Gomer voor den sabbath; meditatiën over en voor de sabbath
Part 1
Produced by The Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. De voetnoot is | | verplaatst naar het eind van de alinea met de verwijzing. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: | | e/ê, en 1/I bij Bijbelboekverwijzingen. | | | | In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. | | Uitgespatieerde tekst is weergegeven als ~uitgespatieerd~. | | | | In het boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | Deze dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven | | als »aanhalingstekens«. | | | | Aan het eind van dit e-boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | +----------------------------------------------------------------+
GOMER VOOR DEN SABBATH.
MEDITATIËN
OVER EN VOOR DEN SABBATH,
DOOR
DR. A. KUYPER.
BOEKHANDEL VOORHEEN HÖVEKER & WORMSER.
AMSTERDAM. PRETORIA.
ZUID-HOLLANDSCHE BOEK- EN HANDELSDRUKKERIJ.
Op de _Dagen van goede Boodschap_ volgt hiermeê in gelijk formaat een _Gomer voor den Sabbath_; onder een titel, die aan Exodus 16:16-24 is ontleend.
Dit boekske mocht niet uitblijven.
De indruk mocht niet voortduren, alsof weer een verheffen van onze Christelijke vierdagen boven den Sabbath ingang vond; en de schijn moest wegvallen, als wierd met de behoefte, die ook op den Sabbath, in de ure van stille afzondering, aan _meditatie_ bestaat, niet gerekend.
Vooral nu in onze dagen het geroep om Zondags_rust_ ook bij hen steeds luider weerklinkt, die van Zondags_heiliging_ niet hooren willen, is het eisch van het oogenblik, dat geen poging onaangewend blijve, om ook door stille meditatie de _heiliging_ van den Rustdag te bevorderen.
Daarom gaan in dezen bundel aan de _Meditatiën_ voor elk der twee of drie en vijftig Zondagen van het jaar, een zevental afzonderlijke Meditatiën _over_ den Sabbath vooraf. _Meditatiën_, die niet de Sabbathsquaestie bespreken, maar Gods kind tot geloofswerking ook ten opzichte van den Sabbath uitlokken.
Wel ligt aan deze Meditatiën een doordacht gevoelen over den Sabbath ten grondslag; maar dit gevoelen zelf wordt er niet in verdedigd noch betoogd.
Liever dan in deze Meditatiën door zulk betoog Gods kind van zijn stille Sabbathviering af te leiden, heb ik daarom zulk een betoog in een afzonderlijk _Tractaat van den Sabbath_, te boek gesteld.
Een _Tractaat_, dat reeds ter perse ging en bijna afgedrukt gereed ligt, om binnenkort, bij denzelfden uitgever als van dezen _Gomer voor den Sabbath_, te verschijnen.
Tot beide geschriften drong mij de zielsbehoefte, om uit dank voor wat God ook mij in zijn heerlijken Sabbath schonk, iets tot rijker en inniger Sabbathsgenieting ook voor mijn broederen en zusteren bij te dragen.
Ruste op dezen dubbelen arbeid _voor_ en _over_ den Sabbath de zegen van Hem, _die Heere ook van den Sabbath is_.
KUYPER.
_Amsterdam_, 29 October 1889.
ZEVEN MEDITATIËN OVER DEN SABBATH.
I.
DE SABBATH VAN GOD GEGEVEN.
Daartoe ook gaf Ik hun mijne Sabbathen, om een teeken te zijn tusschen Mij en tusschen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de Heere ben, die hen heilige.
Ezechiël 20:12.
Het eerste, dat ge naar 's Heeren wil in uw Sabbath eeren zult, is, _dat Hij u uw Sabbathen geeft_.
Alle gedachte en alle inbeelding, alsof gij het zijn zoudt, die uw Sabbath aan uw God gaaft, zult ge deswege voorbedachtelijk uit uw overleggingen bannen. Van iets, dat gij den Heere ten goede, Hem ten gevalle en ten believe doen zoudt, valt hier geen sprake. Elk denkbeeld van een goed werk, waarmede ge Hem iets ten dienste doen zoudt, moet geheel van u gezet. De Heere verkrijgt niets door uw Sabbath. Hij wordt er door verrijkt noch grootgemaakt. Uw Sabbath brengt _aan u_ een zegen van Godswege, niet omgekeerd, een zegen van uwentwege _aan uw God_.
