Goethe's Faust

Chapter 3

Chapter 33,693 wordsPublic domain

Maar toch blijft de tegenstelling bestaan en zoo ons eeuwige wezen zich bedreigd weet door de Mefistofelische verleiding, rijst het op en keert zich tegen Mefistofeles en zijn arglistige ontkenning, ja keert zich tegen alle zinnelijke voldaanheid, als waarin zich Mefistofeles met de bedoeling om het oneindige te belagen, vermomd heeft. De Indische leer der begoocheling, die de geheele zichtbare wereld als onware schijnwerkelijkheid verwerpt; de Neo-platonische leer, dat de ziel zich in deze wereld bevindt als in een gevangenschap; het christelijke ascetisme, dat alle zingenot verwerpt; de mystische versmachting van een heilige Theresia; het oneindigheidsverlangen der duitsche Romantiek en niet het minst de wijsgeerige benadering van het Absolute, waarbij de menschegeest zich van de eindigheid der ervaarbare wereld bevrijdt--zij alle zijn de poging van den oneindigheidsdrang om de aardsche begrenzing omver te stooten. Zij zijn een tebovenstijging boven de aardsche voldaanheid, door Mefistofeles aangepraat en waarmeê hij ons innerlijke wezen verstoren wil. De hooggestegen geesteskracht getuigt alsdan tegen maatschappij, bestaanden godsdienstvorm, overlevering, zede, instelling, kerk, eigendom, huisgezin, zinnenschoon. Alle voorwaarden der gewone levensvreugd moeten het ontgelden, omdat Mefistofeles zich in hen heeft vermomd als vijand onzer oneindigheid. De oneindigheidsdrang zegeviert; verscheurt de begoocheling, bevrijdt de ziel en verzaakt de wereld, met alle historisch gegroeide en betrekkelijke werkelijkheid in botsing. Het absolute bevestigt zich door het nietige en betrekkelijke te verstoren. Zoo overwint de oneindigheid in ons den Mefistofeles.

Maar voorloopig is de verhouding nog andersom en kant zich Mefisto met verstorende bedoeling tegen Faust, Meesterlijk hanteert hij de ironie, dit ideëele middel om de waarheid omver te loopen; de ironie rukt alles uit zijn hooge verband en brengt het verhevene tot het alledaagsche terug. Zij is het vuur van den wereldbrand, de verwoestende vlam, dienaresse van het Niet. Mefisto zegt, na zijn uitspraak dat uit alle wereldelementen het leven ontspringt: "had ik mij niet de vlam voorbehouden, er ware niets eigens voor mij overgebleven." Dat echter de ironie wondt, maar niet kan dooden wat leeft, dat zij geen macht is, maar een onmacht, is niet aan Mefistofeles, maar wel aan Faust bekend. Op juiste wijze karakteriseert Faust het vergeefsche werk van zijn tegenstander: "Zoo heft gij tegen de eeuwig werkzame heilzaam-scheppende macht de koude duivelsvuist op, die gij boosaardig balt, doch vergeefs".

4. De weddenschap van Faust en Mefistofeles.

Maar Faust zal eerst gaan op den weg van Mefistofeles, alvorens hij zijn tegenstander overwint. Hij die in het zoeken naar de absolute kennis is teleurgesteld en geschokt is in het bewustzijn van zijn oneindige menschewaarde, is te meer vatbaar voor de Mefistofelische verleiding. Mefisto acht dat Faust op dit oogenblik gaarne een weinig zinnenroes als surrogaat voor zijn oneindigheidsverlangen zal aanvaarden en dat dan de oneindigheidsdrang wel bezwijken zal. Inderdaad is Faust, ook al zal hij met Mefisto meegaan, zich van de onverstoorbaarheid zijner hoogere natuur bewust, zooals in den proloog verklaard werd: een goede mensch is in het duistere gedrang toch zich van den rechten weg bewust. Nooit zal Faust bevredigd bij den zinnenlust, die de negatie zijns wezens is, verwijlen. Nooit zal hij de oneindigheid vergeten. Werd hij inderdaad bevredigd, dan zou hij verzinken in de macht van het onwezen, dat tot hem sprak: al wat ontstaat is waard om te gronde te gaan.

