Goethe: Een Levensbeschrijving
Chapter 3
Hij had tot dan toe in alle mogelijke "genres" gewerkt, omdat en zooals "men" het mooi vond; zijn onderwerpen werden hem, door vader of door zijn onderwijzers opgegeven. Juist doordat geen diepwortelende voorkeur hem aan een bepaalden stijl bond, juist doordat hij zich zoo vrij gevoelde tegenover zijn materiaal--het woord--juist daardoor kon hij als jongen verregaand bedreven zijn in vers-techniek. Hij wist wel te onderscheiden juiste verzen van foute verzen, maar niet schoone verzen van valsche verzen. Hij wist dat de vraag naar de normen van het Schoone hem eens zou verontrusten. Maar, alles wat hij onder vaders leiding deed als voorloopig en voorbijgaand beschouwend, had hij ze uitgesteld tot later. De vermaningen van deze hoofsche dame, denkelijk zoo zwaarwichtig niet bedoeld, betroffen de kern van zijn talent. Eensklaps besefte hij ten volle dat hij leege dichtstukjes had voortgebracht, vormen, wier correctheid doelloos was, omdat poëtische inhoud ontbrak; woordenpraal die onder het niveau bleef, waarop men zich om mooi of leelijk bekreunt. In hem hadden kunde en leven elkander nog niet bereikt.... En op een goeden dag smeet hij heel het pak dichtoefeningen dat hij van huis had meegebracht in den vlammenden keukenhaard.
Hij mòest echter zingen en hij zocht naar een inhoud, maar wie zou hem helpen. Zijn professoren in de letterkunde hadden geen begrip van aangeboren, niet aangeléérde, poëzie. In hun colleges werden de namen die hem lief waren nooit genoemd. Gottsched was een geslacht te oud, en voelde meer voor jeugdige vrouwen dan voor jeugdige dichters; Gellert vroeg hem teemend of hij wel trouw ter kerke ging, en wie zijn biechtvader was? Clodius was een rijmelaar, die kans zag in het kleinste gedichtje een tiental Grieksche goden en godinnen te huisvesten, doch dit van zijn leerlingen niet duldde; zonder te verklaren waarom. Wolfgang schreef meestal in verzen de hartstochtelijke gedeelten van zijn brieven en zijn opstellen--en dit waren zijn slechtste verzen niet--maar zijn leeraar verbood hem zulke ruwheid. Op het "Collegium philosophicum et mathematicum", dat alle studenten verplicht waren te volgen, werd de geest "duchtig gedresseerd en in Spaansche laarzen geregen". De meening van den jongen Goethe, dat een afzonderlijke wijsbegeerte niet noodig was, vond hier verdere bevestiging. De werkingen die ieders brein van jongsaf onbewust doch juist volbracht, zoo natuurlijk als eten en drinken, werden hier blijkbaar willekeurig ontleed; wat vroeger in eenen ging werd nu in drieën geprutst; Philosophie en levende Gedachte gingen hier elkander uit den weg.--Eens bleef Wolfgang uit de gehoorzaal teneinde bij een koekenbakker in de buurt de flensjes, die juist op het lesuur dampend en geurend uit de pan kwamen, te gaan nuttigen. Het beviel hem zoo goed dat hij voor zulke flensjes in 't vervolg zijn aanspraken op wijsheid liet varen.
Tegen 't einde van het eerste leerjaar trok hij zich volkomen ontnuchterd uit het academieleven terug. Mevrouw Böhme stierf en haar echtgenoot, die Wolfgangs caricaturen had ontdekt, wilde niets meer van hem weten; de overige hoogleeraren van middelmatige geleerdheid ook niet. Het gezellig verkeer smaakte hem niet. Zijn manieren, aangeleerd evenals zijn dichtkunst, gingen hem niet vlot af. In de comedie gaapten de menschen als hij bewonderde, en ze juichten toe wat hem tegenstond. Hij voelde dat de brieven, die Cornelia hem schreef, bijna geheel door den ouwen heer waren voorgekauwd of ingegeven, en hij dorst haar niet schrijven wat hem beklemde, sinds zijn vader hem zijn epistels, gecorrigeerd met rooden inkt en van taal-, stijl-, en schriftkundige aanmerkingen voorzien, terugzond.