Reeds op zichzelf is uw God nooit als iets behoevende, zoodat gij Hem iets zoudt kunnen toebrengen. Zelfs als Hij aan Israel gelast, zijn brandoffer te ontsteken, roept Hij het zijn volk toe, dat het Hem niet om dien ram of dien var te doen is. Hij immers is een God, die den hemel en de aarde schiep en zijn vee op duizend bergen heeft; en die, had Hij lust aan een rund op uw stal, het u niet zeggen zou, maar u dat rund zou ontnemen. Hoe zou Hij, de Algenoegzame in zichzelf, ook ooit van menschenhanden gediend worden als iets behoevende? Hij, die u, gedurende al de dagen uws levens, al uw tijd en al uw oogenblikken schenkt, hoe zou Hij ooit een dag of een deel van een dag uit uw hand kunnen ontvangen?
Veeleer sluit het denkbeeld van zijn Sabbath het tegendeel in. Voor zooveel er toch in overdrachtelijken zin sprake kan zijn van iets, dat gij voor uw God zoudt werken, doordien ge van Hem getuigt, of ijvert voor zijn heiligen naam, of dien naam grootmaakt, komt juist immers die Sabbath u in nog meer eigenlijken zin toeroepen, dat gij van alle werk zoudt aflaten, opdat nu niet aan u, maar aan den Heere uw God de beurt zou zijn, om in u te werken en de macht zijner werking in u te toonen.
De Sabbath kan dus niet sterker ontheiligd worden, dan door in uw Sabbathsviering een oorkussen der werkheiligheid te zoeken; en een iegelijk, die bij zichzelven ging meenen: »Wel schiet ik in veel tekort en heb ik door mijn zonden den Heere vertoornd; maar dit heb ik dan toch, dat ik zijn Sabbath tot in het stiptste toe heb geëerd,« die had niet maar zijn loon weg, maar zou zonde op zonde gestapeld hebben.
Al zulk een Sabbath ware den Heere een gruwel.
* * * * *
Neen, Hij, de Heere, is het, _die u uw Sabbath geeft_.
De vloek der zonde, die in den arbeid op den zondaar rust, is zoo ontzettend!
Het is wel zoo, dat er arbeid ook buiten de zonde is; dat God zelf werkt tot nu toe, en zijn Christus eveneens; zelfs schuilt er voor den zondaar in den arbeid niet weinig reddende kracht. Voor wie geregeld arbeidt is de verzoeking tot zonde zooveel geringer. Maar te moeten arbeiden _in het zweet des aanschijns_ om ons _brood_ te eten, is ons niet natuurlijk. Om der zonde wil overkwam het ons. En nu moge de rijkgezegende in middelen, als hij dat leest, in zijn vergenoegdheid lachen, en mogen die velen onder beide geslachten, die van hun geld leven en zich in weelde baden en eigenlijk nooit iets uitvoeren, zich daar vroolijk over maken; maar wee hun, als eens de dag der afrekening komt, en ze dien vloek van den arbeid nooit dieper hebben verstaan!
Vraag u maar eens af, op wat wijs, zeg veilig 1000 van de 1400 millioen menschenkinderen, die op deze aarde leven, hun dag in het zweet van hun aanschijn doorbrengen. Hoe schamel ze leven; aan wat ongemak en gevaar ze zich blootstellen; wat wezenlijke vermoeienis, als de dag weer om is, op hun aangezicht geteekend staat. Denk slechts aan die millioenen, die in de mijnen zwoegen; aan die andere millioenen, die op velden en bergen arbeiden; aan die millioenen, wier leven opgaat in de fabriek. Hen _drukt_ de arbeid. Hen put de arbeid uit. Hij verteert hun menschelijke kracht. En het bangst is, dat ze arbeiden, niet om den lust hunner ziel, maar omdat de honger hen dwingt en het brood voor eigen mond en voor het gezin alleen tot dien prijs voor hen te bereiken is. Wat ontrooft die arbeid aan dit overgroote deel van ons geslacht niet alle weelde en lust des levens. Schier nooit ontspanning! Zoolang de dag duurt, ingespannen arbeid. En dan voor al hun arbeid in het zweet huns aangezichts nog vaak nauwlijks een harde legerstede en een hard stuk brood. Levend buiten het gezin, zien ze de hunnen nauwlijks even des morgens en even des avonds, en dan begint het jagen van het groote raderwerk van den arbeid weer. Voort, voort en altoos voort, als onder den zweep van den drijver. Tot de kracht verbruikt is, en ze niet meer kunnen, en ze, als voor den arbeid waardeloos, schier een overlast op aarde schijnen, en kwalijk verholen teleurstelling baren, als ze niet vroeg genoeg zich heenspoeden naar het graf.
o, In die breede en onafzienbare kringen van ons menschelijk geslacht is de vloek van den arbeid nog altoos zoo ontzettend!
