Goethe: Een Levensbeschrijving

Chapter 27

Chapter 273,646 wordsPublic domain

Wij behoeven deze vraag niet te ontzenuwen door de bewering, dat Eduard volstrekt niet een karaktertrek van Goethe vertegenwoordigt, dat Goethes gedragslijn in liefdeshistories niet lijkt op Eduards gulzige hette. Wij laten dit daar en antwoorden op deze nieuwe vraag: Indien Goethe van den màn den strijder had gemaakt, dan hadd'--anders ware zijn boek esthetiesch mislukt--die man misschien na zwaren strijd (maar dit om 't even), in deze bepaalde omstandigheden het pleit gewonnen en Ottilie.... verstooten. Dit ware dan pas een èchte wanklank geworden, niet een dissonant in het midden van een stel samenstrevende accoorden, en die ten slotte nog in harmonie verkeert, maar een dissonant aan het slot! Uit louter edelaardigheid een lieve vrouw verstooten! (Eduard is niet een slecht man, maar een zwak man; zijn dubbelgangster ware dus niet een _slechte_ vrouw geworden.) De strijd ware dan kort geweest, en het berouw uitvoerig noch grondig. Want men bedenke dit: een man, zelfs een hoogstaand man, is resoluter in het vertrappen van een liefde dan een vrouw. (Het geval-Goethe). Overigens flinke mannen, die hun.... gewetensrust met een wandaad jegens een goede maar zwakke vrouw koopen, zijn niet zeldzaam. En Goethe had een on-typige man moeten geven, als hij dien _man_ den weg op had willen sturen die Ottilie inslaat.--Hadd' de dichter, ten slotte, Eduard en Ottilie gelijkelijk begaafd (zooals Charlotte en den hoofdman) dan ware de geschiedenis nog sneller ten einde, dan hadd' de dichter nog minder gelegenheid gevonden tot het beelden van een waarschuwing--wat immers zijn doel was.

Ergo: Goethe stond psychologiesch en esthetiesch voor de noodzakelijkheid, Ottilie een hooger zedelijk bewustzijn te geven dan Eduard bezit. Zij kon hem trouw blijven, zooals slechts een hoogstaande vrouw een middelmatig man trouw blijft. Maar in den strijd tusschen haar lagere drangen en haar hoogere aspiraties moest ze zich verwarren, zooals alleen een impulsieve mensch, rondtastend in het warme duister van zijn gemoed, zich kan verwarren. En zoolang ze niet heeft uitgestreden--dwaalt ze.

Want--O, knutselaars zonder scheppende intuïtie--ge ziet voorbij dat Goethe, sedert den Iphigenie-tijd:

niet meer uiterlijk-bestàànde personen benoemde tot dragers van zijn ziels-eigenschappen (zooals bijv. Egmont er een was),

maar deze eigenschappen opnam in het geheel van zijn overtuigingen en vandaaruit niet eenen mensch maar een heel stelsel van karakters en gebeurtenissen ontwierp, vormend te zamen de belichaming van zijn wereldbeschouwing op dit bepaalde punt.

Niet Eduard vertegenwoordigt een karaktertrek van Goethe (zooals voor de hand zou liggen), maar Ottilie. De dichter zelf zou in den strijd tusschen diepgewortelden plicht en oppervlakkige maar niettemin intense verliefdheid zijn gesneuveld--indien hij niet had mogen steunen op dat andere element in hem, op zijn kracht tot zelftucht, die het eerste was en het laatste van zijn wereldkijk.

Maar--waarom laat dan Goethe, die zelf niet in zulk voortbestaan geloofde....

.... Praatjes, hij geloofde er wel aan.--Goed, spons er over! Maar waarom laat Goethe Eduard en Ottilie, die niet geschikt voor elkaar zijn, en zondig zijn, zich in den hemel vereenigen, en waarom noemt hij dit "een vriendelijk oogenblik?"--Wel, hun liefde is slechts zondig in zooverre er een andere zonde--het vriendschapshuwelijk van Eduard en Charlotte--aan is voorafgegaan. En dit och zoo onzedelijke boek wil den laatsten triumph gunnen aan de liefde, die uit zuiver persoonlijke aantrekkingskracht tusschen de wederhelften is gesproten, nadat die liefde door het vrijwillig afsterven van de beide zondaars is gelouterd en verdiend. Ottilie, lijdend wijl ze de oogen opsloeg naar den echtgenoot van eene andere vrouw, is haar minnaar voorgegaan in boetedoening en heeft hem daarmee verlost: Dit praeludeert op de samenklinkende eindmotieven van de twee Faust-helften.--Maar, zelfs indien Goethe niet geloofde in zulk voortbestaan, dan nog ware het zinnetje, waarmede die Wahlverwantschaften sluit, niet te veroordeelen. Is het niet de zuiverst denkbare oplossing van de stemming, waarin Ottilie en haar minnaar deze aarde verlaten, en van het naïeve geloof dat aan hare rustplaats wonderkracht toekent?

