Goethe's Faust

Chapter 2

Chapter 23,752 wordsPublic domain

Gij weet wat het is.... magie? Zij is niet hetzelfde als de mythologische fantasie en wanneer misschien aan den Faustischen mensch de dichterlijke en mythologische fantasie een oogenblik het brein doorkruist, dan wijst hij haar toch af voor die andere: de _magische_, zooveel zinvoller dan haar zuster. De mythologische fantasie zingt, maar de magische fluistert; de dichterlijke fantasie speelt, maar de magische werkt. Zij verheft zich, belooft, bezweert en dreigt. Zij is vol angst en vol belofte, geheimzinnig als de slaap en majestueus als de dood.

Verzeker dat de aantrekkingskracht liefde is, en noem de electriciteit ijver; blijf niet bij deze verklaringen in het algemeen, maar vat alle natuurwerking op als streven van geestelijke oer-wezens. Zeg dat de liefde een liefde is van elementen-geesten en dat een geheimzinnig huwelijk de tegengestelde krachten verbindt.... Zeg deze inzichten tot uzelf in het half-duister van den maannacht, in uw studeercel. Zeg ze tot uzelf, o Faust, te midden der oude perkamenten, retorten en instrumenten, terwijl ge onrustig in vergeten geschriften bladert.... en bevind dan de uitwerking uwer gedachten, terwijl de smeulende lamp knettert en de nachtwind door het geopende hooge venster steunt. Om u heen bewegen de ritselingen van opgeroepen geesten.

Het is de Neo-Platonische en -Pythagoreische mystiek, die aldus het geheim der natuur wilde lezen. In de eerste eeuwen onzer jaartelling, toen de menschelijke gedachte een bewegelijkheid had als nooit tevoren en op alle wegen uitging om waarheid te zoeken, vond ook de magie grooten aanhang. Jamblichus (± 300) had een beroemden naam als filosoof, maar ook als wonderdoener en bezweerder der geesten en van hem vertelde men, dat hij Eros en Anteros, geesten van liefde en wederliefde, in levende gestalten uit twee bronnen van zijn syrisch vaderland te voorschijn riep. In den tijd der Renaissance, toen het kerkelijk systeem was losgemaakt en het denken ongehinderd op vrije wegen ging, was ook aanstonds de geesten-theorie gevonden als middel tot doorgronding van het bestaande. Heel de natuur is een werk van geestelijke machten welke men kan leeren kennen en op welke men kan invloed oefenen door de magie. De naam Paracelsus zegt genoeg: maar er is een andere naam, die in verband met Faust meer zegt: Agrippa von Nettesheim († 1535), want deze man is niet slechts een belijder der natuurmystiek, maar is ertoe gekomen langs den weg van Faust. En terwijl zijn eene geschrift den titel draagt: "over de onzekerheid en ijdelheid der wetenschappen" heet het andere "okkulte filosofie"; de weg dóór het verstand tot de klacht "ik zie dat ik niets weet" en vàn de klacht tot de fantasie.

Nu is voor Faust de wereld veranderd en de kennis geen herleiding meer tot het Onbegrepene. Ons eigen streven begrijpen wij: tenminste is het feit onzer eigen strevende natuur ons zóó vertrouwd, dat wij hier geen geheimenis achter zoeken, dan welke wij rechtstreeks verstaan. Hetgeen aan ons streven verwant is en tot vorm van streven kan herleid worden, achten wij ook begrijpelijk. Welke nieuwe zienswijs, wanneer op eens de geheele natuur met haar werkingen wordt voorgesteld als aan ons streven verwant!

"Wanneer de natuur u onderwijst, dan gaat de zielenkracht voor u open en verstaat ge hoe de eene geest tot den andere spreekt"; "de geestenwereld is niet toegesloten; uw verstand is toe en dood uw hart. Rijs op leerling! En baad onbezwaard uw aardsche borst in het geestes-morgenrood." Bij de aanschouwing der magische teekens, waardoor de beschouwer in rechtstreeksche aanraking komt met de aangeduide geestelijke kracht, vloeit zaligheid door alle zintuigen, een jong en vernieuwd levensgeluk stroomt nieuwgloeiend door Faust's zenuwen. Is het een God die in het magisch teeken die macht heeft neergelegd? Is hij, Faust, zelf een godheid? Hem wordt het tot licht van binnen en de werkende natuur ligt voor zijn ziel geopend!