* * * * *
En zelfs, al rekent ge nu met hen niet uitsluitend, dan nog, hoe vernedert het ons menschelijk bestaan niet, dat elken dag schier al de tijd en al de moeite van bijna allen in de verzorging van het dagelijksch leven opgaat. Want, ja, er zijn er enkelen, die het hooge voorrecht genieten, dat zij in geestelijke dingen hun ambt en roeping mogen hebben, of althans in de hoogere bezigheden van den menschelijken geest hun tijd mogen slijten; maar zijn die allen saam meer dan twee of drie op een dorp, meer dan een tweetal of drietal honderd in een zeer groote stad? En al die anderen, zoo mannen als vrouwen, wat doen ze anders, dan heel den dag bezig zijn in wat strekt om den mensch te doen wonen, den mensch te kleeden, den mensch spijs en drank te bereiden? Daarvoor zuchten de stoomwerktuigen en zwoegen de fabrieken. Daarvoor leeft de nijverheid en bestaat alle handel. Daarvoor rept zich de landbouw en spoedt zich de man van het ambacht. Daarvoor is alle bedrijf en nering. En zelfs in uw persoonlijk en huislijk leven, wat machtig deel van uw tijd gaat er niet af voor uw slaap, voor uw reiniging, voor uw kleeding en voor uw voeding. Hoe zijn onze huismoeders en dochters en dienstboden schier al den tijd in deze verzorging van het uitwendige leven bezig. En als de man en vader zich op zijn kantoor of in zijn zaak inbeeldt boven dit kleine en uitwendige verheven te zijn, hoe ook doet hij dan toch feitelijk niet anders dan altoos zorgen, dat er worde aangevoerd of voortgebracht, wat ons tot woning, kleeding en voedsel zijn kan, of ook zorgen, dat er geld komt om brood voor zijn huis te gewinnen!
Een bestaan, een betrekking, geld om te leven te hebben, is de altoos werkende drang, die heel onze maatschappij in beweging zet, en nu, wat is de drang naar een bestaan, naar een betrekking, of naar geld om te leven anders, dan een oplossing voor het raadsel te zoeken, hoe men het zweet van zijn aanschijn in brood voor zich en de zijnen zal omzetten?
En daarom nog eens: er ligt in den arbeid óok iets kostelijke, óok een zegen; maar toch, de arbeid, gelijk die al deze eeuwen lang, en ook nu nog op aarde door deze millioenen bij millioenen gearbeid wordt, wat is hij anders, dan een doen opgaan van ons menschelijk aanzijn in de nooden en zorgen des levens? En hoe onnoembaar klein is het procent wel van die enkele gelukkigen, die een hooger genoegen zoeken kunnen, en reeds hier op aarde in die hoogere heilgoederen van ons geslacht mogen opgaan!
* * * * *
Daarom staat het er dan ook bij: »Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen.« De Sabbath vernietigt het Woord Gods uit het Paradijs niet.
De harde arbeid, die loodzwaar op ons geslacht drukt en het _beneden_ den aard van ons menschelijk aanzijn neertrekt, blijft. De gevolgen der zonde zijn niet opgeheven. Een engelenleven is ons op aarde niet gegund, en een leven als in het Paradijs is ons hier voor altoos ontnomen. Dat is er niet meer en keert op aarde niet weer.
Maar dit heeft God toch in zijn barmhartigheden gedaan, dat Hij u midden in dien arbeid _zijn Sabbath_ schonk; dat Hij door _zijn Sabbath_ dat jagen van den arbeid een oogenblik tot stilstand bracht; en dat Hij in dien Sabbath u uit uw zelfvernedering optilde en ophief tot hooger bezigheid.
Hij _geeft_ u zijn Sabbath; en in die gift spreekt ontferming. Het schenken van zijn Sabbath is een daad van Goddelijke, een daad van koninklijke genade.
