goddelooze verlate zijnen weg, en de ongerechtige man zijne gedachten; en hij bekeere zich tot den Heere, zoo zal Hij zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.

Jesaja 55:7.

Er is tweeërlei soort van weg. Een weg, waar onze voet op gaat, en een weg, waarlangs _onze gedachten wandelen_.

Die eerste is het pad onzes levens, waarop we ons in de werkelijkheid, in de wereld, in maatschappij, in huis en kerk bewegen. Maar die andere, die tweede weg doorkruist ons _inwendig_ leven, loopt door de wereld van ons _hart_ en kronkelt zich door de diepten onzes gemoeds.

En nu ligt de zonde op _allebei_ die wegen.

Volstrekt niet enkel op onzen weg door het werkelijke leven, maar wel terdege ook en even sterk op dien verborgen weg van ons hart.

Dat leven daarbinnen is toch ook een _wezenlijk_ leven. Zelfs in uw verbeelding kan geen beeld voorkomen, of er is iets in uw hart, dat aan dit beeld aanzijn gaf. Het heeft alles een oorzaak, alles een wortel, alles een kiem, waaruit het opschiet. En hetzij ge droomt of phantaseert of mijmert, of door hartstocht in uw binnenste gejaagd, of door drift in uw nieren geprikkeld wordt, al wat op het veld uwer gedachten opdoemt en gestalte gewint, bestaat wel niet voor de wereld, maar bestaat wel terdege voor u... _en voor uw God_.

Zijn onbepaalde wetenschap bezet u van voren en van achteren; beluistert u aan den uitgang uwer lippen, maar evenzeer in de sluiphoeken van uw hart.

Ook in uw wereld, die binnen in u is, gaat zijn onbepaalde wetenschap door.

En of ge nu al op uw pad door de wereld recht gaat, zoolang uw pad _daarbinnen_ krom loopt, staat ge voor uw God in de schuld en voor uw God geoordeeld.

Hij is uw God.

Hij heeft recht op u in uw loop door de wereld; maar eveneens recht op u bij uw wandelen langs de paden uws harten.

En daarom, als uw God u tot bekeering roept, dan zegt zijn Woord niet enkel: »De goddelooze verlate zijn weg,« maar volgt er terstond op: »_en de ongerechtige man zijn gedachten_.«

Nu zijn die »goddelooze« en die »ongerechtige man« niet twee personen. Het is éenzelfde persoon, die een weg naar buiten en een weg naar binnen heeft. En het is tot dien mensch met zijn _dubbele_ wereld en met zijn _tweeërlei_ weg, dat het woord uitgaat: »Ge moet af van den weg der goddeloozen in de wereld buiten u; maar ook af van den weg der ongerechtigheid in uw eigen gedachten.«

* * * * *

Hier zit veel in.

Dit weet ge toch ook wel, hoe verrukt onze ziel reeds is, als ze alvast in den uitwendigen weg overwon; en een ondeugd ingetoomd; een zwakke steê in ons karakter bewaakt; een leelijke gewoonte bestreden; een booze toeleg verijdeld wierd. o, Als er eens ontkomen aan de macht der zonde is, dan jubelt het reeds zoo dankbaar van binnen. De zonde is zulk een ontzettende »drijver«. Zijn geeselkoord is zoo scherp en zijn striemen gaan zoo diep. De zonde dwingt zoo en spot zoo met alle beter voornemen. En als er dan eens genade komt, en de zonde leî het af, en wij ontkwamen den strik, om als een vogeltje vrij uit te vliegen, dan zong ook onze ziel, als het vogelkijn zoo blij, haar lied, het lied _der verlosten_.

En daar dingen we niet op af.

Het is melodie in het oor van den Heilige daarboven, als dat lied der bevrijding weer langs de velden klinken mag.

Alleen hierop komen we maar, dat ge er hiermeê nog niet van af zijt, en dat het u niet baat, of ge het wint _in het leven_, zoo ge het aflegt _in uw hart_.

