Goethe: Een Levensbeschrijving
Chapter 24
Zoo bestaat dus deze roman uit twee helften, die niet scherp gescheiden naast elkander liggen, maar tot op nawijsbare hoogte zijn aaneengevlochten; de eerste (geschapen onder een stuwende inspiratie) met sprekende, niet beschreven karakteranalyse, en een doorzichtigen verhaalgang, vol stellig omlijnde teekening, vervult den lezer "met zoet en innig welbehagen, met een gevoel van lichamelijke en geestelijke gezondheid"; de tweede, (bijeengegaard onder den drang van een met dat doel gesloten contract en het niet aflatende manen van welmeenende vrienden) paedagogiesch, betoogend, met uitweidingen en opzettelijk aangebrachte allegorieën, die het evenwicht verbreken, die bij eerste lezing benevelen en op dwaalpaden voeren. Twee helften, ieder een levensblik belichamend, niet harmoniëerend, kwalijk aaneengelascht. En juist op de nauw verborgen voegplaatsen, en op de plekken waar de restaureerende knutselaar brokken van de eene helft heeft weggekapt om voor kostbaarder brokken van de andere helft ruimte te krijgen, juist dàar zouden wij leeren wat de dichter van Iphigenie en Hermann und Dorothea vermocht en niet vermocht; juist van daar uit zou een verreikend panorama over zijn Oeuvre ons opnieuw gegund zijn. Immers: uit iemands fouten leert men zijn deugden kennen (zoo luidt, met een kleine wijziging, de moraal van Wilhelm Meister).
Doch gelukkig de steller van deze bladzijden, die Wilhelm Meister heeft genoten, voordat het hem inviel zich aan zulk vergelijkend onderzoek te begeven! en die (met Schiller) kan verklaren dat deze roman, door de inwerking van het schòone, een zedelijke crisis bij hem heeft te voorschijn geroepen. Want niets bederft het boek zoo grondig als de hier geschetste napluis-methode, ... hoe zeer ze ook, volgens sommige vermaarden, het intellectueel genot moge verhoogen.
De argelooze lezer, die eerst ondergaat en vervolgens misschien onderzoekt, heeft niet veel hinder van allerlei passages, welke het critiesch vernuft misplaatst acht. Want voor zoover deze gedeelten niet op zich zelf bekeken schoon zijn, of boeien door hetgeen er aan voorafgaat, stemmen zij den lezer dankbaar door de wijsheid die er in is neergelegd: als ons gevoel is verzadigd of verstrooid, geniet ons intellect. In een van zijn "tamme Xeniën" beantwoordt Goethe het verwijt, dat zijn werken zooveel onbeteekenende verhaaltjes bevatten, door te beweren dat die verhaaltjes de functie vervullen van leesteekens. Wie ooit is ingesluimerd bij eenig beroemd brok modern beschrijvend proza, en toen is gaan twijfelen aan de zuiverheid van zijn kunstgevoel; daar toch ieder woord, ja het geringste accentje van gezegd brok proza juist en prachtig is; díe is op weg om te beseffen de eminente waardij van de "leesteekens" welke Goethes proza bevat. En in Wilhelm Meister hebben al die leesteekens een eigenaardigen, kunstig gekozen toon, waardoor de lezer, wachtend op de dingen die komen, voor die dingen wordt ontvankelijk gemaakt, waardoor hem tevens het idee wordt bijgebracht, dat er tijd verloopt tusschen twee bepaalde voorvallen. Ziedaar bijvoorbeeld de beteekenis van de "_Biecht eener schoone ziel_" die de twee helften der roman verbindt: De zielsgeschiedenis van Freule von Klettenberg (door Goethe uit enkele gegevens intuïtief na-geschapen) brengt practiesch werkzamen godsdienstzin in het verhaal, introduceert nieuwe menschen, en houdt den lezer op passende wijze bezig, terwijl in den held "de groote geneesmeester", de tijd, toetast.