Ik heb den dichter van Iphigenie in godvervulde stilte vereerd. Ik heb gewenscht, voor den bouwmeester van de Faust-tragedie een monument te mogen stichten: eenvoudig-verheven en veelbeteekend zwaar gelijk zijn werk. Doch toen ik, mij verdiepend in Die Wahlverwantschaften, stellig voelde wat ik hier uitspreek, dat ik deze Ottilie, hare hemelverlangens, die ten slotte slechts in stomme gebaren zich laten zeggen, mocht vereenzelvigen met het vrouwelijk-weeke in mijnen dichter--toen ben ik Goethe, den kloeken, strijdenden man gaan beminnen.

[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van 1810 tot 1830]

XXIX

Wie das Gestirn, Ohne Hast, Aber ohne Rast, Drehe sich jeder Um die eigene Last.

Gelijk de sterren, zonder haast, tòch rusteloos, wentele elk om zijn eigen roeping. Met deze verzen, bondig en toch niet hortend, gelijk alleen hij ze kon stellen, laat zich de laatste kwarteeuw van Goethes leven kenschetsen. Voorbij is nu de tijd, dat iedere verandering van woonplaats, de kennismaking met betrekkelijk onbeteekenende personen, een ombuigen van zijn loopbaan beduidt. Wist de onervaren jongeling Carl-August hem eens voor goed aan zich te binden, den wereldbedwinger Napoleon mislukt het, zijn gelijkmoedigheid te storen. De zelfmoord van Jerusalem, een man dien hij maar uit de verte kent, prikkelt hem tot groote daad: den Werther. Thans ziet hij de mannen, de vrouwen, die hij boven alles liefhad, beurt om beurt sterven; hij klemt zijn tanden opeen en is bijna terstond weer gereed om aan zijn taak--het boeken van zijn levenwinst, te gaan. Hij onttrekt zich aan de inwerking van het buiten hem staande. Slechts de wetten die uit de kern van zijn persoonlijkheid voortvloeien leiden hem. Hij is nu waarlijk vrij. Want hij is in staat, zelf te bepalen wat hij zal doen en laten. Overbodig te zeggen, dat dit hem ook nù niet altijd zonder hevige inspanning gelukt.

[Illustratie: GOETHES WERKKAMER IN WEIMAR (Na zijn dood aldus gelaten)]

Maar dan is zijn uiterlijk leven ook niet meer een opeenvolging van onderling afhankelijke gebeurtenissen. Zijn handelen schijnt op zich zelf doelloos. Hij onderneemt reizen, enkel en alleen om een gelaat nog weer te zien, of een landstreek, die in zijn herinnering droomt. Zulk weerzien heeft op de richting zijns geestes niet beslissenden invloed. Zijn geest voedt zich uit eigen rijkdom.

* * * * *

Nauwelijks was hij--na het lotgeval dat hem Die Wahlverwantschaften ingaf--in zijn vroolijk versierd huis weergekeerd, of daar viel de eerste doode. Zijn moeder overleed. Zij was haar aard getrouw gebleven: hij wist niet van haar laatste ziek-zijn.

Hij had haar in geen elf jaren gezien, en al dien tijd klaagde ze niet over zijn wegblijven, moeder Aja. Maar ze had van haar zoon genoten wat haar te genieten bleef: zijn werk. In brieven--gelijk die ontstaan, als een hartelijk iemand zich volkomen bewust is van zijn gebrekkige taalkennis en spelbedrevenheid, valsche schaamte daarover heeft afgelegd, en met zeer eigenaardige en zelfgevonden interpunctie de woorden neerpent, zooals hij ze zou uitflappen, daarbij drommels goed wetend, dat hij zijn geestdrift maar phantaseert--in kluchtig-aandoenlijke brieven dankte ze haar troetelkind voor zijn meesterwerken; die ze natuurlijk! prachtig liet inbinden, want dit hoort zoo bij meesterwerken--en die ze, alleen--op haar kamer--, met betraande oogen, reciteerde--totdat ze van verrukking--niet kon zien; een genot dat bijna niemand naar waarde kon schatten, je hadt de menschen maar aan te kijken en naar hun domme gesprekken te luisteren--om dat--te begrijpen!....

