Goethe: Een Levensbeschrijving
Chapter 29
Met Faust heeft Goethe uitgevierd den verheven kant van zijn wezen niet alleen, maar ook zijn trachten naar het caricaturale, het balletachtige, zijn zucht om op te treden als leider van een cotillon, als ontwerper en voor-rijder van een bar-comieken, phantastiesch-leerrijken allegorischen optocht bij fakkellicht: een neiging die hij vaak verdoemde maar niet blijvend overwon. De Faust-tragedie lijkt een subliem libretto voor een oratorium, wachtend op den onmogelijken componist, die met diep inzicht in de wordingsgeschiedenis van dit gewrocht de beeldende scènes er van naar voren rukke, doch er een massa fraaie en scherpzinnige bewoordingen door horden van tonen make onverstaanbaar, ze verwerkend in achtergrondsche stemmings-melodieën.
Zoo is Faust meer een probleem dan een welsprekend feit, en Goethes hoofdwerk is beroemd geworden, niet wijl men het begrijpt en bewondert; maar wijl men bewondert de scherpzinnigheid van de commentators, die het werk niet begrepen en juist daarom er zooveel geleerdheid over schreven. De lezer wete dat Goethe zich genoegelijk in zijn handen wreef, toen men in potsierlijke ernst ieder woordje van de reeds verschenen Faust-fragmenten ging "commenteeren". "Want (zei hij lachend) er staat zooveel onzin in, dat de keirels daar toch nooit meê klaar komen". De Faust-dichter was tè rijk om voortdurend zijn ziel in waardige lijdzaamheid te bezitten; hij is zich vaak overmoedig te buiten gegaan.
Maar ook de verklaarders: Op plaatsen waar niets byzonders staat, wist men de diepzinnighedens bij dozijnen aan te wijzen; de onverzoenlijkste tegenspraken tusschen brokken, die in verschillende levensperioden van den maker ontstonden, wist men te overbruggen. Maar op plaatsen, waar Goethe zich met genialen zwier had geweerd, ontdekte men esthetische fouten, zóo voor de hand liggend, dat Goethe ze zeker zou hebben weggestreken,--indien fouten het waren!
Er is in onzen tijd geen geestesstrooming of haar woordvoerders vinden in Faust van hun gading: materialisten en idealistische wijsgeeren; godloochenaars en vrijzinnige Christenen; socialisten en conservatieven; vegetarische natuurmenschen en propagandisten van het edele druivennat; luiaards en verheerlijkers van den arbeid: beroepen zich beurt om beurt op Faust. En al rukken zij wel eens een phrasetje uit haar verband, en al nemen zij wel eens ernstig wat Goethe sarcastiesch bedoelde, hij bekijkt het leven van zooveel kanten, dat partijgangers van genoemde en van nog vele òngenoemde richtingen volkomen terecht den Faust zouden kunnen citeeren--indien zij hem werkelijk lazen; wat wij minder grif beamen.
Want Faust behoort tot de boeken, die beroemd zijn zonder dat ze worden gelezen; van naprater op nababbelaar plant zich omtrent dit stuk een soort illuzie voort: dat het zoo geweldig is, en dat het zoo grootsch is, en dat het zoo realistiesch is.... Maar menigeen die het, afgaand op wat hij had hooren zeggen, ter hand nam, bevond zich volstrektelijk teleurgesteld door de schijnbaar taaie en koude verzen; door de symboliek, die men wel als zoodanig onderkent, maar toch niet ontcijfert; en door het gebrek aan eenheid. Hij, die in onzen materialistischen tijd het eerste deel volkomen kan meegenieten, is waarschijnlijk niet genoeg doorgedrongen in de "classieke oudheid", om uit sommige figuren van het tweede deel meer te maken dan bizar klinkende namen. Aan het eerste deel ligt een noordsche, aan het tweede een zuidelijk-classieke wereldbeschouwing te grondslag; en bij slechts weinigen zijn deze twee wereldbeschouwingen zoo aan elkaar verknocht als bij Goethe. Dit nu is het geniale maar ook het hinderlijke in het boek, dat deze onderlinge verknochtheid van twee uiteenloopende wereldbeschouwingen er als _van zelf sprekend_ wordt aangenomen!
Voelt men zich door bewondering voor sommige gedeelten genoopt tot ernstige studie van de Goethe-literatuur, dan treedt na jaren het oogenblik in waarop men meent, ieder woord in Faust te begrijpen. Maar als men zich dan niet "ruhig auf ein Faulbett" legt, zal men gaandeweg weer zijn houvast verliezen en moeten toegeven, dat er aan de eenheid in dit meesterwerk inderdaad iets ontbreekt.