Hij kreeg het eenzaam. Geen mensch begreep hem. En als iemand hem kon helpen, dan hij zelf. "De laurier die den dichter siert"--hij had ze voor zijn vertrek uit Frankfort zeer nabij geacht--was uit zijn gezichtskring geweken. In hem was ruime leegte, en een benauwend-vaag bewustzijn van eigen genialiteit, een nooit gekend plichtsbesef, dat hem dreef tot zoeken, mijmeren en alleen-zijn.
Hij dineerde met een stelletje studenten in de medicijnen en de natuurwetenschappen: hun gesprekken kon hij verdragen, hun kennis had tenminste tastbare werkelijkheid tot inhoud; en met het algemeene er van raakte hij langzamerhand vertrouwd. Maar het gebeurde dat hij dagen achtereen van tafel bleef. Dan lag hij ergens in een bosch bij een beekje te peinzen en te neuriën, kon zich geheel vergeten in de beschouwing van boom en plant, dacht terug aan het ouderhuis, aan zijn vrienden en de lieve meisjes die hij in Frankfort had gekend, aan den rustigen jongenstijd dien hij had doorleefd.... Maar plots herinnert hij zich dat dit alles niet terugkeert. Dan scheurt een schel wit licht de wazige woud-atmospheer vaneen, de golfjes van 't beekje gaan hem plagen, jagen hem voort. Hij kan zich niet wennen aan het idee dat hij verder moet, maar de twijfel maakt zijn bestaan van nu onhoudbaar.
In dezen tijd gebeurt hem voor het eerst wat hij later als een noodzakelijkheid zal leeren doorzien: Hij heeft gezocht een vaag ideaal en hij vindt--een vrouw die hem weergeeft aan het leven.
Hij heeft kennis gemaakt met den Frankforter advocaat Schlosser, een kalm en kundig man, die waarschijnlijk van den ouden Goethe opdracht had, bij gelegenheid een oogje te houden op den vreemddoenden zoon. Schlosser woont in bij den pensionhouder en wijnkooper Schönkopf, en Wolf gebruikt daar voortaan met hem het middagmaal, in gezelschap van enkele beschaafde, literair aangelegde heeren. Daar wordt dikwijls lang nagetafeld, en met de verdraagzaamheid, die een rustige spijsvertering teweeg brengt, onder het genot van de glaasjes wijn, door de aardige dochter des huizes geschonken, hooren die heeren onverstoorbaar elkanders meeningen aan en trachten zelfs het met elkaar eens te worden. In dezen kring, en niet 't minst door de ernstige toespraken van Schlosser, met wien hij nu dagelijks een paar uur verkeert, wordt mosjé (d. i. monsieur) Wolfgang dra de oude. Fransche en Duitsche, Italiaansche en Engelsche brieven vloeien weer uit zijn pen, zijn vrienden ontvangen weer ontboezemingen in welgemeten Fransche alexandrijnen, koddig en opgeschroefd nabrouwsel van Racine. Als Schlosser is vertrokken, kan hij van deze middagtafel niet scheiden: niet zoozeer om de spijzen als wel om de wijnschenkster. Want hij heeft zich binnen een week smoorlijk in haar verliefd.
Anna Catharina Schönkopf--hij noemt haar Antje, Annette of Kaatje--was drie jaar ouder dan hij. Aardig figuurtje, niet groot, maar flink ontwikkeld, open rond gezichtje; verstandig zonder geleerd te zijn, natuurlijk in haar manieren, altijd opgewekt, altijd gereed om een lastige aanbidder op zijn vingers te tikken; spotziek maar goedhartig,--zoo beschrijven haar Goethes vrienden. Hij zelf vond haar natuurlijk volmaakt, een engel; en ze had (meende hij) maar één gebrek, nl. dat ze hem beminde.