Hier ligt de beteekenis der weddenschap tusschen Faust en Mefisto. Uit Mefisto's oogpunt schijnt het mogelijk den levensdrang van Faust in de ontkenning te doen ondergaan. Immers zoodra hij met bevrediging in het betrekkelijke en in den zinnenlust verwijlt, doet Faust afstand van zijn ware menschelijkheid. Mefisto, de negatieve, acht dit mogelijk, daar hij den inhoud van het menschelijk wezen niet begrijpt. Indien maar Faust's geest zich een weinig beperken wil, meent hij, is het geen reuzenwerk hem te voeren tot die zelfvoldaanheid waarmee hij ten ondergaat. Met verleidende woorden poogt Mefisto den oneindigen drang te binden. "Wat gij wilt, zoo spreekt hij tot Faust, het al-tegelijk, dat is slechts voor een God gemaakt. Gij zijt tenslotte.... wat gij zijt, ook al zet ge u een pruik van millioen lokken op het hoofd en zet uw voet op hakken van meters hoog."

Faust daarentegen ontkent bij zichzelf de mogelijkheid van vernietiging; hij weet dat de oceaan niet in een drinkbeker kan geledigd worden en dat het oneindige bewustzijn niet bevredigd wordt in een oogenblik van zinnenlust. Daarom durft hij zonder aarzeling de weddenschap met Mefisto aan: "wanneer ik ooit bevredigd mij op het bed der traagheid neerleg, zoo zij het met mij gedaan; kunt gij mij door vleierij beliegen en mij bedriegen door het genot, zoodat ik mijzelf behaag, dan zij mijn laatste dag aangebroken. Wanneer ik tot het oogenblik zeg: blijf, want gij waart schoon genoeg, sla mij dan in boeien, want dan mag ik te gronde gaan. Deze weddenschap ga ik aan met u!"

De zinnelijkheid, eensdeels het uitingsmiddel onzer geestelijke natuur, is anderzijds een ontkenning onzer hoogste waarde. De mensch als geestelijk wezen is zich van de ontoereikendheid en onmacht der zinnelijke natuur bewust. Krachtens dit hooge besef durft Faust de weddenschap met Mefistofeles aan.

III FAUST IN DE WILDERNIS

1. Zelfverlies in den zinnenlust

Faust heeft door zijn klacht om het hoogere weten het geloof betoond aan zijn oneindige wezenheid. En toen zelfs de magie hem niet tot het inzicht der waarheid leidde, heeft hij waarheid gezocht bij den dood. Faust wil sterven opdat de dood hem wijs make: hij wil dat duister ingaan, dat bij het binnendringen misschien zich als het geopenbaarde geheim onthullen zal. Door den dood heen grijpen naar het absolute. Vandaar dat hij plotseling in jubel uitbreekt: de aardgeest heeft hem verbijsterd, maar desniettegenstaande heeft hij zelf den weg der waarheid gevonden. En waarlijk niet in wanhoop, maar in den triomf begroet hij den giftbeker: "ik groet u gij kristallen schaal, die ik nu met eerbied aanvat; in u vereer ik menschelijk vernuft en kunst. Gij samenvatting der zoete sluimersappen, uittreksel aller doodelijke krachten, bewijs thans uw gunst aan den meester! Ik zie u, de smart verzacht; ik vat u aan: ik voel mijn jacht verminderen; de vloed des geestes gaat over in eb en wijst mij naar de volle zee henen; het spiegelende water glanst aan mijne voeten en tot nieuwe oevers lokt een nieuwe dag.... bereid gevoel ik mij op nieuwe baan het luchtruim te doordringen naar sferen van nieuwe werkzaamheid. O hooge leven, o godenweelde! Te voren nog een worm en nu reeds verdien ik deze. Keer vastbesloten den rug toe aan de aardsche zon; vermeet u slechts de poort te openen langs welke ieder mensch het liefst voorbijsluipt! Hier is het oogenblik gekomen om door daden te bewijzen, dat mannenwaarde niet voor godenhoogte terugwijkt!"

Nochtans bezwijkt dit doodsenthousiasme voor den zang des levens, die stroomend van de Paaschklokken in Faust's studeercel binnendringt. De weg door den dood tot het mysterie is op eens versperd. Een andere weg moet zich openen. Deze ligt van de studeercel in de _menschelijke samenleving_. De oneindige drang, welke Faust's natuur is, zal hier niet ondergaan, slechts anders gericht worden. In het leven waar hij nu ingaat, geldt zijn weddenschap met Mefistofeles.