En nu is de moeilijkheid hier groot.

Tot onzen dood toe blijven we hetzelfde onreine beginsel in ons omdragen. De poel der ongerechtigheid gaat in onzen laatsten ademtocht, maar ook dan eerst, van ons af.

Tot dien tijd blijft het dus altoos onder den bodem van ons hart een gevaarlijke toestand. Hoe goed ook die bodem geplaveid zij, en hoe sekuur ook de opening van den poel der zonde dicht zij geschroefd, altoos blijft die poel er toch onder, en het onreine gas der zonde is zoo aldoordringend, dat het door de hechtste afsluiting toch doorkomt. Satan blaast in die gassen, en daardoor hebben ze zoo doordringende kracht. Soms zelfs slaat plotseling heel het deksel van de opening af, en vliegen opeens weer alle booze demonen door uw binnenste.

Maar goed, sluit dat laatste schriklijke geval nu uit, dan blijft er toch altoos, wat onze Belijdenis noemt, een opborrelen uit de onzalige bron in ons hart.

En hierdoor nu komt het, dat ge zoo licht denkt: »Aan dat opborrelen van het onreine gas in mijn hart kan ik toch niets doen. Dat komt vanzelf. Dat kan dus geen zonde zijn. Daar kan God mij niet om veroordeelen!«--en dat ge alzoo denkende aan die onreine en onheilige gedachten den vrijen loop laat.

* * * * *

En dit nu verbiedt de Heere u.

De ongerechtige man moet _ook zijn gedachten_ verlaten. Ge moet wel denken, wel gedachten hebben; maar ge moet in de gedachten _des Heeren_ met uw ziel inleven; en om dat te kunnen doen, _uw gedachten_ prijsgeven.

En _uw_ gedachten, ja, dát zijn nu wel waarlijk die opborrelende gassen.

Die komen uit _uw_ hart, uit de bron van _uw_ wezen, uit den wortel van _uw_ innerlijk bestaan, en wee u, zoo ge die gedachten koestert, zoo ge er meê speelt, zoo ge er vermaak in krijgt, en er meê verkeeren blijft; want dan zet ge er het zegel van uw begeeren en van uw wil op, en ge zondigt tegen den Heere uwen God.

Neen, wat ge doen moet, is allereerst, dat opborrelen zooveel doenlijk beletten.

Het is toch _niet_ waar, dat ge daar niets aan doen kunt. Dat maakt de duivel u wijs, maar leert Gods Woord u wel anders. Let er maar eens op, hoeveel minder de opwellingen zijn den eenen dag bij den anderen vergeleken, al naar gelang ge uw wachten hadt uitgezet.

Maar ook dan nog, als ze opborrelden, dan nog staat ge voor de keus, om er onverwijld tegen in te gaan, of om ze vrij spel te laten.

Dan is er iets in die opwellende zonde, dat u streelt, u lokt, u meêtrekt; maar ook iets, waardoor de Geest in u getuigt: »Weg daarmeê!«

En nu is het maar de vraag, of ge op het eerste oogenblik, terstond, zóo als ze opkomen, daar de hand tegen inslaat, of dat ge er zekeren lust aan hebt, om die zonde eerst even in uw hart te laten omloopen.

Doet ge dit laatste, dan zijt ge de macht kwijt, en de zonde omfloerst u, ook al komt het niet tot de daad.

Maar ook, doet ge het eerste, wordt ge biddende, waakt ge, strijdt ge, dan komt de Geest u te hulpe, en het onheilige gas ontsnapt.

* * * * *

Zelfs in het heilige moet ge bedachtzaam zijn.

Want ongetwijfeld moet ge uw verleden overdenken, en tot uzelven inkeeren, en vrede bij uw God zoeken.

