Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath

Part 10

Chapter 103,959 wordsPublic domain

En daarom maant en prikkelt het Woord en de Geest ons telkens opnieuw, om toch naar dat hoogste te grijpen, en niet te rusten, eer het met onze ziel weer tot dat zalige gekomen is.

Gekomen. Niet met een opwinding des gevoels, of met een prikkeling der zenuwen.

Dat nut niets voor den Heere.

De ware aanbidding is niet luidruchtig, maar maakt stil; windt niet op, maar doorstroomt ons met heilige kalmte.

En de eisch, die ook thans tot uw ziel en tot de mijne komt, is maar, om zoo onzen weg aan te stellen, en zoo rusteloos door den Middelaar tot de gemeenschap van het Eeuwige Wezen door te dringen, tot onze ziele het weer beluisteren mag: »Gij zijt mijn kind, gij zijt mijn uitverkorene!« en dat het als een echo onzer ziel op die stemme weerklinkt: »_Abba, Vader!_«

TWINTIGSTE ZONDAG.

»HEM ALLEEN DIENEN!«

Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, Satan! want er staat geschreven: Den Heere, uwen God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.

Matth. 4:10.

Elken morgen, dat het licht over ons verrijst, ligt er een taak voor onze rekening, die God wil, dat we dien dag zullen afwerken. Zoo is er een taak, die ge af te werken hebt voor elke week. Een taak, die u op wordt gelegd voor elke maand. En zoo ook een taak, die wacht op volbrenging bij elk nieuw jaar, dat ge intreedt.

Ook dit jaar gingen we weer in, _om te werken_.

We zijn geen heeren en vrouwen, die op onze eigen gelegenheid in deze wereld bestaan; maar we zijn knechten en dienstmaagden, in dienst bij den Heere onzen God.

Hij is onze Heere, en wij zijn er voor, om door Hem gebruikt te worden, en om voor ons klein en schijnbaar nietig deel mede te arbeiden aan de groote en ontzaglijke taak, die onze Heere in dit zijn groot en machtig huis, van den aanvang der eeuwen tot aan het einde, wil volbracht zien.

Ge mist dus elk recht, om ook dit jaar in te treden met de gedachte in het hart, dat ge nu eens overleggen zult, wat ge zelf wel zoudt verlangen te doen. Wie zoo staat, staat verkeerd, en zulkeen brengt het nooit tot een goed einde.

Neen, uw stand is de stand van _dienstknecht_ en _dienstmaagd_ des Allerhoogsten, wier oog op de hand van hun Heere moet zijn, en die dit jaar met geen anderen zin of toeleg mogen intreden, dan om dien grooten en machtigen Heere te _dienen_ in _alles_, te dienen al den dag en al den nacht, te dienen van den eersten dag des jaars tot aan zijn einde.

In _alles_ voor Hem; _nooit anders_ dan voor Hem; vaardig passend op het woord, dat uit _zijn_ mond uitgaat.

Gelijk de engelen in den hemel zijn, zoo wij op aarde.

En daarom dagelijks de bede op de lippen: »Uw wil worde door ons op aarde volbracht, gelijk in den hemel door uw cherubs en serafijnen!«

* * * * *

»Godsdienst« was een schoon woord; maar het is door misbruik een jammerlijk woord geworden.

Want »godsdienst« wil dan zeggen: Ik heb een leven in de wereld, ik heb een leven voor mijn denken, ik heb een leven voor mijn gemoed, een leven in mijn gezin, en dan ook nog een leven van kerkelijken aard, en dat is mijn godsdienst.

Godsdienst heet het dan, als men bidt; godsdienst, als ik Gode lofzing; godsdienst, als ik gelofte betaal; en godsdienst, als ik mij onder Woord en Sacrement schik; maar wat daarbenevens en daarachter in mijn leven en mijn hart ligt, dat mag alles zijn wat het wil, maar eigenlijk _godsdienst_ is dat niet.

