Goethe: Een Levensbeschrijving
Chapter 28
Men heeft uit dezen schertsend-hartstochtelijken beurtzang wel eens afgeleid, dat Goethe zijn levensgeloof--"de persoonlijkheid het hoogste"--na zijn zestigsten verjaardag heeft vaarwel gezegd; deze "bekeering" dan uitsprekend in de mededeeling dat Hatem (men weet nu dat deze niet Goethes evenbeeld is, en in zijn ernstigste momenten nog schertst) zijn hoogste geluk in Suleika slechts vindt. Voor zoover deze opvatting niet reeds door het betrokken gedicht in zijn geheel genomen, èn door de daarná voltooide Faust-tragedie wordt weerlegd, zij hier nog dit opgemerkt: Goethe heeft in dien tijd verkondigd, dat de sluier van aardsche liefde voor hem.... iets hoogers scheen te verhullen; en dat hij in de liefde eener vrouw de bode zag van de liefde Gods. In verband met hetgeen vroeger door ons over het begrip persoonlijkheid werd geboekstaafd, moge den lezer nu naar genoegen blijken, dat in den Divan on-ernstig en in Oostersche zeggingswijze door Goethe opnieuw (maar met een tintje spot wegens zijn leerstelligheid) het oude levensgeloof wordt uitgesproken.
Natuurlijk was het echt iets voor Goethe, om zijn kennis van het Oosten in een dik deel commentaren nog eens te luchten, en erg trotsch te zijn op de Arabische krulletters, die hij over het titelblad had getrokken.
* * * * *
Bij zijn thuiskomst weer een doode: Christiane gaat sterven. De pas zoo vroolijke man ligt geknield voor haar ziekbed, haar koude handen in zijn handen drukkend, eentonig kermend: "Neen, neen.... je zult me toch niet verlaten!"
En ze verliet hem, en er kwamen ridderlijke vrienden, die beweerden dat dit voor den ouden man een heele opluchting was. Hoe beschamend voor deze edelen klinkt de strophe, die Goethe neerschreef op Christiane's stervensdag:
Du versuchest O Sonne vergebens Durch die düstern Wolken zu scheinen! Der ganze Gewinn meines Lebens, Ist ihren Verlust zu beweinen:
Vergeefs beproeft ge, o zonne, door de troebele wolken te lichten, de winste van heel mijn leven, is het verlies van haar te beweenen.
Het geurend woudbloempje, naar een stille plek overgeplant opdat de dichter van haar geur mocht genieten zonder haar te breken, was dan eindelijk toch verwelkt!
Gaarne verwijlt de geschiedschrijver bij deze "martelares van het geluk".
* * * * *
Enkele maanden te voren had Goethe naast den hertog gestaan, toen deze, bij de verdrijving van Napoleon Groothertog geworden van een ruimer gebied, zijn volk een grondwet gaf. Er werd bij die gelegenheid een ietwat moderne volksvertegenwoordiging ingesteld, Goethe werd gedecoreerd met de Falk-orde, zijn tractement werd verhoogd tot drieduizend Thaler plus toelage voor équipage. Hij was nu bijna een halve eeuw lang de tweede man in den staat geweest, en het wilde er bij hem niet in, dat hij aan een veelhoofdig lichaam, aan menschen die de kunst van het regeeren niet hadden geleerd, verantwoording schuldig was: Hetgeen hij in een grimmige bui te kennen gaf, door aan den landdag de volgende rekening voor te leggen: "Ontvangen zooveel, uitgegeven zooveel, in kas zooveel, Goethe". Ook achtte hij het zeer bedenkelijk dat er nu persvrijheid kwam: hij oordeelde de pers een te gevaarlijk wapen in handen van eenzijdig-ontwikkelden, die wel de pen met mooi vertoon konden voeren, doch van zaken-doen geen ervaring hadden. Hij behield zich dan ook het recht voor, om tegenover persvrijheid, zijnerzijds niet-leesvrijheid te stellen, en hij zuiverde zijn eigen geschriften van--revolutionaire toespelingen, daar hij de gisting onder de studenten en de intellectueelen niet wilde aanwakkeren. Hij betoonde zich overigens van zìjn standpunt gematigd: zoo werd een hoogleeraar, die de grondwet scherp had aangevallen omdat ze _z. i._ niet ver genoeg ging, in zijn functie niet bedreigd; wel werd zijn tijdschrift bedreigd, doch pas later, toen het tot een uitbarsting was gekomen, verboden.
