Goethe: Een Levensbeschrijving

Chapter 25

Chapter 253,661 wordsPublic domain

Hij liet nu ook zien dat hij nog iets anders kon als Xeniën brouwen. Hij bracht herhaaldelijk het werk van jonge schilders op tentoonstellingen bijeen, schreef voor hen prijskampen uit; en de onderwerpen, die hij jongen kunstenaars opgaf, getuigen dat hij waarlijk niet alleen de richting die hem persoonlijk lief was beschermde. Toch trachtte hij eenheid te brengen in de verschillende kunststrevingen, die hij om zich heen zag opkomen; maar slechts in zooverre als hij eischte dat ieder kunstenaar in zijn soort echt gevoel en kundige phantasie uitte. Bij de beoefening van de theoretische schoonheidsleer--een wetenschap, die hij, na den vroegtijdig overleden Winckelmann, gemàakt heeft--vond hij een heerlijken steun in den Zwitserschen schilder Heinrich Meyer, met wien hij reeds te Rome vriendschap had aangeknoopt. Deze man met zijn eenvoudig en trouw karakter, met zijn helder verstand en zijn groote ontwikkeling (wij kunnen hem hier helaas geen recht doen wedervaren) woonde herhaaldelijk bij hem in, verzamelde gegevens voor het boek over Italië, dat hij noch steeds wilde schrijven, en voor zijn ander boek over _Winckelmann en zijn eeuw_. Zelden ontmoette hij iemand die hem uit korte aanduidingen zoo goed begreep, ook den dichter in hem. Met hem redigeerde hij zijn kunst-wetenschappelijk tijdschrift "_Die Propyläen_" dat echter maar weinig succes had, ondanks zijne en Schillers doorwrochte bijdragen weinig invloed oefende, na twee jaar ter ziele ging en den uitgever op een gevoelig verlies kwam te staan.

Hij kocht zich een landgoed en deed minder aangename ervaringen als grondbezitter op, zoodat hij blij was, het ten slotte van de hand te kunnen zetten.

Veel zorg baarde hem de universiteit te Jena: Pruisen wist door schitterende aanbiedingen zijn beste hoogleeraren weg te lokken, en ook de _Litteraturzeitung_, een invloedrijk blad, dat door die professoren werd beheerd, en dat veel goed deed aan den naam van de universiteit. Met koortsigen ijver, zijn toch reeds ziekelijk gestel ondermijnend, streed Goethe voor de stichting van een nieuwe Litteraturzeitung; de "echte", die hij zelf met groote opofferingen redigeerde, enkel en alleen om den roep die van Jena uitging te handhaven.

Hij wist wel dat dit alles niet bevorderlijk was aan zijn poëzie, maar hij troostte zich met de verwachting, dat ook uit deze ervaringen wel iets goeds zou groeien. Zijn "Natürliche Tochter" werd bij stukken en brokken voltooid. Rustig zette hij, daarin door Schiller bijgestaan, zijn wetenschappelijk onderzoek voort, steeds in lange gesprekken allerlei geleerden raadplegend. Zijn groote Kleurenleer, die in 1810 gereed kwam, beslaat vijftienhonderd bladzijden druks. Al wat er sedert de grijze oudheid over dit onderwerp was verschenen had hij aandachtig bestudeerd, en in onderling verband doorzien; het historische gedeelte van zijn kleurenleer is een voorbeeld van wat een geschiedenis van beschaving en wetenschappen zou kunnen zijn.

Maar zijn populariteit werd er niet grooter op. De zware massa's ervaring, die hij in zijn uitdrukkingen steeds sterker concentreerde, maakte dat zijn werk slechts voor weinigen geheel toegankelijk bleef. Hij wist dat en zei het openlijk: mijn zaken kunnen niet populair worden. Zijn teruggetrokkenheid, zijn princelijke manieren, zijn bevelende houding, waarvan men wel voelde, dat hij ze niet zou nalaten indien hij eens minder hoog ware geplaatst, maakten hem gehaat bij degenen die niet konden verdragen dat zij geestelijk zijn minderen waren. Slechts enkele uitverkorenen werden gedoogd in den kring van intellectueelen, in wier midden hij voordrachten hield over kunst- en natuurwetenschap. Toen b. v. de blijspeldichter Kotzebue aan het hof werd ontvangen zei hij: Ja, wel aan het wereldlijke hof, maar niet aan het geestelijke! Kotzebue trachtte zijn ongenoegen te luchten door Schiller tegen hem uit te spelen en een speciale Schiller-vereering met zwaar-allegorische feestelijkheden op touw te zetten. Hij vond medestanders in overvloed, ook onder de dames die kort te voren nog tot Goethes kring behoorden. Schiller besloot zich ziek te houden. Maar Goethe, met een ziekte onder de leden, barstte in woede uit, jammer genoeg. Kotzebue had daar veel pleizier van, ook al werd het feest, men zegt door Goethes ingrijpen, van hoogerhand onmogelijk gemaakt.

