Goethe's Faust

Chapter 4

Chapter 43,609 wordsPublic domain

Faust II is een heden na het gisteren van Faust I. Tusschen beide gedeelten van het Faust-poeem ligt een _nacht_, een nacht van vergetelheid en diepen slaap. Het geheele Eerste Deel kan beschouwd worden als een avondgebeurtenis na een voorafgeganen dag van zware inspanning en overladen werk. De monoloog, waarmede het eerste Faustgedicht aanvangt, geeft aanstonds een blik op dezen voltooiden en vermoeienden werkdag: "nu heb ik ach, filosofie, rechtswetenschap en medicijnen en helaas ook theologie grondig bestudeerd met vurigen ijver." Ziehier de al te zware dagtaak, welke Faust achter zich heeft, wanneer wij met hem kennismaken. Op dit oogenblik gaat zijn geest den avond in, den avond met zijn geheimzinnige aanspraak tot het menschelijk gemoed, een avond reeds aangekondigd in den "proloog" met de schildering van de zon, die haar voorgeschreven dagreis met donderslag voltooit. In dien zielsavond neigt hij tot de wereld der geesten met hun duistere wetenschap en verlangt hij naar den dood, die een hooger licht dan het aardsche daglicht over hem zal uitgieten. De dood wenkt hem verlokkend toe uit kristallen schaal. De magische heksenkeuken, het spiegelbeeld van Helena zijn verschrikkende en verteederende avondfantasieën. De zucht naar weelde en genot herleeft: de zinlijkheid bekoort met haar schaduwzwarte diepten; Faust verlangt het al der wereld te doorleven en zijn ziel daarin te laten vervloeien. Gretchens liefde is zijn avondweelde en avondtroost en in haar nabijheid verdoezelt zich zijn godsdienstig gevoel tot pantheïsme, avondgodsdienst zonder omtrekken, welks leuze is: naam is klank en rook; wees in gevoelens zalig en noem het zooals gij wilt: geluk, hart, liefde, God. De zachte stemming èn vreemde fantasie zijn de terugwerking op een dag van vruchtelooze moraliteit des werks. De vergeefsche inspanning van den harden werker verkeert zich tot deze maatlooze zieletoestanden.

Maar het einde des avonds, en waar hij tot nacht wordt is zwaar en van jammer vol. Het is de wilde spooknacht der wroeging en der radeloosheid, die met waanzin dreigt. De hevigste onrust als van een heksendans op den Blocksberg is het laatste loon van dezen langen dagtijd vol ondervinding.

Het zestiend'eeuwsche Faust-gedicht laat Faust ter helle varen; de hel is het hopelooze en onherstelbare, en het schijnt wel of na Faust's ondervindingen geen anderen uitweg bestaat. Immers, wat is er te herstellen voor een man, die zoowel in het denken als in het verkeer, in het waarheidsverlangen als in de liefde op ellende uitkwam? Nu staat de strever naar het hoogste voor het Niet, het ledige Duister der sterrenlooze middernacht.

Maar na de middernacht breekt de na-nacht aan, en de na-nacht zal Faust's rusttijd zijn. Nu is het spookuur voorbij en hoogere geesten onder leiding van Ariël, den geest der lucht, hebben den vermoeiden lijder opgenomen en op een bloemenrijken grasgrond uitgestrekt; zij zingen hem in slaap en zweven om hem heen, terwijl zij de rust in zijn gemoed herstellen: "Nu is de nacht neergezonken en heilig verbindt ster aan sterre zich; groote lichten, en kleine glinsteren nabij en ter verte, glinsteren weerspiegeld in het meer, glanzen in de heldere hoogten des nachts. Het geluk van diepe rust wordt door de volle pracht der maan bezegeld." Onder deze zegening slaapt Faust een slaap, die tijden duurt; hij doorslaapt het tijdperk der nacht; het is de periode der uitrusting uit welke men niet met wroeging of ellende ontwaken zal. De zwevende geesten verteederen zijn afgepijnd hart, genezen de wonden van het zelfverwijt en reinigen zijn innerlijk bestaan van het doorleefde tumult.