Wilhelm Meister, rijk koopmanszoon, op het kantoor van zijn vader werkzaam, haat zijn beroep en wil zich wijden aan de kunst, speciaal aan de tooneelkunst. Hij is altijd in theaters te vinden, heeft een liaison met Marianne, een gevierde actrice, met wie hij wil vluchten. De vader ontwerpt een groote zakenreis voor hem, hopend dat deze zijn handelsgeest zal ontwikkelen. Een klant heeft een paard aangeboden ter afdoening van een vordering die de firma op hem heeft: Wilhelm zal het halen. De dochter van dien klant blijkt aan den haal met den acteur Melina en op den terugtocht treft Wilhelm de voortvluchtigen aan, geboeid, door soldaten geëscorteerd. Hij weet den gevangenen allerlei hinderlijke formaliteiten te besparen, en merkt dat Melina een zeer lagen dunk heeft van het tooneelspelersberoep. Niettemin doet hij bij de ouders van het meisje een goed woord voor hem en het huwelijk wordt beklonken.
Thuisgekomen, wordt hij door een collega voor Marianne gewaarschuwd, doch hij blijft op haar vertrouwen, ook als ze niet zijn echtgenoote wil worden, en op den avond, voor de vlucht bepaald, zegt ongesteld te zijn. Hij pakt een halsdoek van haar mee om dien nacht toch iets van de geliefde te bezitten. Onderweg ontmoet hij muzikanten, hij laat ze bij Marianne's venster spelen, hij droomt daarbij, niet vermoedend dat zij op dit oogenblik bezoek heeft van den rijken wulpschen Norberg. Hij kust haar drempel, en, zich voor het laatst omkeerend, ziet hij een man uit haar huis sluipen, gelooft echter dat dit een spooksel is van zijn overspannen verbeelding. Op zijn kamer wil hij de gekaapte halsdoek zoenen en er valt een briefje van Norberg uit, dat hem beter inlicht omtrent Marianne's bezoeker.
Na langdurige ziekte gelooft hij zich een ander man, verbrandt zijn gedichten en al wat hem aan de kunst of aan Marianne herinnert. Hij wil nu een ijskoud koopman zijn en jarenlang koestert hij dien waan. Hij onderneemt eindelijk de groote zakenreis: en onophoudelijk vestigt zijn aandacht zich op het tooneel, totdat hij Melina ontmoet, die hem geld ter leen vraagt, teneinde er een stel verpande requisiten mee op te koopen, en een eigen troep saam te stellen. Indien niet de vriendelijkheid van de toonelisten en de verlokkelijkheden van de actrice Philine hem aan den troep, tot welks vorming hij zooveel heeft bijgedragen, hadden gebonden, dan zou hij toch de gelegenheid om als artistiek leider op te treden hebben aangegrepen. De liefde van de als jongen gekleede Mignon, die hij uit de handen van een wreeden kunstemaker redt, en die hem nu als een vader beschouwt; de aantrekkingskracht van een ouden harpspeler, wiens liederen hem ontroeren, en die hij tegen de harde wereld wil beschermen, dragen hiertoe veel bij. Het gezelschap speelt eenigen tijd op het slot van een baron. De conversatie met de ontwikkelde lieden die daar verkeeren roept zijn geestdrift voor de hooge-kunst weer wakker, vooral als majoor Jarno hem op Shakespeare wijst, welke dichter zijn gevoel vaster maakt en hém meer tooneelspeler dan ooit. Hij besluit, den handel vaarwel te zeggen.
Nadat in een korte, warme scène gebleken is hoe de vrouw van den baron hem bemint, trekt hij voort met zijn troep, die door roovers wordt overvallen en geplunderd. Hij, die zich met nog slechts één kunstbroeder heeft te weer gesteld, ligt zwaar gewond aan den weg, liefderijk verzorgd door Mignon en Philine. Een edele dame met reisgezelschap rijdt voorbij: zij doet hem door een heelmeester verbinden en als hij tot bewustzijn komt, meent hij in haar iets heiligs te zien. Terwijl hij geneest, maakt hij plannen om zijn goede helpster te zoeken, doch de onmogelijkheid hiervan ziet hij weldra in.