4. Faust's klacht herhaald (verschijning van den Aardegeest).

Deze toenadering tot het wezen der natuur, en waarbij de magiër niet slechts de natuur bedoelt, maar het hart der wereld en der werkelijkheid zelve, heeft het kenmerk der voorbarigheid. Wat Faust van het daglicht der wetenschap verzekert, kan ook van het nachtlicht der magie gelden: "De geheimenvolle natuur laat in het licht des daags zich van haar sluier niet ontdoen en wat zij niet verkiest aan uw geest te openbaren, dat ontwringt gij haar niet met hevels en met schroeven". Ook voor de magische fantasie opent zij haar geheim niet.

De geestesverrukking van Faust, als hij uitroept "o welke weelde welt in dezen aanblik" is begrijpelijk. "Welke weelde vloeit door al mijn zinnen! Ik gevoel jong en heilig levensgeluk gloeiend door zenuwen en aderen stroomen. Was het een God, die deze teekens schreef, die mijn innerlijke bruising bedaren, mijn arme hart vervullen met vreugde, en met geheimzinnigen drang de krachten der natuur rondom ontsluieren? Ben ik een God? ik gevoel mij zoo licht!" De geestesverrukking van Faust is begrijpelijk, omdat zij de opstijging der ziel is uit de neerslachtigheid tot de hoop. Terwijl plotseling de klacht staakt en een nieuw vergezicht geopend wordt, trilt de aandoening door alle zenuwen en wordt de gang der gedachten rythmisch; de ziel is alreeds door het nieuwe licht omstraald--zoolang de opwekking duurt. Weldra zal de weg der fantasie een pad van vergissing blijken, wanneer het spiedend oog ook daar de richting kwijt raakt. De denker Faust zal ontwaren, dat deze wereld niet de gelijke is van den menschegeest en dat het Onbegrepene ook hier mensch en wereld uit elkaar scheidt. De droomen der magie voeren eerst recht het Onbegrepene tot vlak nabij en ontstellen den geest, die waarheid zoekt.

Het was de vraag om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap met den menschengeest: dan zou hun zin ontsluierd zijn en het geheim der dingen openbaar. Maar het spreekt vanzelf, dat deze verwantschap, al bestaat ze ook, dieper ligt dan ons _bewustzijn_. Maar zou er sprake zijn om wereld en natuur te begrijpen uit verwantschap met den menschengeest, dan zou deze verwantschap bestaan moeten juist met ons _bewuste_ zieleleven. Wat hielp het, zoo de natuur verwantschap aanwees met de _onbewuste_ gronden van ons menschelijk wezen? Maar zie: het kleine gebied van ons innerlijk leven, dat met onze eigen lantaren wordt toegelicht, is niet meer dan een oppervlakte: afgronden liggen in ons en berghoogten verrijzen, waarvan nu en dan een vermoeden en zelfs een innerlijke ervaring in ons ontwaakt. Wij die onszelf niet kennen, ontberen die zelfkennis, waarbij het heelal wordt toegelicht, en waardoor God, wereld en natuur voor ons kenbaar zijn. Uit verwantschap met onzen onbewusten en diepen geest zou de groote wereld door ons begrepen worden.... zoo wij niet beperkt waren tot het kleine land van ons eigen bewustzijn. Hier blijkt de magie met haar verbeelding van mensch-gelijke krachten in de natuur, een fantasie van kinderlijke dwazen en gevaarlijk misbruik onzer krachten. De volledige zelfkenner zou de ware Magiër zijn, die alsdan de magie zou verachten en in de spiegel zijns eigenen geestes de eeuwige wereld kennen zou zonder toovermiddel. Maar _deze_ zelfkenner is onder de menschen niet te vinden, en met de groote teleurstelling staat Faust voor het Onbegrepene.

"Hoe voel ik mij u nabij" durft Faust den Aardegeest toeroepen, die het leven en den zin der historie van aarde en menschheid in zijn werking samenvat. "Uw gelijke ben ik!"--maar deze moed is overmoed, of het is de moed der wanhoop die op dit ééne oogenblik alles te winnen of alles te verliezen heeft. Het antwoord is verpletterend "gij gelijkt den geest _dien gij begrijpt_, niet mij".... en de geest verdwijnt.

