Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath
Part 11
En daarom vindt ge dit verschil, dat die valschelijk gerusten in Sion den kwaden dag altoos verre stellen; en zich de breuke van het huis Jozefs niet aantrekken; en geen lijden om Sion en geen zorge voor zichzelven kennen; maar als welvoldane en zelfgenoegzame kinderen Abrahams zich vermaken binnen het gordijn van hun heilige tente; en juist daardoor geen schok in de ziel en geen ritseling in het woud, en geen erbarming met anderen kennen. Wat gaan hun de volken achter Bazan aan? Niets kan in hun heilig Sion hen deren!
Maar zoo zijn degenen, die _wezenlijk_ rust in het echte Sion vinden, niet.
Eer omgekeerd voelen zij keer op keer een onrust in de ziel, alsof de fundamenten van Sion zelf schokten en dreunden. Hun stormt het gedurig in de hooge spitsen der torens en in de toppen der boomen, die Sion omringen.
Zij hooren God den Heere werken, en het naderen van zijn majesteit is hun ontzaglijk.
Neen, ze zijn _niet_ gerust, dan door de spanning van de _onrust_ heen.
Want aldoor dreunt hun de stem huns Gods in het oor, en dan beven ze, tot de volmaakte liefde straks de vreeze weer uitdrijft.
Zij merken zijn oordeelen en ze sidderen; en schrikken bij de gedachte van wat uit de zwangere wolken van zijn majesteit straks de volken en de natiën, en ook hun woonstede, ja, de kerke Gods, treffen zal.
Om hen gist alles en kookt alles. Het leeft en trilt en ritselt. Eén machtig, majestueus golven van de mogendheid des Heeren in zijn koninklijk bruisen.
En dan de vraag, of dat oordeel _tegen_ hen komt of _voor_ hen strijden zal.
o, Straks overwint het geloof weer, en dan jubelen ze temidden van den stormwind; maar toch, ze kennen ook de benepenheid des harten, als eigen schuld en zonde hen zoo wreed omverwerpt.
En dan liggen ze neder »als dood aan zijn voeten«, tot Hij de hand weer op hen legt en ze leven mogen.
En aan en in dien nood leeren ze het dan om allen hoogmoed en trotsche verheffing over het medeschepsel hartgrondig te verfoeien, tot er in hun ziele invloeit iets van Goddelijk mededoogen en van erbarmen met wie Sion nog niet kent.
DRIE-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
»DEN MEDICIJNMEESTER NIET VAN NOODE.«
En Jezus zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn.
Mark. 2:17.
Er ligt in het omgaan met de lieden der wereld voor Gods kinderen groot gevaar.
Niet enkel het gevaar, dat vanzelf spreekt, om door het schoon der wereld en de begeerlijkheid der oogen verlokt te worden; maar nog een heel ander gevaar, waar men in den regel _niet_ op verdacht is, en dat ons daarom te eerder overvalt.
Dit bedoelen we: Als ge veel met lieden der wereld in aanraking komt, die gansch _niet_ vroom zijn en eer met vroomheid lachen, dan gaat gij van uw eigen vroomheid, ook al heeft ze, o, nog maar zoo weinig te beduiden, toch allicht een hoogen dunk krijgen.
En bij hen vergeleken, _zijt_ gij dan ook vroom. _Gij_ vloekt niet, maar bidt; _zij_ bidden schier nooit en vloeken niet zeldzaam. _Gij_ rekent bij uw overleggingen met Gods Woord; _zij_ maken op dat heilig Woord soms laffe glossen. De Sabbath brengt _u_ een getuigenis uit hooger wereld; voor _hen_ is het veelal een dag van luidruchtigheid en pret. Als iemand aan zijn sterven toe is, komt bij _u_ althans de vraag op, of hij behouden zal worden; terwijl _zij_ enkel met de zorge voor zijn lichaam bezig zijn. Ook in den gewonen omgang brengt _gij_ nog wel eens een vraag over het zielsleven te berde; _zij_ spreken over zaken, over uitgaan, over een roman, dien ze lezen, en het weer. Geen twijfel dus, of als het op vroomheid aankomt, zijt ge, _bij dezulken vergeleken_, al vrij ver op den weg, en keert ge, wel voldaan over uzelven, uit hun gezelschap huiswaarts. En tehuis gekomen, glijdt niet zelden de klacht over uw lippen: »Lieve vrouw, wat is het in die wereld toch een goddelooze boel. Van vroomheid schijn noch schaduw!«
En dat _is_ ook zoo. In de kringen der wereld is men geestelijk _zeer_ krank; haast zoudt ge zeggen: krank _tot den dood_; en bij deze doodelijke krankheid vergeleken, zijt gij nog een heele held.