Om dien valschen zin van dit mishandeld woord niet voort te planten, spraken onze vaderen daarom meer van _religie_ voor wat thans de groote menigte haar »godsdienst« noemt; en gebruikten het denkbeeld van God te _dienen_ voor den dienst des Heeren op _alle_ pad en in _allen_ toestand des levens.

Zoo had ook Jezus het ons aangewezen.

Ook Hij maakte de onderscheiding tusschen _religie_ in enger zin en den _godsdienst_ in het leven, en dit noemt Hij, in zijn terugslaan van Satan: »Den Heere onzen God _aanbidden_, en Hem alleen _dienen_.«

En hoewel nu het eene zonder het andere niet bestaan kan, en God te _dienen_ ondenkbaar is, zoo ge Hem niet _aanbidt_, zoo is de onderscheiding tusschen die twee toch ook voor u volstrekt onmisbaar.

Ook gij moet zeer zeker dit jaar _religie_ in enger zin hebben, en gemeenschap met uw God in de mysteriën der genade en der gebeden zoeken; maar ook boven en behalve deze aanbidding, hebt ge den Heere uwen God te _dienen_; en dit _dienen_ van uw God, deze uw _dienst_ van God, d. i. uw wezenlijke Gods_dienst_, moet bestaan in het toewijden aan den Heere van _heel_ uw leven, van _al_ uw arbeid, van _elk_ talent, dat in u is, en een eeniglijk vragen bij dat alles: _Wat wil de Heere, dat ik doen zal?_

* * * * *

Ook nu op den dag van het Nieuwejaar hebt ge dus geen som van allerlei dingen op te sommen, die gij dit jaar af hebt te werken. Dat kunt ge niet, en zou de zaak weer voor u bederven.

Want God te dienen is niet twee, drie, tien _bizondere_ dingen doen, die meer _rechtstreeks_ met den strijd _voor_ Gods Koninkrijk en _tegen_ Satan saamhangen. Neen, maar uw God te dienen is _altoos knecht te zijn;_ tot in de allergewoonste dingen van het zeer dagelijksche leven toe in alles den wil des Heeren te volbrengen; en te leven, te denken, te strijden, te arbeiden niet voor uzelven, maar alleen omdat Hij het u oplegt. Hij uw Koning, uw Schepper en uw Heere.

Meer nog, het moet een »knecht zijn« uit _dankbaarheid_ wezen.

Niet voor goud of zilver, maar door het bloed des onstraffelijken en onbevlekkelijken Lams vrijgekocht uit de slavernij van Satan, zijt ge nu uit zijn diensthuis uitgeleid, niet om voortaan uw eigen heer en meester te wezen; maar om eeuwiglijk _knecht_ van God en _lijfeigene_ van Christus te zijn en te blijven.

Tevens _kind_, o, gewisselijk, en daarom vrij van Satan; maar nooit vrij van uw Heere. De heerlijkheid en de vrijheid der kinderen Gods is nooit, dat ze nu doen mogen, wat hun gevalt, en leven mogen, gelijk het hun lust; maar altoos en onverbiddelijk, dat ze _des Heeren zijn_. Zijn gekochten. Hem toebehoorende. Zijn dienstknechten en dienstmaagden. Dienende nacht en dag in zijnen tempel.

Dat geldt dus en gaat door voor het kind op school, voor de dienstmaagd in haar keuken, voor den knecht op karrewei, voor den klerk op het kantoor, voor de moeder in haar huisgezin, voor den winkelier achter de toonbank, voor den rechter op het gestoelte der eere, en voor den koning op zijn troon.

Elk persoon moet God dienen. Wie nog onwedergeboren is, krachtens den eisch der _schepping_ uit bedwang; en wie overgezet wierd in de genade, uit _dankbaarheid_ bovendien.

* * * * *

Versta dit wel.

Ge moogt _niet_ zeggen: Ik arbeid op school, op karrewei, in mijn beroep naar den eisch van het werk, en voor zooverre daarbij _goed_ of _kwaad_ te pas komt, regel ik mij naar Gods wil.

