Goethe: Een Levensbeschrijving
Chapter 8
Door "het jaargetijde der jeugd", de heerlijke lente, liet hij zich gaarne uit zijn bureel lokken of uit de zonlooze straat waar hij kamers had. In den omtrek van Wetzlar, in het mooie Lahndal, ontdekte hij allerlei plekjes die hem lievelingsplekjes werden; Homeros zong er zijn vurig gemoed te ruste en hij verdiepte er zich in de aanschouwing van de kleine natuur: van de plechtige mossen, van de wriemelende wormpjes en insecten; totdat de behoefte aan overgaaf in hem heerschte en hij wenschte een meikever te zijn om heen end weer te kunnen zweven in de goede geuren: totdat de natuur geheel rustte in zijn ziel, zooals de gestalte eener bruid.... Uren bleef hij geboeid bij een bron, waar de dorpsmeisjes kwamen water putten; hij zag in die meisjes oud-testamentische koningsdochters en leende haar "zonder plichtplegingen" zijn sterken arm, om haar de volle emmers op het hoofd te beuren. Op het kerkplein van Garbenheim, geheel omsloten door donkertonige huisjes en schuren, boeiden hem een paar oeroude linden; dikwijls liet hij zich uit de nabijzijnde herberg stoel en tafel brengen en hij bracht er heele dagen door met teekenen, mijmeren en lezen. Hij koutte met de eenvoudige natuurlijke dorpsmenschen, hij kookte zelf zijn potje, hij deelde zijn klontjes, zijn brood en zijn zure melk met de kinderen, die geregeld bij hem terug kwamen, en iedere week hun Zondagscenten van hem kregen; was hij na kerktijd nog niet gekomen, dan had de waardin order tot uitbetalen. In zijn hart stonden de kinderen hem het naast: hij zag alle deugden en ondeugden--maar die nog onschuldig!--in hen kiemen, en begreep het gulden woord van den Heiland: Zoo gij niet wordt als een van dezen....
[Illustratie: KERKPLEIN MET "GOETHE-LINDE" TE GARBENHEIM]
In het eethuis, waar "De Kroonprins" uithing, hadden enkele jonge ambtenaars en wat geduldige rechtzoekenden, om zich na hun Jobsarbeid wat te verstrooien, een riddergenootschap in middeleeuwschen trant gesticht. Bij het middagmaal zat de heirmeester aan het hoofd van de tafel: aan zijn rechterhand zetelde de kanselier en naast dien waren naar ancienneteit opgesteld de andere ridders, die namen droegen als Lubomirsky de Strijdbare, of St. Eustacius de Voorzichtige. Wolfgang werd met ridderslag en gewichtige potsierlijkheid in den kring toegelaten; hij heette er Gottfried von Berlichingen de Treffelijke. Een van de ridderen, Goué, heeft het groepje later in een tooneelstuk nageteekend. Ook de gezantschapssecretarissen Jerusalem en Kestner, wier invloed diep door Goethes leven zou grijpen, behoorden er toe, maar ze verschenen zelden, daar zij buitengewoon ernstig waren, en drukke bezigheden hadden.
