Goethe's Faust

Chapter 1

Chapter 13,688 wordsPublic domain

Handboekjes Elck 't Beste

Onder leiding van L. Simons

Uitgegeven door de Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur Amsterdam

Goethe's Faust

Studie door

Dr. J. D. Bierens de Haan

Gedrukt ter drukkerij "De Degel", Amsterdam.

WOORD VOORAF

Goethe heeft in de twee gedeelten van den Faust aan zijn lezers het beeld voor oogen gesteld van den mensch en zijn hoogste streven. Niet een historisch bepaalden persoon, gelijk in menig drama, noch een zielkundig merkwaardig wezen, als genie of "Uebermensch" heeft hij geschilderd; maar den mensch, die wij allen zijn. Al het fantastisch eigenaardige van het Faust-gedicht is dichterlijke verbeeldingswijze. Het zal ons, die over de Faust-figuur gaan filosofeeren te doen zijn, om het menschelijke in dezen mensch, en om niets anders.

B. de H.

_Aerdenhout_, Oktober 1914.

I DE KLACHT VAN FAUST

1. De famulus Wagner, de begrensde mensch.

Nauwelijks verschijnt ons de figuur van Faust of wij vernemen zijn klacht, een klacht zoo zeer uit de geheele persoonlijkheid opgeweld, dat wij Faust niet kennen, zoolang wij de klacht niet verstaan. En door in haar te verwijlen, zoodat de snaren onzer ziel meetrillen, verstaan wij haar. Niet slechts muziek of roman willen genoten worden door medeleving, maar ook de wijsheid, en ook datgene wat aan de wijsheid voorafgaat.

Terwijl wij nu de klacht van Faust zullen uitspreken, en bepeinzen wat zij inhoudt--zie daar ontmoeten wij een mensch in Faust's omgeving en met wien hij elken dag verkeert: zijn eigen famulus, den helper bij zijn natuurkundige proeven, Wagner. Hij is een mensch (of zeggen wij: hij is "de" mensch) die de klacht van Faust niet kent en haar niet begrijpt en die te dezen opzichte het niet verder brengt dan tot een schamele verzuchting. Het is langs den famulus Wagner, dat wij tot Faust naderen; het is door tegenstelling dat wij de beteekenis van Faust's klacht duidelijk maken.

"Reeds weet ik veel doch gaarne wist ik alles" (Zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen). Met deze woorden treedt de famulus Wagner uit Faust's studeercel af; zij zijn kort en wel de prachtigste karakteristiek van een benepen mensch. De man wien deze woorden in den mond gelegd zijn, is voorgoed belachelijk en met hem het heele ras der zijnen; de kordate weetvastheid van zoo'n schepsel, zijn beslist voornemen om de weterij van dag tot dag te vermeerderen, en de volkomen argeloosheid van zulk gemoed zijn zoo heerlijk bijeengebracht in dat ééne volzinnetje, dat wij Goethe den oprechten dank onzer harten schuldig zijn, die zoo treffend de heele bent van weetwijzen heeft gekarakteriseerd.

Deze menschen hebben éen eerbied, en die is groot, voor degenen die nog meer weten dan zij; zij hebben één verlangen en dat is groot: hun medewetenden voorbij te streven of althans in te halen; hoe gaarne zouden ze twee honderd jaren oud worden, wanneer dat hun hielp om alles te weten. Zij zijn het die de opstapeling der leervakken hebben uitgevonden en de vergelijkende examens.

Wagner is de _begrensde_ mensch. Maar waarin bestaat dan wel zijn begrensdheid, terwijl toch zijn verlangen zóo ver reikt? Tevreden met halve maatregelen vinden wij hem niet en de hoeveelheid weten, door hem verzameld, is hem nooit genoeg, daar hij immers tot de al-wetendheid toe zou willen voortwerken. Respektabel is de kennis der Wagners, en zij gelijken in hoeveelheid van opgezamelde wetenschap op musea. Hun vatbaarheid schijnt onbegrensd. Zijn zij niettegenstaande dit een begrensd type van menschen, waarin ligt deze begrensdheid dan?