Dat is heel iets anders, dan _knecht_ van God te zijn.

Neen, _knecht_ van God te zijn, wil zeggen en beduidt eeniglijk, dat al wat ge doet, op school, karrewei, kantoor of studeerkamer, niet ter wille van uzelf of een ander, maar _om Gods wil_ moet gedaan.

Dat een kind weet: God plaatste mij op _deze_ school; God plaatste mij onder _dien_ onderwijzer; God regelde de regels van schrijven en lezen en rekenen; God verdeelde aldus de dagen in uren; en dat het kind alzoo in dit alles Goddelijke ordinantiën zie.

En zooals het met dat kind is, zoo moet het met elk onzer zijn.

Wel is er menschelijke berekening, of menschelijke afspraak, of menschelijke orde en bevel, waaraan we hebben te voldoen. Ook prikkelt de nood des levens vaak om te werken, waar we anders stil zouden zitten. Maar in al deze regelingen en bevelen en nooden is de hand des Heeren over ons, en dienen we Hem, zoo het wel is, in zijn tempel.

En zoo moet het dus ook dit jaar met u zijn.

Dan spant in u het plichtsbesef; ook vaart in u besef van heerlijke roeping; dan wordt elk beroep, al was het van bezemmaker of keienklopper, een _Goddelijk beroep_ voor den man, wien het aangaat; dan adelt ge elken arbeid; dan straalt over al uw bezig zijn een vriendelijk licht van Boven; en dan wijkt alle verdrietigheid of ontevredenheid, omdat gij dan toch altoos bezig zijt in den dienst van uw Heere.

* * * * *

Slechts voor éen ding hebt ge daarbij op uw hoede te wezen: Laat in dezen stroom der dagelijksche bezigheden uw arbeid niet opgaan.

Ge hebt nog een heel anderen arbeid voor uw rekening.

Ge hebt ook elken dag uw zake met uw God in den gebede af te doen.

Ge hebt ook uw karakter te vormen en te heiligen.

Ge hebt ook uw hartstochten en driften een toom aan te leggen en ze te breidelen.

Ge hebt ook op uw vrouw, op uw kinderen, op uw omgeving te werken; en te letten op den invloed, die van u uitgaat.

Ge hebt ook op de talenten te letten, die in u zijn, opdat ze niet begraven worden in de aarde.

Kortom, ge hebt niet enkel te arbeiden in het _zichtbare_, maar ook in het _onzichtbare_.

Ge moet ook uw God dienen niet het minst daarin, dat ge Satans werk teniet helpt maken.

Teniet om u heen in uw gezin, en teniet in de wereld van uw binnenste.

EEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

»SCHULDIG ELKANDER LIEF TE HEBBEN.«

Geliefden! indien God ons alzoo lief heeft gehad, zoo zijn ook wij schuldig elkander lief te hebben.

I Joh. 4:11.

In niets schuilt bij ons de Pelagiaan zoo diep als in onze liefde. Dat merkt ge dáaraan, dat ge bij uw liefde _vrij_ wilt blijven, en de keus _aan u_ wilt houden. _Gij_ zult uitkiezen, wie ge denkt, dat uw liefde waardig zijn, en die _door u_ uitverkorenen, die zullen dan op uw liefde kunnen rekenen. _Uw_ wilskeuze zal hier de uitverkiezing doen. _Gij_ zult de persoon zijn, die uitkiest, wie voorwerp van uw liefde zullen zijn. Kortom, in uw liefde wilt _gij_ op een troon zitten; _gij_ de vrijmachtige beschikker zijn; koninklijk als koning in uw liefde heerschen.

En dit nu is op en top Pelagiaansch. De vrije wil is de haan op den toren.

Maar met zulk een liefde kunt ge dan ook voor God den Heere en zijn Woord geen oogenblik bestaan.