Johann Christian Kestner was acht jaren ouder dan Wolfgang: een ijverig, verstandig man, edel van inborst en met steeds duidelijke bedoelingen, hoewel ietwat droog in het spreken. Hij maakte kennis met Doctor Goethe--in wien hij aanstonds een niet onbelangrijk persoon zag--terwijl deze onder een boom, op zijn rug uitgestrekt, goed geluimd met eenige omstanders babbelde over zwaarwichtige zaken. Spoedig genoeg begreep Kestner met wien hij in aanraking was gekomen. "Hij heeft--dus oordeelt hij met zijn gewone fijne nauwkeurigheid in een brief--hij heeft vele talenten, is een waar genie en een man van karakter. Hij bezit een buitengewoon levendige verbeeldingskracht, zoodat hij zich meestal in beelden en gelijkenissen uitdrukt. Hij pleegt zelf ook te zeggen dat hij zich altijd oneigenlijk uitdrukt en zich nooit eigenlijk kàn uitdrukken; maar als hij ouder wordt, hoopt hij de gedachten-zelf, gelijk ze zijn, te denken en te zeggen. Hij is in al zijn gemoedsaandoeningen hevig, doch heeft vaak veel zelfbeheersching. Zijn denkrichting is edel. Vrij van vooroordeelen, handelt hij al naar 't hem invalt, zonder er zich over te bekreunen, of dit anderen mishaagt, of het mode is, of de wellevendheid het gedoogt. Allen dwang haat hij.--Hij houdt van kinderen en kan druk met hen bezig zijn. Hij is bizar, heeft in zijne gedragingen, in zijn uiterlijk, allerlei dingen die hem onaangenaam zouden kunnen maken; maar bij kinderen, bij dames en vele anderen staat hij toch goed aangeschreven. Voor het vrouwelijk geslacht heeft hij zeer veel hoogachting.... Over zekere onderwerpen spreekt hij met slechts weinig menschen uit, hij stoort anderen niet gaarne in de rust hunner voorstellingen. Toch haat hij het scepticisme, streeft hij naar waarheid en bepaaldheid in sommige hoofdzaken en gelooft dat hij over de voornaamste reeds een bepaalde meening heeft; voor zoover ik heb kunnen nagaan is dit niet zoo. Hij gaat niet naar de kerk ook niet naar het avondmaal en bidden doet hij zelden; want, zegt hij, daarvoor kan ik niet goed genoeg liegen. Soms is hij op zekere punten erg gerust, soms echter alles behalve dat. Voor de Christelijke religie--echter niet in den vorm waarin onze theologen ze ons voorstellen--heeft hij hoogachting. Hij gelooft in een toekomstig leven, in een beteren staat. Hij streeft naar waarheid, hij geeft echter meer om het gevoel dan om het betoog van de waarheid. Hij heeft reeds veel gewerkt, bezit veel kennis, belezenheid; maar toch nog meer gedacht en geraisonneerd."--Wel zelden werd een zoo treffende karakteristiek van een jeugdig tijdgenoot neergeschreven. Toch zag Kestner zich genoodzaakt, er in een kantteekening aan toe te voegen: "Ik wilde hem schilderen, maar het zou mij te ver voeren; want zeer veel laat zich over hem zeggen. Hij is, in éen woord, _een zeer merkwaardig man_."
Begin Juni moest Wolfgang met zijn twee nichten, die in zijn straat woonden, naar een landelijk bal; onderweg zou hij haar vriendin, Charlotte Buff afhalen, wier cavalier pas laatavond kon verschijnen. Hij trof dit 19-jarige blonde meisje aan, terwijl ze, subtiel gekapt, in witte baljapon, brood sneed voor een zwerm broertjes en zusjes. Haar leest was er niet minder sierlijk, de uitdrukking van haar blozend aangezicht was er niet minder vroolijk, haar gesprekken waren er niet minder interessant om, en haar blauwe kijkers niet minder spottend. In het rijtuig en bij den dans bemoeide Wolfgang zich slechts met haar; hij vernam hoe zij, sedert het overlijden van hare moeder, voor een zestal kinderen had te zorgen en hoe goed dit haar lukte. Hij schroefde zich, al bewonderend, tot een luidruchtige uitgelatenheid op, blijkbaar zeer ten genoege van.... Kestner, haar inmiddels verschenen cavalier. Toen hij met haar had gewalst, nam hij zich heilig voor, liever te sterven dan te gedoogen dat ooit een meisje op wie hij eenige aanspraak mocht hebben met een vreemde walste.... Lotte verzweeg Wolfgang dat zij reeds vier jaren met Kestner was verloofd: geen buitenstaander zou hebben vermoed dat deze twee een paar vormden. Ook Kestner sprak er niet van: hij wist dat zijn meisje haar aanbidders steeds stelde voor den tweesprong: Mijn vriend worden of uit mijn oogen! en hij had onbeperkt vertrouwen in haar.
Van de verloving hoorde Wolfgang eerst, toen hij bij de familie Buff vriend van den huize was geworden, toen Lotte's vader hem als een zoon beminde en de kinderen, met wie hij stoeide en smulde, hem een heerlijk kameraad achtten. Reeds was Lottchen in zijn oogen een schoonheid geworden, en terwijl hij, aan haar voeten zittend, de kleintjes over zijn knieën liet klauteren en boontjes voor haar sneed, terwijl hij vruchten voor haar plukte, in keuken of moestuin optrad als haar dienaar, liet hij zijn verliefdheid rustig ontbloeien. Hij bezocht haar vaker dan haar verloofde, die door drukke ambtsbezigheden werd teruggehouden; die wel bespeurde dat zij voor den mooien Goethe niet blind was, wèl zich afvroeg of hij--eenvoudig-braaf man--haar ooit zoo gelukkig zou kunnen maken als zijn begaafde vriend, maar te kiesch was om door eenig blijk van ongeduld Wolfgangs warme, doch onschuldige en poëtische liefde tot iets dubbelzinnigs te stempelen. De drie deden samen menig uitstapje, hielden menig ernstig gesprek. Steeds toonde Lotte zooveel tact, dat ze in de achting van de _beide_ mannen steeg en ook in hunne liefde,--zoodat juist tengevolge van haar welbewuste reinheid de verhouding zich ging toespitsen.
