Chapter 5
Faust, die nog naar zijn weg zoekt, moet in deze omgeving tot inzicht komen, dat de zedelijke daad des menschen vrij is tegenover alle bestaande ordening. Voor den Jood uit Jezus' tijd is het godsdienstig volks-instituut de sfeer, die het zedelijke bepaalt; voor den oud-Indiër de kaste; voor den Griek het staatsverband, zoodat hij zedelijk mensch is in dit opzicht, dat hij zijn arbeid doet voor het staatsgeheel. De Middel-Eeuwer, over 't algemeen genomen, acht zich zedelijk handelend volgens voorschrift van en in dienst aan de kerk. Zijn barmhartigheid, eedstrouw en gerechtigheid zijn een verplichting, die de kerk hem oplegt. Voor Faust echter zal al zulke instelling wegvallen. Geen bestaande ordening zal als verplichtende macht zich aan hem voordoen: in de sfeer van het keizerrijk valt voor hem niets van zedelijke beteekenis uit te richten. Tegelijk blijkt hem, dat deze keizerlijke staatsordening (en daarmee alle "instituut") de echte nooden der gemeenschap niet lenigt, en een van boven opgelegde figuur is, die met het ware leven der volkeren in geen verband staat. Wie zedelijk werken wil, doe het niet ten dienste aan eenige instelling of organisatie, maar doe het voor de menschelijke schare, dat is voor het _gemoed_ der menigte, want dit is voor zedelijke weldaden ontvankelijk.
Maar om tot machtige daden bekwaam te zijn moet Faust een scholing doorloopen. Het "strevend in werking zijn" (strebend sich bemühen) moet voortkomen uit een welgeordenden en evenredigen geest, want anders is het werk chaotisch, vormeloos. Faust moet nu niet in een wildernis rondwaden, maar zich een weg banen in het leven, en de dichter van Faust acht, dat hiertoe geen betere scholing is dan het verkeer met de klassieke Grieksche kultuur en hare schoonheid. Door deze zal Faust de mateloosheid van zijn strevenden drang te boven komen en dien louteren. Immers, zooals het moderne, Germaansche, romantische streven zich _uitleeft_, zoo wil het Grieksche _zich inhouden_. Werther is de romantische mensch, subjektief en onbegrensd in zijn aandoeningen; maar hij zou in de Grieksche zelfbepaling tot vruchtbaarheid zijn gekomen, terwijl hij zonder deze kwam tot ondergang. Faust zal niet als Werther lijden, maar hijzelf weet welke leerschool hij behoeft.
Het verkeer van Faust aan het keizerlijk hof wordt bekroond met een maskerade, waarin de krachten en faktoren van het menschelijk leven en der maatschappij in symbolische gestalten worden vertoond: een schouwspel, waarin Faust een tegengestelde houding aanneemt, dan die hij in het leven wil voeren: hij is er werklooze toeschouwer. De keizer ziet de fraaiheid van de vertooning, maar de aldus gesymboleerde werkelijkheid heeft veel onschoons en op 't einde gaat de geheele maskerade in vlammen op. De keizer, wiens lust naar schoone vertooning aldus ontstoken is, wil zich nog meer vermaken en wenscht het meest uitgezochte voorbeeld van menschenschoon te zien vertoond: Paris en Helena uit het doodenrijk te voorschijn geroepen, moeten voor zijn oogen verschijnen!
Deze vertooning is voor hem niet meer dan een lichtzinnig amusement. Maar in Faust heeft de gedachte aan de klassieke schoonheid, in Helena vertegenwoordigd, een horizont van inzicht geopend. Hijzelf zal naar de diepte der wereld afdalen en door de macht zijns geestes de Helena-gestalte te voorschijn roepen. Waarheen zal hij afdalen? Men daalt slechts in zichzelven af en deze afdaling heet de _bezinning_, maar de bezinning brengt den bezinner tot de algemeene gronden waar het leven, waar elk geestesleven, ontspringt. In de dichterlijke voorstelling heeten deze gronden: de Moeders en van hen wordt met plechtig geluid verzekerd: "godinnen tronen verheven in hun eenzaamheid; rondom hen is alle Ruimte opgeheven, geen Tijd is daar; over hen kan niet gesproken worden: de Moeders zijn zij. Welke weg leidt tot hen? geen weg! De weg tot hen gaat in het onbetreden en niet te betreden gebied; door geen navraag vindbaar: zijt gij bereid? geen sloten en geen grendels behoeven weggeschoven; door eenzaamheden wordt gij heen gedreven: hebt gij begrip van het verlatene en van de eenzaamheid?" Het is Mefistofeles, die deze aanwijzing geeft, en zij is gegeven uit zijn zienswijs: de levensdiepte geldt voor hem niet; maar met kloeke verzekerdheid antwoordt Faust: "in uw Niets hoop ik het Al te vinden." Wanneer het aan Faust gelukt om uit de diepe bezinning op het leven de idee der schoonheid op te roepen, staat hij aan den aanvang zijner geestelijke scholing. Wat hij gedaan heeft is bij zichzelf de noodzaak en onmisbaarheid der leerschool vaststellen, die hij doorloopen moet.