Nu tracht hij de leden van zijn troep--wier lafheid hij intusschen heeft leeren doorzien--bij een bevriend directeur, Serlo, onderdak te brengen. Hij hoopt Serlo te bewegen tot het opvoeren van Shakespeares drama's. Deze neemt dit aan, mits Wilhelm zelf als acteur toetreedt: hij zal de leiding hebben van de Hamlet-opvoeringen. Hij maakt studie van Hamlet--levert de beste beschouwingen die ooit over dit treurspel geleverd zijn--en de opvoering er van slaagt buiten verwachting. Maar na de eerste successen neemt zijn enthousiasme af, onder den invloed van het materiëele werk, aan zijn nieuw beroep verbonden, van het weinige begrip dat het publiek blijkt te bezitten, van de karakterloosheid zijner kunstbroeders: Nu komt hij in Melina's vaarwater. Welke richting zal hij inslaan? zal hij een levend-doode pessimist worden?[A]
[A] Deze regelen waren reeds geschreven, toen ik van uit Zürich telegrafiesch de mededeeling ontving, dat door een held(!) van de wetenschap, door "Gymnasial-professor" Dr. Billeter het manuscript is _ontdekt_ van Wilhelm Meister (tot zoover hier door ons geresumeerd), zooals het vóór de omwerking luidde. Wij konden het Ms. niet raadplegen en onze beschouwingen houden er dus geen rekening mede.
Hier eindigt het gedeelte van den roman, dat wij in bovenstaande uiteenzettingen "de eerste helft" noemden. Wilhelms lot heeft een zeer verrassenden keer genomen, en wie hem van nabij kent, verwondert er zich over dat hij, die zooveel liefde voor het tooneel toonde, niet blijft op de planken, waar hij succes beleeft, ook al zijn er factoren die hem ontnuchteren....
Na van onze inleidende beschouwing kennis te hebben genomen, vermoedt de lezer reeds dat Goethe aanvankelijk van plan was, Meister in de beoefening en de bevordering van de tooneelkunst zijn levensdoel te doen vinden. Terecht! de roman was destijds sprekend getiteld Wilhelm Meisters zending als acteur ("theatralische Sendung"). De strijd: staatsman of kunstenaar? die zich in Goethe vóor zijn vertrek naar Italië voltrok, was er in verbeeld--op een eenigszins ander terrein overgebracht. Toen kwam voor hem de ontstellende en daarna rustgevende zekerheid, dat hij nooit schilder zou worden, terwijl hij daar toch zooveel jaren op had gehoopt, daar zoo volhardend voor had gewerkt. Een man met zuiver gemoed en kloek verstand kan dus tot op rijpen leeftijd een roeping voelen, die zijn roeping niet is; maar door de dwaling moet hij toch altijd tot iets goeds komen! Dit is een van de lessen, die Goethe uit dit geestesavontuur trok. En hij wilde zijn romanontwerp pasklaar maken om deze wreede doch leerrijke ervaring te belichamen.
Goed, maar er is een groot verschil tusschen Wilhelm en Goethe: Wilhelm heeft overweldigend succes als tooneelist, Goethe mislukt als schilder. Geen nood! Wilhelm was in staat, den Hamlet zoo heerlijk te vertolken, wijl hij zelf was een angstige, zoekende, twijfelende Hamlet, en slechts zich zelf had te geven. Hij was als tooneelspeler _slechts naturalist_, nabootser van de natuur (d. w. z. van hetgeen hem de natuur leek). Iets nieuws vrij scheppen kan hij immers niet. Hij is geen hoog kunstenaar, doch een rijk-begaafd, gevoelig man, een van de soort die zich onmogelijk maakt door den artist uit te hangen, maar die het in goede en bevredigende daden toch ver kan brengen.