Goethe, door een vriend gevraagd, waarop dat moet uitloopen, antwoordt dat hij stellig is besloten, het eerste oogenblik dat Lotte zich als een gewoon coquet meisje doet kennen, het eerste oogenblik dat haar nòg nader tot hem voere, het laatste moment van hun omgang te doen zijn. Maar--op haar vertrouwend--laat hij zijn phantasie onbedwongen om hun liefde spelen, vervult hij zijn brieven, zelfs zijn recensies, met toespelingen op hun liefde. Kestner spaart hem, maar hij gaat in stilte meenen, dat iemand van Goethes geestkracht en zielefierheid zich nu toch eindelijk moet terug trekken. En zoo kan hij kleine botsingen niet altijd verhoeden.
Daar heeft Wolfgang in een te laat gevoelde opwelling Charlotte gekust. Zij biecht het eerlijk aan haar verloofde, die bijna zijn geduld verliest; en nu moet ze vriend Wolf door koelheid van zich houden. Als ze 's avonds voor haar deur zit, brengt hij haar een ruiker. Ze legt dien onverschillig naast zich neer. Hij begrijpt en gooit den ruiker op straat. Hij troont Kestner mee, verkondigt hem den heelen nacht hemelhooge ideeën, in duistere parabelen gehuld, en als het daagt vinden de vrienden het leed zoo licht, dat ze tegen een muur geleund het moeten uitproesten.
Intusschen wordt Merck ernstig bezorgd over zijn warmbloedigen, phantastischen Wolf. Hij wil hem uit Wetzlar drijven, en moet daartoe zijn illuzie verwoesten. Twee dagen na het voorval met den ruiker heeft hij te Giessen een samenkomst met hem, en als hij dan toevallig ook Charlotte leert kennen, acht hij den toestand nog gevaarlijker en tracht, al schertsend, Goethes passie te doen ontvlammen voor de "Junonische" vormen van een ander vriendin. Wolfgang is te zeer door Charlotte bekoord om hem te zeggen, hoe duivels hij dat van hem vindt.
Den achtentwintigsten Augustus zijn Kestner en Goethe jarig. Den avond te voren moeten de twee mannen tot middernacht boontjes snijden. Als de klok twaalf slaat, wordt de nieuwe jaarkring met prettige gezichten en een kopje thee ingewijd. Wolfgang krijgt een klein-formaat Homeros van zijn vriend ten geschenke; dan hoeft hij dat groote, zware boek niet meer op zijn wandelingen mee te torsen. Zijn voornemen getrouw om op zijn verjaardag altijd iets groots te ondernemen, gaat hij nu ernstig met zich zelf te rade, en oordeelt dat hij zich moet losrukken. Het besluit is genomen, maar het duurt nog veertien dagen eer het tot uitvoering komt:
--Hij heeft Lotte al zoo vaak op zijn vertrek voorbereid, dat ze hem er bijna mee gaat plagen. Nu zit hij weer aan haar voeten en speelt met de garneering van haar jurk. Zij weet niet dat hij daar nu voor 't laatst zit. Het gesprek gaat over 's menschen staat na het afsterven. Zij belijdt eenvoudig hoe ze verwacht haar moeder weer te zien en te herkennen..
.... Dan voelt Wolfgang dat hij in tranen zal uitbarsten als hij langer blijft. En hij springt op. Hij kust haar hand en spreekt: Wij zullen elkaar weerzien; in elke gestalte zullen wij elkaar herkennen. Ik ga vrijwillig, maar als ik moest zeggen: voor eeuwig! dan zou ik het niet uithouden. God zegen u. Wij zien elkaar terug.--Ja, morgen natuurlijk, zegt Charlotte lachend.