* * * * *
Maar zijt ge daarom _gezond_?
Eens kwam in een kring van een kloeken man en vrouw met zes frissche kinderen, de een voor den ander met den blos van kracht en van gezondheid op de koonen, een armelijk meisje van zeventien jaar om hulp voor haar zieke moeder en zieke zusje vragen. Dat meisje zag er zelve doodsbleek, vermagerd en met blauwe kringen onder de oogen uit. Haast had ze geen kracht, om zich op te houden. En bij dat kerngezonde gezelschap vergeleken, scheen _zij_ doodziek.
Van harte was men dan ook bereid om te helpen. Haar zou een versterking voor haar zieken, wat geld, en ook een dokter worden nagezonden.
En die dokter komt, klopt aan de deur en wordt ingelaten, en gaat nu bij dat meisje zitten, en voelt haar den pols, schrijft een recept en wil heengaan, toen het meisje opeens zei: »_Dokter! u vergist u, ik ben de gezonde_, maar mijn moeder en mijn zusje liggen zoo ziek!«
En dat zeggen: »Dokter, u vergist u, _ik ben de gezonde_,« kwam bij dat doodzwakke zieltje nu uit liefde voort. Ze dacht aan zichzelve niet, maar alleen om die _nog erger_ kranken, die in de bedsteê op het stroo lagen.
Maar zooveel blijkt er dan toch uit, dat »ziek« en »gezond« al zeer betrekkelijk is, en afhangt van uw maatstaf.
Bij die ingezonde kinderen vergeleken, was dat doodzwakke meisje al _zeer krank_; maar vergeleken bij die nog zooveel _erger_ zieken in de bedsteê, was zij weer _de gezonde_.
En dit nu mag elk minnaar des Heeren wel op zijn eigen _vroomheid_ toepassen.
Meet ge u af naar hen, die in het gestoelte der spotters zitten, of staan in den raad der goddeloozen, o, gewisselijk, dan zijt gij, met uw zeer kleine vreeze des Heeren, al een wondervroom en zeer godzalig man.
Maar als ge, uit dien kring der wereld uitgeraakt, eens verkeeren moogt onder lieden, die wezenlijk zeer nauw van conscientie zijn en ingeleid wierden in Gods verborgen omgang, hoe bleek en uitgeteerd lijkt dan uw gestalte niet! Dan zijt gij weer _de zieke_, die den Medicijnmeester _hoog_ van noode hebt.
* * * * *
Maar zijn dan die stillen en godzaligen in den lande _de gezonden_? En hebben die dan tenminste den Medicijnmeester _niet_ meer van noode?
Och, reeds die vraag toont, hoe weinig ge ze kent en verstaat.
Het is zoo, soms sluipen er ook in zulke gezelschappen hypocrieten in, die een vroom praatje zoo letterlijk weten na te vertellen, dat ge er heusch meê in de war raakt. Maar de geestelijke hoogmoed komt bij dezulken toch al spoedig door de gaten van hun opgelapt kleed gluren; en ge merkt wel, hoe arm aan teederheid en aan innerlijke ontfermingen hun hart is.
Op den duur houden deze lieden van de _nagemaakte_ godzaligheid het in _wezenlijk_ geestelijke kringen dan ook niet uit.
Maar als ge deze _hypocrieten_ nu eens niet meêtelt, neen, waarlijk, dan zult ge in deze godzaliger gezinnen geen zweem van dien overmoed vinden, die pocht op eigen geestelijke gezondheid.
Het is zoo, ze kunnen soms roemen. En het zou de eere van Gods liefde te na komen, als ze het zwegen. Aan genade hebben ze wel waarlijk kennis. En als ze indenken, hoe ze weggeworpen lagen op de vlakte des velds, en hoe ze der verkwijning nabij waren, o, dan kunnen ze geen woorden genoeg vinden, om den lof te verkondigen van dien éenigen Medicijnmeester, die hen opzocht, en hun etterbuilen uitdrukte, en hun wonden zalfde, en hun zoo kostelijke medicijn gaf, dat er, ja, waarlijk, bij vroeger gezien, _een wonder_ aan hen is geschied.
Dat is geen eigen roem, maar enkel grootmaking van den naam van dien éenigen Arts der zielen; een prijs voor zijn kostelijk medicijn van loutere genade.