De druk van den arbeid zou ons al te bang zijn geworden. Die zou ons de keel hebben toegenepen.
En daarom schonk Hij ons dien dag van hemelsche ruste.
Hoor maar!
Daar klinkt het woord der verlossing: Dien dag zult ge _niet_ werken.
Op zijn Sabbath laat God ons _vrij_!
II.
DE SABBATH DOOR GOD VERORDEND.
Gij zult houden zijne inzettingen.
Deut. 4:40.
Aan uw Sabbath hangt de eere van Gods heilige souvereiniteit. Stel toch, gij wildet overtollige goede werken doen, en twee, drie dagen telken weke aan uw God wijden, en ge koost daartoe zelf de u schikkende dagen uit, en gingt nu in de verbeelding leven, dat ge hiermeê God iets hadt toegebracht, immers een Sauls oordeel zou over u komen, en de profeet zou ook u toeroepen: »Gehoorzaamheid is beter dan offerande en opmerken dan het vette der rammen.«
Eén Sabbathdag, in gehoorzaamheid aan de inzetting des Heeren geheiligd, is beter dan tien dagen Hem gewijd in eigen willigheid.
En daarom, merk er op, dat uw Sabbath van God _verordend_ is; dat de Rustdag door God zelf is _ingezet_; dat het een gebod is u opgelegd, en niet een aanbieding, waarmeê gij voor uw God verschijnt.
De Sabbath is een _inzetting des Heeren_.
Nu weet ge, hoe Mozes in den naam des Heeren niets geduriger voor het oor van Israel herhaalt, dan dat al deze heiligheden de _rechten_ en _instellingen_ en _geboden_ des Heeren zijn.
En dat moest. Want in Israel zat juist dezelfde zonde, die ook gedurig in uw hart sluipt, om wel, ja, God de eere te willen geven, mits het geschieden kon naar eigen inzicht, uit eigen aandrift, naar den prikkel van het eigen hart.
En wat Israel _niet_ wilde, en wat gij van nature ook niet wilt, dat is dienen uit gehoorzaamheid; _omdat_ Hij het u geboden heeft; en _omdat_ Hij het heeft ingezet.
Ge wilt dan wel veel voor uw God doen. o, Ge zoudt alles voor Hem over hebben. Alleen maar, de Heere moet het niet van u in den weg van gehoorzaamheid vorderen. Veeleer moet Hij het aan u overlaten, dat gij het uit eigen aandrift doet. En dan zult ge al wat ge slechts vermoogt aan uw God toewijden. In lust om God de eere te geven, zult ge met den beste wedijveren. Alleen maar die éene eere, dat Hij als uw Souverein en Koning zelf bepalen zal, wat ge voor Hem doen zult, die eere gunt ge Hem niet.
* * * * *
En dat is het nu juist, wat uw Sabbath u telkens weder prediken komt: »God heeft mij ingezet. Van God ben ik verordend. En gij, o, menschenkind! hebt u aan Gods ordinantie te onderwerpen.«
Niet alsof diezelfde prediking niet in heel de natuur en in heel het Genadeverbond lag; maar haar sprake komt nergens zoo duidelijk als in uw Sabbath uit.
Ongetwijfeld ook de jaarkringen heeft God geschapen en ze beheerschen uw leven, en ge _moet_ zaaien, niet als gij er lust in hebt, maar als het zaaitijd is; en ge _moet_ oogsten, niet wanneer het u in het gevlei komt, maar als God het graan rijp heeft gemaakt. En zoo staat ge onder ordinantiën Gods in heel uw natuurlijk leven. Want wel kunt ge den dag tot den nacht maken en den nacht tot den dag. Maar straks wreekt dit zich, en in de onfrischheid van uw bloed toornt de geschonden inzetting van uw God.
Maar toch, deze prediking gaat te ongemerkt toe, en deze soort inzetting is te moeilijk te ontgaan.
Doch met uw Sabbath is dit zoo niet.
Immers uw Sabbath kunt ge zonder wezenlijke storing als voor u niet bestaande beschouwen. Dat ziet ge wel aan die duizenden bij duizenden, die den Sabbath nooit houden. En zoo geldt het hier dus een inzetting, waartoe de natuur niet vanzelf dringt, maar die alleen geëischt kan door opzettelijke gehoorzaamheid.
Om den Sabbath te _kunnen_ houden, moet ge hem _willen_ houden.