Immers hij wist dat hij haar nooit zou trouwen. Niet omdat het verschil in stand hem hinderde, ook niet omdat hij vreesde zijn vader te weerstaan. De reden lag dieper: Onophoudelijk drukte hem de plicht, zijn geestesaanleg ten volle uit te leven. Hij wist zich onvoltooid maar voor iets groots bestemd. Hij voorzag niet wat er uit hem zou worden, maar hij besefte dat hij niet mocht rusten, nergens wortel mocht schieten, voordat de leegte in hem was vervuld, voordat de scheppingsdrang in hem doel had gevonden.
--Toch kon hij geen afstand van haar doen. Zijn jeugd-krachtige hartstocht joeg hem telkens weer tot haar. Op hun liefhebberijtooneel speelden zij samen de verliefde rollen, en ze zongen samen, en zij begeleidde zijn fluitspel op het clavecimbel. En hij kon haar niet zien, of in zijn reeds overgevoelig gemoed ging de wroeging woeden; liet hij zijn verliefdheid gaan, dan bedacht hij daarbij dat hij een onvervulbare hoop in haar sterkte.
[Illustratie: KÄTHCHEN SCHÖNKOPF _Naar een miniatuur_]
En hij laat zijn verliefdheid gaan. Om ongestoord met haar te kunnen samen zijn, neemt hij list te baat. Hij maakt het hof aan een uiterst coquette maar leelijke juffer, schijnt zich aan de grillen van die juffer geheel te onderwerpen: kleedt zich overdreven modieus, stapt met afgemeten passen en uitgestreken tronie door Leipzig, begroet zijn vrienden met zoo comedianterigen praat, dat zij het geen kwartier met hem kunnen uithouden. En zoo vermoedt niemand iets kwaads als hij met Antje babbelt. Maar hij voelt het kwaad. Hij zou haar zoo gaarne gelukkig zien en neemt zich in goede oogenblikken voor, nooit haar ontrouw te worden, als hij haar niet eerst in de armen van een ander heeft aangetroffen. IJdele gelofte! In zijn ziel heeft hij haar reeds verlaten. Hij is overspannen genoeg om de reden daarvan in haar te zoeken: Hij bestookt het meisje met fijn-gesponnen jaloezie, verlangt van het meisje onweerlegbare bewijzen dat hij "de eenige" is. Weer alleen op zijn kamer zet hij zich tot diep in den nacht durende zelfkwelling; hij kent geen genot of hij misgunt het zich, ontleedt het totdat er niets van blijft.
Maar zij weet dit niet en zou het niet hebben begrepen. Zij raakt in de war en lijdt; ze moet toch altijd vriendelijk doen tegen de gasten.
En als ten tweede male over hun grillige liefde het voorjaar strijkt, vlucht hij de stad uit en vindt zich weêr onder de linde, waarin hij te voren haar initialen heeft gesneden boven de zijne. Ziet: de levenssappen van den boom zijn naar buiten gebroken en lekken als tranen door haar naam over zijn naam. Nauwelijks heeft hij dit beeld doordacht of hij snelt naar huis en smeekt haar om vergiffenis. Te laat. Zij heeft in stilte hare liefde weggeschreid....