Deze uitbarsting was het befaamde feest op den Wartburg, ter herdenking van den slag bij Leipzig en van het derde eeuwfeest sedert de hervorming, toen de Duitsche Burschen onder leiding van hun professoren het zoo bont maakten, dat de naburige mogendheden zich er over bezwaard zeiden. Goethe, die dit had voorspeld, voelde wel eenig leedvermaak, daar Kotzebue-zelf tot verrader des vaderlands werd gepromoveerd, maar toen deze door een dweepziek student werd neergestoken moest hij wel ingrijpen.
* * * * *
Voor hem werd het tijd om zich terug te trekken uit het openbare leven. De hertog maakte hem den terugtocht makkelijk door hem in een nàrrige bui--waarvan hij terstond maar te laat berouw had--uit de functie van tooneelleider, die hij sedert zijn terugkeer uit Italië met opoffering van veel kostelijken tijd had waargenomen, te ontslaan: Goethe, die zich alle moeite had gegeven om te Weimar een echt Duitsch tooneel te stichten, had nl. geweigerd een gedresseerden hond te laten optreden, en Carl-August, die een liefhebber was van honden, had toen zelf toestemming gegeven, waarop Goethe de stad had verlaten. Goethe liet het erbij. Hij wist zijn laatste levensjaren tòch wel te besteden! En dat de verstandhouding tusschen de twee mannen niet blijvend geschokt was door die eene driftbui, dit bleek toen er te Weimar werd gejubeld.
Het begon met Carl-Augusts gouden regeerings-jubileum en gouden bruiloft. Goethe was de eerste die de groothertog feliciteerde, en bij die gelegenheid, 's morgens om zes uur, beloofden de vorst en zijn eerste dienaar elkander, dat ze samen zouden blijven tot den laatsten ademtocht. En vlak daarop de feestelijke herdenking van Goethes aankomst te Weimar. Door gezang werd de dichter uit zijn slaap gewekt en door 't veelzeggend tikken van de klok uit het ouderhuis, die een bewonderaar had opgespoord. Zijn huis stond vol bezoekers. Carl-August had een gouden gedenkpenning geslagen, en een proclamatie uitgevaardigd, waarin hij Goethe, den man die hem in al de moeilijkheden des levens was gevolgd, het schoonste sieraad van zijn regeering heette. Er was een gala-voorstelling van Iphigenie en een pracht-uitgave van Iphigenie en heel het Frauenplan (waar Goethes huis lag) illumineerde dien avond. De burgemeester kwam een oorkonde brengen, die aan Goethe en aan al zijn nakomelingen van het mannelijk geslacht het eere-burgerschap van Weimar verleende. De medische en de philosophische faculteit van Jena benoemden hem tot doctor honoris causa; hij kreeg het recht, naar eigen inzicht twee philosophische doctorbullen uit te reiken, en bedacht toen in de eerste plaats zijn secretaris Eckermann. Een pas-ontdekte plant en een pas-ontdekt mineraal werden naar Goethe benoemd.
* * * * *
En op zijn vier-en-zeventigsten jaardag danste de grijsaard met zijn rose gelaat en zijn groote schitterende oogen nog als de beste. En hij was zoo verliefd op een meisje van twintig, Ulrike Levetzow, dat de groothertog tot tweemaal toe namens zijn minister haar hand ging vragen. Van het huwelijk kon niets komen, doordien het meisje zijn aanzoek ontweek, en zijn zoon--die den ouden man niet meer begreep--hem onder hevige scènes van dien stap terughield. Hij trok het zich zoo aan, dat hij er ziek van werd, en in Mariënbader _Elegie_ klinkt zijn smart dieper en warmer dan ooit in zijn jongensliederen.
[Illustratie: _a_ GOETHE. _b_ GROOTHERTOG CARL-AUGUST (bij hun 50-jarig jubileum) _naar de teekening van H. F. Brandt_]
Hij had gehoopt dat een vrouw vrede zou stichten in zijn huis. Het gezin van zijn zoon, dat bij hem inwoonde, was niet gelukkig: de schitterende en verstandelijk zeer ontwikkelde Ottilie had August gehuwd eer om dicht bij zijn grooten vader te zijn, dan uit liefde. De grootheid van zijn vader deed August kwaad: de goede opvoeding, die hij had gekregen, verhoedde niet dat hij zich voor ondergeschikte posities te hoog achtte, terwijl hij toch niet in staat was zich hooger op te werken dan de gunst van Carl August hem plaatste. Hij was een van die tragische figuren die bijna groot zijn, dat is meestal, helaas, zeer klein. De teleurstelling bracht hem aan den drank--zijn grootvader van moeders kant was een dronkaard--en hij ging een losbandig leven leiden, hoeveel moeite er ook aan hem werd besteed.