Maar als ze hun _toestand_ indenken, zooals die nu dan is, neen, waarlijk, dan roemen ze niet in kracht; dan verheffen ze zich niet boven de anderen; maar weten ze, o, zoo goed, dat zij het juist zijn, die elken morgen en elken avond dien Medicijnmeester weer van noode hebben.
* * * * *
Dat komt daarvandaan, dat ze zich niet onderling aan elkaar, noch aan de lieden der wereld, maar aan dien Medicijnmeester zelven meten.
Hij alleen is waarlijk _gezond_, en hun is door dien Medicijnmeester de heerlijke belofte gegeven, dat als de kuur eens geheel ten einde is, _ze Hem dan gelijk zullen wezen_ (I Joh. 3:2).
Al het verschil tusschen die anderen en hen bestaat dan ook juist hierin, dat die anderen, bij al hun verterende krankheid, evenals teringzieken, nog maar altoos van geen »bedenkelijke kwaal« hooren willen en door alles heengaan en geen Medicijnmeester zien kunnen. Terwijl deze kinderen Gods omgekeerd diep overtuigd zijn van de gevaarlijke krankheid, die ze met zich sleepen, en al hun hope stellen _niet_ op hun sterk gestel, maar eeniglijk op dien kundigen Medicijnmeester, die er reeds zoo duizenden bij duizenden, die even doodelijk krank waren, voor altoos van den dood heeft gered.
Daarom denken ze zoo telkens aan dat prachtige Vaderhuis daarboven, waar deze Medicijnmeester de duizenden bijeen heeft, die tot _volkomen_ herstelling kwamen, en het hart springt in hen op van vreugde, als die trouwe Medicijnmeester hun telkens weer zegt: »Wanhoopt niet, eens zijt gij ook bij die gelukzaligen. Wacht slechts uw tijd af!«
En dan duurt die tijd hun wel eens lang.
Maar toch rust heel hun ziel, als ze maar in dat trouwe oog van dien éenigen Medicijnmeester mogen staren; en bang is het hun dán alleen, als die Medicijnmeester een dag overslaat en hen niet bezoekt.
Dan vragen ze: »Is hier ook oorzaak voor? Heb ik Hem ook beleedigd en bedroefd? Zijn voorschriften van geestelijke genezing wel nagekomen?«
Tot ze hun fout dan weer inzien, en dan komt die trouwe Medicijnmeester hen weer opzoeken en ze leven weer op.
En zoo gaat het van dag tot dag.
_Zij_ altoos de kranken, en _Hij_ altoos de wondere Arts, die hen met zijn kostelijk medicijn uithelpt.
En daarom komt Jezus bij niemand zooveel, als juist bij die innig godzaligen. Want innig godzalig zijn is juist dag aan dag bekennen, dat we _zonder_ dien Medicijnmeester _weg_ zijn.
VIER-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
»MAAR IS VOOR EEN TIJD.«
Doch hij heeft geenen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, om des Woords wil, zoo wordt hij terstond geërgerd.
Matth. 13:21.
Het waarachtige leven heeft ook een schijnvorm, die er den naam meê gemeen heeft, maar er het wezen van mist.
Die schijngestalte van het kindschap gaat soms zoo ver, dat de heilige apostel Paulus spreekt van personen, die hij gekend heeft, die »verlicht zijn geweest en de hemelsche gaven gesmaakt hebben en des Heiligen Geestes deelachtig zijn geworden, en gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw«, en die toch bleken, niet het waarachtige zaad der wedergeboorte in hun zielen te hebben ontvangen, maar slechts geloofd te hebben en in een schijngestalte gewandeld te hebben voor een tijd.
Een hoogst opmerkelijk verschijnsel in Gods kerk, dat volstrekt niet op éen lijn mag gesteld met het opzettelijk schuldig bedrijf der hypocrieten.
Neen, er is in de zielen dezer dubbel rampzaligen iets omgegaan. Er heeft een hoogere kracht op en in hen gewerkt. Ze hebben zielservaringen genoten, die een echt kind Gods hun soms benijden zou. En toch, toen het op de vuurproef aankwam, bleek het niet het echte werk geweest te zijn. Ze vielen weer uit, uit wat eigenlijk nooit hun kinderdeel geweest was. En vreeslijk was het einde van deze vergeefs bewerkte, kort daarop weer afvallig gewordene, en nu onredbare zielen.