Nauwelijks had Goethe het scheiden van de achttiende eeuw vroolijk gevierd, of hij werd ernstig ziek. Hij verkeerde meermalen in doodsgevaar, en hij moest dagenlang blijven staan om adem te kunnen halen. Een halsgezwel, dat zich over de wang voortzette, hield zijn linkeroog gesloten. Vijf etmalen lag hij buiten kennis. Men vreesde dat hij een beroerte zou krijgen. Toen kwam in velen, die hij had gekwetst of op een afstand gehouden, de vriendschap weer boven. De hertog nam een werkzaam deel in zijn verpleging, en rustte niet voordat de doctoren die hij hoog stelde om het ziekbed stonden. Ook vrouwe Von Stein had medelijden met haar voormaligen vriend, die misschien in de vergiftigde omgeving van "dat mensch" zou sterven. Maar dat mensch verzorgde hem, gelijk geen ander het had kunnen doen, en toen hij, eindelijk door de crisis heen, haar, zijn "lieve kleine", en zijn zoon ontwaarde, schoten de tranen hem in de oogen. Van toen af besloot hij, haar ondanks alle tegenwerking in de wereld te doen erkennen. Tot groote ergernis van vrouwe Von Stein, die hij zijn dank voor de betoonde belangstelling liet overbrengen, vertoonde hij zich met Christiane en kind in een open ar, en bij verschillende feestelijkheden aan het hof liet hij haar meegenieten; toen nu de kleine August mét den hertog in een allegorischen optocht een rol had gespeeld, bleef tegenbezoek van de vorstelijke familie niet uit. En meer en meer kreeg Goethe de lijderes lief, die hem nog vier kinderen baarde, welke tot zijn grenzelooze smart òf dood ter wereld kwamen, of spoedig na hun geboorte stierven.

Er was groote toeloop van vrienden bij zijn herstel. Zijn huis bleef een tijdlang vol gasten: de boter werd bij vaten tegelijk betrokken, en dit in een tijd, toen zijn zuinige vrouw zich wel eens behielp met een japon van moeder Aja, die dan "zoo goed als nieuw" heette. Hij had nu gezelligheid noodig, want hij was zeer prikkelbaar geworden, wond zich op bij zijn werk, kon niet lang achtereen thuis blijven. In zijn zwaarmoedigheid benijdde hij Herder, zijn kwelgeest, die zoo pas begraven was. Hij sloot zich in die dagen nauw aan bij Riemer, den huisonderwijzer van zijn zoon, een zeer kundig man, later tot hoogleeraar bevorderd, en beroemd geworden om zijn "Mededeelingen over Goethe". Nog grooter voldoening beleefde hij aan zijn omgang met den gebrilden metselaarsbaas-componist Zelter; deze was de eenige, die sedert zijn terugkeer uit Italië verlof kreeg, hem met "du" aan te spreken. Zijn grootste vertrouweling: fijngevoelig maar--en dit deed Goethe zoo goed--verre van sentimenteel; een kernachtige volksman, "een heerlijk man", als men zich maar eenmaal over zijn weinig sympathieke verschijning (Goethe had het land aan brillen) had heengezet. Zelter werd zich door zijn aanraking met Goethe pas goed van zijn gaven bewust, die hij altijd voor zich en zijn naasten verborgen had gehouden, maar die de profeet van Weimar tot zijn verwondering terstond raadde. De correspondentie tusschen deze twee mannen is een zoo onverholen uitwisseling van teedere gevoelens en benamingen, dat hij die--de briefschrijvers niet kennend--ze inziet, op menige bladzij waant, een zoete liefdeshistorie te lezen. Dit heeft in onzen tijd geleid tot onderstellingen, die op de reinheid en op de cultuur-historische kennis van de onderstellers een eigenaardig licht werpen.