Uit de diepe gronden zijns levens brengt hij de idee der schoonheid te voorschijn, maar de enthousiaste omhelzing daarvan werpt alsnog de idee zelve in verbrijzeling. Faust verliest Helena terwijl hij haar aangrijpt.
Niet als bloote gedachte lichtend voor hem uit, doch als duurzame levenservaring moet de schoonheid aan zijn bestaan deelnemen: daartoe neme Faust de klassieke beschaving in zich op: het _huwelijk met Helena_ zal hem tot de zedelijke daad bekwamen.
Maar de klassieke beschaving moet recht begrepen worden. Ook zij heeft haar excessen en verwarringen. Geen kultuur is feitelijk volmaakt, en het is niet meer dan de geest en de idee der klassieke beschaving, welke Faust zich eigen make. Hij moet zich beschermen tegen de spookgestalten, die ook hier zich voordoen; in de "Klassieke Walpurgisnacht" moet hij tot het inzicht komen, dat niet overal waar Griekenland is Helena woont. Niet de spookachtige fantasie, die griffioenen, sfinxen, sirenen, centauren, pygmaeën en wat half-dierlijks er meer zij, voortbracht--maar de klare en zuivere geest, die de gestalte van Helena opriep, is de ware geest der Grieksche beschaving. Om Faust rond te leiden in de spokenwereld, daartoe is Homunculus, een kunstmatig menschje, in chemische retorten bewerkt, voldoende: voor zijn huwelijk met Helena drage hij zelf zorg.
5. Het huwelijk van Faust en Helena. Harmonie en maat.
De schoonheidszin is van het geestesleven een integreerend deel. Geen geestesleven is gaaf zonder deze. Aan de "oude zedelijkheid" heeft de schoonheidszin ontbroken; de Calvinist heeft nooit beseft dat er verband is tusschen het goede en het schoone. De theologische, mechanische aanleg van het Zeventiend' Eeuwsche denken, sluit den schoonheidszin eer buiten dan in zich.
Het Piëtisme is vaak vijandig gestemd tegenover hem, daar het de wereld verwerpt; zelfs Spinoza heeft zich zeventiende-eeuwer betoond door van hem niet te gewagen. Onze groote schilderkunst heeft geen verband gehouden met het zedelijk bewustzijn des volks, en het zedelijk bewustzijn heeft zich niet geopend voor de kunst noch voor de aesthetische ontroering. Eerst het geslacht, waartoe Goethe behoorde, begreep het verband tusschen schoonheid en levensbestemming. Faust treedt in het huwelijk met Helena, en dit huwelijk is een noodzaak tot zijn volmaking.
Het is hier niet te doen om een aesthetische beschaving in de plaats der ethische, een oppervlakkig schoonheidsbehagen, dat met de diepe gronden des levens zich niet afgeeft. Zulk aestheticisme, dat de kunst tot zijn godsdienst heeft, is in de Negentiende Eeuw opgekomen; maar het huwelijk van Faust en Helena heeft diepere waarde: het is de scholing in de klassieke kultuur, de vorming van den zedelijken mensch door harmonie, klaarheid en innerlijke orde. Faust heeft aanraking met den _geest_ der Grieksche beschaving.