Ge moet, om den Sabbath te eeren, u welbewust naar de ordinantie van uw God schikken.
En ge houdt hem niet, of ge doet in die Sabbathsviering zelf hulde aan Gods souvereiniteit.
Al wie met den Sabbath _niet_ rekent, zegt daarmeê, dat hij zich niet stoort aan wat zijn God en Heere heeft ingezet.
Maar dan ook omgekeerd, al wie den Sabbath naar het gebod houdt, eert hier den Gebieder van het gebod in, en buigt zich voor God als zijn Koning.
* * * * *
Dring dus wel in uw conscientie in, om te weten, of ook gij hierin recht voor uw God staat, en of ge wel waarlijk uw Sabbath houdt uit gehoorzaamheid omdat uw God het alzoo heeft _ingezet_.
Of ge dus niet rust, omdat ge moede van den arbeid zijt en uitspanning u welkom is. Niet rust, omdat het den bloei van uw maatschappelijk leven bevordert. Niet rust, omdat ge toch ook een dag voor uw gezin moet hebben. En ook niet enkel rust, omdat er toch een dag voor uw kerkgaan moet zijn. Neen, maar of ge uw Sabbath viert, omdat God het alzoo heeft _ingezet_.
Want staat uw ziel er zoo metterdaad onder, dan is uw vieren van den Sabbath op zichzelf reeds een ontsluiting van uw ziel, om het heil uws God in te drinken, en verkrijgt ge dien rechten stand, waarin de Heere u met genade voor genade wil zegenen.
Ge weet toch zelf, hoe niets zoozeer uw hart voor genade toesluit, als die booze zucht, om uit eigen wil en eigen lust te handelen, uw raad voor Gods bestel in de plaats te schuiven, en zelfs in uw vroomheid op eigen gebaande paden te wandelen.
Zoo en niet anders is de mensch een heiden geworden. En dan kan hij, gelijk te Athene, zelfs zoo overvroom zijn, dat hij een altaar voor den onbekenden God bouwt; maar juist deze eigendunkelijkheid en eigenwilligheid vermoordt alle ware godsvrucht in zijn binnenste, en het eind is, dat God hem overgeeft om op zijn eigen paden te wandelen en ten leste uit te doen komen bij Baäl Peor en de naaktlooperij, om van nog gruwelijker zonden, gelijk Rom. 1 die opsomt, te zwijgen.
Komt dus de Sabbath dit diep zondige uwer eigenwilligheid en eigendunkelijkheid in u knakken en wegsnoeien, dan is reeds daarmeê een zegen aan uw ziel beschikt.
Dan toch zijt ge er toe gebracht, om niet zelf het in te zetten, maar het uw God te laten inzetten, en daarmeê te erkennen, dat het recht om het in te zetten aan Hem en niet aan u staat.
En nu keert die Sabbath telken zevenden dage weder, als om telken zevenden dage weer deze onderzoeking voor uw conscientie te brengen, of ge de _valsche_ vroomheid van Saul bedoelt, of wel die _echte_ vroomheid, die van de huldiging van Gods souvereiniteit uitgaat.
* * * * *
God wil op zijn Sabbath _dienst_knechten en _dienst_maagden voor zich zien, die weten, dat Hij de Heere is en daarom het souvereine recht heeft, om zulk een dag in zijn heilig Huis te verordenen.
Niet lieden, die wanen Gods gelijken te zijn, en Hem nu uit goede intentie van hun hart een dienst meenen te bewijzen, maar _onderdanen_ van den Koning der koningen, die doen naar zijn gebod en naar zijn recht.
En wel openbaart Hij zich ook op den Sabbath rijker dan ooit als onze Vader in de hemelen, die deze dienstknechten en dienstmaagden tot zijn _kinderen_ aanneemt: maar allerminst om daarom het recht van beschikking in zijn Vaderhuis zich door zijn kinderen uit handen te laten nemen.
Juist, omdat Hij onze Vader is, blijft Hij dus de eenig rechthebbende om het in te zetten, gelijk Hij het van zijn kinderen hebben wil.
Ook bij zijn kinderen moet het Gods _dienst_ blijven; en nu is er tweeërlei _dienst_. Een dienst om _loon_, en zoo dient de dienstknecht. Maar ook een dienst uit _liefde_, en zoo dient het kind.
