Goethe: Een Levensbeschrijving

Chapter 26

Chapter 263,455 wordsPublic domain

Om beter te kunnen werken, zonderde hij zich eenigen tijd in het stille Jena af, maar--vertrouwelijke gesprekken met natuurlijke menschen behoevend--ging hij vaak op thee bij den boekhandelaar Frommann, die een pleegdochter, Wilhelmina Herzlieb (meestal Minchen of Minna genoemd), huisvestte. Het meisje, toen achttien jaren oud, een bloeiende schoonheid, verstandig voor haar leeftijd, met veel "ziel", had als kind op zijn schoot gespeeld. En met vriendelijke deelneming volgde hij hare rijping tot vrouw.

Goethe, nagenoeg zestigjarige grijsaard, werd deels om zijn uiterlijk, deels om zijn faam, onophoudelijk door de "Weiblein" gezocht: men zou gemakkelijk een dozijn jonge en halfjonge dames kunnen opsommen die toen en veel later ernstig werk van hem maakten en hem gaarne hadden gevolgd:

Wie des Goldschmieds Bazarlädchen Viel gefärbt' geschliffene Lichter, So umgeben hübsche Mädchen Den beinah ergrauten Dichter....

Aldus gevoelde ook dit meisje zich tot hem aangetrokken en hij merkte dat zijn vaderlijke genegenheid zich ging ontwikkelen in deze richting: het moest voor zijn eer als echtgenoot weldra gevaarlijk worden, langer met haar om te gaan. Hij meed het huis harer pleegouders, ook al verveelde hij zich dus doende ondragelijk in de uren dat hij niet werkte.

Nu wilde het toeval dat hij den dichter Werner--die hem was nagereisd en relatie zocht met zijn tooneel--aan de familie Frommann voorstelde op den avond dat deze het in den zin kreeg, een poëtenkransje te vormen, dat, als sprak het van zelf, bij den boekhandelaar zou vergaderen. Wat deze levendige, welbespraakte man voorstelde werd zelden bestreden, en zoo kwam Goethe weer al te vaak in het huis dat hem verboden was: het lag in zijn aard, zich aanvankelijk niet te verzetten tegen dezen samenloop van bekoorlijke omstandigheden. Werner had zijn belangstelling gewekt voor het sonnet. Hij eigende zich dezen versvorm toe, en ook (niet: bij voorkeur) in de "Beschränkung" zijn meesterschap "_toonend_"--in de vormen die hij zelf koos bleef zijn meesterschap voor oningewijden meestal verborgen--nam hij deel aan de dichterkampen, die zijn nieuwe kennis organiseerde. Het kon niet uitblijven: in zijn mooiste sonnetten huldigde hij Minna als zijn "dame", o. a. ook (het zij terloops gemeld) in de charade welker eerste letters het woord HERZLIEB vormen, en die Bettina Brentano _n. b._ op haar bescheiden persoontje betrok. Zich bij den sonnettist Petrarca vergelijkend, moest Goethe wel inzien, dat hij met meer hoop huldigde dan de Italiaansche meester. Zijn phantasie zette zijn belangstelling voor Minna nu om in een dweepende liefde, welke zijn vrienden met droefheid waarnamen en hij zelf met schrik en schaamte. Dit duurde totdat men het meisje naar een verafgelegen kostschool zond....

Alleen met zijn gevoelens, kwam hij tot bezinning. En voor de zooveelste maal in zijn strijdvervuld leven moest hij trachten, deze gewelddadige scheiding door een zelfoverwinning te bekrachtigen.

Men mag veilig aannemen, dat zijn liefde tot Minna niet verder reikte dan een zeer oppervlakkige en voorbijgaande neiging, zooals ze hartstochtelijke menschen vaak overvalt, zonder dat dit hen verontrust. Maar ook dit kon zijn geweten niet toelaten na zijn huwelijk met Christiane, dat zooveel heiliger en deugdelijker rechten deed gelden op zijn persoonlijkheid. En hoe ernstig hij dan ook met zich zelve te rade ging, dit moge den lezer blijken bij kennisneming van den roman _Die Wahlverwantschaften_, in welken zijn zelfoverwinning beslag kreeg.