Zij ligt in een eigenschap huns geestes waardoor zij den zin en beteekenis van hun eigen weten misverstaan. In een misverstand ligt hun begrensdheid; en het misverstand is van dien aard, dat hij die het opeens inziet, tot de klacht van Faust vervalt. Maar ook van dien aard is het misverstand dat men slechts krachtens geestelijke beperktheid daarbij blijven kan en dat de ware, ruime en diepe geest niet anders kan dan het misverstand ontsluieren en dus komen moet tot de klacht van Faust. En deze klacht verwoest de vorige vreugde en spreekt het vonnis uit over de schoone illusie van voorheen.

Wat de famulus Wagner niet verstaat is: dat al deze kennis een nadering is tot het Onbegrepene. Ja: de diepere _waarheid_ der kennis ligt hierin--een waarheid die vooralsnog verbijstert en verblindt, zooals ze aan Faust doet, maar die later wordt verstaan, wanneer het Onbegrepene niet zonder meer on-begrepen blijft. De Wagners echter verstaan niets van dezen geestelijken zin en wonderbare waarde der menschelijke kennis: hun is het te doen om de verzameling der weetzaken. Zij kloppen begeerig aan de deur van Faust's denkvertrek "om met hem te treden in geleerde overweging," maar niet om wijsheid. De vrees, die hen een enkelen maal bij hun wetenschap overvalt, is niet de vrees of ook al het weten de toenadering is tot een ontzaglijk geheim, te groot voor menschenhart. Maar hun vrees is dat het korte leven niet genoeg zij om de hoeveelheid der weetbaarheden te verzamelen: "de kunst is lang en kort het leven" "eer de halve weg is afgelegd moet een arme drommel misschien sterven." De _kwantiteit_ van het weetbare verontrust hen soms; en zoo ze ooit over de begrensdheid onzer kennis hebben nagedacht, dan is het om deze grenzen verkeerd te stellen: de begrensdheid onzer zintuigen en van ons geheugen en der werktuigen die wij aanwenden, de kwantitatieve onvolmaaktheid van het menschelijk verstand is de eenige grens, die zij zich indenken: maar dat mogelijk het verstand zelf (ook het ver-reikendste) niet levert wat wij ons inbeelden, dat het verstand zelf _voert tot het onbegrepene_; dat aldus het verstand eindigt niet bij het doel, waarvoor wij 't inspanden, maar bij de ontkenning des doels--dàt te verstaan is verre buiten het vermogen der famuli Wagner. Zoo verstaan zij ook niet wat wèl de zin der verstandswerking mag zijn. In hun mond past de volgende lofspraak:

Wij hebben met nauwlettendheid de bewegingen van gemoed en verstand gadegeslagen, geklassificeerd en ingedeeld onder psychische wet. Wij hebben de bronnen der historie van volken en geslachten geopend en bestudeerd. Wij hebben de aarde opgegraven en daar de archieven aangetroffen voor de prae-historische geschiedenis der menschheid; wij hebben door geologische onderzoekingen den ouderdom van onze aardsche woonplaats berekend en een algemeene voorstelling harer wordingsfazen verkregen; de afstanden vastgesteld in het stelsel der planeten; onze blik reikt tot eindlooze verten heen; de richting is aangewezen waarin het menschelijk verstand nog jaren en jaren zijn onderzoekingswerk kan voortzetten: zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen!

Oefent de verrukking der Wagners niet zekere verlokking uit en zou men haar uitspraak niet liever aanhooren dan de klacht van Faust, de bittere en doodelijke klacht: "Ik zie dat wij niets kunnen weten" (ich sehe dass wir nichts wissen können)?

"Nu heb ik, ach, filosofie, rechtswetenschap en medicijnen, en ook helaas theologie met vurigen ijver bestudeerd. Daar sta ik nu, een arme dwaas en ben zoo wijs als bij 't begin. Ik heet Magister, Doctor zelfs en trek nu al een tiental jaren, omhoog omlaag en scheef en krom scholieren bij hun neuzen rond en zie dat wij niets weten kunnen: dat brandt mijn hart met felle pijnen."

Aldus luidt de klacht, waarmeê Fausts nachtelijke alleenspraak in de studeercel aanvangt en waarvan geen famulus Wagner iets verstaat.

Voor dezen is wetenschap nog niets anders dan lofwaardige geleerdheid, streelend voor het menschelijk gevoel van eigenwaarde. Dat wereld en leven _raadsel_ zijn vermoedt hij niet. Tegenover de klacht van Faust klinkt zijn tevredenheid als onbewuste bespotting van zichzelf: "het is een groot genot zich in den geest der tijden te verplaatsen, toeziende hoe voorheen een wijs man heeft gedacht, hoe heerlijk ver ten laatste wij gekomen zijn."

