Chapter 6
Deze eenheid met God is een verheffing des bewustzijns, waarin het betrekkelijke is overwonnen; zij is onze vereeniging, die door de mystische denkers zelfs "vergoding" (theosis) is genoemd. De religieuze zielkunde handelt over haar in een diepzinnig hoofdstuk en het is deze vergoding als een voleindiging van het geestesleven, welke de Faust-dichter in de slot-scène van het gedicht heeft in beeld en klank en woord gebracht. In haar is geen Mefistofeles die het bewustzijn der oneindigheid tracht af te leiden of uit te dooven.
Een bergwand rotsachtig met kloven en met bosch begroeid; niet bewoond dan door eenige kluizenaars; een geest van diepe geheimzinnigheid hangt daar; de berg is in lagere en hoogere gebieden verdeeld; geestelijke wezens zweven af en aan, en een koor van zalige knapen beweegt zich kringvormig om den hoogsten top; engelen van mindere en van meerdere volmaking gaan zingend om, terwijl zwevend de Mater gloriosa nadert op den aanroep van haar grootsten vereerder. Zalige vrouwen onder wie eene (weleer Gretchen genoemd) aanbidden haar, terwijl het onsterfelijk deel van Faust door Engelen wordt opwaarts gedragen en het geheele tafereel met een mystisch koor eindigt, waarin de eeuwigheid als voltooiing van den tijd bezongen wordt.
Dit alles heeft de beteekenis van aanwijzing van een hoogere werkelijkheid. Deze berg is onttrokken aan de aardsche natuur en natuurwet; de wezens, die er vertoeven, zijn in zwevende beweging en de geheele berg is een heilige schuilplaats der liefde. Ook het streven en de zedelijke strijd bestaan hier niet. Wat in de wereld niet geldt, geldt hier: het is de almachtige Liefde die alles vormt en alles koestert.
In deze sfeer wordt het wonder voltrokken der voleindiging van het geestesleven. De voltooiing moge een logisch gevolg zijn van de voorafwerkende krachten, zoodat het geestesleven uit zichzelf naar haar heenwijst--toch is haar werkelijkheid een _nieuwe_ daad. Beter nog: in de voltooiing komt aan het licht welke kracht in het geestesleven verborgen was: de liefdekracht van God. De zedelijke houding van Faust was een strevende zelfwerkzaamheid, en het is dit streven, dat hem tot de volmaking voert ("wie altijd strevend werkzaam is, dien kunnen wij verlossen" zingen de engelen)--maar nu blijkt dat dit menschelijke streven nog een andere waarde heeft dan het streven van een mènsch te zijn: het is de ervaarbare keerzijde der Godskracht: de eeuwige scheppingshandeling Gods draagt het geheele leven, gelijk zij draagt de geheele wereld en waar wìj van zedelijk streven gewagen is 't in waarheid deze groote kracht, die zich in menschen openbaart. De groeikracht, waarmee de plant zich uit den aardbodem opheft, is niet haar speciale eigendom, maar is de Natuur zelve in haar werkzaamheid: zoo is het niet anders dan de Kosmische Liefde, die zich in Faust voordeed en vermomde als zijn eigen strevende wil. Zoo lang de mensch nog in zijn streven is bevangen en de Mefistofeles hem begeleidt, weet hij niet anders of het is zijn eigen zedelijke natuur die handelt.... maar dit wordt anders in de voleindiging.
Ja dit is de voleindiging dat hij zich bewust is van de Godskracht als zijn eigen wezen. Op eens aanschouwt hij in zich niet zijn eigen persoon, maar het groote Wezen. Dit is de Godskennis waarvan Spinoza zegt dat zij het einde is der deugd, God schouwende met een helderheid als waarmee wij te voren van ons eigen streven bewust waren.