In de menschenwereld, waarin Faust door Mefisto geleid wordt, had zijn oneindigheidsdrang zich kunnen voordoen als een Napoleontische heerschzucht of als de zucht naar apotheose, zooals der Romeinsche Caesaren; zelfs had hij naar het wonderbaarlijke kunnen streven gelijk Apollonius en Cagliostro. Immers op deze wijze kon Mefisto gepoogd hebben aan zijn hevige verlangen te gemoet te komen. Maar de oneindigheidsdrang onder Mefisto's leiding openbaart zich in een _onstuimige zinnelijkheid_: "de draad van het denken is doorgebroken; van alle wetenschap walg ik: laat ons in de diepte der zinlijkheid gloeiende hartstochten stillen! Storten wij ons in den roes des tijds en in de wenteling der gebeurtenissen!" Meen echter niet dat Faust in deze razernij een voldoening zoekt en zich aan Mefistofeles zal gevangen geven. Veeleer zal hij als een stormwind alle geluk en geluksvoorwerp uiteen blazen en eerste stort hij zich in het niets dan zich te vleien met begoocheling. Vandaar ook zijn schrikwekkend woord: "ik vervloek alles wat de ziel omspant met lokwerk van begoocheling! vervloekt zij de hooge illusie van den menschelijken geest, vervloekt de verblindende schijn; vervloekt de bedriegelijke droom van roem en bezit, van vrouw en kind en knecht en heer; vervloekt het balsemsap der druiven en vervloekt de zaligheid der min; vloek over de hoop en over het geloof en vloek voor alles over het geduld!"

De zinnenbegeerte van Faust is geheel anders dan Mefistofeles bedoelt. Zij stamt uit den oneindigen drang naar zielsverzadiging en kenmerkt zich door voorbijstreving van haar doel. Zij wil niet genieten, maar zich verliezen. Tevoren was Faust's leven ontbering; nu wil hij niet-ontberen en zijn geweldig streven tot het uiterste der gevoels-spanning voortzetten en in zielsverrukking sterven. "Zalig wien de dood in den glans der overwinning de bloedige lauwers om de slapen windt; zalig wien hij na de razernij van den dans in de armen van een meisje aantreft." Of anders verkiest hij een snerpende ontgoocheling, die met zijn geestesaard beter overeenstemt dan de voldoening welke Mefisto belooft: "Hebt gij spijs die niet verzadigt, rood goud dat als kwikzilver mij in de hand ontloopt; een spel waarbij men nimmer wint; een meisje dat aan mijn borst gelegen, zich reeds met het wenken der oogen aan mijn nabuur verbindt; de godenlust der eer die als een meteoor verdwijnt--geef ze mij! Toon mij de vrucht die verrot eer men haar plukt!" Faust wijdt zich aan de dronkenheid en het genot dat met smarten zegent, aan den haat der liefde, aan het verdriet, dat de ziel verkwikt. Voor geen smart gesloten, wil hij genieten wat toebedeeld is aan de gansche menschheid, haar vreugd èn jammer; zijn eigen zelf tot het zelf der menschheid verbreeden, en met haar wil hij ten onder gaan.

Ziehier de zinnenbegeerte van dezen titanischen mensch. Het is geen genot dat hij zoekt. "Gij hoort toch: om vreugd is het mij niet te doen." Het is zelf-verlies; gelijk hij door een teug uit den giftbeker zichzelven gewelddadig wou inslingeren in het mysterie des doods, zoo werpt hij zich thans in de zinnelijkheid met de onstuimigheid van zijn rusteloos gemoed. Hoe zou het mogelijk zijn dat Mefistofeles dezen stormenman in zijne bedwelming ving! Onder de leiding echter van zijn verstorende macht is het voor Faust niet anders mogelijk dan te vertoeven in een wildernis.