Goethe had den moed, in werken troost te zoeken. Zijn uur naderde, al voelde hij zich uitbundig jong, en hij moest afronden, voltooien, uitgeven, opdat niets verloren zou raken door een of andere ramp: De Wanderjahre, het tweede deel van Faust, zijn levensbeschrijving, het relaas van zijn reis door Italië, ten slotte de nieuwe editie van zijn werken, waarvan het auteursrecht was verzekerd. En hij redigeerde zijn tijdschrift "Kunst und Altertum" en hield zich trouw op de hoogte van de groote vorderingen, die wetenschap en industrie en verkeer in het begin van de negentiende eeuw maakten. Nog in 1831 refereerde hij over den strijd tusschen Cuvier en Geoffroy St. Hilaire, waarvan boven sprake is geweest. En dan had hij zijn schilderijen, zijn afgietsels van beeldhouwwerk, zijn munten, zijn welvoorziene natuur-historische verzameling, waarop hij verliefd was, die hem steeds met vreugde vervulden. Om vijf uur in den morgen begon zijn dagtaak; van acht uur af hield hij vier secretarissen bezig. Daaronder Eckermann, die zich van veehoeder en bedeljongen had opgewerkt tot den post van vertrouwen, dien hij bij Goethe bekleedde. Hij was de man die zelf niet iets groots kon maken, en toch het groote zoo kende, dat hij--misschien beter dan Schiller, wijl minder dogmatiesch--Goethe aan het werk wist te zetten, hem door voorzichtig en toch ietwat opdringend vragen aan het praten, _d. i._ aan het scheppen wist te krijgen. In zijn "_Gesprekken_" zien wij Goethe herleven, zooals hij in zijn latere jaren inderdaad geweest is: wij zien zijn gebaren en hooren hem de menschen, waarover hij spreekt, met geweldige stem imiteeren, eenigszins lispelend, doordat hij voortanden miste; wij zien hem in zijn geliefkoosde houding, met zijn handen op zijn rug, stappend om zijn tafel heen, en daarbij vertellend, lachend, op zijn poot spelend, zachtkens zingend, vloekend, spottend goedmoedig; en daarbij nog altijd de hooghartige statige Goethe blijvend, die zich met een: Nu we hebben weer een goeden dag gehad! aan tafel begeeft, en het zich kostelijk laat smaken, en nog wel een fleschje Rijnwijn lust.
En menschen uit alle deelen van de wereld trokken naar Weimar om den man te leeren kennen, die àl meer een heilige werd, steeds eenvoudiger en reiner, of--zooals hij lachend placht te zeggen--dan eindelijk verstandig was geworden, zij het ook een beetje laat. Nu hij zich vrij had gemaakt van de aarde, kon hij ook jegens vrouwe Von Stein, die al ver over de tachtig was, zijn schuld afdoen, en, de kwellingen vergetend, haar zeggen dat ze, naast Shakespeare, het meest had bijgedragen tot zijn vorming.
En er vielen weer dooden. Nog geen drie jaar na het jubileum stierf Carl-August, die in den laatsten tijd zoo vaak, onaangediend en zonder op bezoekers te letten, zich naast hem had neergezet. Dat was een heel oude vriend die daar wegging; maar hij beheerschte zich. Laten we over wat anders spreken, zei hij tot zijn huisgenooten, toen de klokken gingen kleppen.... Hij woonde de begrafenis niet bij. Teruggetrokken op het slot Dornburg, studeerend en waarnemend, wist hij zich te herstellen totdat hij nog een liefdeliedje zong voor Marianne Willemer, aan wie hij telkens bij volle maan zou denken.
Toen stierf hertogin Louise, de hooge vrouw die langzamerhand genaakbaar was geworden, die vaak bij hem te gast was, en die een botsing tusschen Goethe en den Landdag had gesust met de verklaring, dat zulke vreemde begrootingen als díe inzond geen "precedent" schiepen, daar er immers toch maar één Goethe was.... en wie weet hoe lang nog.
Toen stierf zijn zoon, die met Eckermann naar Italië was gestuurd, om daar zelfbeheersching te leeren; stierf aan koortsen, maar in een stemming die hem rijp maakte voor zelfmoord. "Patri antevertens"--den vader voorgaand--staat er op zijn graf.