Aan Schönkopfs tafel verschijnt geregeld een zekere Behrisch: lange, magere sinjeur met scherpe trekken en wel-verzorgde kleedij; gouverneur van een paar jeugdige graven, die te Leipzig studeeren. Het waarlijk-geniale in Wolfgangs optreden, dat zijn gelijken in ouderdom ontsnapt of door hen als aanstellerij wordt beschouwd, trekt de aandacht van dezen kern-echten zwijger, die de gewoonte heeft, zijn wereldwijsheid onder vormelijke manieren en langgerekte grappen te verhullen. Een biechtvader, zooals mosjé Wolf er een noodig heeft. Met cynischen spot verhaast hij het zuiveringsproces in den ontluikenden dichter. Valsche verzen die Wolfgang hem voorlegt neemt hij zoo bedrijvig onderhanden, dat dezen alle eigenliefde vergaat. Daarentegen is aan liederen die genade bij hem vinden een byzondere gunst beschoren. Naar den drukker mogen ze niet; maar hij copiëert ze zorgvuldig en geduldig met ravenvederen en oostindischen inkt, met sierlijke letters en uitvoerige vignetten, op zwaar papier. Men zegt dat hij die afschriften mee heeft genomen in 't graf....
Intusschen: Behrisch houdt van uitgaan en genieten; hij brengt Wolfgang bij meisjes die--als wij hem mogen gelooven--beter zijn dan haar faam; de romantische jongeling, balsturig om zijn vermoorde liefde, fuift mee en ontziet zijn lichaam niet meer. En als hij zich slap voelt, onderwerpt hij zich aan streng dieet en koudwaterbehandeling, zooals Rousseau ze in de mode heeft gebracht. Terwijl hij aldus "terugkeert naar de natuur" vernielt hij zijn gestel; zijn prikkelbaarheid neemt toe.
Spoedig moest hij Behrisch missen. Hij had in een oolijke bui een lofdicht op een in de studentenwereld beroemden koekbakker geschreven; een vriend had er een verlengstuk aan gehecht, zoodat het een parodiëerend hekeldicht leek op Prof. Clodius, en zoo circuleerde het onder de studenten. Dit bracht den vriendenkring in opspraak. De vader van de jonge graafjes kwam te weten in welk gezelschap zijn zoons verkeerden en ontsloeg Behrisch op staanden voet. Wolfgangs verontwaardiging uitte zich in drie "Oden", die vooral merkwaardig zijn om de huiveringwekkende beelden, waarmede de ongezonde atmosfeer van het gekunstelde en lasterende Leipzig wordt geteekend.
Maar nù kon de eenzaamheid hem drijven tot studie en arbeid. Hij verdiepte zich in Molière's tooneeltechniek en begon diens "Menteur" te vertalen. Uit Dodds "Beauties of Shakespeare" schitterde een nieuwe schoonheid hem tegen, en dit noopte hem nader kennis te maken met den Engelschen dichter, mede aan de hand van Wielands "verduitschingen" die toen juist verschenen. Hij waardeerde Shakespeare, zonder hem te begrijpen, en noemde hem zijn meester, wijl hij, voelend dat hij met een held in aanraking kwam, meer vertrouwen kreeg in zijn eigen begaafdheid.
Hij keerde al meer tot zichzelf in, en schatte zijn eigen persoonlijkheid het ware en schoone tegenover de onware buitenwereld. Om hem heen vond hij niets dat zich liet bezingen, en, daar hij toch zingen moest, "koos" hij--als had hij daar vrij zeggen over!--de rustigste momenten die zijn ziel doorleefde tot onderwerp voor zijn liederen. Zijn ervaringen, vooral zijn liefde-ervaringen, werden in de eenzaamheid lang overdacht en, van alle toevalligheid gezuiverd, neergeschreven. Maar als dan zoo'n ervaring, in korte, scherp gestelde verzen te boek stond, liet ze hem tot klaarheid met zich zelf komen, hielp ze hem de tegenstelling tusschen zijn Ik en de onware buitenwereld overbruggen met verstandelijke overwegingen. Zoo kregen zijn liederen een eigen, doelmatigen stijl, waarin 's dichters overleg tot ongemengde uiting kwam: Beginnend met de aanduiding van een tegenstelling, eindigen zij plots met een korten, scherp afgepunten zet, belichamend aldus de luchtige, eenigszins koude wereldwijsheid, waarmede Wolfgang zich verstandelijk troostte. Liet hij hier en daar--bijvoorbeeld in "Brautnacht"--zijn schoon verbeelden hartstocht ook dòorleven, deze heeft voor het eind van 't lied zijn toppunt bereikt en een veelbeteekenende grap toont dat Goethe zijn eigen warmte voornaam en rustig heeft doorstaan.