Nu kan de nieuwe Morgen komen en hij zal geen morgen van nieuwe zorgen zijn. Met welk morgenlied ook vangt het tweede deel van het Faust-gedicht aan! Het eerste deel was met den zang der aartsengelen ingeluid. Zij zongen het _avondlied_ van de zon, die haar dagreis voleindigt, en van de aarde in wier wenteling paradijsglans plaats maakt voor diepen nacht--maar de geesten, die het tweede gedicht openen, zingen het lied van de juichende ontwaking des Lichts: "Schouw, zoo roepen zij tot den slapenden Faust, naar den glans, die ginds verschijnt! Slechts lichtelijk zijt gij met slaap omvangen: slaap is als een schaal, werp haar af; verzuim niet u te verkloeken, terwijl de menigte talmend aarzelt: alles vermag de edele mensch, die verstaat en snel handelt." En bij dit woord verkondigt een geweldig gedruis de nadering der zon: "hoort o hoort naar het aanstormen der Horen; voor geestes-ooren blinkend wordt geboren de nieuwe dag."

Met dezen aanroep is Faust ontwaakt.

2. De nieuwe zedelijkheid (zedelijk streven en zelfbevrijding).

En hiermede begint zijn nieuwe weg. De inhoud van het tweede Faust-poëem bevat meer dan de vertooning en verbeelding van dezen weg; geheel het denken van Goethe's tijd en vooral de natuurfilosofie voeren er het dichterlijke woord; maar wij laten dit ter zijde en zoeken te bepalen den weg dien Faust ging. In het eerste deel hebben wij Faust, teleurgesteld in zijn oneindige verlangst naar kennis, zich zien storten in het levensgenot: door de oneindigheid, die hij in zich beseft, heeft eerst zijn natuurweten schipbreuk geleden. Daarna in het leven gekomen, leed zijn genieten dezelfde schipbreuk op de onvoldaanheid zijner hoogere natuur. Faust heeft den oneindigen eisch gesteld en daarop is zoowel zijn kennis als zijn levensvreugd gestrand. Niets was bestand tegen dezen drang naar het absolute, die tegen alle beperktheid stoot en voor welks aangezicht alle levens-vrede tot verwoesting keert.

De vraag, welke wij thans stellen, is: welke weg blijft voor Faust over na dit twee-ledig bankroet? Er is een mogelijkheid van klein te eindigen, nadat men groot begonnen is. De aanstichter van een nieuwe wereldbeweging kan mislukken in zijn grootschen toeleg en--na eenige jaren teruggevonden worden als vreedzaam burger van een klein dorp bij de grenzen; na het eerste hoofdstuk van den nieuwen bijbel der menschheid geschreven te hebben, is de vlaag der genialiteit gedoofd, en men biedt, na wat verpoozens, litteratuur van derden rang. Indien Mefistofeles den Faust geschreven had, ware er geen ironischer vervolg van het eerste boek geweest dan den held te laten optreden als gevierd middelpunt van een dorpskring, bemind op sociëteit en letterkundigen krans. De overmacht van de negatie had zich dan bewezen in de uitsterving van dien oneindigen drang, die Faust's wezen uitmaakt. Zoo er echter een weg voor Faust is, moet het een weg zijn, waarop hij zijn wezen bewaart en tegen Mefistofeles de geheele diepte van zijn menschelijk karakter volhoudt. De weddenschap blijft gelden: zoodra Faust het mindere aanvaardt als voldoend en zijn oneindigen drang ontkent, is hij verloren; maar dus ook: zoolang hij wezenlijke mensch blijft en zijn eeuwigheidsnatuur door eenig voorloopig resultaat van zijn streven niet wordt vervuld--zoolang is zijn streven zelf zijn levensweg. _Het oneindig streven is de weg van Faust._

Deze uitspraak gelijkt op rhetoriek, maar zij bevat een diepen inhoud en is vol wijsheid. In haar is de nieuwe zedelijkheid uitgedrukt in tegenstelling met de oude.

Met oude zedelijkheid bedoel ik de levensopvatting der Zeventiende Eeuw; met nieuwe zedelijkheid het begrip van persoonlijkheid en leven, dat in de Negentiende Eeuw is gangbaar geworden. Faust is geen zeventiend' eeuwsche, maar een moderne mensch. De oude zedelijkheid is Israëlitisch gestempeld, en door ontkoming aan het Israëlitisme is Faust een mensch van den nieuwen tijd. De tegenstelling, die hier geldt is een andere dan de vaak genoemde tusschen de twee geestelijke standpunten: Israël en Hellas. De Israëliet is vooral zedelijke mensch, doch in dezen bizonderen zin van te staan onder de zedewet, waarbij het schuldgevoel des menschen tegenover de heiligheid Gods de grondtoon der geheele gezindheid bepaalt. Deze mensch weet niet dat in hem een goddelijk licht brandt: hij kent zich als zondaar en ontleent uit een geschreven wetgeving den maatstaf der zelfbeoordeeling. De Helleen daarentegen is aesthetische mensch, die geen onvoorwaardelijkheid kent op zedelijk gebied, geen zedelijk gebod, maar een zedelijke intuïtie; in schoonen arbeid geniet hij het geluk zijns levens.