Hij heeft deze zelfoverwinning niet getoond, als een zielegebeurtenis van een door hem na-geschapen persoon; zij heeft hem aanleiding gegeven tot de vrije vorming van geheel nieuwe personen, die haar gezamenlijk en in verband met andere factoren naar een hooger levensplan dragen. Oorspronkelijk bestemd voor de novellenreeks over de zedelijke tucht, die in de Wanderjahren voorkomt, dijde het gegeven onder de bewerking zoodanig uit, dat zelfstandige behandeling ervan gewettigd werd. Om zich tot arbeid te dwingen,--want men scheurt niet gaarne zijn binnenst vaneen als men zestig jaren is geworden--sloot hij een contract met een uitgever nog voordat het boek was geschreven, en in volstrekte afzondering, zonder vrouw en kind te zien, werkte hij totdat de laatste proef was gecorrigeerd: Eerst toen keerde hij tot de zijnen gelouterd terug.

Goethe heeft eens gezegd dat Die Wahlverwantschaften de eenige roman is, waaraan hij bewustelijk volgens een bepaalde idee heeft geconstrueerd, en dat geen van zijn voortbrengselen zooveel doorleefde gebeurtenissen bevat: wel te verstaan, niet zooàls hij ze heeft doorleefd. Aanleiding te over voor scherpzinnige critici, om naar de doorleefde idee van dit werk te gaan snuffelen; maar--anders zou men den heeren scherpzinnigheid ontzeggen!--die idee zoo te begrijpen, dat ze ruimte laat voor gewichtige aanmerkingen op het boek zelf, die de heeren dan--want anders waren zij geen Goethe-vereerders--konden besluiten met een hartgrondig: Doch het goede in den roman (de mooie bijpersonen en de natuurbeschrijving, weet u?) weegt tegen dit alles op.

Deze methode pleit niet voor de onaanvechtbaarheid van de grond-idee, die men voor Die Wahlverwantschaften heeft gevonden. Men heeft de behandeling van dit boek veel te geleerd willen maken en--voor den dag er mee!--Goethe heeft in zijn later leven zulke spitsvondigheid wel eens aangemoedigd, door al wat hij schreef met een waas van symboliek te omhullen, en openlijk uit te spreken dat hij zich door sommige commentators gevleid voelde.

Om de idee van den roman waarlijk te vatten bedenke men twee dingen:

Het eerste is dit: de dichter wilde de boven-omschreven levenservaring, die voor hem dezen algemeenen kant had, dat de mensch meester over zijn affecten moet worden om den naam mensch te verdienen, in zijn boek uitvechten, ze aan vrij-geschapen personen verbeeldend.

Het tweede is dit: hij wilde die levenservaring voor al _begrijpen_, en nam daartoe natuurlijk de wetenschap van zijn tijd te baat. Allerlei occulte verschijnselen als dierlijk magnetisme, gedachte-overbrenging, mesmerisme, all-Magnetismus _e. d._--die thans door vele geleerden met een glimlach ongedaan worden gemaakt, en door andere geleerden tot op zekere hoogte gewaarmerkt, maar nauwelijks verklaard--nam men toen als vaststaande aan. De geniale charlatan Mesmer was, vooral in hoogere kringen, een tijdlang minstens zoo gevierd als Blériot in onze dagen. Men meende te weten dat sommige stoffen binnen den mensch voeling hielden met verwante stoffen op aarde, of op de sterren, of ook wel in andere menschen. Heel het geschapene was doortrokken van een magnetiesch fluïdum. Zoo mag het den lezer niet verwonderen, dat (in den onderhavigen roman) een Engelsch geleerde in Ottilie teekenen waarneemt, die op de nabijheid van steenkolen heeten te wijzen. Verwante menschen trokken elkaar aan gelijk de hemellichamen, of gelijk de uiterste fijne deeltjes, waaruit (naar men beweert) alle materie is saamgesteld. Twee menschen--op deze wijze bijeengekomen--waren daartoe gedreven door krachten, die aan hun contrôle ontsnapten, en eigenlijke liefde gold pas in de tweede plaats mee. Ze vormden samen één, een magnetische celle; zoo treft men in Goethes boek een paar geliefden (tot elkaar gedrevenen) aan, waarvan de eene aan den linkerkant hoofdpijn krijgt als de andere die aan den rechterkant heeft. Niets belette den auteur, het algemeen geloof aan zulke verschijnselen te deelen: ze pasten in het geheel van zijn denkbeelden, en overal heerschte ten slotte dezelfde Geest. Bovendien stond hij zelf bijna machteloos onder den invloed van atmosfeer-schommelingen. En ook het Onafwendbare, dat voor geen redeneering wijkt, had hij in bijna al zijn verliefdheden ervaren. Wie zal zeggen in hoeverre hij, eenmaal met zulk geloof behept, in de zoo pas verhaalde gebeurtenissen aan den lijve iets als magnetisme meende te voelen?