Over deze trouwe moeder, die haar zoon steeds wist te volgen, hoe weinig geletterd ze ook was, hem nooit goeden raad opdrong, maar juichte als hij, na pijnlijk dwalen, handelde zooals zij het in stilte had gewenscht,--geen woord meer over haar!

* * * * *

Carl-August, die nogal bestookt werd door Napoleon--deze verdacht hem dat hij trachtte zijn gezag in Duitschland te ondermijnen--moest naar het vorsten-congres van Erfurt, alwaar door een paar keizers, in het bijzijn van vele koningen en hertogen, over het lot van Europa zou worden gediscussiëerd. Goethe was niet in de geschikte stemming om het congres bij te wonen; hij bleef thuis. Maar op uitdrukkelijk verzoek van Carl-August volgde hij later. Zijn aankomst werd officiëel in de Staatscourant vermeld en Napoleon liet hem ter audiëntie nooden.

Hij trof den keizer aan het ontbijt en deze keek langdurig in zijn oogen. Toen sprak hij tot de hem omringende hovelingen het groote woord: _Dat is een man!_--Hoewel van staatszaken overladen, onderhield hij zich een uur met onzen dichter, op rustigen toon, in eenvoudige woorden; hij deed merken dat hij in Goethe een gelijke zag en de tijdgenooten oordeelden dan ook, dat de twee grootsten van Europa elkander op dat oogenblik ontmoetten. Hij informeerde vriendelijk naar den gezondheidstoestand van Christiane en August en beweerde dat Goethe er voor zijn zestig jaren kras uitzag. Toen kwam het gesprek, naar aanleiding van het optreden van den vermaarden acteur Talma, op de tooneelkunst. Napoleon keurde Voltaire's Mahomet--die Goethe op verzoek van Carl-August had vertaald--af, en beweerde dat het Fransche drama gekunsteld was en overdreven onnatuurlijk werd gespeeld. Den Werther had hij zeven maal gelezen. Hij bewonderde dit boek en had het meegedragen naar de pyramiden van Egypte. Maar nu de critiek! Waarom had Goethe dit en dat zoo gedaan; was dat niet tegen de natuur? Goethe antwoordde dat bij zijn weten deze opmerking nog nooit gemaakt, maar daarom niet minder gegrond was. Hij heeft later niet willen zeggen welke opmerking Napoleon eigenlijk had gemaakt, maar men mag stellig aannemen dat ze hierop neerkwam: Waarom pleegt Werther niet alleen uit liefdeleed maar ook uit gekrenkte eerzucht zelfmoord? Goethe had dit reeds op aandringen van Herder in een volgenden druk bijgewerkt, maar dit was hem door het hoofd gegaan! Wij hebben overigens zoowel uit de wordingsgeschiedenis van den Werther als uit de bewoordingen van ons résumé doen blijken, dat deze vermeende fout o. i. iets byzonder goeds is.

Goethe ontmoette den keizer nogmaals toen deze bij Carl-August te gast was. Gedurende het bal, dat op de voorstelling van Voltaire's Julius César volgde, zonderden de twee grooten zich af. Napoleon had te voren reeds beweerd, dat alle drama's waarin het Noodlot een rol speelde uit den tijd waren--de politiek was getreden in de plaats van het noodlot! Thans gaf hij Goethe in overweging een beteren César te schrijven, om te toonen hoeveel schoons César tot stand had kunnen brengen, als men hem niet had vermoord: Dit zou uw levenswerk kunnen worden! En Goethe moest naar Parijs komen: daar was wetenschap en daar was stof voor geweldige dichtstukken en daar zou hij den Franschen les kunnen geven in natuurlijken smaak.--Goethe heeft er een oogenblik aan gedacht, eens een kijkje in de wereldstad te nemen, maar hij dorst er op zijn leeftijd toch niet aan. Men zegt dat Napoleon den dichter voor zich heeft willen winnen, in de hoop dat deze de publieke opinie voor hem zou veroveren. Hij schonk Goethe een eerekruis en gaf vergoeding voor de schade, die Jena had geleden van het krijgsbedrijf. Goethe van zijn kant verklaarde dat de Keizer het puntje op de I zijns levens had gezet, en dat hij nooit schooner oogenblikken zou doormaken dan de oogenblikken, toen hem bewust werd, dat hij aan den Keizer was verwant. Maar reeds lang te voren had hij hem bewonderd en onoverwinlijk genoemd; terwijl hij aan den anderen kant eens had uitgeroepen, dat hij straatzanger wilde worden, om overal waar de Duitsche taal werd gesproken de schande uit te zingen van de Duitschers, die niet als éen man tegen hem in opstand kwamen.