Deze tegenstelling nu kan niet rechtstreeks op die tusschen oude en nieuwe zedelijkheid worden overgedragen, al is er overeenkomst: de oude (zeventiend' eeuwsche) zedelijkheid is Israëlitisch gestempeld; de nieuwe is aan Hellas verwant doordat zij het recht der vrije persoonlijkheid erkent.

In den oud-Germaanschen vrijheidszin is de nieuwe zedelijkheid voorgeschaduwd. Reeds Parzival, de Germaansche held, wordt uit zijn verwildering gered, doordat "in hem een vaste zin was en onversaagde mannenmoed, die niet gebroken werd door harden druk." Zijn zedelijkheid was de vastberadenheid van een streven, dat de vertwijfeling overwon. Faust is een tweede Parzival, de vernieuwer dezer Germaansche zelfbevrijding. Aan het einde van zijn levensloop wordt over hem gesproken: "wie altijd strevend werkzaam is, dien kunnen wij verlossen" (wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen).

Het onderscheid van oude moraliteit en nieuwe bestaat hierin, dat de oude moraal het zwaartepunt der deugd buiten den mensch legt, de nieuwe moraliteit stelt het in ons; d. i. in de menschelijke persoonlijkheid, genomen in den vollen en diepen zin van dit begrip. De Zeventiende Eeuw is, binnen de nieuwe Geschiedenis gelijk wij zeiden, de vertegenwoordigster der oude zedelijkheid, hoewel juist toen een der groote scheppers der nieuwe leer geleefd heeft: Spinoza. De oude moraal stelt de zedelijkheid in deugden, plichten, werken, die als meer of min afgepaste en aangewezen geestelijke grootheden door een zedelijke wetgeving zijn afgekondigd en gekodificeerd. Dat alle deugden, plichten en werken de openbaring zijn van éen innerlijk levensbeginsel, en dat er dus geen zedelijkheid is dan als een verwerkelijking van dit; dat zedelijkheid de verwerkelijking is van het eeuwige zelf des menschen, vermoedt zij niet. De oude zedelijkheid is gedrag volgens de zedewet, en deze zedewet is een goddelijke _instelling_, geen opwelling uit het menschenhart zelf.

De Zeventiende Eeuw heeft het _mechanisch_ denken tot overwinning gevoerd; zij stelde de mechanika vast als methode der natuurleer, en bestreed de Middeleeuwsche opvatting, volgens welke de natuur met verborgen eigenschappen en geestelijke krachten werkte. Het mechanische denken rekent met uitwendige oorzaken alleen en behandelt alle gebeurtenissen in de natuur als toepassingen van algemeene wetten, die wiskunstig moeten berekend worden. De astronomie is het zuiverste voorbeeld van mechanische natuurwetenschap. Huyghens, Harvey en zoovele natuurkundige ontdekkers der 17de en 18de eeuw hebben door de mechanische methode de natuurwetenschap tot haar hoogte gebracht. De wiskunde is het hart der mechanika en Cartesius had de wiskundige methode van denken ook op de geestelijke wetenschappen van toepassing verklaard. Zoo is dan ook de opvatting dat zedelijkheid een gedrag is volgens de ingestelde zedewet, de vrucht van een mechanisch denken: de zedewet werd evenals de natuurwet geacht door den schepper der wereld te zijn ingesteld. Aan deze voor de levensleer noodlottige opvatting beantwoordde het Calvinisme, deze algemeen geldige geestelijke richting des tijds. Het Calvinisme is een herleving van den Israëlitischen geest in het Christendom, gekeerd tegen de idee der vrije individualiteit volgens Grieksch en tegen die der zelfberaden persoonlijkheid volgens Germaansch begrip. Het Calvinisme immers hield de zedelijkheid voor een gehoorzaming aan een zedewet, van bovenaf aan de menschen gedekreteerd op het ontoegankelijkste rotsgebergte, de Sinai, alsof de zedewet van ergens anders stamde dan van onze menschelijkheid zelf!