Doch den volgenden ochtend bereikt haar dit biljet:
"Wel hoop ik weer te komen, maar God weet wanneer! Lotte, hoe eng werd het mij bij Uwe woorden om het harte, daar ik toch wist dat ik U voor de laatste maal zag! Niet de laatste maal en toch vertrek ik morgen. Welke Geest bracht U op dit onderwerp! waarbij ik alles mocht zeggen wat ik voelde. Ach, ik doelde op hierbeneden, op Uwe hand, die ik voor 't laatst kuste. De kamer in welke ik niet zal terugkeeren, en Uwen lieven vader, die mij voor het laatst uitliet! Ik ben nu alleen en mag weenen. Ik laat U gelukkig achter, en ga niet uit Uw harte. En zie U weder--maar niet morgen is nooit. Zeg aan mijne kinders: Hij is weg. Ik kan niet meer."
Kestner en Lotte, hoe zeer ook voldaan met zijn vertrek, waren geheel van hem vervuld en ze lazen en herlazen zijn korte briefjes met betraande oogen. Om hen heen speelden de kinderen die telkens hun kameraad misten en dan angstig herhaalden: Doctor Goethe is weg.
[Illustratie: "Das Leiden des Jungen Werthers" verscheen in September 1774]
VII
Ik dwaal in woestenijen, waar geene wateren zijn; mijne haren zijn mijn dak en mijn bloed is mijn bron......
Het was hoog tijd dat hij ging; indien hij nog even langer ware gebleven, zou zijn wil zijn te kort geschoten, zou zijn oponthoud te Wetzlar niet zijn geëindigd als betrekkelijk rustige idylle. Hoe het had kunnen worden zal hem nu blijken. Zijn liefde voor Lotte heeft hij geenszins verzaakt. Integendeel, zijn liefde groeit, nu hij, ver van Lotte, meent zich er aan te mogen geven. Haar silhouette heeft hij naast zijn alcoof met spelden aan den wand bevestigd. Hij groet haar beeld voor hij te rusten gaat, houdt gesprekken met haar beeld wanneer hij zich voor den eten verfrischt. Schlosser moet voor beroepsbezigheden naar Wetzlar en hij kan geen weerstand bieden aan de verzoeking, hem te volgen. Naast Lotte op de canapé bevangen hem "hangenswaardige gedachten"; hij moet zich afvragen wat er gebeurd ware, als Schlosser hem niet zeer tegen zijn zin had verwijderd.
[Illustratie: CHARLOTTE BUFF]
Het gerucht bereikt hem, dat Von Goué zich om 't leven heeft gebracht; en hij voelt zich geroepen, deze daad, die de domme wereld wel verkeerd zal uitleggen, goed te pleiten en te vereeren. Het gerucht blijkt onjuist, maar wordt gevolgd door het bericht, dat Jerusalem zich een kogel door het hoofd heeft gejaagd. Wolfgang kent dezen Jerusalem reeds sedert Leipzig. Hij heeft hem niet vaak gesproken, maar voortdurend is zijn belangstelling gaande gebleven voor dien vreemden, teruggetrokken jongen, wiens prikkelbaar pessimisme uit kunstzinnige overgevoeligheid voortsproot. En te Wetzlar, als hij wandelde in het maanlicht, strijdend met zijn hopelooze liefde, had hij vaak Jerusalem zien wandelen in het maanlicht en daarbij vermoed dat ook deze aan een liefde leed. En nu heeft de brave jongen zich doodgeschoten, nadat een vriend, op wiens vrouw hij in stilte verliefd was, hem zijn huis heeft ontzegd. Aan dit conflict, dat hij--Wolfgang--instinctmatig is ontsprongen, is Jerusalem ten gronde gegaan.