* * * * *
Reeds de Heere zelf wees op deze bewerkte en toch ongeredde, straks onredbare zielen, in zijn gelijkenis van den Zaaier.
Naar de scherpe teekening, die Jezus van hen gaf, bestaan ze zelfs in drie categorieën: personen, die slechts zeer even door genade aangedaan worden; personen, in wie de genade een oogenblik opbloeit en een schijnvertooning maakt; en eindelijk personen, in wie er nog meer dan begin van bloei, in wie er zelfs een begin van vruchtzetting was, maar in wie de pas gezette vrucht door de doornen en distelen der wereld wordt verstikt.
Zulke door genade aangegrepene en toch niet tot den wortel bevestigde personen zijn dus volstrekt geen hoogst zeldzame uitzonderingen. Integendeel, van de vier categorieën, waarop de Heere de genade werken laat, rekent Jezus er drie tot deze doelloos bewrochten, en is slechts éen categorie de waarlijk bevruchte, die vrucht draagt, dertig-, zestig- en honderdvoud.
Nu tellen die personen, die aan den weg bezaaid zijn, nauwlijks meê. In hen toch was het zulk een nauwlijks waarneembaar werk, dat niemand zich licht in hen vergissen zal.
En ook is niet zoo breed de categorie der in de doornen bezaaiden, eensdeels, omdat de vervolgingen thans zoo fel niet meer zijn, en anderdeels, omdat de verstikking van den rijkdom slechts het levensgevaar van enkelen onder Gods kinderen is.
Maar breed is en blijft de categorie, die Jezus in het midden plaatste; de categorie der tijdgeloovigen, waar vanouds Christus' kerk steeds op wees; mannen en vrouwen, die geen eeuwig leven hebben, maar slechts voor een tijd zijn.
Slechts voor een tijd, _omdat ze geenen wortel in zichzelven hebben_.
* * * * *
Want immers op dien _wortel_ komt het juist aan.
Of ge in iemand al het gevoelsleven gaande maakt, en zoo gevoelsstroomen in hem opwekt, dat hij even ontrust wordt, en u het oor leent, en nu wel meê wil loopen op den weg naar Jezus toe,--och, dat lijkt wel schoon, en maakt soms wel een roerenden indruk, maar het mist allen grond en degelijkheid.
De zonde is wat diepers dan het gevoel, en de dood, die uit de zonde geboren wordt, vreet wat dieper in uw persoon in dan de oppervlakte van uw gevoelsstroomen.
Heel uw persoon, uw wezen, uw ik, in het diepste van uw bestaan, is aangetast, en gaat gewisselijk, zoo God het niet keert, ten verderve.
Op vernieuwing van heel dat ik, heel dien persoon, heel dat wezen, op een van nieuws ontvangen en geboren worden komt het daarom aan.
En wat woudt ge dan in zulk een ontzaglijken strijd, die tusschen God en Satan op den bodem van het menschenhart wordt uitgestreden, volstaan met een cachet, dat ge er op drukt; met een vroom stempel, dat ge er op zet; met trillingen en bewegingen in de oppervlakte; met een schijngeloof zonder kennis; en met een napraten en nadoen van anderen, zonder innerlijke wezenheid in het hart?
* * * * *
Waarvoor strekt en dient de wortel?
Immers juist, om als de oogenblikkelijke levenskracht is opgeteerd, aanstonds weer nieuwe frissche levenskracht te kunnen toevoeren.
Vergelijk den bloemruiker met den ceder op den Libanon, en al het verschil tusschen het wortellooze en wat een wortel bezit, spreekt u toe.
o, Het is zoo, schoon geuren die bloemen en prachtig schitteren die kleuren. Zij zijn begeerlijk en schoon voor het oog. Wie onzer kan de bekoring van zulk een ruiker soms weerstaan?
Bovendien ze waren immers echt, die bloemen. Geen gemaakte, maar door God gewrochte bloemen. Slechts éen ding ontbrak haar, dat ze geen wortel hadden, en _omdat_ ze geen wortel hadden, waren ze slechts _voor een tijd_.
En evenzoo immers is het bij die opmerkelijke schijn-Christenen. Rijk aan sieraad ontmoet ge hen op den weg. Geur en fleur geven ze van zich. Het is wel, zooals Paulus zegt, dat ze des Heiligen Geestes deelachtig zijn geworden.
Soms verrukken ze u door de uitademing hunner zielen.