De Zeventiende Eeuw is theologisch: het aanvangspunt van denken is er de tegenstelling tusschen God en mensch. Spinoza, die haar niet erkende, werd voor atheïst gescholden. In deze tegenstelling komt de mensch ontledigd tegenover God te staan, waarbij een negatief begrip, het zonde-begrip, het uitgangspunt der levensbeschouwing wordt. Het dwars-verkeerde dezer beschouwing is niet meer goed te maken. Zij berooft den mensch van de waarheid zijns wezens. De heilsleer der Zeventiende Eeuw is hetero-soterisch; d. i. de krachten die het leven tot heil brengen werken van buiten af. Calvinisme, Piëtisme, Lutheranisme zijn in dit opzicht gelijk. Deze hoofdstroomingen der Zeventiend' Eeuwsche levensleer mogen onderling verschillen als meer intellektualistisch of meer empiristisch gekleurd--in de levensleer is aller opvatting op het door ons genoemde punt gelijk. Inzonderheid het Piëtisme, dat aan Lutheranisme en aan Calvinisme de gemoedswarmte gaf en een religieuze ervaringsleer kan heeten, heeft in zijn heilige boek _Bunyans Pilgrims Progress_ een uiting geleverd, die de zedelijk-religieuze opvatting des tijds op het duidelijkst uitsprak. Het Engelsche Piëtisme dat in dit boek tot uiting komt, heet gewoonlijk Methodisme. Bunyans "Christenreize naar de Eeuwigheid" is het Zeventiend' Eeuwsche heilsboek; het heeft zijn verdienste in groote menschenkennis en is _het tegendeel van Faust_. Geen boek ter wereld is zoozeer in tegenspraak met de moderne levensopvatting. De mensch is er ongeniaal, uit zichzelf voelt hij alleen onmacht en ellende. Uit een boek, dat hem van elders in de handen komt, leest hij den beteren levensweg; andere wezens leiden hem; alles komt van buiten behalve de zonde; in zichzelf is hij negatief. Hij is geen persoonlijkheid, hij is alleen maar behoefte. Het Piëtisme is de leer eener reeks van gevoelservaringen, die doorloopen moeten worden, en die niet uiting zijn van eigen geestelijk streven, maar waar de mensch, de lijdelijke, wordt doorheen-geleid. Het geestelijk leven als stroomend uit den eigen innerlijken bronwel en zijn rijkdommen uit zichzelf voortbrengend--dit nieuwer levensbegrip is er onbekend.

Dat zedelijkheid niet is een gehoorzaamheid aan een wil die van buiten af beveelt, maar des menschen eigen aspiratie, wordt door deze oude leer niet bevroed.

Maar ziehier juist de kern der nieuwe levensgedachte. Spinoza reeds had de stelling uitgesproken, dat des menschen "streven om in eigen zijn te volharden" het eenige fondament der deugd is. In deze uitspraak klinken de bazuinen der nieuwe levensleer. De mensch, aan banden eener ingestelde zedewet vastgelegd, zal opnieuw ontwaren, dat zijn eigen wezen de zedewet inhoudt. Dat beteekent: de geestelijke natuur van den mensch zelf is de grond aller deugd, en er is geen andere deugd dan deze: onze geestelijke natuur verwerkelijken; zich-_zelf_-zijn. Voorheen gold de zedewet door bedreiging en belofte, als door dwangmiddelen; des menschen vrijheid beteekende de vrijwilligheid, waarmeê hij dezen band verdroeg of niet verdroeg: nu geldt de gedachte andersom: er is geen ander beginsel van zedelijk leven, dan de idealiteit onzes wezens: de zedewet niet heerschappij voerend over den mensch, maar de mensch als voortbrenger van de zedewet. Deze moraal is die der vrije persoonlijkheid, die de zedewet niet boven zich, maar in zich heeft.

De levensopvatting, hier geldig is niet de mechanische, maar de _organische_. Terwijl de steenen op elkaar gezet worden en uitwendig door de kalk saamgebonden tot een muur, volgens het plan van den metselaar, die ze behandelt--groeit het zaad tot een plant niet door uitwendige toevoeging, maar krachtens een innerlijk beginsel en volgens een wet, die in het leven en den groei des zaads is vervat. Het geestelijk leven als de oprichting van dezen muur te begrijpen is de mechanische opvatting der oude moraliteit: maar dat het zedelijke aan een innerlijke levenswet, veeleer op den groei der plant gelijkt, organisch, is de Negentiend' Eeuwsche gedachte.