Een nieuw lotgeval brengt hem den doode nog nader. Op zijn terugreis van Wetzlar stapt hij af bij de kunst-minnende familie Von Laroche, om er Merck te ontmoeten. Mevrouw Laroche had de wereld pas een sentimenteelen roman geschonken, en haar verlangen naar een vleiende recensie zal wel niet vreemd zijn geweest aan de heusche ontvangst die zij beiden journalisten bereidt. Ze wordt spoedig Wolfgangs vertrouwde raadgeefster, zijn "Mamachen". De tergende aanwezigheid van den gewetenloos-dwazen Leuchsenring met zijn briefmappen, drijft Goethe naar de twee dochters van den huize, in wier gezelschap hij herademt: vooral de mooie, fijn beschaafde Maximiliane heeft hij diep in de zwarte oogen gekeken. Nu is deze Maxe door haar o zoo gevoelige Mamachen gekoppeld aan den uitgedroogden weduwnaar Brentano, een Italiaansch koopman te Frankfort, vader van vijf kinderen, die geheel opgaat in zijn olie- en kaashandel, en zijn jonge vrouw verwaarloost. Wolf bezoekt haar vaak, mede op verlangen van haar man. Hij stoeit dan met de kleintjes en begeleidt haar clavierspel op zijn cello. Vele jaren later zal Maximilianes dochter Bettina den huisvriend in haar "Goethes briefwisseling met een kind" (Dat kind was, en passant, een hysterisch-opdringerige literaire zwendelaarster van diep in de twintig!) huldigen als volkomen rein in zijn verhouding tot haar moeder. Brentano echter kan aan een genegenheid als tusschen broer en zuster--waarvan ook Merck niet overtuigd is--geen geloof slaan. Hij ontlaadt jegens zijn vrouw zijn jaloezie in grievende verwijten. Wolfgang, op de hoogte gesteld, neemt zich voor, zijn drempel niet meer te betreden, tenzij Maximiliane zijn vuisten noodig mocht hebben tegen haren gebieder.... En voor zulk een man nu zou Jerusalem zich den dood hebben aangedaan! Goethe moet onophoudelijk denken aan dien lieven, weeken jongen met zwakken wil. Hij verzoekt Kestner--den nauwlettenden protocol-schrijver--hem uitvoerig in te lichten omtrent de omstandigheden die den zelfmoord begeleidden. En hij verneemt dat slechts voor oppervlakkig oordeel Jerusalem slachtoffer is geworden van een "ongelukkige liefde". Immers ook in zijn ambtelijk leven was hij herhaaldelijk in botsing gekomen met de hardheid der doorsnee-menschen, die hem aandeed als gemeene grofheid. Iemand die zoo machteloos staat tegenover zijn overvloeiende sentimenten is--wat hem ook treffe--bestemd voor een smadelijken dood. De wereld is hem te machtig. Zijn levens-liefde--hoe sterk ook--is niet opgewassen tegen de beleedigingen die hem dagelijks worden aangedaan. De kwaal des tijds--_d.i._ verfijnde ontvankelijkheid zonder wil en zonder godsbetrouwen--heeft Jerusalem gesloopt.
Nu gaat Wolfgangs meening over "de wereld" (in hoofdzaak de meening van het dan opgroeiend geslacht) zich vlechten in het relaas dat Schlosser hem heeft gezonden. Met andere woorden: de op zichzelf staande gebeurtenis wordt geheven in de sfeer van zijne overtuigingen, opgenomen in het geheel van zijn ideeën, van zijn innerlijk doorlicht. Maar juist in die periode is zijn leven éen verdrietelijkheid:
Hij ziet zijn zuster weggaan, getrouwd met den kundigen, geletterden Schlosser. Hij is jaloersch. Hij voelt dat ook dit huwelijk ongelukkig moet zijn en voor Cornelia, zijn ondoorgrondelijke troosteresse, moet uitloopen op beschaming. Zij leek hem wel geschikt om een groot klooster te bestieren, maar niet geschikt voor huisvrouw.
Zijn teedere vriendin Urania sterft. Als hij op haar graf een gedenkteeken wil zetten, merkt hij dat men zijn verhouding tot deze lieve ziel ook al verkeerd heeft opgevat: waar vriendschap is praat de wereld van bezit; waar liefde verlangd wordt eischt de wereld, eischt de bekrompenheid van het menschenlot, ontzegging.
Hij ziet de onmiskenbaar loffelijke bedoelingen van zijn knappen vader mislukken en het gezin ondergraven; zoodat een angstvallig verzwijgen van zijn plannen een schijn van vrede en onderworpenheid moet bewaren. Maar kleine, laffe mannetjes ziet hij overal in zijn omgeving zegevieren.