Allerlei mannen en vrouwen, die meenden met kunst of wetenschap ook maar iets uitstaande te hebben, trachtten, als ze in de buurt van Weimar kwamen, natuurlijk tot de bezienswaardigheid Goethe door te dringen. Zoo o. a. Madame du Stael, die toen haar boek over Duitschland schreef en meende dat geen groot man in staat zou zijn, haar nìet te ontvangen. Goethe ontweek haar, maar bezweek ten slotte voor haar aandrang, waarbij ze haar vrouwelijk charme ook liet spreken. De ruim twintigjarige dochter van Maximiliane Brentano, de zonderlinge Bettina, had een merkwaardige hoogachting voor hem opgevat: aan zijn moeder, die haar veel over haar beroemden zoon sprak, vertelde zij dat ze, als Mignon op Wilhelm Meister, verliefd was op Wolfgang, en dat ze in jongenskleeren naar Weimar wilde trekken. Bij haar eerste bezoek aan hem, wilde ze.... op zijn schoot inslapen. Goethe verdroeg haar verregaande en compromitteerende dwaasheden eenigen tijd met grootmoedig geduld, maar hij moest haar de deur wijzen, toen ze zich tegen Christiane onbehoorlijk gedroeg. Zij is hem steeds blijven aanbidden, ontwierp later een standbeeld van hem, en schreef een boek over Goethe, zijn "Briefwisseling met een kind(!)", dat op zich zelf beschouwd wel romantiesch bekoorlijk is, maar voor den critischen geschiedschrijver toch zeer verdacht en ten slotte verfoeilijk wordt, als hij bedenkt dat dit boekje niet brieven maar vrije bewerkingen van brieven geeft, en wemelt van malle beweringen, leugenachtige voorstellingen, verdraaiingen van feiten. Het zal wel lang duren, voordat de minder critische, de valsch-gevoelige publieke opinie zich ten opzichte van Bettina zal hebben gewijzigd......

Sommige bezoekers werden intusschen met blijdschap ontvangen: Goethe kon zeer beminnelijk zijn, wat bij zijn stijve manieren en zijn ernstige zwarte kleeding sterk opviel. Maar onsympathieke kijkers behandelde hij uit de hoogte: hij dwong ze urenlang over het weer te praten of hij bespotte ze met lijdelijk verzet, zooals bijvoorbeeld dien Engelschman, die zich had aangemeld om "Goethe te zien". Nadat deze ontvangen was met het gewone: "Ik vraag verlof, U den Geheimraad Goethe voor te stellen", werd hij overbluft met de kalm geacteerde mededeeling: "Zoo ziet u me van voren, zoo van opzij, zoo van achteren.... en kan ik U nu nog verder van dienst zijn?"--Dergelijke bezoekers, als ze niet zeer scherpzinnig waren, strooiden natuurlijk praatjes over hem rond, verkondigden dat hij geen hart had, en alleen voor standbeelden nog iets kon voelen. En ook zij hebben tot de vorming van Goethes reputatie bijgedragen!

Na de mislukking van zijn Eugénie raakte hij aan het kwakkelen, maar hij verdroeg zijn pijnen kalmer dan te voren. Begin 1805 kreeg hij het voorgevoel, dat òf hij of Schiller spoedig moest sterven. En nauwelijks was Christiane, die hun zoon een eindweegs naar Frankfort zou geleiden, afgereisd, of ze moest in allerijl terug: Goethe was ingestort. Hij leed nu aan een byzonder pijnlijk nierkoliek, en men kon hem van uit de verte hooren schreeuwen. Nauwelijks echter was voor hem het doodsgevaar geweken, of de uitgeteerde Schiller werd bedlegerig.

Goethe, zijn voorgevoel bevestigd vindend, durft hem niet bezoeken. Met betraande oogen rent hij in zijn tuin heen en weer; heeft hij zich in zijn kamer opgesloten, dan hoort men hem snikken. Een oogenblik schijnt het alsof de vrienden elkaar zullen behouden. Maar als Goethe goed op de been is, sterft Schiller, die niet meer kan spreken of schrijven, snel af. Men durft Goethe niet zeggen dat zijn tien jaar jongere vriend niet meer is. Meyer vlucht het gastvrije huis uit, vreezend dat hij zijn verdriet ontijdig zal verraden. Goethe denkt nog dat Schiller ziek is, en ligt 's nachts op zijn kamer te huilen. Maar den volgenden ochtend voelt hij uit den eigenaardigen nadruk die Christiane op de uitdrukking "zeer krank" legt, dat hij niet meer mag hopen. Hij durft het stoffelijk overschot niet zien: "Zoo'n vernieling!" roept hij uit, als men 't hem vraagt. Hij gelooft dat het nu met hem gedaan is. De helft van mijn leven weg! schrijft hij aan Zelter. In zijn wanhoop tracht hij Schillers _Demetrius_ te voltooien, om tenminste nog geestelijk mét hem te zijn. Maar hij is gebroken; het werk mislukt, en nu is de vriend voor goed dood. Hij wil een groot drama maken om Schiller te herdenken. Het lukt niet. Het middel, dat hem nog altijd had geholpen in het verzetten van zijn smart, faalt thans. Later gelukt 't hem Schillers _Lied van de Klok_ in den juisten toonaard voort te zetten met een "Epiloog", die de ziel van zijn bondgenoot ontvouwt en van het nageslacht voor hem opeischt den roem, dien het leven hem slechts ten halve gaf.