In de Heilige Schrift toch zegt de Heere: Ik, uw God, kies uit, Ik, uw God bepaal, wie tot het lichaam des Heeren zullen behooren. En op u en een iegelijk, dien Ik in dat lichaam invoeg, leg Ik als uw God den heiligen plicht, dat gij saam _elkanderen_ zult liefhebben.

Dit al dan niet liefhebben is niet iets, wat God aan uw hart vrijlaat. Neen, de heilige apostel zegt uitdrukkelijk: »Gij zijt _schuldig_ om _elkander_ lief te hebben.« Let wel: »elkander«, wat volstrekt _niet_ beduidt, dat ge er zoo enkelen uit zult kiezen, en dat gij dan die enkelen, en die enkelen u zullen liefhebben. Neen, _elkander_ liefhebben beteekent in de pen van den heiligen apostel, dat _alle_ kinderen Gods schuldig zijn _alle_ andere kinderen Gods lief te hebben.

De Heilige Schrift wil, dat gij erkennen zult: »Deze personen, hoe onaangenaam en afstootend ook in zichzelven, heeft God de Heere uitgekoren en verwaardigd, om ze met _zijn_ liefde te begiftigen.« En omdat God ze, evenals u, met _zijn_ liefde begiftigt, moogt gij den neus niet voor hen optrekken, of met een onverschillig gezicht bij hen voorbijgaan, maar _moet_ gij ook op _hun_ liefde prijs stellen en hun wederkeerig _uw_ liefde geven.

* * * * *

Zoo ge dit nu _niet_ doet, dan hebt ge, hoe ge er ook van opgeeft, toch wezenlijk _den Heere uw God_ niet lief.

Om deze reden niet.

Uw God heeft goedgevonden deze personen uit te verkiezen. Hij was daartoe de Vrijmachtige. Hem beliefde dit zoo. Hij heeft ze u als voorwerpen van uw liefde gegeven en beschikt. En dat wel, overmits zulks zijn heilig Goddelijk en koninklijk privilege is.

Immers omdat Hij God is, is Hij, en Hij alleen, vrij in zijn keuze, en is Hij, uw God, gerechtigd, te bepalen, wie de voorwerpen van _uw_ liefde zullen zijn.

En als gij dat recht nu aan uw God betwist, en volhoudt: »Neen, maar ik zal _zelf_ bepalen, wie ik lief zal hebben,« dan randt gij het koninklijk beschikkingsrecht van uw God aan; iets wat met uw liefde voor Hem onbestaanbaar is.

Of, om het u anders te doen gevoelen, uw God begiftigt die personen met _zijn_ liefde. Weigert gij dit nu ook te doen, dan blijkt hieruit, dat uw liefde _een andere keus_ heeft dan Gods liefde, en dus van een ander gehalte en karakter is. En overmits nu de echte liefde alleen door God in onze harten kan worden uitgestort, zoo blijkt, dat uw liefde _niet_ uit God is. En overmits nu de Heere alleen met zijn eigen liefde kan en wil geliefd worden, zoo voelt ge ook hieraan, waarom in dat geval uw liefde voor God niet echt en niet waarachtig is.

Een overweging, waaraan de heilige apostel nog deze toevoegt, dat de leden van het lichaam van Christus uit God geboren en Gods kinderen zijn; en dat het nu niet aangaat te zeggen: Ik heb wel _den Vader_, maar niet _zijn kinderen_ lief, overmits juist aan de liefde voor iemands kinderen de liefde voor hun vader gekend wordt.

* * * * *

Tot deze, niet door u, maar door God bepaalde liefde, wekt de Heere u reeds in het maatschappelijk leven op.

_Hij_ koos voor u _uw vader en moeder_, niet gij voor uzelven. En op grond van die keuze, die Hij voor u, en niet gij voor uzelven deedt, stelt Hij den eisch in zijn gebod, dat gij uw vader en moeder lief zult hebben; niet omdat gij zooveel beminnelijks in hen vondt, maar omdat God ze u tot voorwerpen van uw kinderlijke liefde gesteld heeft.