Maar wee u, zoo dat denken aan de zonde in uw verleden een soort spel wordt.

o, De vaderen der kerk hebben er steeds zoo ernstig tegen gewaarschuwd, om de voorgaande zonden toch in de diepten der zee te laten liggen, waarin God ze genadiglijk geworpen had.

Want het is een feit, een schriklijk feit, dat menige overdenking van zonden, die men vroeger beging, door de kracht der verbeelding, en de werking der herinnering, en het terugleven in wat men vroeger deed, feitelijk het roersel der zonde weer wakker maakte, de verbeelding overmeesterde en in nieuwe zonde vrucht droeg.

»De goddelooze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten« houdt ook in, dat ge God den Heere aan zult roepen, om u _de heugenis uwer vroegere zonden_ geheel uit de ziel te snijden.

Uit te snijden, niet enkel, opdat ze u niet meer benauwen in vreeze, maar ook wel terdege, opdat ze uw ziel niet met nieuwe zonden bezwangeren.

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

»HOEVELE ZONDEN HEB IK?«

Hoevele misdaden en zonden heb ik? Maak mijne overtreding en mijne zonde mij bekend.

Job 13:23.

Job heeft in zijn zielsangst schriklijke dingen uitgesproken, die we hem niet mogen nazeggen. En toch ligt er ook in die wilde kreten van Job voor u een diepe onderwijzing!

Dit komt daarvandaan, dat Job _zegt_, wat gij _denkt_; maar vaak denkt, zonder het zelf te weten.

Hoor het maar, als Job in de wanhoop zijns harten voor zijn God uitschreeuwt: »_Hoeveel misdaden, hoeveel zonden heb ik? Maak mij mijn overtreding en mijn zonde bekend!_« Want dat roept Job uit, niet om ontdekkend licht over het boos gedichtsel van zijn hart te ontvangen; neen, maar wel terdege, alsof hij zeggen wilde: »Gij kunt mij niets aantijgen; ik sta niet schuldig; er is geen zonde van aanbelang, die mij door God of menschen kan bewezen worden!« Immers er gaat vlak vooraf: »_Ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden!_«

Dat nu Job hierin tegenover Zofar recht sprak, mag u hier niet ophouden. Tegenover de majesteit des Heeren HEEREN sprak Job dwaasheid! En alleen in _dit_ opzicht raakt dit woord _u_.

Want laat het u gezegd zijn: Wat bij dien wanhoopskreet over de lippen van Job gleed, dat woelt telkens ook uit den bodem van uw hart op. o, Gewisselijk, ge bekent wel zondaar te zijn; maar, zoo vraagt het arglistig hart gedurig: _Waarin bestaat dan toch eigenlijk mijn zonde?_

Schuld _wilt_ ge wel belijden; maar _kunt_ ge schuld belijden? Voelt ge een oordeel over heel uw persoon in uw binnenste gaan? En bij deze vraag grijpt er bij den burgerlijk braven mensch altoos een worsteling in zijn binnenste plaats: »Om oprecht te zijn, wat ik haast niet durf, wat zijn dan mijn overtredingen? Als ik zoo diep schuld heb te belijden, _hoevele zijn mijne zonden dan_?«

Natuurlijk, de ongelukkigen, die eerst zijn overgegeven in een verkeerden zin, en in hun jeugd, of ook later zich tebuiten gingen aan zonde van godslastering, van diefstal, van dronkenschap, van hoererij, die vragen dat niet. Die hebben hun antwoord.

Maar zoo gij daarvoor bewaard bleeft, en genade uw voeten hield, dat ze niet uitgleden, dan valt op die vraag het antwoord, o, zoo zwaar aan uw geruste conscientie.

En als ge Job dan roepen hoort: »Waar zijn dan mijn zonden?!« denkt dan ook uw ziel niet soms in zichzelve: »Och, wat Job vroeg, denk ook ik in mijn binnenste, al durf ik het niet _uitroepen_, gelijk Job het uitriep«?