Wel te verstaan: men zal dit nooit in het openbaar zeggen, want dan zou men velen zien opstaan die beweerden: Maar ge hebt het èchte er van ook niet gesnapt! Om dit te beweren behoeft men zelf dit "echte" niet te weten. Men vertrouwt op de boekenkast vol.... ongelezen commentaren, waaruit men zoo noodig gemakkelijk en gemoedelijk eenige grepen zou kunnen doen; indien men tot nadere verklaring werd uitgedaagd. Maar het gevaar is niet groot, want--wie uitdaagt schijnt te erkennen, dat hij het zelf niet weet. En zoo blijft een groote groep Goethe-bewonderaars in het duister tasten, met behulp van een zekere onoprechtheid die onder deze heeren regel is geworden. En Goethe had het recht in zijn Zueignung te klagen:
Mein Lied ertönt der unbekannten Menge, Ihr Beifall selbst macht meinem Herzen bang....
Uit deze (voorloopig rhapsodischen) blik op de wordingsgeschiedenis en de reputatie van de Faust-tragedie volgt:
dat wij niet gelooven aan het bestaan van een logische, organische eenheid van toon, van bouwstof, van handeling--die Faust zou hebben gemaakt tot een onberispelijk meesterwerk;
doch wel aan een eenheid, die voortspruit uit een goed begrip van de functie, die Faust in Goethes leven vervulde.
Voor een ideaal kunst-ideaal is de Faust-als-geheel mislukt en vandaar ook dat hij niet _uit zich zelf_ kan worden begrepen. Maar aan den anderen kant zou het misschien jammer zijn, indien de Faust even smetteloos-klaar ware geworden als de Iphigenie, wijl de vele onregelmatigheden en dissonanten, die wij er aantreffen, ons het onstuimig-worstelende in den levensgang van den Held zoo intens doen voelen. Goethe wist, dat heel ons bestaan is een aaneenschakeling van triumphen en instortingen, en hij drukte dit gaarne uit met de beeldspraak: Zelfs ons loopen is een reeks van vallen.
En de heerlijke elementen waaruit deze tragedie is opgebouwd, en die mij--na wel twee dozijn nauwlettende lezingen--doen zeggen dat Faust het schoonste literair kunstwerk is dat ik ken, laten zich zeer wel genieten door den lezer die den sleutel bezit.
II
Hier volgt, voor hen die de voorafgaande bladzijden verwerkten, deze sleutel:
Aanvankelijk voelt Goethe overeenkomst tusschen zijn streven en het beeld, dat de Faust-sage in hem afgeeft. Hij besluit, gelijk boven reeds werd vermeld, twee bepaalde levenservaringen in deze sage "op te bergen". Hierbij voegen zich later vele andere ervaringen, die met de oorspronkelijke inspiratie oogenschijnlijk geen verband houden. Maar er eigenlijk wèl verband mede houden: het zijn de ervaringen die één en dezelfde man zich maakte. De eenheid in de Faust-tragedie is.... Goethes levensloop.
Het Godsverlangen van jongen Wolfgang; de ontnuchtering van mosjé Goethe, den Leipziger student; de herleving van zijn vroomheid na langdurige ziekte; zijn alchimistische werkplaats, waar hij probeert maagdelijke aarde te maken en het wezen der dingen uit te koken; zijn kennis van boeken over toovenarij, die men tegenwoordig niet meer leest; zijn begrijpen dat de Natuur zich haar geheimen niet "mit Hebeln und mit Schrauben" laat afpersen, voor zoover ze die niet aan onzen Geest openbaart; het vinden van die geheimen in de Kunst (Shakespeare, die met goddelijken mond 's menschen Lot verkondigt); zijn besluit om zich te werpen in de vloeden van het Noodlot, teneinde daar te zoeken wat hij noch in boeken noch in laboratoria vond; zijn minachting voor alle op zich zelf staande wetenschappen; zijn vertrouwen op zijn intuïtieve kenbron; zijn liefde tot Friederike, waaruit louterende, hem tot dichter wijdende kwellingen voor hem ontstaan; zijn verblijf aan een hof, alwaar hij door krachtige daden tracht een volk en zich zelf geluk te veroveren; zijn wanhoop, dat de juweelen des hemels zich niet in vorstenkronen laten vatten; de herleving van zijn dichtergave, die hem nu menschenliefde, wetenschap, daadkracht is geworden; het "huwelijk" van zijn geest met den Geest der antieken (Helena); zijn afkeer van politieke idealen, inzonderheid van de Fransche revolutie; zijn belangstelling in al wat rechtstreeks den rijkdom van een volk verhoogt, zooals de ontwikkeling van industrie en verkeer; het pijnlijk besef dat de vooruitgang over lijken gaat; zijn geloof in het demonische; het evangelie van de zelfoverwinning; de bevrijdende macht die hij aan reine vrouwen toeschrijft; de zekerheid dat hij, die tot het laatst toe godvallig werkt, onsterfelijk is;--zie hier enkele ervaringen en inzichten, die Goethe in deze tragedie wilde opbergen.