Maar toen hij op het eind zijner dagen, omstreeks 1830, den schedel van zijn vriend in handen kreeg, had hij ook voor dezen grooten slag een compensatie gevonden. En in een gedicht, zacht als de adem van een slapend kind, spreekt hij het uit, dat deze leege hulze, die niemand meer kon liefhebben, al had zij nog zoo schoone kern bevat, in hém alleen een verkwikkend warmtegevoel wekte, als ontsprong een levensbron uit den dood:

Geheim Gefäss, Orakelsprüche spendend! Wie bin ich werth, dich in der Hand zu halten? Dich höchsten Schatz aus Moder fromm entwendend, Und in die freie Luft zu freien Sinnen, Zum Sonnenlicht andächtig hin mich wendend. Was kann der Mensch im Leben mehr gewinnen, Als dass sich Gott-Natur ihm offenbare, Wie sie das Feste lässt zu Geist verrinnen, Wie sie das Geisterzeugte fest bewahre......

Woorden die den begrijpenden lezer van ons hoofdstuk "God en wereld" alleszins duidelijk zullen zijn, en die bewijzen, hoezeer in Goethe leer en leven waren éen geworden.

Nooit hebben twee kunstbroeders elkaar zoo oprecht en zoo krachtig gesteund. Geen wonder: kent men nog een paar dichters, die zoo stellig wisten, _dat ze in zich zelf iets Hoogers dienden_?

[Illustratie: 14 October 1806]

XXVII

Gott habe ich und die Kleine Im Leid erhalten reine........

Een verblijf te Karlsbad bevrijdde hem van zijn kwaal; deze was met korte tusschenpoozen meermalen teruggekeerd, en had zijn stemming, die zeer leed onder den lagen luchtdruk, bedorven. Hij vond destijds veel troost in vadervreugd: zijn zoon leerde graag en bleek vooral voor talen en voor wetenschappen waarbij iets te zien viel, o. a. voor delfstofkunde, goeden aanleg te hebben. August was een beste kameraad voor zijn vader (gelijk Félix voor Wilhelm Meister) en liet zich door de intriges van vrouwe Von Stein--die, zinspelend op de verhouding tusschen Goethe en Christiane, hem allerlìefst een toevluchtsoord aanbood, als zijn te huis tè vreugdeloos mocht worden--niet van zijn ouders vervreemden. Goethe gaf hem in alles volle vrijheid, en hoeveel invloed hij niettemin op hem had blijkt bijvoorbeeld hieruit, dat de jongen als gymnasiast halsstarrig weigerde verzen te maken of te vertalen, omdat vader dit eens in zijn bijzijn sterk had afgekeurd.

Eenmaal hersteld, begon Goethe zijn "Woensdagochtend-bijeenkomsten" te houden: hij gaf te zijnent voor een aantal voorname dames, waarbij zich later de weduwe Von Schiller en vrouwe Von Stein voegden--zij verdroegen de tegenwoordigheid van Christiane terwille van den man, die van dit schepsel zoowaar veel scheen te houden!--lezingen over kleuren, magnetisme, plantkunde; aan de natuurwetenschap gaarne moralistische beschouwingen knoopend, zooals de lezer die weldra in Die Wahlverwantschaften zal leeren kennen. Men wete dat zulke bijeenkomsten in dien tijd mode waren, maar men zal zich niettemin afvragen, of deze deels lichtzinnige en venijnig lasterende dames wel veel stichting hebben gevonden in hetgeen "de mooie Geheimrath" met zijn krachtig muzikaal geluid--jammer genoeg had hij de hebbelijkheid, vaak met een hand langs oogen en voorhoofd te strijken--ten gehoore bracht. Spoedig moest hij de savantes gelegenheid geven een kwartiertje voor de les te causeeren over de politiek; want door iedereen en overal werd zeer bezorgd over de nieuwste staatkundige gebeurtenissen gesproken. Hij deed daar niet graag aan mee, maar als men hem aan den babbel wilde hebben, bracht men hem op zijn gemak, door een tafel met teekengerei voor hem klaar te zetten: hij had zijn gedachten graag bij het teekenstift, wanneer het gesprek ging over allerlei misstanden waartegen hij zich vruchteloos had verzet:

--Bedachtzaam maar vlot veroverde Napoleon Europa. West-Duitschland kon hem niet meer ontgaan en nu wilde hij door geven en nemen Pruisen isoleeren, om het later, bij gunstige gelegenheid, des te makkelijker in te palmen. Weimar en de andere Thüringsche staatjes waren door allerlei banden vast aan Pruisen gebonden: Carl-August vervulde opnieuw een belangrijke functie in het Pruisische leger. Goethe had gaarne gezien--en hij heeft het o. a. in _Hermann und Dorothea_ gezegd--dat de Duitschers _als Natie_ in opstand waren gekomen tegen de Fransche heerschappij; maar tot zijn ergernis liet deze natie zich kalmweg versplinteren, totdat Napoleon door een beslissenden zet, de stichting van een Rijn-statenbond onder zijn protectoraat, een wanhopige oorlogsverklaring van Pruisen uitlokte: die hij best kon gebruiken. Weldra bleek dat het in den omtrek van Weimar tot een hevig treffen zou komen: de wederzijdsche troepenmassa's trokken zich daar samen en stichtten bij voorbaat groote verwarring in de residentie. Carl-August was bij zijn regiment, en op Hertogin Louise na vluchtte het hof. Goethe bleef waar hij was; hij nam zelfs geen maatregelen om zijn collecties en zijn papieren te bergen: _evenmin_ als Egmont kende hij gevaar.

Het Duitsche leger werd bij Jena geslagen, de ontredderde Pruisen vluchtten door Weimars straten, gevolgd door overmoedige Franschen, die de stad bezetten en aan het plunderen sloegen. Goethe kreeg een twintigtal huzaren in huis, wier officier (Lili's zoon) hem veiligheid beloofde; de manschappen gedroegen zich nogal kalm en waren vermoeid genoeg om spoedig in te slapen. Maar in den nacht van 14 October beukten een paar plunderaars de voordeur kapot en eischten toegang. Riemer meende ze met wijn en buit zoet te houden, maar ze wilden den heer des huizes spreken. Deze trad hun tegemoet, indrukwekkend in zijn witte slaaprok--zijn "profetenmantel"! Zij bonden in, maar later vonden zij den weg tot zijn kamer, snuffelend naar kostbaarheden. Reeds stoven ze met getrokken degens op hem aan, toen Christiane, dapper en bijdehand, de wapens afwendde, snel een stadgenoot riep die in het achterhuis een onderkomen had gevonden, en met diens hulp de kerels uit het vertrek zette. Pas den ochtend daarop kreeg men ze weg: ze hadden geslapen op het bed dat Goethe voor hun Maarschalk gereed hield!

Tot juiste waardeering van dit moment, bedenke de lezer o. a. dat de menschheid twee groote werken van Goethe in het geheel niet, zijn grootste werk slechts gedeeltelijk zou bezitten--om nu gemakshalve van zijn natuurwetenschappelijke gewrochten en van vele kleine gedichten en novellen niet te spreken--indien hij (die toch een waardiger dood had verdiend) den 14den October niet was gered door het vrouwspersoon, dat men spottend noemde "dame Vulpia", ofte wel "de dikke wederhelft". (Deze laatste vinding is van Schillers weduw, die pochte, bij zekere plechtigheid, waartoe slechts vrijmetselaarsvrouwen toegang hadden, Christiane's bijzijn te kunnen afkoopen met een glas--zegge één glas--punch).

De Fransche opperbevelhebbers toonden dat het incident hen pijnlijk had getroffen en ze zonden een briefje, waarin zij "den grooten Goethe" verzochten, zich niet bezorgd te maken. Hij kreeg een schildwacht voor zijn deur en een van zijn "Italiaansche" vrienden, die inspecteur-generaal van de musea was geworden, werd nu bij hem ingekwartierd. Hij verschonk den hem opgedrongen gasten in enkele dagen 12 vaten wijn, en hij maakte totaal twee duizend daalders onkosten voor de heeren. Natuurlijk heeft men zijn positie, welke hem in staat stelde vele stadgenooten, die tot op het hemd waren uitgeschud, van dienst te zijn, op smadelijke wijze verklaard.