* * * * *

Nu een vraag!

Waart ge nimmer in een dierentuin, waar achter de traliën kleine, lieve, jonge tijgertjes speelden en sprongen, al rollend door elkaar? En dat boeide u, niet waar! die lieve, spelende diertjes, waar nog geen kwaad bij was.

o, Om de moeder-tijger zitten ze achter de traliën. Maar als die kleine, lieve diertjes alleen waren, kondt ge gerust de traliën wegschuiven en uw eigen jongen met die kleine tijgertjes stoeien laten. Ze zouden uw jongen geen kwaad doen.

Ze spelen en stoeien nog maar en zijn zoo aantrekkelijk lief.

En toch, ge weet het. Als ge diezelfde lieve diertjes maar stil gaan en groeien laat, komt uit diezelfde lieve beestjes toch straks de felle, wreede, bloeddorstige tijgeraard tevoorschijn. En zoo ge niet toeziet, verscheuren ze u en uw kind.

Heeft nu dit duidelijke beeld u niets omtrent de zondige gestalten in uw eigen hart te zeggen?

o, Neen, ook in u zijn die zonden nog niet uitgegroeid. De muil is nog niet opgesperd. De klauw nog niet uitgeslagen. Het vuur van den bloeddorst vlamt nog niet in het oog.

Gij speelt nog met uw lieve zondetjes, in uzelven en in uw kind.

Er zit geen kwaad bij, denkt ge, en het vermaakt u meer, dan dat het u angst aanjaagt en u beklemt.

En toch, wat zijn al die zondetjes in u dan kleine tijgertjes van binnen, waar de schriklijk booze aard inzit? En wat drijft ge anders dan roekeloos spel, met die booze wezentjes in u te koesteren en te streelen?

Men vergeleek de zonde in u wel eens bij kiempjes, zaadjes van een boos distelkruid, dat, straks opgeschoten, u de huid zou openrijten. Maar dat is te zwak gezegd. Neen, er is erger, er is verscheurend wild in uw hart. Die nog onuitgeroeide zonden in u zijn als tijgertjes, die eerst, o, zoo lief, toch als heur aard en wezen uitkomt, zich zoo schriklijk openbaren zullen.

Dan moordt het in uw hart!

* * * * *

En nu zult ge het onderscheid gevoelen!

In _uw_ hart, zoo goed als in dat van _ieder_ zondaar, zitten van binnen al die booze machten in. En voor wat aan u ligt, doet ge alles, om die booze wildheden van klein groot te laten worden. Gij lacht er tegen. Gij stoeit er meê. Gij voedt ze met sterk voedsel. Het is, of ge haast naar het oogenblik hunkert, waarop de booze aard mocht uitslaan.

Maar uw God is ontfermende!

Hij is wijzer dan uw dwaasheid, en Hij komt met genade tusschenbeide en sluit in uw hart die booze machten achter traliën op. En nu speelt de klauw wel tusschen de traliën door, maar tot moorden kwam het in uw hart niet.

En gij? Dankt ge daarvoor? Integendeel, gij vijlt aan die traliën. Gij zoudt die tijgertjes uit willen laten! Gij zoudt dat uitkomen van dien boozen trek willen _zien_.

Maar nogmaals, uw God is ontfermende! En Hij slaat uw hand met uw vijl af. En zoo, zoo alleen zijt ge burgerlijk braaf gebleven en bleef het wild gedierte wel in u, maar het kon niet woeden!

En als dan uw God en Vader, enkel door tusschentredende genade, het ergste belette en voorkwam, zult gij dan zeggen: »Op _mij_ is niets aan te merken, die wilde macht in _mijn_ hart brak nog nooit los«?

* * * * *

Het is zoo, ge kunt ook wel langs anderen weg ontdekkend licht ontvangen, en tot zielsverbrijzeling komt het dan eerst, als reeds de enkele gedachte, dat het geen liefde voor uw God is, die u drijft, u pijn doet en door het hart schrijnt.