En hier heeft men nu (voorloopig althans) de naakte idee van het eerste deel, die de uitbeelding van de volgende omstandigheden voor Goethe meebracht:

--Een huwelijk uit vriendschap: Charlotte en Baron Eduard hebben elkaar eens bemind, doch zij werd door haar onvermogende ouders gedwongen een andere partij te kiezen, en Eduard had een rijke vrouw getrouwd. Nu worden beiden door het afsterven van hun echtgenooten weer vrij en hij vraagt haar hand. Nadat ze hem in aanraking heeft gebracht met haar mooie nicht Ottilie, die hem echter onverschillig laat, stemt ze toe en ze leven nu rustig naast elkander voort. Eduard verlangt dra naar meer gezelschap en is van plan zijn vriend, den "hoofdman", die het niet breed heeft, bij zich in huis te nemen, en als rentmeester aan zijn bezittingen te verbinden. Charlotte ontraadt het hem, vreezend dat een derde hun geluk zou verstoren. Zij heeft haar dochter en haar nicht immers ook verwijderd om dezelfde reden! Maar Eduard dringt aan; ze geeft toe.

De hoofdman komt, werkt veel samen met haar echtgenoot, en slechts 's avonds heeft ze gezelschap aan beiden. Er worden dan zeer nuttige gesprekken gehouden over wetenschap, en bij deze gelegenheid zet de hoofdman de beteekenis uiteen van het woord Wahlverwantschaft (als willekeurig voorgestelde, onderlinge aantrekking van atomen) dat uit een scheikundeboek is voorgelezen: Als twee scheikundige lichamen vereenigd zijn, en een derde komt in de nabijheid, dat op een van de twee eerstgenoemde lichamen een sterker aantrekking oefent dan het lichaam dat er mede is vereenigd, dan valt deze verbinding uiteen, en de twee laatstgenoemde vereenigen zich. Schertsend past de uitlegger deze theorie toe op verhouding tusschen Eduard, Charlotte en hem....

(Wanneer de lezer nog enkele regels in ons résumé is gevorderd, zal hij zich misschien afvragen.... of neen, hij zal uitroepen: Een dwaas kunstje van Goethe, door een afgetrokken redeneerinkje bij voorbaat aannemelijk maken wat hij straks in werkelijkheid laat gebeuren! Oppervlakkig onhandig: deze redeneering in den mond te leggen aan den persoon, die in deze gebeurtenis de hoofdrol speelt! Zoodanige lezer gelieve te bedenken, dat heel het boek van geheimzinnige voorgevoelens en voorteekenen is vervuld. En hij vergete niet, dat redenaties, als zooeven verhaald, in den hier beschreven tijd aan de orde van den dag waren; dat Goethe zijn ervaring met Minna zelf voelde en doorleefde in verband met deze theorie!)

Thans neemt Charlotte haar nichtje, dat op de kostschool niet begrepen en vaak geplaagd wordt, weer in huis. Nog voordat Ottilie een woord heeft gesproken, vindt Eduard haar een aardig, een onderhoudend meisje. In verband met hun bezigheden verdeelen de vier personen zich weldra in twee groepjes. Charlotte is veel samen met den hoofdman, die haar behulpzaam is bij het aanleggen van haar park, terwijl Ottilie schriftelijk werk verricht voor Eduard, en de kunst verstaat zijn gebrekkig fluitspel goed op het clavier te begeleiden, daarbij vooruit voelend welke fouten hij zal maken. Overigens behaagt het zachte meisje allen door haar voorkomendheid en door haar zich-invoelen in de omgeving. Eduard sluit zich steeds nauwer bij Ottilie, Charlotte sluit zich onwillekeurig bij den hoofdman aan.