Want de mensch leeft in het Wereldgeheel en de geheele wereldorde, die is de geest van God, woont in hem. Deze is de "eeuwige Liefde die alle dingen vormt" en in de voleindiging des levens hebben wij niet het partikuliere zelfbewustzijn, maar het bewustzijn van God, dat is van de eeuwige Liefde. Wij zìjn ons bewust van de Oneindige Tegenwoordigheid. Als "de Liefde van boven aan ons deelneemt roept de heilige schaar ons het welkom toe." De Pater Seraphicus, langs den berg zwevend, roept op tot deze ondervinding: "Stijgt opwaarts tot hooger gebied, groeit ongemerkt, want hier versterkt u de zuivere tegenwoordigheid van God. Dit is het voedsel der geesten, regeerend in het vrije hemelruim; dit is de openbaring der eeuwige Liefde, die zich in ons tot zaligheid ontvouwt."
De beteekenis van Faust's oneindigen drang wordt nu verstaan: wat hem drong is het Oneindige zelf: zijn strevende natuur is van den beginne aan niets anders geweest dan de oneindige kracht Gods in haar menschelijke keerzij: datgene waarvan de Wagners onbewust waren, werd door de Fausten beseft; maar met een vóórbesef dat zich nu eerst tot levend inzicht voltooit.
Nu eerst.... De mensch streeft zoolang hij leeft en zoolang hij streeft dwaalt hij en is door Mefistofeles vergezeld. Faust wordt voleindigd door den dood heen. De ingang in het groote Mysterie is de voorwaarde tot de voleindiging. Faust zelf heeft nog in zijn laatste levensstonde verzekerd, dat het "uitzicht naar boven" hem is afgesloten en dus de _kennis_ van het oneindige, waarnaar hij tevoren zoo vurig smachtte, niet verkregen is. Maar het onbekende is niet het onwerkelijke, en gelijk hij eenmaal den dood heeft willen roepen om hem in het mysterie in te wijden, zoo komt nu de dood met het mysterie en wijdt hem in. Slechts de dood geeft die zuivering waarbij de geest des menschen tot zichzelven komt, de uitwendigheid der wereld aan de aandacht ontzinkt. "Reeds is hij schoon en groot van heilig leven" zingt over Faust een schare van zalige knapen.
Het zedelijk streven van den mensch is, in zijn grond beschouwd, niet eigen werk, maar de Godskracht in hare werkzaamheid; want naar ons wezen zijn wij het Algemeene, en de Geest des Geheels heeft hier zijne inwoning. Het streven opwaarts is, alzoo beschouwd, de aantrekkingskracht die van boven werkt, en de Faust-dichter noemt deze aantrekkingskracht: _het eeuwig-vrouwelijke_. "Het eeuwig-vrouwelijke trekt ons opwaarts" luiden de slotwoorden van het Faust-gedicht:
"Das ewig-weibliche zieht uns hinan."
Wat is de beteekenis dezer uitspraak? Naar ons voorkomt deze: tot nu toe kenmerkt Faust zich door de strevende werkzaamheid. Het streven is het eeuwig-mannelijke; deze drang tot werken, deze voortschrijdende daadkracht is de scheppende macht, gewrochten voortbrengend en van den eenen tot den anderen arbeid voortgaand. Maar, "wie immer in strevende werking is dien kunnen wij verlossen"; hetgeen beteekent dat niet deze mannelijke gezindheid zelve de verlossing is: in haar wordt Mefistofeles geleidelijk overwonnen, maar het eindpunt der overwinning wordt niet bereikt. Doch in 't einde moet de mensch inzien, dat niet hijzelf, dat is niet zijn individueele eigen-persoon, de voleindiging toebereidt, maar dat hij haar verwerft krachtens de Godheid die zijne werkende macht is. Hij, als eigenpersoon, _geeft zich over_. Hier treedt het passieve moment in, dat de aktiviteit bekroont. Wat hem tevoren werk toescheen schijnt hem nu rust.