Zoo eindigt de eerste weg van Faust, waar hij begon, hij eindigt bij de klacht; en het einde is smartelijker dan het begin; de tweede klacht overtreft de eerste; zij is roerender en dieper; zij heeft geen melancholie en geen droefheidshumor; zij heeft alleen verschrikking: "Ik gelijk niet u? Wien dan? Ik, evenbeeld der Godheid.... ik gelijk niet eens op u!"

In diepe neerslachtigheid blijft Faust achter, wanneer de geest der aarde, door zijne magische fantasie opgeroepen, hem verlaat.... "o gelukkig wie nog hopen kan aan deze zee van dwaling te ontkomen. Wat men niet weet, dat juist kan men ontberen, en wat men weet is overbodig."--Zoo spreekt hij tot zijn famulus Wagner, die tot geen hooger gezichtspunt stijgt dan van het interessante. De onbewust-komische kracht van deze Wagners is een troost, waaraan de Fausten zich laven een kortstondig oogenblik.

II FAUST EN MEFISTOFELES

1. Het eeuwige in den mensch (de proloog in den Hemel).

De denker Faust wil een kennis van het absolute. Met niets minder is hij voldaan, want wat in hem leeft en beweegt is de _oneindige drang_. Faust is eeuwigheidsmensch. De oneindige drang is het wezen zijner menschelijkheid.

Hiermede is Faust niet "Uebermensch" maar _mensch_. Hij is, zoo ge wilt, de geniale mensch. Maar het genie is niet een menschensoort, die, buiten de kondities van het menschelijke bestaan levend, een eigene roeping vervult en eigen karakter heeft. Het genie is de mensch in zijn volheid, en bestaat in een zuiverder uitdrukking van het mensch-zijn. Het genie is zich op dieper wijze van het algemeen en waar menschelijke bewust. Zoo ook Faust: hij is zich bewust van den oneindigen drang, die ongeweten ook in Wagner werkt. Hij is zich bewust van de eeuwigheid in hem en daardoor streeft zijn denkerschap naar het allerhoogste.

In dit opzicht zijn wij aan Faust verwant. Waarlijk, noch Faust, noch zijn streven zouden ons belang inboezemen, zoo wij ons niet aan hem verwant wisten en zoo niet in zijn lot een beeld van het onze geschilderd was, hoewel in blinkender kleuren. Het loutere verhaal boeit slechts kinderen; de geschiedenis van iemands worstelingen zonder meer houdt ons eenige uren bezig; maar wat in het Faust-gedicht een eeuw lang de lezende en denkende menschheid geboeid en verwonderd heeft, is de aanschouwing van haar eigen streven en haar eigen levensdrang in dichterlijk beeld. Zoo is de oneindige drang het wezen ook onzer menschlijkheid.

Tot het begrijpen van de Faustfiguur dalen wij af naar de _gronden_ onzer menschelijkheid; de dichter zelf heeft ons dezen weg gewezen door aan het optreden van zijn figuur een "proloog in den hemel" te doen voorafgaan.

Hier zien wij God op den hemelschen troon gezeten en door engelen omringd. Wij hooren het gezang der aartsengelen, verheerlijkend de werken der natuur, den omloop der zon, die instemt in den reizang der planeten en haar dagreis met donderslag voltooit. De engelen ontvangen sterkte uit dezen aanblik en de onbegrijpelijk verhevene werken Gods zijn heerlijk als op den eersten scheppingsdag. Ook de aarde wentelt in de ruimte met haar pracht in snelle beweging om en de helderheid als van het paradijs wisselt af met diepe huiveringwekkende nacht; de zee schuimt met haar breede vloeden; rots en zee bewegen mede in de omwenteling der planeet, en stormen bruisen, een verband van ingrijpende werkingen uitoefenend en bliksemende verwoesting vlamt vooruit op het pad des donders. Maar Gods boden verheerlijken het zachte wandelen van den dag.

Terwijl aldus de Aartsengelen als wereldmachten de kosmische werkzaamheid Gods verkondigen, verschijnt Mefistofeles met zijn ironisch beklag over den mensch. Hij kent ze de menschen, wezens die zich aftobben, bedeeld met de rede, die een valsche schijn is van het hemelsche licht en waarvan ze niet anders kunnen dan misbruik maken. Een hunner is de doctor Faust, die in zijn onbevredigd zoeken de schoonste ster van den hemel vordert en de hoogste lust van de aarde. Al het verhevene, dat God in dien mensch ziet, is niet anders dan dwaze waan: zoo Mefistofeles hem maar eens mocht meenemen op zìjne wegen, zou hij volgaarne afstand doen van zijn dusgewaande hoogere natuur.