Ter gelegenheid van Charlotte's jaardag komen de graaf en de barones op het slot logeeren, en een vriend, Mittler, wiens specialiteit het is, familietwisten te beslechten en bij te leggen, vertrekt overhaast nadat hij gewaarschuwd heeft, dat deze twee echtschenners ongeluk zullen aanbrengen. Hij houdt een vurige lofrede op het huwelijk: de schuld die de gehuwden jegens elkaar hebben kan in der eeuwigheid niet afgedaan!

Als nu de lichtzinnige graaf met den hoofdman kennis maakt en hem een mooie betrekking bij een van zijn vrienden in het vooruitzicht stelt, merkt Charlotte eensklaps, hoe diep de genegenheid tot den hoofdman zich reeds in hare ziel heeft gevestigd: Ze barst in tranen uit. Hoe het tusschen hen staat blijkt nog scherper als zij--door Eduard, die naar Ottilie verlangt, alleen gelaten--met hem uit spelevaren gaat, waarbij hun boot vastraakt, zoodat de hoofdman haar naar land moet dragen; hij kan zich niet weerhouden haar te kussen! Ze verhelen hun gevoelens nu niet meer voor elkander, doch ze besluiten hun liefde waardig te dragen en te scheiden.--Op het slot speelt zich intusschen iets dergelijks af: Ottilie verricht eenig schrijfwerk voor Eduard en het blijkt dat ze onwillekeurig zijn handschrift nabootst. Ze zegt daar trotsch op te gaan, en het volgend oogenblik omarmen ze elkaar. Dien nacht sluimert Eduard onder Ottilies venster in. Hij merkt tot zijn vreugd, dat zijn vrouw den hoofdman niet onverschillig is, en hoopt dat een spoedige echtscheiding hem het bezit van Ottilie zal verzekeren. Kort daarop aanvaardt de hoofdman zijn nieuwe betrekking en Charlotte, die verwacht dat hij daar met een geschikte vrouw in relatie zal komen, doet afstand van haar liefde. Ze mag nu verlangen dat Ottilie het huis verlaat, opdat de vrede niet verder verstoord worde. Hiertegen verzet zich Eduard. Hij gaat dan liever op reis, echter onder voorwaarde dat Charlotte voor haar nichtje zorg zal dragen. Dan zal hij van zijn kant tegen zijn eventueele genezing zich niet verzetten. Maar Ottilie kan hem niet ontberen.

Mittler komt op het slot om de echtgenooten weer tot elkaar te brengen, en verneemt hier dat Charlotte een kindje verwacht. Tot zijn verwondering is de in eenzaamheid wonende Eduard wanhopig, als hij hem deze boodschap brengt, en besluit deze, in krijgsdienst te treden. Zoo eindigt het eerste boek.

--Hiermede is de knoop gelegd en--om het beeld vast te houden--deze knoop is door de geboorte van het kindje strak aangetrokken. Toch ontwikkelden de gebeurtenissen zich tot hier toe zoo geleidelijk, dat men ook bij herhaalde lezing niet altijd precies kan zeggen, waar een bepaalde richting-verandering in den verhaalgang intrad,--zonder intusschen ook maar een oogenblik te betwijfelen, dat alles zoo mòest zijn. Er is hier werkelijk aanwezig een kracht, die de menschen leidt, maar die kracht wordt als zoodanig nergens genoemd of beschreven. Zij behoort tot de diepverborgen beweeggronden van de handeling, wier bestaan de doorsneêlezer niet eens vermoedt, en wier constructie de moeilijkste, de verantwoordelijkste, de ondankbaarste taak is van den hoogstaanden auteur.