2. Wetenschap is herleiding tot het Onbegrepene.

De klacht van Faust betreft niet de kwantiteit van het weten: het te weinig aan kennis. Deze kwaal ware wellicht door den arbeid van duizend jaren te verhelpen, waarna de klacht kon worden te boek gesteld als bewijs van het te kort in een voorafgaand stadium der menschelijke ontwikkeling.

De klacht van Faust houdt in dat de kennis een nadering is tot het Onbegrepene. Dit is het wat hem kwelt: hoemeer deze schipper zijn vaart bespoedigt, zoo dichter nabij den kolk wordt hij gedreven, waarin elk vaartuig vergaat. Juist het tegenovergestelde van wat hij wenscht bereikt hij; het licht waarnaar hij versmacht blijkt duisternis. Tevoren, toen hij als onwetende door het leven liep, was hij niet ongelukkig; zijn behoefte aan kennis hield nog de belofte in eener toekomstige vervulling. Thans echter is hij de kennis deelachtig en ziet: het kennen drijft hem ijlings in de ellende: het Onbegrepene is voor zijn oog verrezen. Het is alsof nevels den horizont onzichtbaar maken zoodat wie kunnen leven zonder horizont, tevreden zijn met het beperkte bestaan hun gegund. Maar zij, wie de beperktheid het leven benauwt, doorwaden de nevelen en wat zien zij? Monsters die het bestaan bedreigen.

Wij willen uit het begrip der wetenschap, de wetenschap van natuur en zielsleven, nagaan waardoor Faust tot zijn klacht gedreven is.

Faust heeft op alle gebied van het menschelijk weten zijn kennis uitgebreid: wat wil het zeggen: de uitbreiding der kennis? Het wil zeggen dat de waargenomen stof, die eerst een voorwerp was voor de tuchtlooze fantasie, al meer onder algemeene gezichtspunten des verstands gebracht wordt: de zonnekar met de vurige rossen en den kloeken menner, die eertijds de fantastische behoefte der jeugdige volken bevredigde, heeft de plaats geruimd voor een mechanische wet van beweging naar de eischen van het tucht-lievend verstand. Nu zijn wij verstandiger en wij zijn vooruit gegaan; wij hebben voldaan aan den eisch onzer eigen bewustheid. Maar _begrijpen_ wij nu? Het voorbarig "ja" als antwoord op deze vraag past in den mond der famuli Wagner.

Ons verstand leert ons de bizondere gevallen begrijpen uit het algemeene; den val van een steen begrijpen we uit de algemeene wet der aantrekking; het ontkiemen van een zaad begrijpen wij uit de algemeene wet der organische ontwikkeling. In zoover kan men zeggen dat wij door het verstand iets begrijpen. Maar zal dit begrijpen volledig zijn en niet een verwijzing naar het onbegrijpbare, dan moeten wij ook het Algemeene begrijpen--en dat kunnen wij niet. Zoo is er dan deze reden, om welke ons verstand niet in staat is tot wezenlijk begrijpen: dat het verstand de waargenomen wereld der bizondere gevallen (verschijnselen, gebeurtenissen) herleidt tot het Algemeene (algemeene wetten) en het Algemeene is voor hem onbegrijpelijk.