Of de oude sage daarvoor ruimte genoeg bood?
De lezer weet reeds dat Goethe aan de historische gegevens, die hij zei te bewerken, meestal niets heel liet. De legende, waarvan hier sprake, heeft hij omgegoten naar zijn behoeften. Dat wil zeggen (waaròm, zij aanstonds gestaafd) naar de behoeften van zijn Tijd.
III
Faust heeft "werkelijk" bestaan, maar dit doet niet ter zake: de volks-phantasie was gedrongen, zich een Faust te scheppen, en heeft hem zooveel wonderlijks toegedicht, dat men veilig mag beweren: de pronkzieke toovenaar, zooals wij die uit de legende kennen, is een verzinsel en lijkt niet veel meer op zijn naamgenoot; welke in den tijd van de Hervorming heeft geleefd, en zich heeft verdaan aan denzelfden duivel, die van den bijbel-vertalenden Luther een inktpot naar zijn kop kreeg.
Het was destijds niet ongewoon dat de duivel geleerde menschen bezocht: immers alle geleerdheid, die niet uit God kwam (_d. i._ die niet berustte op de scholastieke wijsbegeerte), kwam van den duivel, en hieruit volgt reeds dat Maarten Luther vooràl zich reddeloos aan den duivel had verkwanseld, wat hem dan ook tot gruwelijke abominaties bracht, als daar zijn: bijbelvervalsching, en zijn huwelijk met een non.
Doch de mannen die door hun zwart-helsche wetenschap de dooden konden wekken uit hun graf, die goud konden maken, die de gevaarlijkste ziekten konden bezweren (mits de patiënt zich maar aan den duivel gaf)--die wonderdoctors van de Renaissance.... och arme! ze kenden heel de wereld en den hemel bovendien, ze kenden vreemde kruiden en gedierten, kenden natuurlijke en bovennatuurlijke krachten; ze wisten ook dat ze steeds voort moesten zoeken (de spreuk: Kennis is macht!, nu een gemeenplaats, was toen een evangelie), maar ze wisten niet, wat met hun geleerdheid te beginnen: "Wat ze wisten konden ze niet gebruiken, en wat ze noodig hadden dat wisten ze niet". Ze waren met al hun kennis arm, want ze begrepen hun kennis niet. Ze hielden de stukken in de hand (zegt Goethe) en alleen--de geestelijke band, die van al die stukken een geheel moest maken, ontbrak.
Deze Faust, door het gemeene volk benijd, was in wezen een arme drommel. De wonderen, die het volk gapend bewonderde, hadden voor hem geen glans. Zijn geest deinsde terug voor niets. Hij was radicaler dan Luther (want die hield zich aan zijn verzoenenden Bijbel); hij onderzocht in zijn laboratorium alles, ook het heiligste. Maar nu was niets hem meer heilig, en van de "twee zielen die er leefden in zijn borst" bleef er een onbevredigd. Hij snakte naar geopenbaarde kennis, zooals Goethe verlangde naar het intuïtieve weten, dat Spinoza hem zou leeren verstaan als voor-besef van de heele schepping. Door toe te geven aan zijn wetensdrang had hij het geluk verbeurd, dat bestaat in aangeboren Godsvrucht, en critieklooze onderworpenheid aan de indrukken van de wereld die den mensch omringt. Hij had zich niet aan den duivel verkocht maar zou het--daar zijn leven zóó hem niets meer waard was--gaarne doen; indien hij daardoor zou kunnen ontdekken wat er na dit leven komt, en misschien dan ook: hoe dit leven vastzit aan de goddelijke natuur; om aldus te doorleven één oogenblik, waarin niet zijn ontoereikende kennis in tegenspraak kwam met Gods wijze werkelijkheid; één enkel oogenblik van ware harmonie, een oogenblik dat hij zou wenschen vast te houden.