--In het tweede gedeelte van den roman zijn de bekende "Leesteekens" nogal sterk gezaaid, en wij krijgen het gevoel dat de nu volgende handeling zeer veel tijd in beslag neemt. Charlotte brengt een zoon ter wereld, die, door een zonderlinge speling der natuur, op den hoofdman lijkt (van wien ze tijdens de ontvangenis was vervuld) en tevens op Ottilie (aan wie de verwekkende echtgenoot dacht). Bij den doop overlijdt de oude dorpsgeestelijke. Ottilie houdt van het kindje en verzorgt het. Maar daardoor wordt haar duidelijk dat zij in hare verhouding tot Eduard volkomen rein moet staan. Eduard is gaaf en goed uit den oorlog weergekeerd en ziet daarin een teeken des hemels, dat hij zijn lieve Ottilie eens zal bezitten. Hij verzoekt den hoofdman stappen te doen, opdat hij van zijn vrouw kan scheiden: dan kunnen twee gelukkige paren worden gevormd. Hij wacht op een afstand: ongeduldig van hartstocht, draagt hij zijn vriend op, hem den afloop van de onderhandeling met kanonschoten te seinen. De hoofdman treft Charlotte niet thuis en wacht. Eduard kan zijn ongeduld niet bedwingen en sluipt naar zijn kasteel. Bij het meer ziet hij Ottilie met zijn kindje zitten en de geliefden omarmen elkaar vrijmoedig. De avond valt; Ottilie zal met het kind naar huis varen. Door haar onvoorzichtigheid slaat het bootje om en de kleine (die van zijn geboorte af omringd was met ongunstige voorteekenen) verdrinkt. Zij en Eduard, die te zamen het bestaan van het schepseltje tot een leugen maakten, hebben hieraan schuld. Op het slot valt Ottilie met het hoofd op Charlotte's knieën in onmacht. Deze laatste stemt nu in de scheiding toe, zonder intusschen haar minnaar hoop te laten. Ottilie die zich niet uit haar verdooving los kan maken, maar die bij haar bewustzijn is, hoort het gesprek tusschen Charlotte en den hoofdman aan. Onverschillig over den dood van zijn kind, wil Eduard aanstonds toebereidselen maken voor zijn huwelijk met Ottilie.

Maar het onderhoud tusschen Charlotte en Eduard heeft Ottilie de oogen geopend, en zij zegt nu haar tante dat ze nooit de vrouw van Eduard zal worden. Trekt Charlotte haar toestemming tot de echtscheiding niet in, dan zal zij zich werpen in hetzelfde meer waarin het kindje is verdronken. Daar ze in haar hart afstand heeft gedaan van Eduard, kan zij nu rein naast Charlotte leven. Doch de omgeving bevat te verschrikkelijke herinneringen, en zij gaat naar kostschool terug, wil onderwijzeres worden. Ze legt de gelofte af dat ze, wel verre van zich tegenover Eduard zwak te toonen, hem bij eventueel bezoek geen gehoor zal geven. Eduard weet haar op reis in te halen en dringt door tot in haar kamer. Ze wijst hem de deur. Vergeefs. Dan besluit ze naar het slot terug te keeren. Eduard volgt haar. Ze legt de handen van de echtgenooten ineen en snelt weg. Van nu af spreekt ze niet meer, drukt zich (als Mignon) door gebaren uit. Doch ze is dagelijks met Eduard samen, en deze vat weer hoop. Ze verzoekt, op haar kamer te mogen eten, en dit geeft haar gelegenheid, in het geheim te vasten. Een avond, als Mittler weer over het huwelijk theoretiseert en zegt dat het zesde gebod hem beter zou voldoen indien het _positief_ gesteld ware, verlaat Ottilie plotseling statig het vertrek. Haar kamermeisje waarschuwt dat ze op sterven ligt. Allen snellen naar haar kamer. Daar verbreekt ze voor het eerst en voor het laatst 't stilzwijgen door van Eduard te eischen: Beloof mij te leven!

Ze wordt met symbolische praal bijgezet. Als de stoet passeert, meent het kamermeisje haar uit de open lijkkist te zien wenken, en valt uit het raam te pletter. Bij de lijkkist gebracht, is ze weer geheeld. Het eenvoudige dorpskind houdt een wijze rede in de door Ottilie gebouwde kapel, die nu tot een bedevaartplaats wordt.

Eduard voelt zich verplicht zijn geliefde te volgen. Hij vindt de taak zwaar, maar hij volbrengt ze: hij sterft den hongerdood en wordt naast Ottilie begraven:

"Zoo rusten de lievenden neveneen. Vrede omzweeft hun rustoord, vreugdige verwante engelen zien vanaf het gewelf op hen neder; en wat heerlijk oogenblik zal het zijn, als ze eens ontwaken samen".