De oude bedwingt zich en troost zich in zijn kleinkinderen Wölfchen en Walther, die zijn huis vroolijk maken met hun jeugd.
Maar het woord "dood" spreekt men in zijn omgeving niet meer uit en hij zelf gebruikt de omschrijving: "Het wegblijven" van August.
Op zijn tachtigste jaar heeft hij een bloedspuwing, en er zit nog zooveel vitaliteit in hem, dat hij er tot verwondering van zijn geneesheer overheen komt. Zooals wel blijkt uit een monographie, door dezen over Goethes laatste ziekte geschreven, hebben de artsen het nooit met den dichter kunnen vinden. Ze begrepen niet hoe hij als jongen zoo zwak en toch zoo taai kon zijn; en ze begrepen niet hoe hij op zijn tachtigste jaar nog zoo gaaf en zoo frisch was gebleven.
Zijn tweede jeugd, in letterlijken zin, breekt aan: het resultaat van een langzame zelfverovering. "Ik bevind mij (zoo verklaart hij) in een soort van exaltatie, die mij in staat stelt de poëzie te bevelen, zelfs tot beelding van dingen die ik nooit beleefde; door een geheimzinnig psychiesch gebeuren, dat misschien alle studie waard is, geloof ik mij tot zulk een staat van vruchtbaarheid verheven dat ik volkomen bewust voortbreng wat ik zelf wensch......"
XXX
Sie hören nicht die folgenden Gesänge Die Seelen denen ich die ersten Sang....
FAUST
Toen de 81-jarige Goethe zijn "Faust" voltooid had, sprak hij tot zijn secretaris Eckermann deze merkwaardige woorden: Mijn verder leven kan ik geheel en al als een geschenk beschouwen; het doet er niet toe wat ik nu verder uitvoer. Hij heeft de Faust-tragedie zijn "Hauptgeschäft" genoemd, en dat niet alleen om haar waardij als kunstwerk; maar vooral omdat hij er de winst zijns levens, met lijden en hard werken verworven, in had neergelegd. En dit immers was het streven van den ouden Goethe: nauwkeurig nagaan, afronden, boeken, wat zijn leven hem had opgebracht, zich een plaats zoeken onder de voortreffelijken, zelf "historiesch" worden. In het geschiedkundig gedeelte van zijn Kleurenleer beproefde hij dit als wetenschappelijk man; in Wahrheit und Dichtung als dichter en als Duitscher; in de chronologische tabellen van zijn eigen daden, waarmede hij zijn wanden beschreef (en die, jammer genoeg, met een laag witsel werden besmeerd) als zoon van Caspar Goethe; en in Faust als........ De lezer begrijpe dat wij hem hier het juiste woord schuldig moeten blijven: immers Faust is eenig in zijn soort (wat men er overigens op moge aanmerken); en alleen voor den werker die voorgangers en genooten heeft, bestaat er een naam!
[Illustratie: GOETHE IN ZIJN LAATSTE LEVENSJAAR _Naar de teekening van C. A. Schwerdgeburth_]
De bedoeling: zijn geheele leven in deze tragedie uit te beelden, heeft Goethe pas in later jaren opgevat. Wij weten reeds dat hij als Straatsburger student zich aan de Faust-legende vergastte en, zonder er iets van neer te schrijven, eigen ervaring door dit gegeven weefde. Hij had daarbij toen twee bepaalde voorvallen op het oog, _nl._ zijn mislukt pogen om langs alchimistischen weg het wezen der dingen te vinden; èn zijn liefdehandel met Friederike Brion. Zijn taak was dus vrij scherp omgrensd. Maar in den loop van de zestig jaar, die verliepen voordat hij zich met de boven geciteerde woorden tot Eckermann kon wenden, heeft hij meermalen de verzuchting geslaakt, die men in Wilhelm Meisters Wanderjahren verneemt: "Elk ambachtsman schijnt mij de gelukkigste mensch; wat hij heeft te doen is uitgesproken, en wat hij kan leveren is beslist."