* * * * *

Enkele jaren later gleed de vernederde Napoleon op zijn terugtocht uit Rusland langs Weimar en liet snel informeeren hoe Goethe het maakte. Toen begon de opstand van de Duitschers tegen den verzwakten Keizer. Ook ditmaal scheen het, dat er in de nabijheid van Weimar afdoend zou worden gevochten. De stad had veel te lijden door inkwartiering en vernieling. Russen en Pruisen hielden den omtrek bezet en toen Goethe, te midden van een groep kozakken, een kameel opmerkte, voelde hij dat het onbeschaafde Azië op zijn beurt naar de heerschappij over Europa streefde; en hij liet zijn kunstverzameling begraven, zijn handschriften in veiligheid brengen. Terwijl Weimar meer en meer een hospitaal werd dat besmetting uitwasemde, nam hij zich voor, nog zooveel mogelijk van zijn werk te laten drukken; want hoewel de dankbare Duitschers pas veel later hem zijn auteursrecht verzekerden en de uitgevers van roof-edities nog fortuin konden maken,--wat eenmaal gedrukt is gaat moeilijk verloren!

Men heeft Goethe zeer kwalijk genomen, dat hij zich tijdens den vrijheidsoorlog koel en onverschillig gedroeg. Dit heeft niet belet, dat de afstammelingen van dezelfde Duitschers, die hem om (wat zij noemden) zijn anti-patriottische gezindheid hoonden, in hém den grondlegger van de Duitsche volks-eenheid vereeren,--zonder Goethe geen Bismarck!--zijn werk omzwermen met holle frazen die den buitenlandschen geschiedschrijver maar al te zeer walgen, en menige daad van hem en menige uitspraak, die met hun moraal-opvattingen in volstrekten strijd is, goedpraten (niet doordenken maar goedpraten)--of verzwijgen, opdat hun nationale held toch vooral niet onzedelijk heette. Het kan verkeeren!

Goethe heeft later wel eens betreurd, dat hij niet mee heeft geleden met zijn volk--want lijden maakt groot--maar dit kan de motieven die hem in zijn rustige rust hielden geenszins te niet doen.

In de eerste plaats wilde hij met Napoleon op goeden voet blijven, teneinde hiervan gebruik te maken indien de opstand eens mocht mislukken. En hij wist dat Weimar scherp werd bespionneerd. Hij meende dat Napoleons leger, hoe weinig ook opgewassen tegen het Russische klimaat--nog steeds sterk en voorbeeldig georganiseerd was; en aan den anderen kant had hij weinig vertrouwen in den geestdrift die nu plotseling door heel Duitschland scheen op te laaien; hij hadd' daar meer vertrouwen in gehad, indien de Duitschers naar de wapens hadden gegrepen toen het Fransche leger nog voor den Rijn stond. Nu spotte hij, dat men geestdrift niet voor een jaar of wat in de pekel kan zetten om ze versch te houden, en hij vreesde dat allerlei ellende over het land zou komen, zoodra de eerste rake klap zou zijn gevallen.

Hij hield zich overtuigd dat Napoleons overheersching voorloopig eer goed dan kwaad had gedaan. Het Duitsche grondgebied was niet meer zoo verbrokkeld als voorheen, het schoolwezen was veel verbeterd, nog nooit hadden de Duitschers een zoo zuiver beheer en een zoo deugdelijke rechtsbedeeling gekend als toen. Napoleon deed geen moeite om het nationaal bewustzijn van de Duitschers uit te roeien of om hun taal te verdringen door het Fransch; gedurende zijn verblijf in den Elzas had hij wel gemerkt dat deze landstreek, reeds een eeuw bij Frankrijk ingelijfd, nog Duitsch was gebleven. Zooals Frederik de Groote zich eens omringd had met geleerde Franschen, zoo lieten Napoleons stadhouders zich grondig voorlichten door Duitschers van naam; en hij zelf had de Duitsche literatuur lief.

Maar ten slotte--hoe kan men vreezen voor de onderdrukking van een nationaal bewustzijn dat.... niet bestaat? De term Het Duitsche Volk was voor Goethe een leege abstractie en hij had moeite om niet zeer onbeleefd te worden, als men hem dáarmee kwam aandragen.