Het omslaan uit den weetdrang naar den zinnenlust heeft vele lezers van Goethe's gedicht verwonderd; het kwam hun voor dat de Faust van den eersten monoloog, de uitspreker van de klacht, èn de Faust, die Gretchen verleidt niet meer gemeen hebben dan den naam, en dat wij in waarheid een geheel ander karakter voor oogen hebben hier en daar. Bij deze beoordeeling vergeet men echter dat de Faust geen psychologisch persoonsdrama is, gelijk in de school der Fransche klassieke gegeven werd; maar een symbolisch gedicht. Racine had zeker van den Faust niets begrepen en hem uit een oogpunt van dramatische kompositie dubbel en dwars afgekeurd. De eenheid van gedrag des hoofdpersoons is ver te zoeken. Faust is geen bepaalde persoon; maar hij is de _mensch_ en de mensch in verscheidene fasen van het oneindigheidsbewustzijn; de tafereelen van het dichtstuk hangen niet samen als voorvallen uit het leven eener bepaalde menschenfiguur. Het geestelijk leven kan zich verjeugdigen. Het kan zijn dat een grijsaard voller idealist is dan een jonkman, die zijn levenslust verloor; men kan eerst oud zijn naar den geest en daarna jong. Zoo verschijnt Faust in het begin als bejaard man en in de Gretchen-episode als een jeugdig kavalier. Hier zijn geestelijke fasen in beeld gebracht. De verjongingsdrank, dien de dichter aan zijn held in de heksenkeuken te genieten geeft, is niet anders dan de aanwijzing van overgang tot nieuwe geestesfase. Moge hierdoor het Faust-drama een onwaarschijnlijkheid hebben en verwarring stichten voor een uitwendigen verstaander, de inwendige toedracht is zoo geheel waar en de inwendige eenheid des poeëems zoo onbestrijdbaar, dat de verbazing over verschillende gestalten van Faust allen grond verliest.

2. De onmacht van Mefistofeles (Faust in Mefisto's leiding)

De wildernis waarin Mefistofeles Faust vergezelt heeft verschillende gebieden; Faust vertoeft tusschen de drinkende boeren in Auerbachs wijnkelder, bezoekt de heksenkeuken, verwijlt in de zoete vreugde van Gretchens liefde en komt te gast met de heksen in Walpurgisnacht. Alleenlijk het verkeer met Gretchen oefent een schoone verleiding uit en daarin schijnt het soms als zal Faust de weddenschap verliezen door tot het oogenblik te zeggen: houd stand, want gij zijt schoon genoeg. Voor Gretchen misschien zal hij den oneindigheidsdrang verloochenen. Is zij niet het toonbeeld der lieve onschuld van het aardsche geluk? In haar is de wereld op haar schoonst, gelijk in den bloei der vruchtboomen op een zonnigen Meimorgen. Zoo er onbetwist geluk is en zijn mag, en zoo wij met de wereld en het leven ons verzoenen, en de vraag naar het oneindige met reden tot zwijgen gebracht wordt--het is bij de aanschouwing eener zoo landelijke en vredige lieflijkheid, als wij in hare verschijning belichaamd zien.

Maar ach, nu Faust's oneindigheidsdrang in Mefistofeles' leiding tot een verstorend geweld werd en nu zijn begeerte zoo hevig brandt als te voren zijn drang naar kennis, nu kan het niet anders of het geheele geluk van Faust en van Gretchen moet als tot een wildernis vergaan.

Het meisje, wier leven door den storm van Faust's hartstocht verwoest wordt, staat niet als een vreemdeling buiten Faust, maar houdt verband met de aardsch-nederige en tevredene zijde van Faust's eigen karakter. Het levensproces eens menschen is een proces in de ziel en de dichter stelt het in beelden voor en laat het dus buiten den mensch voorvallen. Maar in deze beelden ligt de aanduiding van de worstelingen des karakters. Faust's karakter heeft de lieflijke, humane zijde evenzeer als de titanische, maar zij is geen hoofdeigenschap en zal dus door den oneindigen drang worden aangestormd. De behoefte aan levensgeluk is hem gelijk allen menschen eigen. Hoe vrij heeft hij geademd in de voorjaarsnatuur van den Paaschmorgen, terwijl de vroolijke menigte de wegen vult. Te midden van deze heeft hij zich mensch gevoeld en zijn recht op het leven erkend. In de liefde voor Gretchen eindelijk werden de teerste snaren van het menschelijk gemoed aangeslagen. Het konflikt tusschen den oneindigen drang en den aardschen vrede, is een konflikt, waarmede wel de bestaande orde der maatschappij wordt aangetast, maar dat ten slotte in de ziel van dien titanischen mensch zelf wordt uitgestreden. De woede der titanische zinnelijkheid komt aldus Faust, in het beeld van Gretchen, op een ondergang van alle aardsche vreugd te staan; hij verstoort zijn aardsche bestaan door den drang der oneindigheid en eindigt hier met nog heviger klacht, dan welke hij ophief na de verschijning van den aardgeest; een klacht welke ditmaal een aanklacht is tegen de macht der verstoring: "Hond, afschuwelijk ondier, word o slang veranderd in de hondgestalte waarin gij mij verscheent; verander in uw lievelingsbeeld en kruip op den buik in het stof, en ik trap u met den voet, verworpeling. Ellende, door geen menschenziel te vatten, dat meer dan éen ziel in de diepte van zulken jammer verzinken moest...." "O ware ik nimmer geboren."