Voorbeeldig in ijver werkt het verstand voort aan zijn matelooze taak, om de veelvormige en veelvervige stof der waarneming te brengen onder de tucht van het Algemeene. Maar bij nadere bepeinzing wordt ons duidelijk dat wij niet vermogen raadsels op te lossen, doch te klassificeeren. Wij herleiden de raadseltjes tot raadsels; de bizondere raadseltjes tot algemeene raadsels; het bizondere raadseltje van het vallen eener steen tot het algemeene raadsel der aantrekkingskracht. Ons verstand is de ondernemer van een dierentuin, die zijn kooien in regelmatige orde bouwt naast elkaar en geleidelijk den toeschouwer door de opklimmende rang-orde der dierenwereld voortleidt; elke kooi draagt een welgeschilderd opschrift, waar geslacht en soort van het vertoonde schepsel te lezen staat. Maar het wezen zelf dat als representant der soort zich hier voordoet, is een onoplosbaar raadsel. Hier is de tijger, felis tigris, gevaarlijk roofdier, exemplaar der katten-familie; orde: roofdieren (carnivora); onderklasse: eigenlijke zoogdieren (monodelphia); klasse der zoogdieren (mammalia) en behoorend tot de eerste type van het dierenrijk: de gewervelde (animalia vertebrata.) Maar ik vraag u: wat loert in dat oog? Zoo gij mij dat dier wilt vertoonen, bij de goden leg mij uit wat de natuur is, dat zij zulke wezens schiep en wat de _zin_ der schepping is, waarin dit dier zijn plaats heeft en: wat beteekent de tijger in de rangorde der wezens die gij mij zoo keurig benaamdet? Of zie dien dommen papegaai, bij welken de uil waard is vogel van Athene te zijn: wat wil de natuur dat zij dezen papegaai in haar bosschen laat. Zonder raadsels kwam ik in uw dierentuin, waarin ge mij de wereld zoudt vertoonen gekatalogiseerd: ik zou uitgaan als een begrijpende; maar gij hebt mij alleen vertoond geklassificeerde raadselen.

Ons verstand is de ondernemer van dien dierentuin. Het heeft een tweeledigen arbeid: _vooreerst_ de klassifikatie (schematisatie) der waargenomen voorwerpen naar hun eigenschappen. Wanneer wij een slak, een olifant en een nijlpaard beschouwen, blijkt al dadelijk, dat de eigenschappen der laatste twee meer onderling overeenstemmend zijn dan der eerste twee. Zoo ontstaat een indeeling der waargenomen wereld in verscheidene rangen: de anorganische wereld; de organische (plantenrijk), de bewuste wereld (dierenrijk) en de wereld der redelijke wezens. De _tweede_ taak van het verstand is: het leven der voorwerpen van elke klasse na te sporen; herleidend het verschil der eigenschappen tot verschil van levensfunktie: in de anorganische wereld is dit leven tweeërlei: chemische verbinding en ontbinding der stoffen èn mechanische beweging; in de organische wereld is dit leven: groei (voeding, procreatie, sterven); in de bewuste wereld: bewust-zijn; in de redelijke wereld: denken en wil.

En wanneer wij nu de gekompliceerde verschijnselen, die zich overal voordoen, herleid hebben tot de _enkelvoudige algemeene gevallen_ (wetten) van het leven eener toebehoorende klasse, dan mag ons verstand even voldaan zijn als de famulus Wagner.

Maar nu begint de klacht van Faust: want, het algemeene geval der aantrekkingskracht of van den groei of van het bewust-zijn of van den wil: dat is juist het onbegrepene.

In het eerste zijn wij voldaan. Zoolang wij de waarnemingswereld voor oogen hebben zijn wij voldaan met de wetenschap, dat de veelvuldige werkingen, elk met hun eigen aanschijn, berusten op een zelfde algemeenheid; de groei van deze lelie gaat evenzoo als de groei van honderd andere planten, die gij reeds kent; bevruchting en voeding hier geschieden gelijk als daar. Herkennen wij in het aanschouwde natuurverschijnsel een algemeene wet, dan bevinden wij ons in een aangename situatie daar tegenover; wij zijn niet verbijsterd als tegenover het ongewone; wij weten heel wel het verschijnsel te plaatsen. Te zijnen opzichte zijn wij voldaan als Wagner.... Totdat we gaan peinzen over dat Algemeene! Over den groei zelf; over ontstaan en bevruchting en voeding en sterven. En nu niet meer over een bepaald geval ervan, maar over deze dingen zelf; hier helpt geen analogie noch verwijzing naar iets anders, tenzij naar een hooger Algemeene, dat alsdan aan uw verbijsterd oog zich vertoont. Staat ge nu niet met uw aangezicht voor het Onbegrepene? Een steen valt.... ziedaar de bizondere verschijning van het algemeen geval: de (wet der) aantrekking. Ge noemt het algemeene: de aantrekkings_kracht_. Kracht beteekent mysterie.