Welaan! zoo spreekt de goddelijke wijsheid over dezen mensch: hij zij overgegeven aan Mefistofeles om van zijn oorsprong te worden afgerukt; hij worde omlaag gevoerd op Mefistofeles' weg: eindelijk zal de verleider beschaamd staan wanneer hij moet erkennen: een goede mensch blijft in het duistere gedrang zich van den rechten weg welbewust.

En hieraan voegt de goddelijke wijsheid toe: al te licht verslapt des menschen werkkracht en bemint hij de onbepaalde rust; daarom geef ik hem den medgezel, die aanspoort en drijft en die als duivel zijn moet in gestadige werking.

In dezen "proloog in den hemel" wordt dus Faust genoemd in een ander verband dan van zijn studeercel. Eerst worden ons het kosmisch leven en de groote werkingen der wereldmachten voor oogen gevoerd en aanstonds daarna wordt de mensch herdacht als lid in dit wereldgeheel. Het is God zelf, die na het gezang der aartsengelen den naam van Faust uitspreekt. In de groote werkingen des heelals is hij ingedacht; hij heet onafscheidbaar van zijn eeuwigen oorsprong en treedt ons dus voor oogen als eeuwigheidswezen. Niet maar een vergankelijk deel der aardsche verschijning is hij, maar een door God met hoogeren inhoud toegeruste; en terwijl Mefistofeles hem vatbaar waant voor verderf en ondergang, weet God, dat in hem een kracht woont, door geen verderf aantastbaar. In den mensch is het oneindige; krachtens den onuitputtelijken, oneindigen drang is hij _mensch_. In iederen mensch is het _bovenpersoonlijke_, algemeene en kosmische. Het wereldgeheel is in hem vertegenwoordigd, zooals de val van een voorwerp de aantrekkingskracht in het algemeen beduidt, en zooals in een enkele plant de geheele natuur werkzaam is.

2. De verstorende macht.

Faust dan is vergezeld door _Mefistofeles_. Reeds in den proloog is deze figuur toegelicht; te duidelijker blijkt zijn wezen waar hij zich aan Faust onthult in de studeercel en in den omgang, dien hij met zijn geleider pleegt.

De inkleeding der Mefisto-gedachte is evenals het Gods- en hemelbegrip in den proloog aan de Middeleeuwsche voorstelling ontleend; maar de gedachte zelf is mijlen ver van het Middeleeuwsche geloof verwijderd.

Het Middeleeuwsche geeft hier zijn magisch-dichterlijken glans af: de booze geest in een zwarten poedel geïnkarneerd, loopt op Faust, die met Wagner langs de velden wandelt, in al nauwer kring toe, een vuurspoor achterlatend. Daarna in de studeercel van Faust meegekomen en door magische spreuken gedwongen, onthult hij zich als Mefistofeles in de gedaante van een reizend scholier, zooals de Middeleeuwen ze bij menigte telde en aan wier reputatie vaak een geheimzinnig verdachte bijsmaak was.

Welke nu is de beteekenis van Mefistofeles in het Faustgedicht? Want deze figuur heeft een zeer bepaalde beteekenis voor Faust. De dichter heeft in het Middeleeuwsche beeld de Middeleeuwsche gedachte verlaten, niet bedoeld een persoonlijken duivel, boozen geest of zelfstandig wezen, maar een faktor van Faust's menschelijkheid zelf, een element _in_ den menschegeest. Geen wezen naast Faust maar een wezen in Faust.

In Faust vindt, gelijk ieder mensch, de goddelijke geest (die het menschelijk _wezen_ zelf is in zijn hoogere Algemeenheid) eene belichaming, en Faust is zich hiervan als van een oneindigen drang bewust. Dit hoogere en algemeene wezen is in ons een aanleg, die zich moet verwerkelijken. Niet in eens zijn wij die wij _zijn_. De majesteit van ons wezen is nog omhuld. Het is nog niet openbaar wat wij zijn zullen, zegt de apostel Paulus. Dit beteekent dat de bepaalde persoonlijkheid, die wij zijn, een grond en diepte verbergt, die eerst in de voltooiing des levens tot volle verschijning komt.