Nu komt een eind aan den innerlijk-logischen samenloop van zijn lotgevallen. Goethe, meer en meer theoreticus geworden, zal hem beleeraren:
Door een behendig ingevoegd toeval gaat over zijn verleden eensklaps een nieuw licht op: nu blijkt dat een bond van edele menschenvrienden, die zich ten doel stelt, veelbelovende jongelieden in 't geheim moreel te steunen, van beginne af zijn schreden heeft bewaakt en hem menigmaal een teeken heeft gegeven, dat hij wel niet kon vatten, maar dat toch zijn gedachten "schwül" maakte. (Soortgelijke Bonden met onbestemd-humanitaire strevingen bestonden op het eind van de achttiende eeuw; Goethe zelf was sedert 1870 met hart en ziel vrijmetselaar). Op het slot van Lothario komt Meister met dezen "Bond van den toren" in aanraking, en hij krijgt op zijn aanleg een beteren kijk. Hij had zich naar dit slot begeven, om Lothario een afstraffing toe te dienen, voor het vele leed dat deze aan Aurélie, Serlo's zuster, zou hebben berokkend; hij heeft haar dit bij haar sterfbed beloofd, toen hij de zorg op zich nam voor den kleinen Félix, dien hij voor een zoon van Aurélie en Lothario houdt. Hij keert naar zijn woonplaats terug om Félix en Mignon te halen en zijn tooneelrelaties af te wikkelen: en nu deelt de oude Barbara--die eens zijn Marianne diende en beheerschte--hem onder aanvoering van bewijsstukken mede, dat Marianne hem nooit ontrouw is geweest, door zijn ontrouw ten doode werd gekweld en dat de kleine Félix is ... zijn eigen zoon. In den toren van het kasteel wordt hem nu met plechtige ceremoniën verklaard dat zijn leertijd is afgeloopen, en hij ontvangt er zijn "leerbrief", die de lessen uit zijn verleden bevat. Hij mag den geheimzinnigen "Abbé", die de plechtigheid leidt, een vraag stellen en nu uit hij de vrage die hem het meest op 't hart ligt. Niet: Hoe zal het mij nu verder gaan of iets dergelijks; maar: Is Félix werkelijk mijn zoon? Hieruit blijkt dat zijn leertijd werkelijk is volbracht. De natuur zelf heeft hem den vrijbrief gegeven; hij bekommert zich meer om zijn kind dan om zich zelf.
Wij zullen Wilhelm niet volgen in de vele leerrijke verwikkelingen, die hem op een beter leven moeten voorbereiden. Wij laten het den lezer over, door te dringen in de aandoenlijke geschiedenis van Mignon en in het geheim van den rampzaligen harpspeler, dat zich mét het hare ontsluiert. Wij zien den held, van vele lieve vrienden verlaten, met zijn zoon aan de hand de wereld in trekken: met den ontluikenden Félix die hem duidelijk maakt hoeveel hij nog heeft te leeren, en hoe hij met name blind is geweest voor de natuur, die den jongen steeds nieuwe vragen ingeeft. Wij verlangen naar het samenspel van deze twee levensharmoniën; wij wenschen dat de zoon een man, en dat de vader, tot nog toe in den greep van de omstandigheden, nu werkelijk een vrij Held zal worden......
Dit geschiedt in de "_Wanderjahre_", die wij hier niet zullen bespreken, omdat bespreking in klein bestek, tengevolge van de deerlijke verstrooidheid waaraan deze roman lijdt, onoverkomelijke moeilijkheden oplevert. Het zou dan allereerst noodig zijn, de talrijke kleine vertellingen, die Goethe door het boek heeft gezaaid omdat zijn uitgever om copy verlegen was, zorgvuldig van het geheel te scheiden. Het is ons natuurlijk allerminst onbekend, dat er critici zijn, die in de onmiskenbare sporen van decadentie, onverschilligheid en, in een man als Goethe, onechte romantiekerigheid van de Wanderjahre blijken van hyper-genialiteit met den vinger weten aan te wijzen; doch ons oordeel houdt stand tegenover hun vernuft.
In den Faust zal de lezer den ideëelen ondergrond van de Wanderjahre in sterkeren kunstvorm aantreffen.
Men heeft heel wat papier volgeschreven om het volslagen gebrek aan esthetische eenheid in den roman Wilhelm Meister te demonstreeren. Overbodige moeite! De aangeklaagde bekent: immers Goethe geeft toe dat deze roman is een alleronberekenbaarst product, waarin men vruchteloos naar een kern zoekt, en welks sleutel de schrijver zelfs niet bezit. Maar, laat hij in een gesprek met Eckermann op deze bekentenis volgen: is het dan niet genoeg dat ik mijn lezers een rijk stuk leven van nabij laat zien? Het gewone leven heeft toch ook geen tendenz; een tendenz bestaat slechts voor het verstand. Deze redeneering echter gaat in dit geval maar ten halve op.
Inderdaad, een roman behoeft niet aan de strenge eischen van soberheid, eenheid, concentratie te beantwoorden, waaraan een voortreffelijk drama, zeg Iphigenie, voldoet. Roman en drama zullen een zelfde stuk leven niet op de zelfde wijze aanvatten; de roman geeft meer détail, meer achtergrond, uitvoeriger bespreking van de wisselwerking tusschen karakter en omstandigheden, dan het drama.