Men zegt dat deze liederen aan Fransche en Italiaansche voorbeelden herinneren, maar verzuimt te verklaren, waarom Goethe--die al zijn vroegere gedichten, naar bepaalde voorbeelden vervaardigd, eenvoudig in het vuur wierp--deze liederen ook in de latere uitgaven van zijn werk liet herdrukken: Vast staat dat déze vorm juist paste bij zijn blik op de dingen; hij hadd' hem dus, rusteloos zoekend, ook geheel op eigen initiatief gevonden, indien het buitenlandsche voorbeeld hem niet in dezen tijd had gevoerd tot de ontdekking van zijn _stijl_. Hier bereikte hij van beginne af het meesterschap. Van uitgave tot uitgave opgetoetst en ontdaan van persoonlijke elementen vinden deze liedjes ook voor zijn geoefenden smaak van later jaren genade.
Hun eigenaardige, in hoofdzaak telkens weerkeerende opbouw, de geleidelijke vervloeiing van hun geestesspanning, die maakt dat de lezer, eenmaal aan het einde gekomen, nooit aan 's dichters zelfbeheersching wanhoopt, de groote effecten, die met weinig middelen worden bereikt, het samenvallen van intellectueel en melodieus zwaartepunt--dit alles heeft in den loop der tijden verschillende componisten, waaronder Beethoven, aangetrokken: Muziek, heeft Goethe later gezegd, is het ware element waaruit alle poëzie ontspringt, en waarheen ze terugkeert. Kort na hun ontstaan reeds werden twintig liederen getoonzet door zijn vriend Breitkopf, een zoon van den Breitkopf die de noten-typographie uitdacht. Zij verschenen in 1769 onder den titel: _Neue Lieder_. Goethes naam is op het titelblad niet gemeld.
Zijn oude liefhebberij voor beeldende kunst meldde zich weer aan en hij ging de lessen volgen van Oeser, den directeur van de teeken-academie; een man die niet bestemd was om roem als schilder te verwerven, maar die als kunst-criticus en als onderwijzer uitmuntte. Aan hem had de vermaarde Winckelmann, de geleerde "hernieuwer" van de classieke kunst, zijn vruchtbaarste ideeën te danken. Hij kon Wolfgang, die geen eigenlijk teekentalent bezat, niet tot kunstenaar vormen, maar wel leerde hij hem: zijn oogen gebruiken. Zijn critiek, hoe grondig ook, ontmoedigde nooit. Hij bracht meer inzicht dan vaardigheid. Met geestdrift onthulde hij zijn genialen leerling het wezen der Grieksche schoonheid als _"edele eenvoud en stille grootschheid"_. Toen begreep Wolfgang dat geen jongeling een meester kan zijn en hij vermoedde--wat hij pas later eigenlijk begreep--dat men in de werkplaats van een kunstenaar meer kans heeft wijsheid op te doen, dan in de gehoorzaal van den philosoof. Dus niet alleen de dampende flensjes hielden hem van zijn studie!