Wilt ge u verwonderen? Aanschouw gindsche pompoenstruik; voor drie maanden ging een nietig zaad in de aarde. Thans staat daar een plant van vollen en schoonen vorm; de groene hoekige stengels dragen fraaie en breede bladeren, sierlijk generfd en zacht-behaard; oranje bloemkelken pronken tusschen het groen en reeds begint zich een geel en groen gevlekte vrucht te ronden. Bedenk nu niet de analogie met andere gevallen van gelijken aard: bedenk het Algemeene,--den groei; de verbandstelling tusschen het nietig ovaalvormig zaadje, dat gij nederwierpt èn deze schoone volle plant; er is niet één overeenkomst; het is even wonderlijk als dat een krokodil een eikeboom werd of een paddestoel veranderde in een mensch. Wij zijn er aan _gewoon_; maar het gewone is even groot wonder als het ongewone; het Algemeene is puur mysterie en ondoordringbaar voor ons wetenschappelijk verstand.

In het Algemeene (de algemeene wet) is niets geschied dan de vereenvoudiging van het bizondere; het verwarde beeld, dat door de aanschouwing voor onze oogen komt, is er tot zijn enkelvoudigen vorm, d. i. tot denkbeeld, gereinigd. Het verstand, tot zijn grens genaderd, heeft principieel en duidelijk het onkenbare voor den dag gebracht, dat zich bij de onoverwogen aanschouwing der dingen alsnog verborgen hield.

Wetenschap is een herleiding tot het Onbegrepene. Vandaar de klacht van Faust: Zij die van haar de openbaring der waarheid verwacht hadden en teleurgesteld uitkwamen, hebben gesproken van haar bankroet. Volkomen ten onrechte; wat zij ondervonden hebben is het bankroet hunner verwachting. Het positivisme heeft zijn belofte niet gehouden waar het de wetenschap tot een religie maakte. Maar de menschheid, van welke Faust lid is, behoeft de verheldering van het innerlijk en deze is het die zij op den moeilijken weg der wetenschap heeft gezocht.

Konden nu maar de Fausten inzien dat het Algemeene een poort is, wel gesloten, maar aan den ingang van het rijk der Waarheid gebouwd, dan zouden zij, op den weg van hun nadenken voortgeschreden hun klacht uiten met berusting, maar nu ten einde raad, klagen zij "dat wij niets kunnen weten."

De scepticus houdt bij dit inzicht halt, en acht het _wijsheid_. Zijn karakter brengt den eisch van intellektueele zekerheid niet voort; het negatieve besluit is hem te meer welkom, omdat hij nu met handhaving zijner verstandelijke reputatie het deel des gemaks kan kiezen in het leven. En zeker: de klacht van Faust klinkt als wijsheid tegenover de wetenswaan der Wagners; maar toch is zij op die wijze niet bedoeld. In den mond der kleinere geesten is Faust's klacht de uitspraak van het zelftevreden intellekt, dat nu met zijne wetenschap van het niet-weten een eindpunt heeft bereikt. "Que sais-je" vraagt Montaigne en wordt door zijn onwetendheid niet verontrust. Hij was een verstandig mensch en een elegante geest, niet zonder bekoring; maar hij was geen Faust.

Ook de groote zoekers van ons geslacht, Socrates zoowel als Paulus, hebben beleden dat de kennis waarop een menigte van halfwetenden zich verhoovaardigt, voor den dóórschouwer een oorzaak der vertwijfeling zou zijn, zoo hij niet tot nog hooger gezichtspunt klom. Van Paulus is de uitspraak: zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend gelijk men behoort te kennen. En Socrates zegt: ik, daar ik niets weet, zoo meen ik ook niet te weten. Doch de God is wel in waarheid wijs en meent dat de menschelijke wetenschap weinig waard is, als zeide hij: Deze o menschen is de wijste van u, die, gelijk Socrates heeft ingezien, dat hij niets waard is in wetenschap.

Faust is geen scepticus, geen twijfelaar tevreden met zijn twijfelkunst. Het hoogere gezichtspunt, waarin de waarheid opengaat, is hem alsnog gesluierd. Zijn klacht klinkt tegen het gewelf van zijn studeercel in deze nacht van onderzoek en versmachting. Hoe zal deze man aan zijn klacht ontkomen?

Een weg der ontkoming is er en die niet maar de vlucht is van een moedelooze. De tot twijfel en vertwijfeling vervallene kan vluchten in den schoot der moederkerk; maar een echte ontkoming ware dat niet: veeleer een insluimering, het moede hoofd op zijden kussen neergelegd, terwijl de groote klokken der beschermende kathedraal de gedachten bedwelmen en het gelijkmatig rythme den slaap begeleidt. Maar de vlucht is voor Faust de weg der ontkoming niet. Hij zal niet ontkomen, maar te boven komen.