Het kind weet: »Als ikzelf het ga inzetten, heb ik geen Vader meer«; en juist omdat in het bezit van zijn Vader al zijn glorie is, vraagt en onderzoekt het kind naar de inzettingen van zijn Vader en volgt die uit drang der liefde op.
Zelfs valt bij het kind elke gedachte om het anders te willen weg.
Immers dit weet Gods kind, dat het altoos slecht gaat, zoo het anders gaat dan zijn Vader het heeft ingezet. En daarom heeft het lust aan Gods inzetting en voelt zich door die inzettingen Gods tot zijn liefde trekken.
Heel Psalm 119 past het kind van God ook op zijn Sabbath toe.
III.
DE SABBATH DOOR GOD GEHEILIGD.
Daarom zegende de Heere den Sabbathdag en _heiligde denzelven_.
Exod. 20:11.
Zoo _gaf_ de Heere u den Sabbathdag uit ongehouden gunst, en zoo _verordende_ Hij den Sabbathdag om _zijn_ wil over _uw_ goeddunken te laten heerschen; maar óok gaf Hij aan die ordinantie een inhoud, en die inhoud ligt daarin, dat God den Sabbathdag _heiligde_.
Beduidt dit, dat de Sabbathdag een _heiliger_ dag wordt dan de andere dagen; dat er heiligheid aan den Sabbath als zoodanig kleeft; en dat dus, zonder meer, deze dag op zichzelf reeds u van zonden afbrengt?
Ge weet beter.
Er mag gevraagd, of er éen dag is, waarop de zonde schrikkelijker uitbreekt en meer in losbandigheid woedt. Juist de arbeid is op zichzelf een machtig schild tegen de zonde, en zoodra met den Sabbath deze bescherming wegvalt, voelt de zonde zich minder gehinderd. Ze heeft nu tijd, nu speelruimte, en werpt te vuriger elken teugel af. Vraag het maar aan de politierapporten, op welken der zeven dagen het straatrumoer het hinderlijkst wordt. Vraag het maar aan onze kroegen en bierhuizen, op wat dag ze de beste zaken maken. En ook, vraag het maar aan de stille verborgenheid, op welken dag vele dienstboden en jonge mannen het meest ontuchtig zondigen.
Neen, de Sabbath heeft _geen_ inklevende heiligheid. Veeleer zet ze, zonder hooger bezieling, slechts de sluizen te breeder voor de zonde open.
Ledigheid is des duivels oorkussen. En nooit meer dan juist op den Sabbath is Satan op de been.
Naar dezen maatstaf gemeten zouden we dan ook voor de groote menigte best doen met den Sabbath af te schaffen.
Want al doet de rust het lichaam goed, o, zooveel zielen lijden juist op den Sabbathdag voor altoos schade.
* * * * *
Neen, als er staat, dat God den Sabbathdag heiligde, beduidt dit heel iets anders.
Dit »heiligen« wil zeggen, dat God den Sabbath tot een anderen dag maakt dan de overige dagen; dat God den Sabbath _apart_ zet; dat Hij den Sabbath _afzondert_ van de gewone dagen; en dat Hij op den Sabbath een bizonder merk drukt. En wel dit merk, dat deze dag door Hem, in gansch bizonderen zin, voor de eeuwigheid wordt opgeëischt.
Want het is wel waar: ge moet _elken_ dag voor uw God leven, en wee u, zoo ge denken gingt: »Zondags voor God en in de week voor de wereld.« Dan hadt ge het loon van uw Sabbath weg.
De eisch Gods, dat ge Hem dienen en Hem liefhebben zult met heel uw hart en heel uw verstand, gaat _altoos_ door. Niet enkel op den Sabbath, maar elken dag van uw leven.
Maar er is _tweeërlei_ dienen van uw God. Het eene _middellijk_ en het andere _onmiddellijk_. Toen de opperlieden te Jeruzalem den bergsteen aandroegen voor den bouw van Gods huis, dienden ze Hem _middellijk_; want de vreeze Gods school toen in den ijver, de gehoorzaamheid en volharding, waarmede ze steenen aandroegen. Maar toen na de voltooiing van den tempel diezelfde werklieden in Gods huis met hun offerande toetraden, dienden ze Hem in _onmiddellijken_ zin; want toen had wat ze deden geen ander doel, dan om rechtstreeks hun God te verheerlijken.
En zoo nu staat het ook met u.