Ge hebt gelijk: tot dieper indaling in uw zonde komt ge eerst, als ge uzelven in uw natuurlijken vader, in Adam, vondt, en voeldet, hoe gij het waart, die in hem tegen uw God en Souverein gerebelleerd hebt!

Maar toch, soms is het goed, om aan de hand van wat Job uitriep, tot besef van uw zonde te komen.

Het mag niet, dat ge in zelfstreelende eigengerechtigheid u boven den schuldigen tollenaar verheft. Ge moogt niet uit de hoogte van uw burgerlijke deugden op den gevallen man en op de gevallene vrouw neerzien. Ge _moet_ leeren verstaan, dat de wilde boosheden, die uit hun hart uitbraken en uitschoten, ook in uw hart wel terdege huizen. En dat het eenige, waardoor ze in u rustig bleven en geen kwaad vermochten te stichten, _die traliën der genade waren_, waarachter uw God ze, u ter behoudenisse, opsloot.

Een Augustinus, uit den moordkuil van wiens hart ze zoo schriklijk uitbraken, is niet slechter dan gij. Gij zijt niet beter dan hij. En al het verschil tusschen u en hem is, dat God _hem_ een tijdlang losliet, om heel de kerk te herinneren, wat er in _elks_ hart huist, en _u_ tegenhield, dat ze in u achter de traliën opgesloten bleven.

o, Spot toch met die genade van uw barmhartigen Vader niet! Als zijn hand even ophield die traliën geklonken te houden, zoo vreeslijk zouden ook uw boosheden naar buiten uit kunnen slaan. Hoor toch, wat de Schrift zegt: »_Die sta, zie toe, dat hij niet valle!_«

En daarom, misleid uzelven niet langer.

Wat vraagt ge: Wat dan toch uw zonden zijn? Hoe meent ge dat? Hoevele uw zonden zijn, die uitbraken? Vraag liever: Hoevele uw zonden zijn, die God tegenhield en het uitbreken belette?

o, Als het daartoe mag komen, dan wordt uw standpunt zoo heel anders.

Dan kunt ge den gevallen man en de gevallene vrouw niet meer verachten, maar zult ge, bij al de verfoeiing voor hun schriklijk kwaad, eer vragen: »Heere! wat onderscheidt mij, dat Gij mij niet losliet?«

Dan zal er een besef in u komen, dat ge in hun zonden _uw_ zonden ziet. In den tijgerklauw, die uit hun hart uitkwam, den verscheurenden aard en het wezen zien van die tijgertjes in uw eigen binnenste, en ge zult ophouden er meê te spelen.

Ge zult niet meer vragen: »Wat zijn dan mijn zonden?« maar schrikken van uw eigen hart, waarin zooveel wilde boosheden zitten opgesloten!

En dank, elken avond en elken morgen nieuwe dank zal van uw lippen naar den hooge klimmen, dat uw God zoo ontfermend was, om u zoo wonderlijk _voor uw eigen hart_ te bewaren.

Ja, uw diepste bede zal 't zijn: »o, God! _blijf_ mij bewaren. Laat de boosheden van mijn eigen hart toch niet tegen mij los!«

ACHT-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

»GIJ EN UW HUIS!«

En zij zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.

Hand. 16:31.

Onzichtbare banden zijn zoo raadselachtig en toch trekken ze soms zoo sterk.

Gij zult nederzitten in een spoorcoupé, dat ge als haringen gepakt opeenzit, en men u links en rechts drukt, en dat ge toch als een vreemde en zonder aanraking temidden uwer medereizigers zijt; terwijl ge op hetzelfde oogenblik aan vrouw of kind zult denken, die urenver van u afzitten, en ge met hen u op 't innigst verbonden gevoelt.

Ze zijn zoo geheimzinnig, die verborgene banden; die wondere banden van het hart; en die nog teederder banden des geestes.