Evenzoo koos God voor u _uw kinderen_, en schonk Hij allerminst aan u het recht en de macht, om te bepalen, wie en hoe uw kinderen zijn zouden. En van deze, niet door u gekozenen, maar door Hem voor u alzoo geboren kinderen, eischt Hij in zijn heilig gebod, dat ze u de voorwerpen van uw _ouderlijke_ liefde zullen zijn.

Zoo ook koos niemand zijn broeders en zusters, maar ontving ze van God den Heere. Ook hier koos Hij voor u, niet gij voor uzelven. En toch eischt de Heere, dat ge, op grond van _zijn_ keuze, en niet van uw goedvinden noch van uw sympathie, uw broeders en zusters zult liefhebben.

En ditzelfde nu, wat in het gewone gezin reeds zoo machtig en aangrijpend door God den Heere gepredikt wordt, datzelfde predikt Hij nu ook, op nog sterker wijs en in machtiger zin, aan zijn kerk.

Die kerk is het lichaam van Christus. Die kerk is de saamvergadering der geloovigen. Hypocrieten nu daargelaten, zijn de leden dier kerk door den Heere uitgekozen en saamgevoegd. Met wie ge in dat lichaam Christi zijn zult, staat niet aan u, maar stond alleen aan uw God te beoordeelen. Ook deze uwe broeders en uw zusters koos Hij, _niet_ gij. En het is nu van deze aldus door Hem voor u gekozen broeders en zusters, dat _Hij_ u den eisch stelt: »Gij zijt _schuldig_ ze lief te hebben.«

* * * * *

Natuurlijk is deze eisch niet _onredelijk_ bedoeld.

Van al de leden van dat groote, heerlijke lichaam van Christus kent gij er maar _zeer enkelen_. Alleen diegenen, die in uw tijd leven. Onder hen alleen degenen, met wie gij in aanraking komt, of van wie ge hoort. En onder dezen nog slechts de kleinere helft van genoeg nabij, om met een oordeel der liefde te bekennen, dat ze waarlijk besloten zijn in zijn Genadeverbond.

Ook blijft die eisch des Heeren _redelijk_ in dien anderen zin, dat een sterker hechten aan den een dan aan den ander niet is uitgesloten. Persoonlijke geestelijke sympathie laat zich niet dwingen, maar is als de magneet, die vanzelf trekt, waar een verwant metaal in de nabijheid komt. Ook binnen dezen kring der broederliefde blijft er dus altoos plaats voor nauwere persoonlijke vriendschap, voor geestverwantschap in enger zin en warmer sympathie des harten. Mits maar, en daarvan gaat nooit iets af, ook al die anderen voor u voorwerpen uwer liefde blijven, waaraan ge om Gods wil liefde _schuldig_ zijt.

Een zonde is het daarom in u, zoo dikwijls er belijders des Heeren in uw stad of dorp of omgeving u bekend zijn, van wie ge naar den aard en in het vertrouwen der liefde acht, dat ze wel waarlijk genade ontvingen en met u in hun sterven éen weg zullen uitgaan, en als ge dan toch de Kaïns-gedachte te hunnen opzichte hebt en denkt: »Wat gaan mij deze broederen aan?«

Ze gaan u wel terdege aan, omdat God ze voor u als voorwerpen uwer liefde, aan wie ge liefde _schuldig_ zijt, heeft uitverkoren.

Ge _moet_ ze liefhebben, en dus ook, waar ge geen veelvuldige persoonlijke aanraking met hen hebt, toch hunner in liefde gedenken.

En ook al verschillen dan de formatiën van het kerkelijk instituut, waaronder gij leeft en waaronder zij leven, gij zult en moogt nimmer vergeten, dat ze desalniettemin saam met u leden van de kerke Christi zijn, leden met u van hetzelfde lichaam, ranken in eenzelfden wijnstok.