Geheel in deze geestesrichting pasten Lessings leeringen: vooral de strenge besprekingen over de grenzen tusschen Poëzie en Schilderkunst, die Lessing aan beschouwing van de classieke beeldgroep Laokoon vastknoopte, maakten op Goethe, als op bijna iederen nakomeling, een verkwikkenden en verlossenden indruk. Toen als thans waren de preekende schilders en de schilderende dichters in zwang; en nu toonde Lessing aan dat de dichter, wegens de geaardheid van zijn materiaal, het woord, niet moet schilderen doch verhalen en breede schilderingen slechts langs een omweg behoort te geven; dat de schilder zich moet houden binnen de grenzen van het schoone, niet moet vertellen of beweren, doch zijn figuren moet te doek stellen in rustende houding: Beweging het element van den dichter, schoone rust het element van den beeldenden kunstenaar; en wilde de laatste een _handeling_ na-scheppen of een gedachte aanduiden, dan moest hij grijpen naar het zoogenaamde "vruchtbare moment"--zijn figuren een houding geven, waaruit viel af te leiden wat zij het volgend oogenblik zouden doen. Lessing bewees dan in zijn bescheiden boekje dat al wat wij in de Ouden, speciaal in Homeros, bewonderen volgens deze principes was opgezet.
In dien tijd beving Wolfgang onweerstaanbaar het verlangen, antieke beeldkunst aan zijn nieuwe inzichten te toetsen, en, zonder iemand van zijn omgeving te waarschuwen, reisde hij stilletjes naar Dresden, om daar het bekende schilderijen-museum te bezoeken. Hij had zijn naar voorbeeld gemaakte verzen voor niemand geheim gehouden, schreef zelfs vaak om zijn vrienden te bekoren. Maar zoodra er iets in hem omging dat de kern van zijn aanleg betrof, verborg hij het zelfs zijn besten vriend; daar hij zich dan helder bewust was, iets te veroveren dat nog niet had bestaan en de stoornis van hun overbodigen raad duchtte. Daarom ging hij nu ook in stilte naar Dresden. Twaalf dagen lang zwierf hij er tusschen schilderijen, en de portier, die 's morgens het museum opende, vond hem geregeld voor de poort op wacht. De Hollanders en de Vlamingen, realistische uitbeelders van forsche menschvormen, en ook de landschapschilders boeiden hem. Het gebeurde dat hij, de werkplaats betredend van den kernachtigen schoenmaker bij wien hij intrek had genomen, alles in donkerbruine kleurtonen zag, als stond hij voor een doek van Ostade. Maar hier ondervond hij de waarheid van zijn uitspraak, dat hij als jongeling nog geen meester kòn zijn: de schoonheid van de oud-Italiaansche stukken en de antieke beelden begreep hij wel, maar hij kon ze niet navoelen; hij nam ze aan op gezag. Zijn verstandelijke ontwikkeling was de ontwikkeling van zijn ziel vooruit.
Vandaar ook, dat scherpe critiek hem wel een oogenblik van de wijs kon brengen, maar niet blijvend. Zijn ziel werd er op den duur niet door gemoeid. En hij kénde het middel om de oppervlakkige evenwichts-storingen in zijn intellect te herstellen: Hij ging nu werken aan een aanklacht tegen--zich zelf, tegen den pluizenden, grilligen, vroeg-ouden menschhater, die de liefde van de frissche en goede Antje niet had gewaardeerd, en meer zekerheid had geëischt totdat hij alles had verloren, en begreep hoe dierbaar de vroegere "onzekerheid" hem was geweest. Hij had als kind een herdersspel gemaakt, zooals de Franschen die toentertijd in verre navolging van Tasso bij groote hoeveelheden fabriceerden; een spel zonder actie, waarin herders en herderinnen, zacht gekleurd en gloedglansend als porceleinen popjes, elkander zoetelijke papieren gedachtetjes over jaloezie, liefde en onschuld zeiden. Nù was hem de mogelijkheid gerezen, aan het spel een levenden inhoud te geven; en na diepgaande omwerking, waarover hij al weer het stilzwijgen bewaarde, kreeg het ongeveer den vorm waarin wij _Die Laune des Verliebten_ thans kennen:
--Twee minnende paartjes zijn op het tooneel tegenover elkander geplaatst, kransen vlechtend. Eridon en Amine lieven elkander hartstochtelijk, maar Eridon's naijverige grillen verstoren de vreugd al te vaak. De min van Lamon en Eglé is kalmer en niet zoo veeleischend, daardoor gelukkiger. Amine's danslust leidt tot gekibbel met haar prikkelbaren herder; vergeefs tracht Eglé haar weenende vriendin tot opstand aan te zetten. Dan besluit ze Amine door list te helpen: als deze naar bal is, lokt ze Eridon in haar armen, en bewijst daardoor metterdaad, hoe weinig hij het recht heeft, zijn trouwe herderinne door verwijten het leven te vergallen.