Het einde van dezen weg in de wildernis van het leven bereikt Faust in zijn wilden dans met de heksen op den Blocksberg in Walpurgisnacht. Alleenlijk deze fantastische spookwereld blijft nog over, nu Faust in Gretchens omgang het verlangde oogenblik der voldaanheid niet heeft beleefd. Mefisto zal hier hem tot het laagste punt des levens heenvoeren. Mogelijk dat het walgelijke aan zijn titanischen drang voldoet, nu hij het bekoorlijke verwierp. Aan den heksendans is tenminste een diabolisch genot te beleven, en daar niets anders overblijft zal misschien Faust zich hier gewonnen geven. Bereidwillig laat hij zich meevoeren. Door een dwaallicht geleid, schrijden Faust en Mefisto de tooversfeer binnen, de rotsen hebben menschen-neuzen, spookvogel, kievit en ekster zijn wakker gebleven en de hagedissen kruipen met de muizen door het struikenbosch, terwijl boomwortels uit den bodem steken en glimwormen een verwarrend geleide geven. Onderwijl draait het geheele landschap en is het alsof rots en boomen gezichten trekken; vuurgloed en lichtstrepen maken de wereld geheimzinnig; vonken storten zich uit als fonteinstralen en de geheele rotswand is verlicht. Onderwijl steekt de storm op en schudden de denneboomen, wier takken afbreken al krakend; gegier, gesis en geraas doorblaast de lucht en langs den geheelen berg stroomt woedend een tooverzang. Een menigte van heksen nadert door de lucht varende, zoodat Mefisto voor Faust ruimte moet maken opdat hij niet worde omvergeworpen. Zij wijken ter zijde en terwijl bij uitgegloeide kolen een klein gezelschap van oude heeren zitten, vinden zij weldra twee heksen, een oude en een jonge; en terwijl Mefisto de oude grijpt voor den dans dwingt hij Faust om met de jonge om te springen.

Dit oogenblik is het dieptepunt der leidingen van Mefistofeles. Hij meene echter niet, dat de Faustische geest hier iets anders zal beseffen dan afkeer. Reeds zoovele malen is Mefisto's onmacht gebleken om Faust te verderven. Elke periode zijner werking eindigt met een zelfbevrijding. In den wijnkelder van Auerbach, heeft Faust het gansche schouwspel met onverschilligheid bijgewoond, en wanneer ten slotte de lustige drinkers uitroepen "wij voelen ons heelemaal kanibalisch lekker gelijk aan vijfhonderd varkens" heeft hij nog slechts éen wensch te uiten: ik verlang nu heen te gaan. In de heksenkeuken wordt Faust geboeid door het in den spiegel aanschouwde beeld van Helena: een nieuw verlangen wordt in hem levend, maar voor het overige vindt hij in al het gedoe dezer onsympathieke wezens niets dan smakeloos bedrog. Daarop volgt de Gretchen-episode. Ongekende gevoelens van teedere bekoring stillen de machtige levensdorst van Faust; en misschien zou hij hier het gevaarlijk oogenblik bereiken, zoo niet een geheimzinnige aantrekkingskracht hem uit de oase naar de woestijn terugtrok. Deze vreugde moet eindigen in wanhoop; ook terwijl Gretchen zijn gemoed en zinnen bevredigt, verkeert Faust in de wildernis, die weldra zich in groot onheil openbaren zal. De scala der aandoeningen van Gretchens gemoed teekent deze afzinking naar het jammer, waarin Faust aan Mefisto ontkomt; terwijl de genotsbevrediging hem aan Mefisto zou hebben overgeleverd. Bezorgdheid is de grondtoon van haar liefde, sedert haar ontboezeming "mijn rust is henen, mijn hart is bezwaard" en het klagende lied voor het beeld der Mater Dolorosa is zóo van leed vervuld, dat wij hier het ergste voorzien: "help en red mij van smaad en dood! ach buig gij smartenrijke genadig uw aangezicht tot mijn ellende neer!" Het leed van Gretchen zal het leed van Faust blijken; het is niet anders dan de afspiegeling van zijn titanische natuur, die alle aardsche verhoudingen verbreekt en wiens geluk vanzelf in ongeluk omslaat. Wanneer dan Gretchens broeder Valentin in een tweegevecht met Faust is omgekomen, nadat ook haar moeder, niet zonder schuld der gelieven, gestorven is en bij den lijkdienst in de domkerk het dreunend orgel den donkeren choorzang begeleidt, den zang van het goddelijk oordeel--dan is niets meer te wachten van levenslust of liefdevreugd en aan Mefistofeles zal zeker de macht over Faust ontgaan: in déze wildernis des gemoeds weet geen Mefisto den weg.