Deze oneindige drang nu verwerkelijkt zich door eerst zijn _tegendeel_ te stellen en in zich zijn tegendeel te overwinnen. Is niet de mannelijke wijsheid veroverd op de dwaasheid der jeugd en wordt niet de innerlijke vrijheid gewonnen na het bewustzijn van benauwing en onmacht, zoodat alle schoonheid en waarheid onzes geestes tot stand komen door een overwicht over het leelijke en over de leugen? Het licht schept de duisternis, die niet anders is dan een tegenstelling des lichts, maar daarna zal het licht de duisternis overwinnen. Daar nu de mensch een kosmisch wezen is, doorleeft hij dezen wereldstrijd in zichzelf; zijn oneindige drang, een werkende en scheppende macht, roept zijn eigen tegendeel, het begrenzend en verstorend element te voorschijn. In de triomf over dit zal de oneindige natuur zich verwerkelijken. Faust brengt zijn Mefistofeles voort om over hem te triomfeeren. Bij de onthulling in de studeercel verklaart Mefisto, dat hij is een deel van die kracht, die steeds het booze wil en het goede voortbrengt. Hij is het Faustisch deel van deze; de kracht zelve is het duister element dat de Goddelijke scheppingsdrang voortbrengt uit zichzelf, afscheidt en overwint; deze wil ten kwade wordt tot het goede aangewend. In de menschelijkheid van Faust heeft hetzelfde plaats. Faust's titanisch wezen, werpt een duistere schaduw van zich af, gelijk iedere mensch zijn schaduw heeft. En gelijk een schaduw met ons is totdat ze verbleekt, zoo is Mefisto de reisgezel van Faust. Mefisto is de negatieve zijde van Faust's wezen.

Ook het denken van Faust is een kamp tegen Mefistofeles. En hier is Mefisto de ontkenner van de waarheid. Tegenover den wil tot waarheid, stelt hij de ironie en den twijfel. De twijfel is zijn beginsel omdat daarin de oneindige waarheidsdrang is verloochend en om den waarheidsdrang te fnuiken leert hij tevens een pedante voldaanheid met het beetje ordinaire wetenschap, alreeds verzameld.... bij welke voldaanheid het hooggestemd gemoed zal inslapen en ten gronde gaan.

De verstandsheld is met zijn wetenschap tevreden en bemerkt niet eens, dat het denken zijn grenzen heeft. De famulus Wagner met zijn beperkten geestesaard is nog steeds aan het verzamelen van feiten. De grazende koeien zijn zich niet bewust, dat de natuur, die hen van gras voorziet, mysteries in haar schoot omvat. Wie chemische formules toepast op de stof vindt werk en bemerkt van geen grond des geheims in deze formules zelf omsloten. Maar de eeuwigheidsmensch die ook den lust kent van het nijvere weten, en de verleiding om zich daaraan te vergasten, onbekommerd over diepte, hoogte en mysterie--de eeuwigheidsmensch heeft toch verkozen de klacht over de onkenbaarheid der wereld en wil worstelend naar de verborgen waarheid zoeken. Voldaanheid met minder dan het volstrekte zou voor hem een _ontkenning_ van de waarheid zijn, een verderving van zijn hoogste verlangen, een Mefistofelische leugen. Zijn eigen hoogere wezen ware daardoor getroffen en te gronde gericht. De titanische natuur van Faust verlangt geen gemakkelijke voldaanheid, maar streven.

De onvoldaanheid van Faust, die een bewustzijn is van onze oneindigheid, wie heeft haar niet op eigen wijze nagevoeld? Zelfs de famulus Wagner zuchtte eens: ach God, de kunst is lang en kort is ons leven, ook hij besefte de ons opgelegde taak te groot voor verwerkelijking. Als wij teleurgesteld zijn om het onbereikbare, of mismoedigd ons werktuig neerleggen, over het werk ontevreden, dat wij toch niet opgeven; als onze hoop met vreeze is vervuld.... telkens weder schrijnt de onvoldaanheid onze worstelende natuur. Zooals een laat-zomer-avond ons met zijn melancholie overvalt, zoo stort het leven een droefheid om het oneindige in ons uit. Ons bepalen bij de genoegens en voldoeningen, die het menschelijk bestaan meebrengt kunnen wij niet. Zoo wij onszelven toestonden voldaan te zijn, het ware een onderwerping aan Mefistofeles.

Mefistofeles is een verleider, die ons poogt af te leiden van onze hooge menscheroeping; maar zijn oogmerk ligt verder dan een verleiding zonder meer; de verleiding is niet meer dan middel en het doel, waarheen hij streeft is _verstoring_. Hij wil verderven, te niet doen. Hij wil den waren levensdrang vernietigen.