En toch, hun bloei is slechts voor enkele dagen. Dan verbleeken en verdorren ze. Omdat deze schijn-Christenen _geen wortel_ hadden, waarmeê ze leven uit God konden indrinken, bloeiden ze slechts voor een tijd.
Zie het maar aan den ceder, die met zijn diepe wortels zoo degelijk in wezen tegen de geplukte bloem overslaat.
Bij hem soms minder geur en minder fleur, maar een wortel, die diep indringt, en daarom den ceder de jaren verduren doet, ja, tot een beeld van het eeuwige maakt.
En zoo nu is Gods _echte_ kind.
Ook voor eeuwen, ja, voor eeuwig; alleen om dien wortel, waarmeê hij in God wortelt.
Zij het zoo ook u!
VIJF-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
»GIJ LEGT MIJ IN HET STOF DES DOODS!«
Mijne kracht is verdroogd als eene potscherf en mijne tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.
Psalm 22:16.
Eens, toen er nog geen mensch bestond, lag er op deze aarde ziellooze doode stof. En van die stof greep Gods almogendheid een handvolle en nog een handvolle, en vormde er een menschelijke gestalte, met been en spier, met bloed en zenuw, uit. Altegader wijsheid, kracht, schoonheid, die Hij in die doode stof inschiep. En toen dit menschelijk lichaam gereed lag, schiep diezelfde God er de ziel in, waarop het lichaam was aangelegd. En zoo verrees die door Gods almacht wonderkunstig bewerkte stofklomp, en wat daar in het Paradijs stond en voor het eerst omzag en waarnam en luisterde, was de door God geschapen _mensch_.
Zoo was die mensch niets dan stof, met bijvoeging van de wijsheid en de almacht Gods, die scheppend op die stof gewerkt had.
Zoolang diezelfde almacht hem in dat stof hield en behield, bleef hij dus. Maar liet God hem los, of ging hij van zijn God af, wat wierd er dan anders van hem dan nogmaals stof?
En daarom, toen de mensch in zijn hoovaardij dát aandorst, en den band met zijn God afsneed, toen kwam de vloek ook: »Stof zijt ge en tot stof zult ge wederkeeren, dewijl ge daaruit genomen zijt!«
Uit dien hoofde blijft het niet bij het uitblazen van den adem en het geven van den jongsten snik. Neen, de vernedering moet nog dieper doordringen. Wie God verlaat, moet terug naar den toestand, waarin hij verkeerde, eer zijn God hem riep en schiep. En daarom volgt er na ons uitblazen van den adem nog een graf, dat ons in zijn schoot ontvangt.
Dan opent de aarde zich. Die stofbodem, waarboven Gods almacht ons verhief; dien we met onzen voet vertreden hebben; waarover we koninklijk heerschten; maar die nu zich wreekt, en ons opwacht, om over ons te heerschen.
Het graf ontbindt, verteert, verslindt u. En de ruste kan niet komen, eer het weer wierd, wat het oorspronkelijk was: _niets dan stof_.
* * * * *
Dit nu heeft ook de Messias voorgevoeld en vooruit doorleden, toen de Heilige Geest David tot den lijdenspsalm uitdreef, en hij zong van den bittersten kruisdood, en, in zijn uitroepen ook in dien smaad van het graf verzinkend, klaagde: »o, Mijn God! _Gij legt mij in het stof des doods!_«
Voor ons gaat dat bij trappen. Eerst krank; dan sterven; en dan het graf. Maar voor den blik van Messias was dat éen rechtstreeks doorgaande lijn van vernedering en vernietiging _tot in het graf_. Eén opwoeling _van het stof des doods_, dat Hem verstikken zou.
Stof en Geest staan tegen elkander over.
Het stof is het vormelooze, onbezielde uit de ure, toen de aarde nog woest en ledig was en duisternis op den afgrond. De Geest was toen nog niet scheppend in de stof gedrongen om haar te bezielen. De Geest van God was nog zwevende _over_ de wateren.
Maar op Gods bevel dook die Geest in het stof; en zoo kwam het leven van heel de schepping er, tot het eindelijk zijn kroon ontving in den mensch.
Zoo moest dan het stof den Geest dienen, en de Geest is geroepen, om het stof te bezielen en te beheerschen.
Tot er een breuke in dat geestelijk leven komt. Want dan kentert het rad der geboorte. Het slaat om. De macht wordt aan het stof hergeven, en het gaat alles terug naar wat »woest en ledig« was. Het wordt alles weer stof.
En in die schriklijke vernieling moest ook Messias in.