Ge merkt er niets van, en ge ziet er niets van; ge kunt ze naspeuren noch tasten; en toch zijn ze er; en hun trekking is zoo machtig; dan vooral, zoo ze door de banden van het bloed worden gesteund.

Zie slechts om u in uw gezin.

In een vol uitgegroeid gezin was eerst alleen een vader en moeder; en nu is hun kroost geschonken; en bloeien de olijftakken aan hun tafel. Maar al lijkt zulk een huisgezin op een plant, toch is het anders dan een plant. Want immers van een plant kunt ge de stukken niet uit elkaar nemen, of ze hebben niets meer met elkander uitstaande. Stekken, van een boom afgenomen, keeren nooit meer naar dien boom terug, en geplukte vruchten vergeten heur oorsprong. Maar zoo is het met een menschelijk huisgezin niet. Zulk een gezin lijkt wel een plant, die allengs in stukken uit elkaar loopt; maar zoo, dat de uiteengeloopen stukken toch nog met onzichtbare banden of vezelen aan elkaar verbonden blijven.

De telegraaf komt er nog het naast bij. Als te Parijs de magnetische draad in den grond wordt gestoken, en men steekt het andere uiteinde van dien draad te Amsterdam in den bodem, en de toestel werkt, dan heeft er opeens, onder den grond door, een verbinding plaats van de electrische kracht. Het trekt van die punt, die te Parijs in den grond steekt, tot naar die punt, die bij ons in den bodem ging. Men noemt dat een strooming. Men merkt en weet, _dat er_ een verbinding is. Maar het is een verbinding, die aan onze waarneming ontsnapt. En zoo nu, en sterker nog, is het ook met de banden van het bloed, vooral indien de banden van den geest er op werken mogen. Want of het eene kind dan in het eene en het andere in het andere werelddeel is, als door een electrischen stroom, die ongezien door de lucht trekt, blijven dan die harten toch op den versten afstand verbonden. En als 's avonds de knieën worden gebogen en uit alle stad en dorp de gebeden naar den hooge opklimmen, dan werken al die stroomingen, dan trekken al die banden, en dan is het éen roepen, éen bidden naar den hooge voor wie van zijn lieven verwijderd is en toch voor zijn lieven liefde voelt in zijn hart.

* * * * *

Toch kan niet genoeg geklaagd, dat de trekking dier geheimzinnige onzichtbare banden niet nóg sterker is; niet genoeg getreurd, dat juist in onze dagen de onderlinge verkleefdheid en saamhoorigheid vaak zoo flauwelijk werkt.

Ge hebt wel recht, dat familiebanden niet kunnen blijven doortrekken, als te sterk geestesverschil de zielen uiteendrijft. Of heeft niet de Heere zelf gezegd: »Wie niet haat zijn vader en broeder om mijnentwil, is mijns niet waardig«? Niet ook waar, dat Ruth's zeggen: »Uw volk is mijn volk« steeds weerklank vond in het vroom gemoed? o, Schrijnen moge het u soms door de ziel, maar er is niets tegen in te brengen: als de eene Jezus belijdt en den andere het kruis een ergernis is, dan kunnen die twee niet saamgaan, ook al heeft eenzelfde moeder ze gebaard.

Maar omdat de banden van het bloed ook in uw huis, als het op beslissen komt, nooit de banden van den geest overheerschen mogen, daarom moogt ge toch nimmer die banden van het bloed gering achten.

Die banden van het bloed zijn geleidingen, waarlangs iets uit het hart van den een in het hart des anderen uit kan gaan. Er kan langs die geleidingen _een vonk van zonde_ schieten uit de ziel des eenen in die des anderen; maar ook, er kan langs diezelfde geleiddraden _een zegen_ overgaan uit hart in hart.

En dit nu is het kwaad onzer dagen, dat de kerk van Christus op die banden des bloeds, als instrumenten van zonde of van zegen, zoo weinig let.