Het huwelijk met Helena is voor den zedelijken mensch noodig, omdat hij, naar de nieuwe opvatting, de wet zijns eigenen wezens te vervullen heeft. Moet de mensch zichzelf verwerkelijken, dan loopt hij daarbij het gevaar eener redelooze emancipatie en afzondering uit het geheel. Zoo hij de nieuwe moraal als een wil tot macht opvat en meent, dat aan zijn eigen wil alles geoorloofd is, ware het beter dat hij nog onder het toezicht der oude wetgeving stond. Met dergelijke Nietzschiaansche op de spits drijving zijner individualiteit is de wonderbare harmonie des bestaans verbroken. Wie slechts eigen macht erkent is tyran en tyranniseert de wereldorde, in welke wij omvat zijn en waarin ons leven redelijkheid bezit. Juist daar de wereld-orde in ons bewustzijn inwoont zijn wij onszelf ten wet. Zoo behoort de mensch der nieuwe moraliteit van de idee der orde en harmonie doordrongen te zijn. Geen wild-romantieke vrij-machtigheid besture zijn daden. De student, die in Faust's studeercel kwam verkondigen, dat hij persoonlijk het superieure subjekt der wereld was, en dat het op- en ondergaan der zon van zijn denken afhing, vertoont de nieuwe moraliteit als karikatuur. Maar Faust zal innerlijk rijpen en zich van de idee van orde en wet doordringen, opdat zijn streven niet romantisch zij.
Het altijd-durende streven gaat verloren, zoo daaraan de rust der zelfbeheersching ontbreekt; de fantasie vindt willekeurige slingerwegen maar niet den weg tot het doel. Zoo moet het streven zich scholen door de schoonheid, die niet anders is dan de evenredigheid en algemeene orde der wereld. Griekenland heeft de wereld als "kosmos" opgevat. De schoonheidszin is uit Griekenland geboren. Overal liggen zijne voorteekenen verspreid: Indië, Egypte, Assyrië, Babel, Israël, Phoenicië, Germanië zijn vol voorteekenen die de geboorte van den schoonheidszin aanzeggen; maar eerst Hellas heeft de schoonheid _geweten_ en het vormelooze verworpen voor de erkenning van harmonie en maat. Eerst Hellas heeft dit inzicht tot beginsel eener geheele kultuur gemaakt.
Dit is dus de vrucht van Faust's scholing door de klassieke kultuur, dat hij leert innerlijk maatvol zijn, en dat zijn strevende werkzaamheid daardoor planmatig en doelmatig wordt.
Maar het huwelijk met Helena is leerschool en niet meer. Evenmin als een leerschool is het tot bestendigheid beschikt. Zal Faust tot uitvoering der zedelijke daad komen, dan moet dit huwelijk achter hem liggen, al is ook de leering, daarin ondergaan, van blijvende beteekenis. Zoo zien wij Helena aan Faust's armen ontzinken. Wat zij hem verwekt heeft is de _poëzie_. Immers deze is niet anders dan maatvolle gedachte en Goethe noemt haar Euforion. Voor hem was de poëzie niet een kunstvol spel, maar een innerlijk vermogen, om het leven en de werkelijkheid als een kunstwerk te zien en te beleven; zij was hem een scheppende macht, die zich uitte in denken en doen. Zal Faust tot zedelijken werker worden, dan moet hij door de poëzie bezield zijn tot dienst aan de wereldorde en door haar tot maatvolle wijsheid zijn bekwaamd. Deze vrucht zal blijken, wanneer de huwelijkstijd met Helena voorbij is; tijdens het huwelijk zal zij hem verschijnen als lichtende beeld. De lichtende gestalte Euforion, in het huwelijk van Faust en Helena verwekt, blinkt voor beider verwonderde oogen, maar gaat als een meteoor voorbij, waarna ook Helena's oogenblik van verscheiden is gekomen. Wanneer zij aan Faust ontzinkt, blijven als aandenken, kleed, mantel en lier achter. Dit beteekent dat de nieuwe zedelijkheid de sporen bewaart van hare scholing in de klassieke kultuur, maar dat zij toch een andere is, zelfstandig, en uit haar leerschool is verrezen als een vrije macht, stichtster harer eigen beschaving.
6. Stichting eener vrije wereld. Waarde en ontoereikendheid der zedelijke daad.
Het oneindig streven, Germaansch van oorsprong maar geadeld in de leerschool der klassieke beschaving; de zedelijke zelfbetooning, door het besef van maatvolle orde verhelderd--ziehier den _weg van Faust_: op deze wijze zal hij zijn Mefistofeles te boven komen.
Maar waarin bestaat het dat Faust Mefisto te boven komt? Indien hij in het zedelijk streven, dat toch ook naar bepaalde doeleinden uitgaat _bevredigd_ wordt, is dan de oneindige drang, deze richting naar het Absolute, niet tòch verloochend? en wie heeft dan overwonnen: Faust, die beweerde met niets te zullen bevredigd zijn, of Mefisto die daar al te gemakkelijken raad op wist?