De onvrede van den radicalen renaissance-mensch moest weer opkomen in Goethes tijd; moest in dien tijd algemeen worden, daar immers het verzoende Christendom voor goed scheen verdreven door De Wetenschap of door de kerkschheid. Opnieuw zocht men oplossing in een terugkeer tot de natuur, in een onbekrompen uitviering van alle neigingen en instincten, die voorheen door geloof of conventie waren bedwongen. Zoo is de geest van de Sturm-und-Drangperiode verwant aan den geest van de renaissance. Maar terwijl de oproerige Duitsche jongelingen overdonderd werden door het rumoer van hun eigen orgieën, zat de student Goethe te tobben met de problemen die den Faust-figuur hadden gekweld. Hij schreef zijn Werther: een waarschuwing voor hen, wier willen en begrijpen niet was geëvenredigd aan hun geweldige maar onbestemde verlangens. Hij peinsde reeds over zijn "synthetiesch" _d. i._ intuïtief natuuronderzoek. En hem boeide nu Faust, die in een luguber poppenspel door de eeuwen heen tot hem was gekomen.
Indien iemand de Faust-legende ten einde kon brengen, dan hij. Wat de Faust, zooals de volks-phantasie hem had gemaakt, verlangde: het oproepen van dooden, etc.; of wat de kinderachtige Faust van den Engelschen dichter Marlowe wenschte: alle schatten, die de groote ontdekkingen van zijn tijd ter beschikking van den mensch hadden gebracht, bewijst hoe weinig deze Faust eigenlijk op de hoogte was van wat hij eigenlijk zocht. Wie het wezen der dingen zoekt, wie een _levensroeping_ zoekt, den eigenmachtigen, van alle dogma's bevrijden man waardig, die moet natuurlijk ten grònde gaan als hij zich laat bedotten met rijkdom, mooie vrouwen, wijn, en kinderachtige goocheltoertjes.
Hier is nu het punt, waarop Goethe de legende moest wijzigen. Hij was optimist, zooals vele grooten van zijn tijd optimist waren. De mannen van de Fransche revolutie meenden ook, dat alles nog goed kon worden op aarde (wanneer een heer meedoet aan een revolutie, dan doet hij dit niet om het directe doel, al beweert hij het). Doch ze zochten het, aldus Goethe, in het uiterlijke. Maar zij die, gelijk Goethe en Hegel, wisten dat de "kern der natuur in het menschenhart leeft", zij konden niet wanhopen aan de oplossing van problemen, die de mensch zelf zich stelt. Wat Goethe in zijn jeugd tracht te bereiken (wij hebben het ter plaatse aangeduid): een bevredigende oplossing van het tragische, d. i. de bekrompen machteloosheid van den mensch tegenover de geheimzinnige natuur; dat wilde hij in den Faust verwezenlijken. Faust moest dus niet een prooi worden van den duivel, doch leven zooals Goethe trachtte te leven: hij moest zich door godgevallige kunde en door zelftucht bevrijden en opgaan in het groote Geheel, de menschheid; de menschheid begrepen als deel van het Heelal.
De Faust uit de legende was een verzinsel van de volks-phantasie, een afspiegeling van wat "men" omtrent een man van de wetenschap dacht. Hij is dus een algemeen verschijnsel voor den kenner van die tijden, maar voor het volk was hij een alleenstaand geval. Voor Goethe echter was Faust geworden een voorbeeld, een voorbeeld van het menschelijk leven, en daarmede een symbool. Schrijvend aan het eerste deel, had Goethe de historische figuur nog voor oogen, en die historische figuur, een man van vleesch en bloed, kon--door de eigenaardige wijze waarop de dichter hem voorstelde--mede als symbool begrepen worden, als symbool van het menschelijk leven. In het tweede deel heeft Goethe hem helaas in hoogere sferen gehangen; Faust is er een symbolieke schim geworden, die zich niet meer laat vatten als man van vleesch en bloed.