De weg, dien men niet aanstonds vindt is deze: het leven zelf samenvatten en verheffen tot zedelijke daad en op die wijze van binnen uit met nieuwe energie het denken sterken. Het denken, door de zedelijke daad des levens tot redelijkheid verdiept, heeft het richtsnoer der waarheid in zich. Is de beschouwing over de wereld, natuur, en historie uitgeloopen in de klacht der onwetendheid, dan zal nu de aandacht, van deze "buiten"-wereld afgeleid, zich tot den denkenden mensch zelf bepalen en binnen-in-zich zal men werkelijkheid vinden en een geestelijke levensbeschouwing wordt gewonnen. De wereld blijft dan het kleurig gordijn, waarvoor zich het leven afspeelt. In eigen boezem wordt werkelijkheid wat daarbuiten tot tastlooze onzekerheid versplinterd is: "gij hebt haar verwoest de schoone wereld, in eigen boezem bouw haar op". Zoo komt de geest zijn twijfel te boven en vestigt zijne zekerheid; hij komend tot de innerlijkheid des levens, komt tot de redelijkheid van het denken en de klacht wordt omgezet in gejuich. Er is noodig een omzetting des levens, die niet in éen moment, maar in een innerlijke geschiedenis zich voltrekt. Niet een "bekeering" maar een verdieping en bevinding onzer innerlijke waarde.

3. Faust zoekt ontkoming bij de magische fantasie.

Maar zoover is Faust nog niet, en juist de pogingen om tot waarheid te geraken éer hij zich in het leven werpt, zoekend naar zijne daad--juist zijn voorafgaande pogingen hebben een enorme bekoring. Want daarin komen groote en zinvolle vermoedens van het menschenhart tot uitspraak. De waarheid, door het verstand niet bereikt, wordt misschien bereikt door.... de fantasie? En ziehier de gedachte vleugelen aandoen om fantastisch in de geestelijke waarheid der wereld op te stijgen. Mogelijk wordt het mysterie der natuur aldus geopend? Mogelijk heeft de fantasie den gouden sleutel der poort, waarvan 't verstand niet anders vermag dan de konstruktie te bestudeeren.

De vooruitgang der kennis is geweest een gaan van de fantasie tot het verstand. De oude mythologische verbeelding verklaart de natuurverschijnselen door goden en nimfen, terwijl het latere verstand de natuurverschijnselen verklaart door het algemeene (de algemeene natuurwetten). Het in de aarde geworpen zaad ontkiemt volgens een algemeene wet van organischen groei, zoo leert het verstand; maar de mythologische fantasie houdt het daarvoor, dat een fee des nachts met haar tooverstaf de zaden aanroert en het leven eruit opwekt, zoodat ze ontkiemen. Wanneer dan de mensch, ten einde des verstands en uitgekomen bij de klacht der onwetendheid, eens vàn het verstand tót de fantasie terugkeerde? Of neen niet terugkeerde, maar vóórtging: een nieuwe mythologie, een natuurfilosofische mythologie uitvond, waarin de resultaten der wetenschap omgewerkt werden in mythologischen zin? Het algemeene des verstands omgezet in het persoons-beeld der fantasie? De algemeene werkingen der natuur toegeschreven aan de energie van geesten?....

Ziehier een weg, die schijnt een weg der ontkoming aan de klacht.

Het onpersoonlijk-Algemeene was de troostelooze uitkomst van het overdenken der natuur; tegenover het Algemeene staat de mensch als tegenover het steenen aangezicht der Sfinx. Maar deze uitkomst wordt blij-eindig omgezet, indien het Algemeene niet meer het troostelooze einde onzer gedachten is, doch daarin een verwantschap aan onzen eigen geest wordt vermoed.

Heeft ook Schiller niet in zijn gedicht "Die Götter Griechenlands" met weemoed deze orde der fantasie verheerlijkt en uitgeroepen: "Schoone wereld, waar zijt Gij? Keer terug o bloeiende jeugd der natuur! Ach slechts in het feeënland der dichtkunst is uw fabelachtig spoor thans te herkennen. Uitgestorven treurt het zaadveld en aan mijn blik vertoont zich geen godheid meer" ....wanneer zich nu wèl in het zaadveld een god vertoonde en de wereldkrachten geestelijke machten waren, die mijn voetspoor omringden....