Het Nieuwe Testament heeft menige uitspraak in deze richting; de middel-eeuwsche mystieken en Luther hebben dergelijke tonen van hun instrument doen klinken; in geen tijdperk der Christelijke kultuur-geschiedenis heeft de stem der zedelijke vrijheid geheel gezwegen: maar de andere opvatting heeft deze nieuwere telkens overstemd en de "oude" zedelijkheid heeft zich als de kettermeester der nieuwe gedragen.

Goethe's Faust vertoont deze levensleer op de meest klare wijze in het dichterlijke beeld. De Faust is een kultuurboek, waarin niet slechts de geest van Goethe, maar vooral de geest der aangevangen Negentiende Eeuw zich spiegelt.

De dichter van Faust heeft den overgang tot den nieuwen tijd in zich meegeleefd en de groote revolutie gadegeslagen. Nu is zijn gedicht breed geworden, encyclopaedisch van opzet, daar het den nieuwen mensch vertoont in zijn zedelijk streven en dit streven naar alle zijden ontwikkelt: de nieuwe zedelijkheid heeft haar verhouding tot staat en maatschappij, kunst, natuur en godsdienst.

3. Het besluit tot daden.

"In den beginne was de Daad", zoo heeft reeds in zijn studeercel Faust gefilosofeerd. Er staat geschreven: "in den beginne was het Woord", maar het woord kon hij zoo hoogelijk niet vereeren; evenmin de rede, ook niet de kracht.

Het zedelijk streven, waarin hij Mefisto zal te boven komen, zal voor Faust bestaan in het uitoefenen van de levende daad.

In het eerste Faust-gedicht overheerscht de negatie, Mefistofeles. Faust wordt er door Mefisto geleid en geeft zich aan zijn inspraken over; alleenlijk bewaart hij zichzelf tegen dien leidsman, zoodat hij nooit ten onder gaat. Zijn leven is nog bewogen door den levensnood; de passie overheerscht, de levensgang is verwilderd. Dit is de noodwendige aanvang van elk zedelijk leven: het leven begint in laagtestand en gaat door het heilsgemis naar het heilsbezit, evenals in Carlyle's Sartor Resartus Professor Teufelsdrökh door het Everlasting No heen moet om het Everlasting Yea te bereiken. Maar hiermee is het leven niet verloren: zijn de negatieve wateren doorkliefd, dan komt het schip in positieven stroom. Mefisto heeft zich aan Faust onmachtig gemaakt, doordat Faust in de volgzaamheid aan zijn leidsman, zichzelf tegen hem heeft vastgehouden, de weddenschap op geene wijze verliezende.

Eindelijk is het positief beginsel in Fausts natuur voldoende tot eigen kracht van daden gerijpt, zoodat Mefisto niet meer den weg behoeft aan te wijzen, doch alleen als Faust's dienaar kan blijven geduld. In het tweede poëem is Faust zijn eigen meester en betreedt door eigen streven den weg van het levensheil.

Faust's moraliteit is dus: zichzelf te zijn, en het aktueel beginsel van zijn streven is het _besluit tot de levende daad_. De daad is uiting der inwendige aktiviteit; in haar betoont de mensch zichzelf; zij is niet wat de oude moraliteit bedoelt: een gedraging of werk volgens de zedewet; geen "werk der dankbaarheid" of wat ook, waarbij een handeling uitgevoerd wordt, die reeds tevoren was voorgeschreven in een kodex van deugdwerken; neen maar de daad als _getuigenis_. De daden waartoe Faust besluit, zijn pure uitingen van inwendigen drang; zij zijn niet te voren bij eenige zedelijke wetgeving bepaald; zij zijn de betooningen van den zedelijken mensch die zijn moreele persoonlijkheid doet gelden: "dit aardegebied verschaft nog ruimte tot groote daden; tot het doen van koene en verbazingwekkende werken voel ik de kracht."