Maar als de Faust-legende niet meer is een wonderverhaal, waar blijft dan de duivel? Goethe heeft den duivel reeds in de eerste bewerking afgedankt. De geest, dien Faust oproept, is de aardgeest, dat wil zeggen: de innerlijke kracht der natuur, de bron des levens. En Mephisto is er een scherpzinnig, sarcastiesch aangelegd man,--een echte Merck--die de zuchten van Faust begrijpt en ze op zijn kwetsende wijze--maar met beste bedoelingen--vertolkt. Eigenlijke wonderen verricht hij niet. Hij staat Faust ter zijde, leert hem onbezorgd leven. En als het naïeve Gretchen de dupe van de historie wordt (evenals Friederike), dan beduidt dit geenszins dat Faust een ploert, dat Mephisto een slecht raadsman is. Het is een gevolg (zoo geloofde Goethe) van 's menschen onvolmaaktheid: men kan zich hier op aarde niet bevrijden, zonder de menschen, die men lief heeft, van zich te stooten. Trouwens, de schrikkelijke ellende die Margareta in de thans bekende tragedie treft--haar gevangenschap, haar onthoofding--komt in de eerste lezing nog niet voor.
IV
Toen Goethe zoover was gekomen, begreep hij dat zijn reeds ontworpen Gretchen-verhaal niet kon bevatten al de wijsheid, die hij in dit werkstuk wilde neerleggen. En nu schreef hij zijn "Voorspel in den hemel", dat het gebeuren terstond op een breeder grondslag zet, en voelbaar maakt dat het met Gretchens ondergang nog lang niet voltooid is:
Gelijk in het eerste hoofdstuk van het boek Job, houdt Satan hier een vertrouwelijk gesprek met God. Dergelijke gesprekken worden in de middeleeuwsche mysterie-spelen (door geestelijken vervaardigd) herhaaldelijk vertoond, en de woordkeus is er nog heel wat menschelijker en realistischer dan bij Goethe. Zij die het Goethe kwalijk nemen, dat hij Mephisto laat mompelen: Het is toch wel leuk van den Ouwe, zoo menschelijk met den duivel-zelf te verkeeren!, ontmoeten geen instemming bij hem, die van deze Katholiek-Christelijke literatuur iets weet. In bedoeld gesprek prijst De Heer "zijn dienstknecht Faust" als een ijverig zoekend man, die zich in de duisternis van zijn streven toch bewust blijft van het goede, zij het ook waar, dat hij dwaalt, zoolang hij streeft (nog niet heeft "gevonden"!). Spottend beweert Mephisto dat God dezen dienstknecht op den duur zal verliezen. En God, die den ganschelijk van God verlaten duivel voor hemelsche argumenten ontoegankelijk weet, wil hem nu door feiten overtuigen: hij gaat op 's duivels verlangen kalm een weddenschap aan, dat deze Faust op den duur niet in zijn macht zal houden, al heeft hij volle vrijheid, hem in te blazen wat hij wil.--En nu blijkt, waarom de Heer zich de spotternijen van den Booze met zooveel gelijkmoedigheid laat welgevallen. Mephisto, deze geest die steeds ontkent, is gedwongen, het Goede te weeg te brengen, terwijl hij het Slechte wil. 's Menschen geestkracht zou verslappen indien hij niet door vernietiging van zijn pogen en door verzoeking aanhoudend werd geprikkeld: daarom is Mephisto den mensch toegevoegd. Deze maakt dus deel uit van Gods wereldplan. Hij moet in den mensch--ook in Faust--vruchteloos trachtend hem in 't ongeluk te storten, de goddelijke vonk telkens opnieuw doen ontgloeien. Zoo heeft de booze zijn plaats in de eeuwig wordende en evolueerende schepping, en toch op den duur géén plaats.
V
Als Faust den boven beschreven geestestoestand heeft bereikt, en reeds op het punt heeft gestaan zich te vergiftigen, teneinde spoediger te weten wat er "aan gene zijde" is, is hij rijp voor aanraking met Mephisto, en deze verschijnt dan ook weldra, onder eigenaardige bijomstandigheden, die hier buiten beschouwing blijven: Door zijn Proloog in den Hemel heeft Goethe zich bij voorbaat ontslagen van de taak, allerlei bovennatuurlijke en tooverachtige uiterlijkheden te motiveeren; als hij maar zorgt voor een juiste ontleding van de geestesprocessen in zijn personen, dan zorgt De Heer in verbond met Mephisto voor de rest.