Nu staat dit vast: niet alle personen en toestanden die wij ontmoeten spelen in ons leven een nawijsbare, ingrijpende rol. In verband met onzen aanleg kan hun taak wel eens deze zijn: ons voorbijgaand of langdurig bekoren, ons voor een poos van onzen levensweg verwijderen. Er is niets tegen, dat met het bestaan en de inwerking van zulke personen of omstandigheden in het levensrelaas van een romanheld rekening wordt gehouden. Nog sterker: Iemands leven kan een ononderbroken dwaling zijn; iemand kan een werkelijk groot man wezen en lijden aan deze eene tragische fout: dat hij zijn dienaren niet weet te kiezen. Deze fout zal zijn levenswerk verijdelen. Het leven van zulk een groot man zou het onderwerp kunnen uitmaken van een roman, waarin de held onverstoorbaar zijn idealen hoedt en van de zelf-gekozen belagers niets merkt: ze gaan buiten zijn levenskern om, die toch het aandachts-centrum in het boek vormt. Maar ook in dit geval--een uiterste!--behoort het feit dat sommige, dat véle personages buiten de hoofdhandeling staan tot.... de hoofdhandeling. En deze dieper liggende eenheid moet op een of andere wijze voelbaar worden. Natuurlijk, slechts een wijs en talentvol auteur brengt dit tot stand....
Maar nu is verklaard, waarom ons stijlbeprip niet al te hevig in verzet komt, ook al bespeuren wij dra, dat in de eerste helft van Wilhelm Meister, stylistiesch geoordeeld, veel te veel ruimte wordt besteed aan de schildering van enkele op zich zelf kostelijke en onvergetelijke figuren; als daar zijn: de snaaksche, volstrekt zedelooze en toch zedelijk charmante tooneelspeelster Philine; het onvergetelijke zondekind Mignon; de grijze, vloekbeladen harpspeler. Deze figuren staan buiten de hoofdlijn, maar op de gevoelens en de stemmingen van den held, die (men zal het bij eenig nadenken toegeven) mede zijn lot bepalen, hebben zij vaak leidenden invloed, en zoo dragen zij toch _indirect_ tot de handeling bij. Wij zijn Goethe ten zeerste dankbaar voor de kennismaking die hij ons met deze buitengewone menschen veroorlooft: zij leven jaren nadat wij den roman opzij hebben gelegd nog als gewaardeerde kameraden in ons gemoed. Bovendien beschijnen zij de vaak prozaïsche en ietwat gekunstelde achttiend'eeuwsche atmosfeer, waarin Wilhelm ademt, met een vaag licht, dat zweemt uit een nauwelijks vermoede wereld. En wij vragen ons af, waarom de schrijver zijn phantastischen held niet in deze andere wereld deed leven, die toch beter bij hem past? Deze vraag, die, essentiëel genomen, voor ons alle een levensvraag is, beantwoorden wij, naarmate onze ervaring van jaar tot jaar toeneemt, steeds nauwkeuriger en afdoender. Want dit (het zij terloops vermeld) is een schoone kwaliteit in dezen roman: de ontluikende jongeling, de rijpe man, de moede grijsaard vinden er ieder voor zich hun levenservaring in bevestigd. Ziedaar de beteekenis van Goethes onbevangen blik op de menschen en van zijn "niemand bemoraliseeren", gelijk moeder Aja het hem heeft ingeprent. Hiermede hangt het "volslagen gebrek aan eenheid" dat wij bespraken ten nauwste samen. En hier ligt dan de aanleiding tot den vaak herhaalden dooddoener, dat Wilhelm Meister is een onzedelijk boek, of (zooals de mystieke Novalis zegt) een moreel-ongodistiesch boek; een aantijging die voor zich zelf spreekt......
Maar nu schieten wij op in het tweede gedeelte, en wij bespeuren daar wel degelijk een tendenz, al heeft de schrijver die, wie weet hoe onbewust, met groot talent verhuld. Deze strekking vergoedt, zooals wij reeds opmerkten, de vele benevelende uitweidingen. Doch waar de gebeurtenissen zich al spoedig onvermijdelijk groepeeren om een vaste ontwikkelingslijn, juist dàar kwetst het invoeren van enkele tamelijk overbodige personages en voorvallen ons stijlgevoel. En op dit gedeelte laat zich Goethes redeneering ook bezwaarlijk toepassen. Of........