Ziehier de vraag, die de ontknooping van het Faust-drama beheerscht.
De zedelijke daad, die Faust uitvoert is grootsch, bovenal zoo zij in haar symbolische beteekenis doorzien wordt. "Mijn oog was gericht, zoo spreekt Faust, naar de hooge zee; zij zwol op om in zichzelve omhoog te streven--dan zonk zij in en schudde haar golven om daarmede de breedte der vlakke oevers te bestormen. En dat verdroot mij, gelijk de overmoed door zijn hartstochtelijk opgezweepten zin den vrijen geest, die slechts het recht waardeert, ergert.
"Ik achtte het toeval, scherpte mijn oog: de golf stond op en rolde dan terug, trok weg van het trotsch bereikte doel; het oogenblik komt en hij herhaalt zijn spel. Dan sluipt hij weer aan op duizend plaatsen, de onvruchtbare, om overal onvruchtbaarheid uit te strooien. Het is een zwellen en toenemen en uitstorten over het woeste gebied, en dan weder terugtrekken en er is niets volvoerd. Mij beangstigt dit schouwspel tot vertwijfeling; doellooze kracht van bandelooze elementen! Hier waagt mijn geest het boven zijn macht te streven: hier wil ik strijden en hier wil ik overwinnen! En dit is mogelijk: zoo vloedend als zij is, golft de zee langs elken heuvel heen; al beweegt zij zich nog zoo overmoedig: een geringe opgeworpen hoogte weerstaat haar trots en een geringe diepte trekt haar machtig tot zich neer. Toen heb ik snel in mijn geest het plan gevormd: verwerf het kostelijk genot om de heerschzuchtige zee van den oever af te sluiten, het gebied dier vloeiende massa in te krimpen, en haar diep binnenwaarts terug te dringen in haarzelf. Van schrede tot schrede heb ik mij het plan voor den geest geroepen: dit te volvoeren is mijn wensch, waag het de uitvoering te bevorderen."
Faust wil de zee aan banden leggen en het onvruchtbaar zeegebied herscheppen tot vruchtbaar land; daar wil hij een door menschen veroverde woonplaats stichten, een vrijen grond voor een vrij volk, dat zich in vrije werkzaamheid oefent.
Het veld zal vruchtbaar zijn, een land als een paradijs; laat aan zijn buitenkant de vloed den dijk bestormen: de samenwerking eener schare is haastig bereid om de kleinste scheur te versperren. De symboliek dezer Faustische daad is duidelijk: de zee is de negatie der vruchtbare aarde; terwijl deze uit een onbegrensden levensdrang het leven voortbrengt, plant, dier en mensch ontspruiten doet, en uit haar schoot de delfstoffen opwerpt--doet de zee niets dan verzwelgen; in haar diepte schuilen monsters en de kolk van gevaar blijft zij voor ieder, die zich op haar bedriegelijke vlakten waagt. De zee is het verstorend element; zij is de Mefistofeles in de aardsche schepping; van den oer-chaos overgebleven. Nu zal Faust de zee terugdrijven. Zinrijke daad! Ziehier het heilswerk, in eigen geestelijke vrijheid uitgedacht en volvoerd, geheel anders dan de "goede werken" voorgeschreven door een gekodificeerde moraal. Deze daad beteekent Faust's overwinning over Mefistofeles.
Een bekoorlijk tafereel schildert het welslagen dezer daad van Faust: een vroeger schipbreukeling, eenmaal aan deze kust gespoeld en verpleegd in de hut van Philemon en Baucis zoekt nu, jaren later, zijn weldoeners op, en aanschouwt van hun in 't duin gelegen woonplaats af, geen zee maar een vruchtbaar land: hetgeen u grimmig mishandeld heeft, de zee met haar schuimend wilde golven, ziet gij in een tuin herschapen: een tafereel als een paradijs! Koene knechten van verstandige heeren groeven en dijkten de zee in, verminderden haar rechtsgebied en werden heerscher in hare plaats. Zie toch hoe weide naast weide groent, beemd, tuin, woud en dorp! rechts en links over groote uitgestrektheid is het gebied dichtbevolkt!
Maar is Faust nu voldaan? en heeft in deze daad zijn oneindige drang, d. i. zijn drang naar het Oneindige vervulling gevonden? Indien ja, dan is eenerzijds Mefistofeles overwonnen, omdat niet in de verlokkingen van dezen, maar in Faust's eigen gevonden en geschapen taak zijn drang vervuld is.