Het is Mephisto's roeping, zich in te spannen en steeds teleurgesteld te worden. Hij heeft in den loop der eeuwen genoeg tegenvallers beleefd om Fausts zorgen, welke hij (blijkens zijn onmenschelijk-ironiesch gesprek, met een student die bij den wereldberoemden Faust les wil nemen) volkomen peilt, niet ernstig te nemen. Er wordt tusschen hem en Faust alras een verdrag gesloten dat beide partijen voldoet. Het voldoet Faust omdat deze gelooft: al zwerf ik, smartelijk genietend, ook heel de wereld door, al zal ìk alleen in mijn boezem ondervinden wat de heele Menschheid is toegedacht: nooit komt het oogenblik van harmonie, dat ik zal wenschen vast te houden omdat het zoo schoon is.... Het voldoet Mephisto omdat hij verwacht, den wel geleerden maar onervaren Faust in zingenot te doen ondergaan, m. a. w. het animale in Faust te doen overheerschen, zoo sterk, dat hij van zijn intellectueelen onvrede al minder gewaar wordt, en in deze tweede jeugd, in deze voluptueuze kindsheid, met zijn verdoofden geest gelooft, dat hij eindelijk in overeenstemming is geraakt met de buitenwereld.
Maar--Mephisto wordt teleurgesteld. De malle dronkemansgrappen, die hij Faust in Auerbachs kelder te genieten geeft, maken op dezen geen indruk. Nu laat hij hem een tooverdrank slikken. Faust wordt een mooie, volbloedige jonkman, en in de nabijheid van Margareta geleid, voelt hij aanvankelijk niets als wulpsch verlangen naar het mooie kind. Maar nu brengt Mephisto, bijna zeker van zijn triomf, hem in aanraking met het meisje, zoo argeloos als men ze slechts in Katholieke landen aantreft. En ziet: Fausts zinnelijkheid zet zich om in liefde, het goede overwint. En opnieuw trekt de verleider Faust naar beneden. In een duel met Margareta's broer Valentin verlamt hij den arm van Fausts tegenstander; deze wordt gedood en Faust moet vluchten, Gretchen in kommerlijke omstandigheden achterlatend. Nu voert de duivel hem naar den Blocksberg, waar de heksen in gierende welluststuipen het heidensche eerste-Meifeest (Walpurgisnacht) vieren. Hij leert hem de meest afzichtelijke vuiligheid (dit gedeelte heeft Goethe uit de tragedie gelicht; het is te vinden in de Paralipomena) doch als Mephisto gelooft, Faust van zijn oerwezen te hebben vervreemd, ontwaart deze in zijn verbeelding: Margareta, met bijeengebonden voeten, en om 't halsje een bloedig snoertje, fijn als de snee van een mes. Hij weet niet dat Gretchen, die haar moeder en haar kindje heeft vermoord, op het punt staat onder beulshanden te sterven, maar hij bevroedt dat hij haar diep ongelukkig heeft gemaakt. De Xeniën-warrelwind die Goethe-Mephisto op hem blaast (Oberons gouden bruiloft) vermag hem niet te verstrooien: op het beslissende oogenblik is de geliefde Gretchen zijn reddende engel geweest. Want nu beveelt hij Mephisto, die immers nog zijn dienaar is, hem bij de verlossing van het ongelukkig schepseltje behulpzaam te zijn. Hij beveelt hem dit in zwaar proza, dat, plotseling opkantelend te midden van de welgemeten verzen, den lezer doet beven. En weer moet Mephisto gehoorzamen, want Faust heeft berouw, is dus nog zich zelf. Hij brengt Faust 's nachts in den kerker--waardoor hij zelf in gevaar komt, wijl zijn bloedschuld nog op de stad rust. De smart van heel de menschheid grijpt Faust aan, nu hij Margaretha ontredderd en verdwaasd op het stroo ziet zitten, zingend zinnelooze liederen, zooals een modern psychiater, begaafd met veel phantasie en impressionistische dichtermacht, ze den intuïtieven Goethe niet zou verbeteren. Faust wil haar uit het hol leiden, de poort staat open, Mephisto wacht met tooverpaarden. Maar schoon ze aanhoudend om haren Heinrich roept, kan ze het in haar hysterische helderziendheid niet van zich verkrijgen, zich aan de menschelijke gerechtigheid te onttrekken. Ze aarzelt totdat de morgen grauwt, en Mephisto voor eigen veiligheid wordt beducht. Met een bulderend "Her zu mir" rukt hij Faust van haar zijde. "Zij is veroordeeld" roept hij, terwijl hij met Faust verdwijnt. En op dat "ist gerichtet" klinkt uit den hemel als een echo: "Gerettet". Gretchen, uit haar aardsche lijden verlost, tracht vergeefs met heur stem haar minnaar te bereiken. Zij verstaan elkaar niet meer.--Zoo eindigt het eerste deel.
VI