Misschien acht menigeen zulke ideëele moraliteit geen degelijke zedelijkheid te zijn. Het schijnt of het Faust-poëem het lied is van den aesthetischen mensch Goethe, die zichzelf bezingt. Men wil een meer geëikte deugd. Het besluit tot daden, niet eens tot bepaalde en als zedelijk goed voorgeschrevene, maar het besluit tot _zelf-uiting in de daad_ schijnt den menschen, die aan konventioneeler deugd gewend zijn, nevelig en onbestemd. Zij begrijpen niet dat er geen vruchten zijn dan uit de groeikracht van den boom en dat er evenmin deugden, plichten, werken, zedelijke handelingen zijn dan als levensopwelling van een menschenhart zelf. Er is misschien voor een dogmatisch verstand geen houvast aan een zedelijkheid, die van binnen stamt, gelijk er een zeer gemakkelijk houvast is aan zedelijkheid, die een bestaande wetgeving opvolgt. De Muzelman heeft aan zijn trias van aalmoes doen, bidden, vasten, een algemeen begrijpelijker deugdsysteem, dan de Germaansche strever aan zijn besluit tot de loutere daad. Dit verhindert niet dat de zedelijkheid in laatstgenoemden vorm de ware is.

Aan Faust's besluit tot daad (het positief moreel princiep) gaat vooraf het _berouw_. Het berouw is de reaktie na het verblijf in de wildernis. Als de negatie is doorgemaakt, blijft een nijpend gevoel van leegheid over; de mensch beseft de laagte, waarin hij heeft geleefd en klaagt zichzelf aan om zijn verblindheid. Deze negatieve moraliteit volgt op het negatieve levensgedrag en is de weerslag op Mefistofeles' leiding, de terugschrik na de zelfherkenning. Het Piëtisme zou dit zedelijk moment, het berouw van Faust, hebben doen aanzwellen tot hoofdbelang; in litteratuur kon het in 't breede geëxploiteerd worden als tijdperk van zelfverwijt en zelfontreddering; de Zeventiend' Eeuwsche moraal althans had met voorliefde op deze negatieve zijde van het zedelijk leven de schrilste lichten geworpen--Goethe is te zeer menschkundig om het berouw te ontkennen in zijn heilzame werking, te schoon van geest, dan dat hij er zwaarder gewicht aan gaf dan als overgang uit lager tot hooger levensstand. Het berouw van Faust wordt ondervonden in de diepte van het naar binnen gekeerde bewustzijn, aanvaard als krisis des inwendigen levens. Zoo volstaat Goethe ook met een fijnvoelige vingerwijzing, die den begrijpers genoeg is: in den aanvang van het tweede Deel spreekt Ariël tot de geesten: "brengt den grimmigen strijd zijns harten tot rust, verwijdert de scherpe pijlen van zijn zelfverwijt; en reinigt zijn innerlijk van doorleefden schrik." Hier is het geestelijk herstel van Faust geteekend. En als hiermee de negatieve faze zijns levens (de wildernis) voorbij is, zie! daar ontwaakt "een krachtig besluit om volhardend naar den hoogsten levensstaat te streven."

4. De klassieke beschaving als leerschool.--geestelijke vorming.--de idee der schoonheid.

Faust heeft dan besloten tot de zedelijke daad, d. i. tot de betooning zijns innerlijken wezens. En waarin deze ook besta--een streven rechtstreeks naar het absolute, gelijk hem eenmaal vervulde, is niet meer te wachten: hij getuigt dat het geestenlicht hem heeft verblind, en roept nu uit: "den waterval, die het rotsrif doorbruist, beschouw ik met toenemende vreugd; in duizend en meer dan duizend stroomen giet hij zich uit al nederstortende, zijn schuim in de lucht spattend. Die spiegelt het menschelijke streven af; overpeins hem en begrijp dat wij het leven hebben in den kleurigen weerglans der zon." De waterval werpt zich in de aardsche wereld, en weerkaatst in zijn stralen het zonlicht, zonder het licht te gemoet te streven: zoo zal Faust doen; hij zal zijn drang naar het absolute verwerkelijken in de lichtende daden van zijn hart. Ziehier zijn weg.

Faust zoekt op dien weg te komen; maar hoe? Wij vinden hem aan het keizerlijk hof genoodigd wegens den roem zijner geleerdheid. Het keizerlijk aanzoek heeft hij opgevolgd in de hoop aldaar gelegenheid te vinden tot heilzame daden. Maar het is niet in deze omgeving dat hij slagen zal. De toestand van het Keizerrijk is verre van fraai; uiterlijk vol glans is het rijk innerlijk krachteloos en vervallen; de keizer zelf leeft voor het genot in de grootste verkwisting en de schatkist is tot den bodem geleegd.