Want zijn blik op de ervaringen, die het onderwerp van den Oer-Faust uitmaken, verruimde meer en meer. Hij voelde dat hij nog niet aan het eindpunt stond, en dat allerlei tusschentijds opgedane ondervinding zijn eindoordeel wijzigde: de stof werd al rijker en liet al moeilijker zich handteeren. Ook zijn kunst-principes hadden zich ontwikkeld: zijn liefde voor het monumentaal-Gothische, het natuurlijk-opbruisende, week voor overgave aan het sentimenteel-romantische, dat hem naar den stillen eenvoud van het classieke voerde, waarbij zich op het eind van zijn leven een zucht naar symbolische geheimdoenerij voegde. Maar elk dezer kunstrichtingen (wij bezigen dezen term uit practische overwegingen) bekijkt een bepaalde stof op haar eigenaardige wijze, maakt op haar beurt het naar voren treden van zekere feitenreeksen, het wegdoezelen van andere feitenreeksen, in hetzelfde gegeven wenschelijk. Wat den jongen stormenden en dringenden student gewichtig scheen, werd ternauwernood vernomen door den grijsaard, die het tweede deel van Faust schreef. De eerste, volbloed kunstenaar, liet alle stemmen en toonaarden waarover hij beschikte overvloedig uit-galmen: hij pronkte met cabalistische natuurkennis, met philosophie, met stoutmoedige satyre, heelal-omvattende ironie, kind-naïef pathos; en overal dienden hem zijn pas geopenbaarde woordkunst en zijn vermogen, zich in anderen in te leven. Hij kon Mephisto laten zingen zoo eenvoudig en zoo welgemeend als vriend Wolf, wanneer deze een lief meisje beweende. Maar de oude Goethe, hoe vergevingsgezind ook in het dagelijksch leven, werd wel eens dogmatiesch als hij de pen ter hand nam; hij sloeg gaarne spijkers met koppen, maar toonde even gaarne (om de vergelijking door te drijven) spijkers met spitse punten; hij liet geen gelegenheid zich ontgaan om in verborgen hoekjes van zijn werk vallen op te zetten, waar zijn wetenschapstegenstanders jaren naderhand nog plezier van konden beleven. Hij was onderwijzer, autoritair hoogleeraar, en despoot tegelijkertijd, en verlangde dat men een diepzinnigheid, waarover hij jaren had nagedacht, oogenblikkelijk begreep. Met de vreemde vruchtbaarheid die hem in zijn laatste jaren verheugde, wist hij de dolzinnigste spotternijen in de reeds ontworpen constructie t'huis te brengen. En zoo heeft hij de tragedie Faust, argeloos kunstwerk in den beginne, als pretentieus leerdicht besloten.
Door het eerste gedeelte zweven vele beangstigende vragen, maar uit de bewoordingen, waarin ze zijn vervat, blijkt ons dat de dichter het bij 't aanvoeren van ondoorgrondelijkheden wilde laten: "Das Schaudern ist der Menschheit bester Teil." Maar het tweede gedeelte wil op de hoofdvraag, en op vele bijvragen die in 't begin niet eens voorkomen, zielkundige, theologische, teleologische, wijsgeerige antwoorden geven. Het wil een betoog zijn, _d. w. z._ het wil een ijle Gedachte beteekenen; en toch kunstwerk zijn, _d. w. z._ een harmoniesch-evenwichtig beeld.
Nu kan een Gedachte nooit opgaan in een Beeld, en de dichter, die zulk een gedachte toch àls leerstelling wil uiten, moet ze in menigvuldige betoogfranjes hangen aan zijn beeld; waardoor het beeld in zijn classieke naaktheid ontsierd wordt, en de gedachte toch niet bereikt: evenmin als de talrijke spitsboogtorentjes, die men tegen sommige gothische bouwwerken heeft geplakt, het Opperwezen bereiken, al zijn ze ten hemel gericht. Vooral het tweede deel van Faust, dat mag heeten nadrukkelijk en gewaagd allegoriesch, laat den gevoeligen lezer, die voet bij stuk wil houden, onbevredigd; daar Gedachte en Beeld er ieder een eigen leven leiden en niet versmelten, zooals in Iphigenie. Dit is een ontaarding van het standpunt dat de schepper van Iphigenie innam: Dàar een schoon beeld, dat op zich zelf doel is, maar dat toch de wazige diepten van de Idee ontsluit; hìer een beeld dat telkens wil vervluchtigen, wil opgaan in Gedachte, wat niet lukt; en dan, na iedere mislukte poging vermagerd als een ascetische monnik, tamelijk ongemerkt overlijdt: wat het dramatiesch effect verijdelt.
Goethe wilde het onbeschrijflijke tòch beschrijven, gevoelend dat hij meer-dan-mensch was; en hij wist dit, getuige de sacramenteele slotwoorden van zijn Faust. Daarnaast staat zijn bewering (in een brief aan Schiller), dat hij het hoogste wel wilde aanroeren maar niet bereiken, en hiermede in overeenstemming zegt hij dan ook dat het ongrijpbare feit wordt, op de plaats waar het Faust-beeld.... eindigt:
Das Unzulängliche Hier wird's Ereignis; Das Unbeschreibliche, Hier ist es gethan.....