Zou de bevrijding, die men op het oog had, werkelijk vrijheid brengen? Zou niet Fransche overheersching vervangen worden door de Pruisische? en zou de hegemonie van Pruisen in het te stichten Duitsche rijk niet gevaar opleveren voor vrijheid en beschaving? O, Goethe droeg nog scherp in zijn herinnering hoe juist Pruisen zijn buitenlandsche politiek, die toch op éénheid was gericht, had tegengewerkt en verijdeld, hoe Pruisen zich destijds gereedhield om, zonder toestemming van de regeering, in Weimar de boerenzoons eenvoudig te nemen, en er soldaten van te maken. Hij wist dat de Franschgezinde Fritz--die eens zijn werk had bespot--in Berlijn het gevoel voor schoone kunst had onderdrukt, en hij had steeds ondervonden dat hij te Berlijn het grievendst werd miskend en bestookt, bijv. door Nicolaï en door Kotzebue. Met geld had Pruisen zijn bloeiende universiteit van haar beste leerkrachten beroofd. Het Pruisische koningspaar, te Weimar logeerend, had gedaan alsof er geen Goethe bestond, terwijl de Fransche geweldenaar zich nauw bij hem had aangesloten. Zou Pruisen, welks zwaartepunt zich meer en meer naar zijn oostelijke, Poolsche helft verplaatste, niet meer en meer onder den invloed geraken van het achterlijke, half-Aziatische Rusland, aldus den vooruitgang belemmerend?--Goethe heeft in vele opzichten juist gezien, en degenen die aannemen dat hij de Fransche ontvankelijkheid voor Duitsche beschaving heeft overschat, mogen niet vergeten, dat juist in de tweede helft van de negentiende eeuw de besten onder de Fransche denkers de voortreffelijkheid van de Duitsche Gedachte daadwerkelijk hebben erkend. Voor hem die toegeeft, dat de ideeën ten slotte heerschen, is dit, in spijt van de chauvinistische propaganda, in beide landen gevoerd, een lichtend teeken des tijds.

Hebben nu velen Goethe in staat van beschuldiging gesteld omdat hij geen vrijheidsdeunen wilde dichten--hij is, helaas, nadat Napoleon was verdreven voor den aandrang gebukt, getuige het half-kreupele _Epaminondas' Ontwaken_--hij had vrienden genoeg, die hem zijn afwachtende houding gunden, en die wel begrepen dat hij als dichter en als denker meer voor de Duitsche eenheid wrocht, dan hij met vaderlandsche zangen of pamfletten zou hebben gedaan. Hij zelf begreep dit, en hij liep met het plan rond, het boek te schrijven dat voor de Duitschers zou zijn, wat Homeros' werk voor de Grieken was geweest.

Maar ook van degenen, die hem al vroeger hadden lastig gevallen, kreeg hij veel hatelijkheid te verduren; vooral toen hij zijn zoon--die vrijwilliger wilde worden--met toestemming van den hertog daarvan terughield, daar August de eenige was, die in zijn zaken en handschriften den weg wist. Hij liet zich door zijn familie naar een badplaats drijven, maar het speet hem dra dat hij den laster was ontvlucht, en hij vond er toch geen rust: de vele uitgewekenen die hij er aantrof vervolgden hem met politiek.

* * * * *

Dit kon op den duur zijn geest niet afleiden. De cultuur-historische levensbeschrijvingen van Winckelmann, Benvenuto Cellini en Hackert, die hij had gemaakt, brachten hem op het denkbeeld, voor zich zelf te doen wat hij voor anderen had gedaan. Zoo ontstond "_Wahrheit und Dichtung_", dat zijn levensgeschiedenis tot aan zijn vertrek naar Weimar behandelt. Vooral in de eerste helft van dit omvangrijke boek wordt de kleine Wolfgang den lezer levend voor oogen gesteld, terwijl beschrijvingen van ouders, familieleden, van stad en landstreek, van beroemdheden en van geestelijke stroomingen den achtergrond vormen. Intusschen, wien het niet alleen om een aangenaam aandoend en over het geheel ook correct tijdsbeeld, maar vooral om nadere kennismaking met den jongen Goethe is te doen, die leze het werk, vooral wat de weergave van stemmingen en gevoelens betreft, zeer critiesch, voor een aanmerkelijk deel als "Dichtung", en onder voortdurende raadpleging van degelijke bescheiden.