Als Middelaar in het eeuwig Raadsbesluit gesteld, was het zijn lot, het wel en wee van ons menschelijk geslacht te huwen. Eens de glorie, waartoe het geroepen was; maar eerst de verderving, waartoe het was gedoemd.
Hij zou onze natuur aannemen; maar in gevallen en geknakten staat. Gelijk ze onder den doem lag, om in dood en graf te verzinken en tot stof weder te keeren. En in dien loop en weg moest Messias ingaan, om juist in de groeve des doods verzonken, met het stof te strijden, en in het graf zelf de macht van het stof te binden door zijn verrijzenis.
* * * * *
Dat was het eindpunt, waartoe het komen moest. Dat de diepste diepte, waarin Hij had weg te zinken. En eerst als die diepte der versmading bereikt was, zou Hij met de diep ingedrukte veerkracht des Geestes koninklijk triomfeeren over het graf, dat ook Hem vernielen wilde.
Het stof heeft over Jezus geen macht gehad. »Gij zult niet toelaten, dat uw Heilige de verderving zie!« had het in Psalm 16 weerklonken. En die toon der hope wierd profetie.
Het is bij Jezus doorgegaan tot de scheiding van ziel en lichaam. Zelfs is zijn afgescheiden lichaam in het graf gelegd. Maar verder kwam het niet. Het stof kon dat lichaam _niet_ ontbinden, _niet_ verteren; _tot stof_ wierd het niet!
Hij werd in het stof des doods gelegd. Besloten in een graf. Besloten achter een deur van steen. Maar in de worsteling, die toen volgde, leed het stof de nederlaag. De Geest des levens overwon en het stof des doods wierd overmocht.
En ook nu ging het naar den wortel.
Gelijk in Adam de wortel van ons geslacht geknakt en in de macht van het stof weggezogen was, en deswege een iegelijk onzer den tol der ontbinding aan het stof moet betalen, zoo ook ging het hier te werk. In Christus triomfeerde _de wortel_ des nieuwen levens, en in Hem zegepraalt over het stof, al wat in dien wortel gehecht is.
* * * * *
Ontzettend moet het voor den Middelaar geweest zijn, eer Hij triomfeeren kon, in die diepte om onzentwil weg te zinken.
Hij klaagt het met zulk een toon, waar weedom des harten in kermt: »Gij legt Mij in het stof des doods!«
En toch, er sprak in dat woord toch ook vertrouwen.
Hij wierd niet door dat stof getrokken, maar _God legde Hem er in_.
Het is alleen ontwikkeling, ontplooiing, uitwerking van het eeuwig Raadsbesluit. Van datzelfde Raadsbesluit, waarin ook zijn triomf besloten lag. En dat maakte, dat deze diepe treurpsalm (22) reeds halverwege in den toon van lof en jubel omslaat: »Gij, die den Heere vreest, prijst Hem; al gij zaad Jakobs, vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel!«
Daarin ligt voor Messias de macht, om door te worstelen tot den einde.
Niets overvalt Hem. Niets overkomt Hem door de macht van de natuur of van de zonde. Zelfs in zijn bangste lijden is Hij geen oogenblik buiten Gods hand.
Gods Geest leidt Hem in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel; en straks is het dezelfde Vaderhand, die Hem den beker, den schriklijken drinkbeker van den eeuwigen dood, aan de lippen zet.
Hij valt niet in het stof des doods. _God legt Hem er in._
En zoo ligt in zijn wegzinken de profetie van zijn opvaren in de hoogte.
Het is al uitvoering van het éene lijdensprogram; maar vlak na dat lijdensprogram volgt in Gods Raadsbesluit het program van glorie en zegepraal.
Door lijden tot heerlijkheid!
De poorte des Heeren, waar Hij door moet treden, om in te gaan in den luister, die Hem beidt.
Hierin lag voor den Middelaar, in leven en in sterven, naar ziel en naar lichaam, zijn eenige vertroosting.
En nog weet Gods kind op aarde het, hoe hij, achter Jezus aankomend, daarin al zijn rust, daarin den moed om te dragen en te dulden, daarin alleen de geestkracht vindt, om temidden van de bangste duisternis het licht te grijpen, zoo hij, in de diepste smart verzonken, weten mag: Niet bij geval, noch ook door den mensch mij aangedaan. _Gij, Heere! Gij alleen legt mij in het stof des doods!_
ZES-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.
»DE ONGERECHTIGE MAN ZIJN GEDACHTEN.«