"Ik ben de geest die steeds ontkent" roept hij tot Faust. Wel is waar is het onmogelijk om louter ontkennend te zijn en niet anders dan ontkennend en verstorend te werken; want de ontkenning staat in dienst van een erkenning (nl. de erkenning van het tegenovergestelde)--maar dit is bewijs te meer, dat Mefisto niet als zelfstandige grootheid bedoeld is, maar als een deel van Faust's persoonlijkheid. Van zijn standpunt uit "is alles wat bestaat waard om te gronde te gaan". Immers al wat bestaat, bestaat krachtens een drang van leven, en deze drang zelf wordt door Mefisto verstoord. Hij, die in allen menschelijken arbeid het teeken ziet van den drang ten leven, acht het beter dat niets ontstond; en daar het booze de verwoesting is van het levensgeluk, noemt hij het booze zijn eigenlijke element. Let wel: niet om het kwaad als zoodanig, maar om de verstorende uitwerking daarvan.

Met plechtiger gebaar dan men van dezen ironischen verwoester verwachten zou, redeneert hij tot Faust: "Ik ben een deel des deels, dat in den aanvang het al was: een deel der duisternis, waaruit het licht geboren werd, het trotsche licht, dat nu aan zijn moeder de nacht den ouden rang en plaats misgunt." Ja, Mefistofeles is het tegendeel der goddelijke scheppingskracht, en waar deze uit den chaos het licht als levenskracht doet verrijzen, daar zal eens, gelijk hij hoopt, het licht tot den duisteren chaos terugkeeren en alle schepping des lichts zal zijn vergaan.

3. Mefistofeles: ontkenning en ironie.

Wij komen hier nog eenmaal terug op onze bewering, dat Mefistofeles een deel is van Faust zelf. De oneindige levensdrang stelt zijn tegendeel om in de overwinning hierover zichzelf te bevestigen, en aldus het oneindige en eeuwige in ons te verwerkelijken. De zin tot hoogste waarheid moet eerst den twijfel doorleven en deze komt niet van elders, maar is een voortbrengsel van ons eigen wezen. Worstelend met haar eigen negatie komt onze diepe menschelijkheid tot de overwinning.

Is het raadselachtig, dat Faust-zelf zijn Mefistofeles voortbrengt? Zeker niet, wanneer wij bedenken dat in de wereld tegenstrijdige beginselen noodwendiglijk met elkaar verbonden zijn, en dat het eene de ontkenning is van het andere. De oneindigheid is ons wezen en wij leven onder eindige voorwaarden: zoo moeten deze laatste zich tegen ons keeren. Wij bestaan uit eindige faktoren, al onze daden zijn pogingen, onze liefde is maar betrekkelijk en ons kunnen is begrensd; geen kunstenaar die in eigen werk meer ziet dan de halfgeslaagde uitdrukking zijner idee. Het werk keert zich tegen hem en al onze pogingen verschijnen ons als een ontkenning onzer oneindigheid.

Op hoeveel hooger trap onze levensuitingen bedoeld zijn, zooveel te meer zijn ze mislukt: is er één godsdienstige vorm, die niet jammerlijk achterblijft bij de religieuze idee? Zoo ooit dan treft ons hier de Mefistofelische ironie, die onze hoogste bedoelingen verstoort. De menschegeest is een oceaan, die moet omvat worden in een vijver: de eindigheid onzer levensvoering keert zich als een verstorend geweld tegen ons hooger ik.

Dat in onze levensvoering een ontkenning schuilt tegenover ons hoogere wezen, is voor iedereen ondervindbaar, die niet, als de heroën, alle verleiding te boven is. Maar wij menschen pogen het eindige met het oneindige te verzoenen; wij regelen voorloopig onzen wil naar ons vermogen, aldus den oneindigen levensdrang niet ontkennend, maar hem tijd gevende en een toekomst belovend, om zijn vollen aanleg te verwerkelijken. Daarbij komt, dat de geestelijke verrichtingen, die het meest dien drang aanzetten, natuurbewondering, kunst, wijsbegeerte, godsdienst, dezelfde zijn, die hem bevredigen, zoodat een geleidelijk te vervullen taak, die zich tot in verre verschieten verlengt, de gelukkige afleiding is voor een al te hevig innerlijk konflikt.