Maar nu de Walpurgisnacht op den Blocksberg: terwijl Faust zijn tijdelijke laagten doorwaadt in vergetelheid van Gretchens liefde en haar ongeluk, wordt hij plotseling door de gedachte aan haar opgeschrikt. Weelde en wanhoop doorkruisen zijn gemoed en terwijl hij van de bepeinzing niet scheiden kan doorflikkert de gedachte aan dood en straf zijn overdenking. "Een in lange niet gevoelde afschuw, de gansche ellende der menschheid grijpt mij aan. Hier toeft zij achter vochtige muren", roept hij uit, staande voor de gevangenis, waarin zij om den in waanzin gepleegden moord op haar kind geworpen is; "haar misdaad was het verkeeren in zoeten waan. Gij aarzelt tot haar te gaan? Gij vreest haar weder te zien! Voort! uw talmen brengt haar dood naderbij!"

Zoo verscheurt Faust het net dat Mefisto over hem heenwerpt. Het woord uit den proloog in den hemel wordt bewaarheid: de goede mensch blijft in het duister gedrang zich van den rechten weg bewust. Bij alle omdwaling in de wildernis blijft Faust de ware richting des levens beseffen en zijn verheven menschelijkheid gaat niet ten onder.

IV DE WEG VAN FAUST

1. De nacht van uitrusten voor den nieuwen morgen

Zoo Goethe aan zijn Faust-drama den ondertitel "een tragedie" heeft toegevoegd, is deze benaming toch niet in eigenlijken zin aangewend. De onmogelijkheid om dit gedicht bij een der bestaande dichtsoorten in te deelen, verontschuldigt de halftoepasselijke aanwijzing. In een tragedie traden van oudsher figuren op van grootscher bouw dan die van het dagelijksch leven; de beweegkrachten en ondervindingen waren eer heroisch dan gewoon en het levenslot dier "helden" was het lot der enkelen die naar het uiterste streefden. In zoover kan Faust een tragische figuur heeten. Maar in de tragedie is de held tot den ondergang geroepen: zijn grootsche aanleg, grootsch in deugd of ondeugd, bestemt hem tot een lijden, dat zich niet meer te zijnen gunste wenden laat. Van den beginne af hangt over zijn leven het noodlot. In dit opzicht waarin juist het tragische der tragedie bestaat, kon het Faust-drama niet bij deze dichtsoort worden gerekend; wat niet voor den tragischen lijder, maar wel voor Faust bestaat is: de weg der ontkoming aan de wildernis. Evenmin als om de helsche ondervindingen van Dante de Divina Commedia een tragedie is, evenmin is Faust zulks om het eerste deel des gedichts; en het tweede deel, dat "den weg van Faust" bezingt, is niet maar een toevoegsel, waarin de oorspronkelijke opzet van het poeem verloochend wordt, maar een van den aanvang af bedoelde voortzetting en de uitwerking der grondgedachte waarmee het gedicht opent: een goed mensch blijft in het duister gedrang zich van den rechten weg bewust. De kontinuïteit der beide gedeelten is onmiskenbaar.

Toch is het verschil tusschen den tweeden Faust en den eerste op vele manieren groot: een andere toon wordt vernomen, een andere omgeving geschapen, andere figuren treden op. Een veel meer bedachte kompositie, een verstandelijker konstruktie kenmerkt het tweede gedeelte tegenover het eerste. Terwijl de eerste Faust den indruk maakt van een gedicht uit des levens bloeitijd, schijnt de tweede een gedicht van den ouderdom. Is het ook niet begrijpelijk, dat ouder wijsheid den _weg_ vindt, terwijl de jeugd avontuurt in de _wildernis_? Faust II heeft kunstmatigheid waar het eerste gedicht vrijheid heeft.