Mefisto heeft Faust in de wildernis gevoerd.. Nu heeft hij zelf uit de wilde zee een bewoonbaar en vruchtbaar land geschapen!
Anderzijds heeft toch Faust een voldoening gevonden beneden het Oneindige. Eenmaal heeft hij het wezen der wereld gezocht met het denkend intellekt; de magie is door hem te hulp geroepen; hij heeft den dood gewild om langs dezen weg in de eeuwige waarheid in te dringen; diep en ontroerend was de klacht over zijn onvermogen; in zijn ongeleschten kendorst dreigde hij te zullen bezwijken, en heeft gezworen dat niets hem ooit zou bevredigen: "zal ik ooit gerustgesteld mij neerleggen op het bed der ledigheid, dan zij het tegelijk met mij ten einde; kunt gij mij zoo beliegen dat ik mijzelf behaag, mijn laatste dag zij aangebroken; zal ik tot het oogenblik spreken: blijf toch want gij zijt schoon genoeg, dan wil ik te gronde gaan."
Faust is voldaan.... maar zóo dat hij het niet is. Dat is: hij heeft de daad gedaan die de meest zuivere _omzetting_ is van zijn oneindigen drang in de aardsche omgeving. Maar deze daad is op elk oogenblik nog slechts een _betrekkelijke_ uitdrukking van zijn drang, en om haar volledig te denken, denkt hij haar verlengd in het toekomstige. Bovendien: aan het werk zelf heeft Mefistofeles deel en zoo is het een onvolkomen werk.
Wat dit laatste aangaat: in het werk mengt zich onrecht; dus houdt het een bewijs zijner onvolmaaktheid in. De Faust-dichter schildert deze ongerechtigheid in den aanval van Mefisto met drie gevaarlijke gezellen op het huisje van Philemon en Baucis. Faust ergert zich aan het oud-modisch klokgebengel, waarmeê deze oudjes nog steeds den verleden tijd dienen. Hij heeft hun in 't nieuwe gebied een beter woning en welvarender landgoed aangeboden; maar vond slechts weigering. Mefisto volgt Faust's wenk op eigen manier en.... de hut gaat in vlammen op, terwijl de bewoners omkomen. Voor Faust geeft deze handeling stof tot bepeinzing. Ook de werken van zedelijke bezieling, naar bepaalde doeleinden uitgaand, kunnen de eeuwigheidswaarde van den mensch niet vervangen; zij zijn eindige grootheden, heilzame doch begrensde gewrochten en zij houden den mensch binnen zijn eindige levensvoorwaarden besloten. Evenmin als de opstapeling der wetenschappelijke resultaten, bereikt de vermenigvuldiging der zedelijke daden het eeuwige. Waar de Wagners juichen zijn de Fausten onvoldaan. Dat de zedelijke handelingen den mensch niet vergoddelijken bewijst het onrecht dat ongewild ook daarin binnensluipt.
Toch heeft Faust _zijn weg_ gevonden. Maar de weg is niet het doel, doch het middel. Na de scholing door de oude kultuur heeft hij in een nieuwe zedelijkheid _zich tot het hoogste voorbereid_.
Nog is, gelijk wij zagen, Mefistofeles niet geheel overwonnen. In beginsel is zijn macht over Faust gebroken, hiermeê dat Faust in de zedelijke daad zijn ware zelf verwerkelijkt. Niet meer leider maar dienaar van Faust is hij, maar ook in deze verhouding is hij nog de medgezel. Weldra doet zich het verstorend element zijns persoons aan Faust gelden; want reeds in den proloog in den hemel is deze onontkoombare waarheid over hen uitgesproken: de mensch dwaalt zoolang hij streeft.
Voor den strevenden mensch is er geen mogelijkheid om de negatie, de verstoring, het kwaad, den Mefistofeles te niet te doen--zoolang hij streeft. Maar in beginsel is hij, zoodra zijn strevenden wil zich verheft, hem te boven. Nu nadert tot den oud geworden Faust een gestalte, die lang afwezig is gebleven, maar toch op hem geloerd heeft zoolang Mefisto met hem ging: de Zorg.
Is iemand hier? vraagt Faust. De vraag vereischt een ja, antwoordt zij.--En gij wie zijt gij dan?--Ik ben nu hier.--Verwijder u!--Ik ben ter rechter plaats.--Neem u in acht! zegt Faust, en spreek geen tooverwoord! En zij: al zou mij geen oor vernemen, toch weerklink ik in de harten; op wegen, op de zeetochten ben ik de steeds beangstigende medgezel. Steeds gevonden, nooit gezocht, ik wordt gevleid en gevloekt. Hebt ge nooit de zorg gekend? "Uw macht erken ik niet" roept Faust haar toe, maar zij blaast haar adem over hem uit en Faust wordt blind.