Wolfgang schreef zijn zuster dat dit stuk naar de werkelijkheid gecopiëerd was en zeker doen de goedige Amine en de grillige Eridon aan twee, den lezer reeds bekende, personages denken. Maar de typeering van Eridon, hoe scherp ook, is vergeleken bij deze werkelijkheid, niet compleet. De vraag dringt zich op, wat Amine eigenlijk aan hem ziet? Kaatje verdroeg Wolfs grillen zoo geduldig wijl ze bekoord werd door diens genialen overmoed; en deze juist ontbreekt Eridon.
Dit verwijst naar een grondtoon van Goethes dichterschap: zijn streven naar het universeele, d.i. het algemeen toepasselijke. Ongetwijfeld, al zijn werken, sedert zijn studententijd ontstaan, zijn "brokstukken van een groote biecht"; en zijn helden dragers van d'een of andere zijde van zijn eigen karakter. Maar--en dit zegt meer--de teekening van zulke karaktereigenschappen werd gaandeweg gezuiverd van alle individueele bijmengselen; zoodat ieder, hoe overigens zijn levensomstandigheden ook waren, mits zijn persoonlijkheid maar dezen trek bezat, er zich in kon weervinden. In _Die Laune des Verliebten_ is het hem niet te doen om den student Wolfgang, doch om den--hem onuitstaanbaar dunkenden-- ziekelijk-jaloerschen jongeling in het algemeen. En aangezien men niet bepaald geniaal behoeft te zijn om zijn meisje te plagen, werd de betooverende wildheid van het model weggelaten: Er zijn veel jaloersche jongelingen, doch er is maar éen prikkelbare Goethe.--In deze beschouwing ligt opgesloten, dat in het herdersspel de liefde van Amine ongemotiveerd is, en dat dus het heele stuk op losse schroeven staat. Maar hier is tevens een onderscheiding gemaakt, die de lezer wèl zal doen tot goed begrip van Goethes later leven in het oog te houden: Goethe wil twee karakters naast elkaar plaatsen, op elkander laten inwerken: _hoe_ ze tot elkaar komen,--daarover bekreunt hij zich allerminst!
Eenmaal aan het werk, ontwierp Wolfgang plannen voor een aantal stukken, waarin sommige levenservaringen, misschien zelfs reeds sommige bespiegelingen naar aanleiding van ervaringen, op soortgelijke wijze moesten verbeeld. Maar deze concepten werden niet uitgewerkt--omdat ze alle tragiesch eindigden. Dit beduidt niet dat Wolfgang het leven, zooals het zich nu eenmaal aan hem had voorgedaan, niet wilde zien; maar wel, dat zijn geest altijd uit was op _herstel_ van een verstoord geestelijk evenwicht, en voor iedere ramp instinctief een door diep inzicht gemotiveerden troostgrond zocht. Eerst als hij, al werkend, voor een bepaalde groep zielsverschijnselen zulk een troostgrond had gevonden, voelde hij zich er tegen opgewassen, kon hij als een verder ziend God zweven boven de werkelijkheid; eerst dan was het stuk "realiteit" _rijp_ voor bewerking. Hij besteedde een groot deel van zijn leven aan de _verovering_ van de hier aangeduide neiging, die hij van zijn moeder had geërfd.