* * * * *

De romantiek had velen aandacht gewekt voor het tijdperk der kruistochten, toen het Westen der beschaafde wereld zooveel leerde van het Oosten. Ook Napoleons veroveringen hadden daartoe bijgedragen en Goethe, die door den Bijbel zich reeds tot het Morgenland voelde aangetrokken, was eenigen tijd bezig met de studie van Oostersche literatuur, toen Hammers vertaling van Hafis' "Divan" hem verraste; want de Perzische dichter gelijkt in zijn liefdeleven en in zijn wijsgeerige overtuiging zoozeer op den westerling Goethe, dat deze zich afvraagt, of hij misschien al eens in Hafis' lichaam op aarde heeft vertoefd. Omstreeks dien tijd komt hij, vooral onder den invloed van den bouwmeester Boisserée, tot het inzicht dat de Gothiek en de middeleeuwsche kunst, die hij, na zijn terugkeer uit Italië, zoo heeft verguisd, toch zeer merkwaardige cultuurverschijnselen vormen. Hij laat zich (hoewel zijn denkrichting door en door Protestantsch blijft) door het gevoel, dat hij onrechtvaardig is geweest, eenigszins meesleepen naar het kamp van hen, die de hechte levensbeschouwing van de middeleeuwen terugverlangen. Al haat hij de papen te hevig, al is hij op het punt van belijdenis te onverschillig om, gelijk vele jonge kunstenaars toen deden, tot het Katholicisme over te gaan, in zijn Faust, zijn Wahlverwantschaften, zelfs in den Meister-roman schuift hij den katholieken eeredienst nadrukkelijk op den voorgrond, en in de beschrijving van zijn reis langs Rijn en Neckar keert hij tot een oude liefde terug, en pleit met propagandistische warmte voor de restauratie van de Keulsche Cathedraal. In Boisserée's museum oud-Hollandsche schilderstukken bestudeerend, roept hij plotseling uit: "Och kinderen wat zijn wij toch dom, wat zijn wij toch dom: we verbeelden ons dat onze grootmoeder ook niet mooi is geweest.... Potverblomme, dat waren nog eens andere kerels als wij.. en we zullen dat bekend maken; we zullen ze prijzen en nog eens prijzen".--De kern van zijn kunstopvatting is geenszins geraakt, maar hij overtuigt zich glimlachend, dat hij in allerlei zaken wat te leerstellig is geweest, daardoor eenzijdig. En nu, als gulle ouweman, spot hij een beetje met zijn leerstelligheid!

Zijn waardeering voor Oostersche kunst en de hier aangeroerde goedgeefsche stemming zijn twee elementen, die hij in een nieuwen dichtbundel, den _West-Östlichen Divan_, tot uiting zal brengen: glimlachende, schertsende Goethe met kaftan en tulband.

Ziehier nu het derde element: Hij vertoefde herhaaldelijk in zijn geboortestad Frankfort, waar men zeer gevleid was met het beeld, dat hij in het eerste deel van zijn auto-biographie van die stad had gegeven, en hem plechtig met groot eerbetoon ontving: "Zijne Excellentie de hertogelijke Sachsen-Weimarsche Geheime Raadsman, heer Von Goethe, de grootste nog levende en oudste Heros van onze literatuur" (zoo meldden de bladen) "is gisteren in zijn vaderstad gearriveerd, die twintig jaar lang van zijn vereerende tegenwoordigheid beroofd was". Daar had hij kennis gemaakt met de kleinkinderen van oude kennissen; en met den bankier Willemer en diens begaafde vrouw Marianne, een voormalige tooneelspeelster, nog bijtijds aan een gevaarlijk milieu onttrokken. Zij was mooi, zij zong zijn liederen, reciteerde zijn verzen, ze had iets van Lili en van Lotte. Ze maakte hem vroolijk en ze kwam hem tot het uiterste kantje tegemoet; doch zoo, dat haar echtgenoot, die waarlijk geen dupe was, hun omgang kon billijken, en Goethes achting niet verbeurde.--Dus wordt ze het middelpunt van den West-Östlichen Divan (d.i. Oostersche verzenbundel, door een Westerling geschreven). Maar Goethes warme genegenheid is in de phantasie vervangen door de zinnelijke liefde van Hatem en Suleika. De gedichtjes, die Marianne hem later toezond en die hij dan weer vroolijk met Hatem-verzen beantwoordde, heeft hij in zijn verzameling opgenomen. Haar werk laat zich bij eerste lezing niet van het zijne onderscheiden.