Hij buigt zich niet voor de tegenstandster, zooals hij zich niet buigt voor Mefistofeles; hij is zichzelf en handelt uit aansporing van zijn eigen wezen, maar tegelijk vervult hem zijn grootsche daad met onbevredigdheid. "Nog heb ik mij niet opgeworsteld tot de vrijheid" roept hij uit; en: "de mensch doorreize zijn aardschen dag; als geesten spoken ga hij zijn vrijen gang. In het voortschrijden vinde hij smart en geluk, hij, onbevredigd elk oogenblik."
De beperktheid van zijn kunnen en het te-kort van zijn zedelijk streven wordt aan den mensch te ondervinden gegeven door de macht, die zich tegenover hem stelt. Maar in zichzelf vindt hij zijn streven en de geestelijke kracht, die hem daarbij geleidt. Faust wordt door de zorg weerstaan, maar in zichzelf beseft hij den aandrang tot voortzetting zijner grootsche daad en voor zijn innerlijke oogen spiegelt het vizioen der voltooiing. Terwijl Mefisto's gezellen bezig zijn het graf te delven, waarin hij Faust hoopt te vangen, (want vernietiging acht hij het einde ook van dit leven), hoort de blindgeworden strever in het geklank der spaden het werk der arbeiders, die hij geroepen heeft. Immers een kanaal graven zij om een moeras af te leiden en aldus de gezondheid der streek voor haar bewoners te verhoogen? Het volk dat hier in vrijheid woont, zal zich uitbreiden. Het gevaar kennend en afwerend zal jeugd, manschap en grijsheid hier zijn lange leven in noeste werkzaamheid volvoeren!
Deze gedachte is het die Faust vervult en als vizioen voor zijn blinde oogen zweeft, en in het licht daarvan roept hij uit: "nu waag ik tot het oogenblik te zeggen: blijf, want gij zijt schoon genoeg. In aeonen kan het spoor van mijn aardsche dagen niet vergaan. In het voorgevoel van zulk verheven geluk, geniet ik thans het hoogste oogenblik."
Deze woorden zijn de laatste en Faust zinkt stervend op den grond. Dat hij de weddenschap met Mefistofeles slechts naar den klank des woords verloren heeft, is duidelijk. Hij zelf, aan Mefisto ontgroeid, is van hem vrijgekomen. Hij heeft zijn oneindig wezen tegen den ondergang bewaard.... maar niet verwerkelijkt. Het zedelijke streven is niet het hoogste bereik der menschelijke persoonlijkheid. "Wiens geest altijd strevend werkzaam is, dien kunnen wij verlossen" zal van Faust gelden: dat de zedelijke streving zelve de voltooiing van het menschelijk bestaan inhoudt, is daarmee niet gezegd!
V FAUST'S VOLEINDIGING
1. De liefdemacht. God en mensch. Overschrijding der begrensdheid.
"God kennen is de hoogste deugd" leert Spinoza. Dit "hoogste" noemt hij summa virtus, hetgeen nog iets anders beteekent dan "hoogste" nl. toppunt der deugd. Het begrip "hoogste" duidt aan iets betrekkelijks, zijnde de uitkomst eener vergelijking; het beteekent niet, dat het nòg-hoogere is uitgesloten; slechts over het thans-voorhandene doet het uitspraak. Maar "toppunt" beteekent het logisch uiteinde der opstreving, waarbij het nòg-hoogere niet gedacht kan worden. Hier is het streven ten einde in zijn bereikte doel.
De oude zedelijkheid erkende niet dat het geestesleven zijn (natuurlijke) voltooiing had in de eenheid met God en op deze eenheid was aangelegd. Zij geloofde aan de tegenstelling tusschen mensch en God (door de zonde) en hoopte te eindigen bij een verzoening. Dit is de oude religie, die uitgaat van het zondebesef, en met alle middelen de overtuiging hunner onwaardigheid bij de menschen aankweekt. Maar de ware religie, die zoo oud is als de beschaving, al bleef ze in het verborgen, beleed de fundamenteele identiteit des menschen met God (zooals de zonnestralen fundamenteel één zijn met de zon) en erkent dat in de bewuste eenheid met God het leven tot zijn waarheid is gekomen.