De omgang met Maximiliane, de eenige die hem 't verlies van veelbegrijpende Cornelia eenigszins vergoedt, is hem ontzegd. Hij mag niet liefhebben zonder zich met schuld te beladen of zich voor zijn leven te kluisteren aan een zoogenaamde positie, een baantje bij het stadsbewind, waarheen zijn vader hem stuwt. Maar hij kan er niet toe besluiten, een tweederangs-advocaatje te blijven: hij weet dat hij wel een goed redenaar is, doch slechts een middelmatig jurist. Neen, op zijn natuurlijke dichtergave, het eenige dat hem "ganz eigen" toebehoort, dat door geen invloeden van buiten geholpen of gehinderd kan worden, wil hij zijn bestaan bouwen. Het besef zijner genialiteit legt hij zinrijk neer in _Adler und Taube_, en woest-tartend zingt hij het uit in _Prometeus_. Hij voelt dat men iets schoons slechts kan voortbrengen als men alleen staat; aan vindingskracht ontbreekt het hem niet. Maar.... hij moet als het op werken aankomt telkens weer van voren af tasten en zoeken. Hij gelooft--als vele ware dichters--dat hij geen _eigenlijken stijl_ heeft. Niemand kan hem helpen: Doctor moet zichzelf cureeren.
En als hij zich--nu toegeven aan zijn opwellingen hem is verboden en de wereld hem ergert--ten slotte tot zijn Ik keert, wordt hij ook in eigen innerlijk teleurgesteld. Reeds lang plaagt hem de traagheid van de taal en de stof, die hij wil vormen. Iedere dichterlijke overwinning verfijnt zijn eischen en toont hem dus opnieuw zijn onmacht. Zijn tweede lezing van den Götz, die zooveel zelfverloochening van hem heeft gevergd, verschrikt hem door zijn vormeloosheid. De toejuichingen van het publiek zouden wellicht zijn teleurstelling hebben verzacht, indien hij het publiek hooger hadd' kunnen schatten dan een "kudde zwijnen". De weinigen aan wier oordeel hij hecht laten zich minachtend uit over zijn drama. Zoo Herder, hoe zeer hij in stilte het stuk bewondert. Zoo Lessing, bezonken denker voor al, die door de middeleeuwsche gewelddadigheid van Götz in de war raakt en meent dat Goethe de darmen van een afgestorvene, met zand opgevuld, als koorden verkoopt. Zoo Frederik de Groote, die het stuk voor de inboorlingen van Canada wilde bestemmen en het noemde "une imitation détestable de ces mauvaises pièces anglaises" (Shakespeare!) en niet begrijpt dat men iets byzonders ziet in deze "afstootelijke onbenulligheid".
Van zijn jeugd af heeft hij neiging voor beeldende kunst. Hij oefent zich in etsen, boetseeren, schilderen. Maar zijn kleine succesjes troosten hem niet over zijn groote mislukking. Zijn willen noch zijn kunnen is geëvenredigd aan zijn groot verlangen.... "Ik zal vanmiddag voor het eerst 't oliepenseel ter hand nemen! met hoeveel nederigheid, ontroering, hoop, kan ik niet zeggen. Mijn verder Levenslot hangt zeer af van dit eene oogenblik".... De afgietsels van antieke beeldwerken, de reproducties van Rafael-koppen, die zijn dakkamer sieren, tergen hem!
Hij leeft uit een geestesstrooming die alle oude theorieën en dogma's verwerpt en met de in eere herstelde menschelijke rede een nieuwe wetenschap wil bouwen. En nu blijkt al wat de mensch uit eigen kracht kan weten hem onsamenhangend knutselwerk: "Ieder berusten in zekere uitkomsten van ons onderzoek is een soezerig zich gewonnen geven, waarbij wij de wanden, waartusschen wij gevangen zitten, met bonte gestalten en lichte verwachtingen beschilderen".
Natuurlijk is hij niet altijd zoo moedeloos: hij beoefent met passie het schaatsenrijden, dat, na de verschijning van Klopstocks IJs-oden een bij uitstek dichterlijk vermaak is geworden. Ook heeft zijn minbehoevend hart vaak behagen aan de sprakelooze, maar daardoor juist zoo overtuigende liefdeblijken van Cornelia's vriendin Gerock. Hij schrijft weer enkele overmoedige recensies voor de Gelehrten Anzeigen, bewerkt een te Straatsburg opgesteld concept tot de brochure: _Over de Duitsche bouwkunst van Erwin von Steinbach_,--die geestdriftig de Gothiek verdedigt. Verder schrijft hij een paar theologische tractaatjes, waarin hij zich (naar voorbeeld van Rousseau) achter een landgeestelijke verbergt; en die door hun trouwhartige verdraagzaamheid instemming vinden bij Lavater, den Zwitserschen profeet. Doch dit alles raakt niet de grondstemming van zijn gemoed.