Uw Avondmaal is zelfs geen Avondmaal, zoo ge niet in deze uwe liefde al de leden van het lichaam Christi omvat.

En welken zegen ge ook aan uw kerkformatie dankt, zoo deze ook tengevolge had, dat ge om harentwil u opsloot in eigen kring, en afsloot van al Gods andere kinderen, dan zou deze uwe kerkformatie, hoe zuiver en onberispelijk ook, u tot een oorzaak van zonde worden, en deze zonde zich wreken aan uw geestelijk leven.

En daarom over de muren en omheiningen onzer kerkformatiën moet elk kind van God al Gods kinderen de hand der broederlijke liefde reiken; niet met een koel Platonische, maar met een warme, vurige, Christelijke liefde.

En zelfs waar soms bittere kerkelijke twist ons dreigt te scheiden, er mag nooit een wortel der bitterheid opspruiten.

Ge blijft _schuldig_ elkander lief te hebben. En met _elkander_ blijft hier _elk ander_ kind van God bedoeld.

TWEE-EN-TWINTIGSTE ZONDAG.

»WEE DEN GERUSTEN TE SION!«

Wee den gerusten te Sion, en den zekeren op den berg van Samaria; die de voornaamsten zijn van de eerstelingen der volken, en tot dewelke die van het huis Israels komen.

Amos 6:1.

Met zijn zielsoog te staren in een wereld, die God niet vreest, is schriklijk; maar veel schriklijker nog is het, door Sions straten te wandelen en te zien, hoe de gerusten in Sion zichzelven misleiden.

In de booze, ruwe wereld kunt ge de boetbazuinen nog opsteken, en als in de dagen van Noach gerechtigheid prediken, en heur zonde haar aanzeggen in haar aangezicht.

Die wereld vreest God niet, en smoort de stem van haar conscientie, en leeft voor ijdelheid en zingenot, en vertreedt het recht met den voet. En ze _weet_, dat ze het doet. En daarom, hoe fel ze ook tegen uw roepen inschreeuwt, toch raakt de roepstem van boete en bekeering, die ge in haar midden doet uitgaan, haar innerlijk bewustzijn. Ze _weet_, dat ze zichzelve verlaagt.

Maar aan de gerusten in Sion is geen speld vast te krijgen. Immers niet zij zijn het, die op de paden der wereld omdolen; integendeel, Sion is hun lust en keuze. Alleen Jeruzalem is schoon in hun oog. Aan Jeruzalem hangt al hun glorie.

Blaas de boetbazuin in de wereld, en zij, de gerusten in Sion, juichen u toe. Treed op als prediker der gerechtigheid, en zij vouwen dankend de handen, dat er weer een woord der bestraffing naar de wereld uitgaat. Van Sions tinne zien ze in heiligen trots op de wereld buiten Sion neder, en jubelen er in, als er over die wereld weer een oordeel uitgaat of de boetprediker die wereld aangrijpt in haar weerspannig en misdadig woelen.

Slechts éen ding, ge moet _hen_ niet te na komen. Ge moet u niet inbeelden, dat ook voor hen het woord van vermaan en bestraffing nog noodig kan zijn. Van een onweder, dat over de wereld kan losbarsten, hooren ze gaarne; maar in Sions gevelspitse en in Sions toren slaat het weerlicht van dien storm der elementen nooit in.

Och, al wat ge de wereld kunt toeroepen, is immers, dat ze naar Sion heur schreden zal wenden, dat ze in Sion mocht geboren worden. En nu, _zij zijn_ immers in Sion. Zij denken er niet aan, om Sions poorte weer uit te treden.

Wat wilt ge dan?

Waarom zouden ze in Sion ongerust zijn?

* * * * *

En _geestelijk_ verstaan, _is_ dat ook zoo.

Als ge door de poorte en muren van het uitwendige Sion doordringt naar de verborgen heiligheden van het geestelijk Sion, dat in almachtige genade gegrondvest ligt, dan is er voor onrust geen plaats, voor ongerustheid en bezorgdheid geen oorzaak.