Maar niemand zal ontkennen dat hij op menige plaats ook in het corps van de tragedie naar het onmogelijke greep. En het besef, dat hij dit deed, maakte hem vaak zoo mismoedig, dat hij aan het begin van de negentiende eeuw wel twintig jaar voorbij liet gaan, zonder iets van beteekenis aan het werk toe te voegen; den Faust beschouwde hij als een dolle kluyt, als een vergaarbak voor allerlei "dramatiesch-humoristischen onzin", voor burleske toespelingen op tijdgenooten, voor te laat geboren Xeniën, die met het onderwerp niets hadden te maken. Ook kwamen dan weer de oogenblikken dat hij, onbegrensd vertrouwend op zijn krachten, zonder aarzelen de moeilijkste gedachten formuleerde; en het is dan ook de groote bekoring van dit poëem, dat de dichter er nergens stamelt of van inspanning hijgt.
Maar als men, nu niet op de zegswijze lettend, het boek na lezing doorbladert, om de situaties in onderling verband te vatten, dan voelt men dat hier een Titan (men vergeve ons het ouwerwetsche woord) de brokken, die hij eerst in ademlooze nauwlettendheid heeft behouwen, in woest krachtsvertoon op elkander heeft geworpen, met het misbaar van verren donder. Goethe dunkt ons hier een Tantalos
"in wiens gesprekken, van ervaring diep En bonte zinrijkheid, de goden zelf Als in orakelspreuken zich verlustten"....
Doch, (verklaart de wijze Iphigenie)
"Doch goden moesten niet Met menschen wandlen als met huns gelijken: 't Geslacht der stervelingen is onmachtig Op ongewone hoogten niet te duizlen. Hij was niet laag of slecht, en geen verrader, Enkel voor knecht te groot en voor een makker Des grooten dondergods een mensch maar...."
Zulk een man nu, maar dan in een Katholiek-Christelijk wereldplan begrepen, is ook Faust. Zijn reiken naar het Hoogste en zijn nêerstorten in donkere afgronden wordt in deze tragedie verbeeld. Maar dat iets van het goddelijke zijn deel is, het wordt den lezer voelbaar, doordien Goethe-zelf, hém scheppend, telkens uit lichtende hoogten omlaagduizelt, als ware hij zelf een Faust of een Tantalos. Goethes wanhopige scheppingsworsteling smelt met Fausts hemelstreven saâm. En zoo blijkt den lezer, voor zoover hij niet is aangelegd Duitsch-esthetiesch, de onregelmatige vorm van het werk een welkome winst.
Overleg kon Goethe hier niet baten: Faust is niet een drama, welks handeling consequent, en zonder overwegenden invloed van buitenaf, uit een grondgegeven voortvloeit. Het is een reeks tafereelen (gelijk Götz is) welker samenhankelijkheid men eerst na ernstige studie beseft of.... niet beseft (doch dit om het even); hoofdzaak is, dat men de logische aaneenschakeling van de situaties niet rechtstreeks bespeurt. Bovendien (of liever: in verband hiermede) kan hij, die het geheel overziet, hier den Held--hoe fier en hoe geniaal ook--voor zijn daden niet verantwoordelijk houden, daar niet duidelijk is afgebakend, in hoeverre Faust eigenlijk onder den invloed staat van Mephisto, die immers van den almachtigen God--het geldt een weddenschap!--verlof heeft gekregen om naar goedvinden met hem te handelen. Wij nemen Faust de schurkenstreken die hij volvoert niet kwalijk: wij oordeelen toegevend over iemand die steeds in gezelschap van Satan verkeert. Maar aan den anderen kant merken wij wèl, doch gelooven nauwelijks, dat hij in de wieling van onbehaaglijke genietingen, waarin Mephisto hem "stof laat vreten", zich blijkt "van 't goede duisterlijk bewust"; al kunnen wij zulks dan ook wel weer in het afgetrokkene beredeneeren. Het catholiesch verpersoonlijken van het Opperwezen heeft hier den pantheïst Goethe parten gespeeld. God, in de wolken tronend als Oppermensch, trekt àl te gaarne aan de marionet-koordjes om aan Faust of aan Mephisto persoonlijke wilsvrijheid te gunnen....