Daarom is de Godheid in dit opzicht dat zij het geestesleven voleindigt, voor hem niet de werkzame Man, maar degene in wien het werk ten einde is en bij wien de mannenkracht uitrust: zijn tegendeel: het eeuwig-Vrouwelijke. Man en Vrouw, Mannelijkheid en Vrouwelijkheid zijn symbolische namen en symbolische begrippen om de goddelijke werking aan te duiden. In dit opzicht van ten einde zijn des werks en van overgave onzer persoonlijkheid aan den Voleinder is het goddelijke vrouwelijk gedacht. Hier is een _innigheid_ die tusschen man en man niet bestaat. Wat de Middeleeuwen in de Maria-dienst, wat de Griek in de Aarde-moeder nabij was, deze aflegging van den menschelijken eigen-wil en van het eigen-bewustzijn, vindt Faust in zijn opstijging, aangetrokken door het eeuwig-Vrouwelijke der goddelijke Liefde. Hier is niet bedoeld een onderdompeling in het onbewuste onzer zinnelijke natuur, gelijk men heeft verklaard, maar een opstijging boven het bepaalde bewustzijn van ons verstandelijk daglicht.
Het menschenleven voleindigt zich door inkeer tot zijn grond; het eindigt bij zijn aanvang. Het Faust-gedicht begint in den hemel d. i. in de sfeer van God en vindt er zijn einde. In het einde is de eeuwige Dag aangelicht.
De eerste Dag van Faust was het vale, voorbijgezwoegde tijdperk zijner vergeefsche inspanning, eindigend in de klacht. Daarna de avond met mysterieuse diepten en zinnelijkheid en eindelijk de voornacht bespookt door wroeging en verwijt. Deze eerste Dag is het eerste Deel des gedichts. De na-nacht brengt kalmte en geeft den strever geestes-rust. Nu verschijnt de nieuwe Morgen van arbeid, de morgen van het groote streven en deze morgen geeft zich over aan den Eeuwigen Dag.
In dien Nieuwen Dag der goddelijke Tegenwoordigheid is de Drang naar het Absolute bevredigd. [1]
INHOUD
WOORD VOORAF
I DE KLACHT VAN FAUST:
1. De famulus Wagner, de begrensde mensch
2. Wetenschap is herleiding tot het Onbegrepene 3. Faust zoekt ontkoming bij de magische fantasie 4. Faust's klacht herhaald (verschijning van den Aardegeest)
II Faust en Mefistofeles:
1. Het eeuwige in den mensch (de proloog in den Hemel) 2. De verstorende macht. Het noodwendige Tegendeel in wereld en leven. Mefistofeles 3. Mefistofeles: ontkenning en ironie 4. De weddenschap van Faust en Mefistofeles
III FAUST IN DE WILDERNIS:
1. Zelfverlies in den zinnenlust 2. De onmacht van Mefistofeles (Faust in Mefisto's leiding)
IV DE WEG VAN FAUST:
1. De nacht van uitrusten voor den nieuwen morgen 2. De nieuwe zedelijkheid (zedelijk streven en zelfbevrijding.) 3. Het besluit tot daden 4. De klassieke beschaving als leerschool; geestelijke vorming; de idee der schoonheid 5. Het huwelijk van Faust en Helena. Harmonie en maat 6. Stichting eener vrije wereld. Waarde en ontoereikendheid der zedelijke daad. Het einde van Faust's streven
V FAUST'S VOLEINDIGING:
1. Overschrijding onzer begrensdheid in de religie; de goddelijke Liefdemacht; de overgave
AANTEEKENING
[1] Verg. Dr. J. D. Bierens de Haan, Dante's mystische reis (Amsterdam, 1914), Hoofdstuk XIII, Het kristallijnen bewustzijn en Idee-studies (Amsterdam 2de druk 1913): De geestelijke ontroering; en: door de Rede tot de Aanschouwing.