Terwijl nu de stad in vlammen stond en de kogels floten over zijn woning, begaf hij zich in overpeinzingen die tot resultaat hadden het volgend biljet aan den hofpredikant Günther:

Dezer dagen en nachten is een langgekoesterd plan bij mij tot rijpheid gekomen; ik wil mijne kleine vriendin, die zoo veel voor mij heeft gedaan en ook deze uren van beproeving met mij doorleefde, ten volle en burgerlijk erkennen als de Mijne. Zeg mij, waardige geestelijke heer en vader, of het zoo is te schikken, dat wij zoo spoedig mogelijk, Zondag of eerder, trouwen. Welke stappen hebben wij daarvoor te doen? Kunt Gij de inzegening niet zelf verrichten? Ik zou wenschen dat ze in de sacristy van de stadskerk geschiedde. Gelieve brenger dezes zoo mogelijk antwoord mee te geven.

Er is een echo van het gedicht Hermann und Dorothea in deze huwelijksplechtigheid op puinhoopen, die twee dagen later plaats vond. August en Riemer waren de eenige getuigen. In de trouwringen stond veelbeteekenend 14 _October_ gegraveerd.

En van toen af gold Christiane de vrouw van den huize, al zweeg de laster niet. Ze had dit geluk duur gekocht: de moeizame verpleging gedurende Goethes langdurige ziekten, het doodsgevaar waarin ze zich wierp om haar man te redden, de gemeene behandeling die ze van de Fransche officieren had te verdragen.... ziehier nog slechts een deel van den prijs. Johanna Schopenhauer (moeder van den wijsgeer), die uit een groote stad kwam en in Weimar een nieuwelinge was, hielp Christiane over de eerste verlegenheid heen, toen ze aan "de wereld" officiëel werd voorgesteld: Ik kon doen alsof ik van de vroegere verhouding niets wist, schreef ze haren zoon. Maar de bruigom betaalde de felicitaties met een stereotyp en hooghartig: Ze is altijd mijn vrouw geweest!

Napoleon had zich als een brieschende leeuw aangesteld, toen hij Carl-August niet te huis trof, en hij wilde het landje doen boeten voor den weinig diplomatieken vorst, die verzuimd had den Imperator zijn opwachting te maken. Maar hertogin Louise (de vrouw die niet bang was voor zijn 200 kanonnen! zooals hij het uitdrukte) bracht hem door haar bewonderenswaardig optreden tot betere gedachten. Carl-August nam--wat Goethe hem reeds vóor den oorlog had aangeraden--ontslag uit Pruisischen dienst; Weimar sloot zich aan bij den Rijnbond; met een hooge oorlogschatting werd de vrêe gekocht.

Goethe voelde zich na de huwelijksplechtigheid vroolijk en mild gestemd. Had hij de Fransche bevelhebbers al kort te voren op het hart gebonden, de instellingen van de universiteit, die immers mede tot zijn levenswerk van de laatste twintig jaren behoorden, te sparen--nu trachtte hij zijn tweede vaderland naar vermogen met werken des vredes over de geleden verliezen te troosten. Men spotte niet als men verneemt, dat zijn schouwburg hiertoe veel moest bijdragen.

Nu werd Christiane ook in den familiekring te Frankfort gevoerd en ze verwierf er zich veler vriendschap. Moeder Aja schreef haar zoon: "Je mag God danken. Zoo een lief--heerlijk onverdorven schepseltje Gods vindt men zeer zelden--en wat ben ik nu gerust over alles wat jou betreft".

[Illustratie: De roman "Die Wahlverwantschaften" --werd in October 1809 voltooid--]

XXVIII

Elkeen bespeurt in dezen roman een diephartstochtelijke wonde, die, al genezend, aarzelt zich te sluiten, een hart dat vreest te genezen. GOETHE, DAGBOEK.

DIE WAHLVERWANTSCHAFTEN

Maar nauwelijks was hij van al deze ontroering bekomen, zoodat hij rustig kon schrijven aan de voortzetting van Wilhelm Meister, of een nieuwe slag trof hem: juister gezegd, hij schiep zich uit onverschillige omstandigheden het dreigement, dat hem in verband met zijn verleden en zijn karakter juist toekwam.