Wie in dat Sion inging, die _is_ geborgen. Dien treft geen pijl van den vijand daarbuiten meer. En dien kan niemand meer rukken uit de hand en uit de macht van Sions gezalfden Koning.

Maar dat zijn »de gerusten in Sion« niet, tegen wie Gods heilige profeet toornend ingaat. Die zóo in Sion gerust mag zijn, dien is zijn gerustheid een oorzaak van lof; een wondere genadegave van zijn Heere en Koning, een zalige, van God uitgaande geloofswerking in zijn hart.

Neen, een heel ander Sion is het, waar de profeet zijn woord tegen slingert.

Een Sion, dat niet in- maar _uitwendig_ is. Een Sion, waarin gezongen wordt: »Des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn wij!«--Kortom, een Sion, waarin alles een vorm, een gestalte, een gedaante heeft, die naar het voorbeeld van het inwendig Sion is afgemeten; maar zonder _dat er zekerheid voor het wezen is_. Een Sion in uw denkwereld en in de belijdenis uwer lippen, een Sion van gemoedsaandoening en gemoedelijkheden, een Sion van levensusantiën en zelfgekozen kringen; maar zonder dat het brullen des Heeren HEEREN er in wordt gehoord, en het suizen van den wind des Almachtigen.

* * * * *

En nu verwerpen we dat uitwendig Sion niet.

Integendeel, al wat het inwendig Sion toehoort, spreekt ook zoo, getuigt op gelijke wijs, weet te roemen in gelijke ervaringen, en schikt zich naar dezelfde levensusantiën; alleen maar, indien het echt werk is, zijn dit wel vormen, waar zich het leven in uit, _maar is het het leven zelf niet_.

Dan schuilt het leven _daarachter_; dan komt het leven daarin uit; dan straalt het daarin door, dan houdt het zich daarachter verborgen; en al dit uitwendig spreken en belijden en meêloopen is slechts een middel, waardoor het straalsgewijs naar buiten treedt.

Doch als er dat _niet_ achter zit; als het een vorm _zonder_ wezen; een looze kalkwand is, maar geen muur; een geschilderde vroomheid in prachtige kleuren, maar zonder dat de geur des levens er van uitgaat; dan is Sions naam geen schild, maar een schriklijk gevaar; en is er geen erger toestand denkbaar dan van iemand, die in zulk een Sion als een geruste voortleeft en in zulk een denkbeeldig Jeruzalem als een verzekerde slapend meê afdrijft op den stroom.

Dan vindt ge soms heele gezinnen, waar alles orthodox toegaat, en heele geslachten, die voor Sion staan ingeschreven, en heele dorpen, die bij Sion gerekend worden, ja, heele landstreken, die onder Sions schapen haar kudden doen weiden, en dat er aldoor geroepen wordt; »Vrede, vrede, en geen gevaar!« en dat ze denken; »Wij zijn rijk en verrijkt geworden en hebben geens dings gebrek,« en dat er toch eigenlijk niets dan _een moeras_ is van wateren, die eens vloten, maar nu _stilstaande_ wateren zijn geworden, omdat de adem des Heeren er het woud niet meer doorademt.

* * * * *

Toch behoeft het kennersoog zich tusschen die echte Sionieten en die valschelijk gerusten in Sion niet te vergissen. Immers hun uiting is juist tegenovergesteld.

Voor die valschelijk gerusten is hun vroom vormleven het een en al; maar naar den levenden God vragen ze niet. Ze drinken uit de beek en ze weiden op de velden; maar om den Herder hunner ziele roepen ze niet. Hun Sion is een gekunsteld, geen wezenlijk Sion. Een Sion onder een glazen stolp, waar geen stofje inwaait; maar niet het echte Sion, waarin het trillen en dreunen van de majesteit des Heeren HEEREN wordt gevoeld.