Nu komen de geleerde opmerkingen, waarvan zooeven sprake was: Eén ding begrijpen wij niet, ja, vinden wij hartgrondig(?) jammer (aldus de critici): hoe kon Goethe het van zich verkrijgen, Ottilie verliefd te maken op Eduard, die toch zooveel lager staat dan zij; en haar verliefd te doen blijven, terwijl ze hem toch als een kinderachtig-ongeduldige egoist, als een harteloos vader leert doorzien? En is aan het slot de aankondiging dat ze elkander hiernamaals zullen ontmoeten niet romantiesch, onbetrouwbaar? Waarom blijft Ottilie, nadat ze de handen van de echtgenooten heeft ineengelegd, op het slot? Is dit niet in strijd met het hooger levensinzicht, waarvan ze kort te voren blijk gaf? Moest ze zich niet wijden aan hare heilige taak, de opvoeding van de jeugd, in plaats van nogmaals den vrede van het gezin te bedreigen?

Het antwoord op deze vragen kan afdoende zijn en kort. Men behoeft niet eens Goethes meening omtrent de onderlinge aantrekking van menschen te deelen, om aan te nemen dat een vrouw, nog hooger dan Ottilie begaafd, zich kan schenken aan een man, nog lager aangelegd dan Eduard. Ieder heeft dit in eigen omgeving meermalen ervaren; Goethe had in het echtpaar Von Stein een sprekend voorbeeld hiervan jarenlang voor oogen. Neemt men nu ten overvloede een nagenoeg onafwendbaren invloed aan, als het magnetisme er een is, overweegt men daarbij dat de personen in dit boek--dat tusschen haakjes, den frivolen adel uit dien tijd in al zijn uitingen heerlijk schittert en hekelt, evenals Wilhelm Meister dit doet--niets omhanden hebben als het najagen van hun liefhebberijen, en het beluisteren van hun gemoed in de stilte van een uitgestrekt park.... dat kan men in de verhouding tusschen Ottilie en Eduard niets onlogiesch zien, zelfs nadat deze laatste zijn waren aard heeft getoond. Waartoe deze zelfontmaskering van Eduard zou hebben geleid, indien de fijngevoelige Ottilie eens niet het besluit had genomen, deze wereld af te sterven, is niet twijfelachtig; maar het mag een open vraag blijven. Haar taak is niet: rechtstreeks te zorgen voor Eduards toekomst, doch wel: te boeten voor het verleden, en daardoor Eduard indirect te dienen.

Maar is deze liefde--logiesch dan of niet--dan geen wanklank in de harmonie van het boek? Waarom geeft Goethe--die anders zoo graag typische menschen geeft--hier een uitzondering?

Zoo vragend, laat men gelden dat het geval Eduard-Ottilie psychologiesch is gemotiveerd, maar men toetst het nu aan zijn esthetische waarde. Nu is er niets tegen, aan te nemen, dat Goethe hier een wanklank wilde doen ontstaan, wilde te kennen geven dat het magnetisme ook menschen verbindt die naar ons oordeel niet bij elkaar passen. Maar er is meer! Goethe moest aanduiden, dat het dierlijk magnetisme bij hoogstaande menschen niet het laatste woord spreekt. Indien wel, dan ware het verhaal aan het eind van het eerste deel afgeloopen met de vereeniging van de twee geliefden. Of liever, het ware ongeschreven: Goethe hadde Minna gehuwd en Christiane verlaten. Maar hij moest het zedelijk element, den innerlijken strijd, in zijn verhaal betrekken. Hij moest Ottilie doen twijfelen, totdat het voor een gewone oplossing te laat werd; zoodoende komt ze tot bezinning en besluit zich vrij te maken op de wijze die de lezer kent.

Maar waarom dan moest juist Ottilie zoo hoog staan? Waarom niet Eduard fijner begaafd: Eduard--dit zal toch wel niemand betwijfelen--vertegenwoordigt de eene helft van Goethes wezen, de hoofdman (die afstand doet) de andere.