Het wordt alles te _geestelijk_ opgevat.

Ook gij hebt wel _een huis_. Paulus' zeggen tot den stokbewaarder: »Gij en _uw huis_,« is voor u ook wel verstaanbaar. Maar nu denkt ge allicht: »Als die kinderen van mijn bloed zalig zullen worden, zal tóch dit werk van den Heere moeten komen; wat kan ik er aan doen?« En zoo staakt ge het woord van vermaning; zwijgen wordt regel; alleen in natuurlijke, wereldsche dingen werken de banden des bloeds nog; maar overigens, dat er in die banden des bloeds een kostbaar instrument gegeven is, om ter zaligheid ook voor uw huis werkzaam te zijn, dat hebt ge nooit ingedacht; dien blik hadt ge er nooit op; daar liet ge u niet meê in.

En dit nu is een zonde, die bestraft en bestreden moet.

In _uw macht_ heeft God de Heere de zaligheid van _uw huis_ zeker _niet_ gesteld. Hij is een jaloersch God, en geeft zijn eere aan geen andere. Hij baart weder, Hij alleen, en alleen God de Heere zelf kan aan uw kind, aan uw vrouw, aan uw broeder _het geloof_ geven. Maar _onder uw plicht_ staat niettemin het vermaan en het smeeken der liefde. En als God de Heere u dan niet los in het midden der uwen stelt, maar u met heel uw huis door heilige, teedere, geheimzinnige banden des bloeds zoo verbindt, dat er langs al die banden en draden iets van u op hen _kan_ uitgaan, dan _moet_ ge uw arbeid te werk stellen, ook al bleek in de uitkomst, dat het al arbeid en moeite tevergeefs was geweest.

o, Dat er in onze Christelijke gezinnen toch dieper besef opwaakte van deze heerlijke roeping!

Eertijds zag men soms reeksen van geslachten, waarin de zegen der genade telkens van vader op kind als overging, en thans is het, of schier uit elk huis het ongeloof zijn prooi komt wegsleepen.

Dit gaat niet om goed en have, maar 't gaat om de levende zielen.

En daarom kan er niet sterk genoeg op aangedrongen, dat we voor dat diepgaande kwaad toch het oog zullen openen.

De kerk van Christus vraagt om _geslachten_, die den Heere dienen in godzaligheid. De kerk van Christus vraagt om geheele _huisgezinnen_, die den Heere in onverderfelijkheid mogen aanroepen. Ze wil, ze vraagt ook van u, dat ook in uw huis _de banden des bloeds_ niet als een ongebruikt instrument zullen liggen.

God schiep ze, die banden.

Ze geven u geleiddraden. Ze bieden u aansluiting. Ze stellen u in gemeenschap met wie om u zijn.

o, Laat langs die draden, laat door die aansluiting, laat, dank zij die gemeenschap, dan ook in uw huis de gloed eener meer dan aardsche liefde voor man en vrouw en kroost, voor broeder en zuster werken mogen.

Een liefde, die naar Boven lokt, die, God geve het, meêtrekt naar den hemel!

NEGEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

»VAN UWEN HOUTHOUWER TOT UWEN WATERPUTTER.«

Uwe kinderkens, uwe vrouwen en uw vreemdeling, die in het midden van uw leger is, van uwen houthouwer tot uwen waterputter toe.

Deut. 29:11.

In onze dagen is Engelands gewezen minister een houthouwer, en water uit onze waterleiding in een kruik opvangen kan ook een vrouw van eersten stand doen.

Maar in Israels oude dagen was het zoo niet. Toen het hout van verre saamgelezen moest in het wilde woud en het water uit de verre beek moest aangedragen, was houthouwer en waterputter een zeer slavelijke en zure arbeid, en omdat het een arbeid was, die geen zier talent en kennis eischte, nam men er lieden voor van het laagste soort.