Of moeten wij aannemen, dat de schrijver (die in de teekening van de karakters hoogst zelden zijn eigen meening als zoodanig mengt) op deze wijze heeft willen aanduiden, dat Wilhelm zelf, nadat zijn eerste hartstochten zich hebben gelegd, en de warmte van zijn gevoelens is gedaald, nadat hij voorloopig tot inkeer is gekomen, de dingen tendentieuzer ziet dan voorheen, ze meer rechtstreeks met zijn eigen levensloop in verband brengt, en daardoor sommige personen, wier nut voor zijn levensloop twijfelachtig schijnt, minder warm in zijn gemoed sluit?
Dit zou de uiteenloopende kleuring van beide romanhelften begrijpelijk maken. En men neigt tot zulke opvatting, als men ervaart dat Goethe in die Wahlverwantschaften de handeling veel sterker concentreert, de nevenpersonen en de uiterlijke omstandigheden nauwelijks aanduidt, en dit dan hieraan toeschrijft: Dat hij dàar met grootdeels gevormde karakters heeft te doen, die, als hun intiemste heil gemoeid is, meer op zich zelf rekenen en letten dan op anderen.
XXVI
Nun weint die Welt, und sollten wir nicht weinen? EPILOG.
Nadat hij vrouw en kind aan zijn moeder had voorgesteld en nogmaals een reis naar Zwitserland had gemaakt, bleef hij een tiental jaren vreedzaam in Weimar. Hij werd gemakzuchtig, ging zelden uit, en onderhield slechts met enkele vrienden conversatie. Hij nam équigage en had er liefhebberij in, zelf de paardenmarkt te bezoeken. Overigens maakte hij zoo weinig beweging, dat hij tamelijk corpulent werd. Een neiging om zijn lichaamskracht te sparen, teneinde ongestoord zijn drukken geestesarbeid te kunnen voortzetten, was over hem vaardig. Hij onderwierp zich zoo stipt mogelijk aan de dag-indeeling, die hij zich had voorgeschreven. Hij stond om zeven uur op en werkte tot elf onafgebroken. De morgenuren waren hem altijd het vruchtbaarst, terwijl een man als Schiller 's nachts dichtte, zijn brein verhittend met champagne. Om elf uur gebruikte hij een kop chocolade en ging dan tot twee aan den slag. Dan kwam zijn kleine August dikwijls onder zijn venster, en mocht happen naar een stuk taart, dat zijn vader aan een koordje liet zakken: sinds ze samen naar Ilmenau waren geweest droeg de jongen een mijnwerkerspak. Om twee uur middagmaal: gewoonlijk eenige vrienden aan tafel of een paar acteurs, met wie hij over tooneelzaken had te spreken. Hij at overvloedig en beperkte zich daarbij, hoewel van huis uit een zoetekauw, tot ernstige, zware spijs. Hij nuttigde twee of drie flesschen lichten rijnwijn per dag: voor dien tijd niet veel, voor een Rijnlander bepaald weinig. Langdurig behartigde hij de belangen van zijn maag, hield opgewekte, uitbundige tafelgesprekken. In den namiddag ontving hij bezoeken in verband met de vele leidende functies die hij bekleedde, en tegen den avond begaf hij zich vaak naar den schouwburg; men begon toentertijd veel vroeger te spelen dan thans. Van acht tot negen souper, waarbij hij wat groente en wat fruit gebruikte. Om tien uur bedtijd; men zegt dat hij een talentvol slaper was. Hufeland, de ook thans nog om zijn Langleefkunst bekende arts, weet te berichten, dat Goethe een "prachtige" spijsvertering bezat, en zich in een even prachtige bloedvorming verheugde.
[Illustratie: GOETHE-SCHILLER GEDENKTEEKEN]
Hij bemoeide zich in die dagen met velerlei dingen: Als leider van het tooneel te Weimar spaarde hij geen arbeid om den smaak van het publiek te louteren, om den aanleg van zijn spelers te veredelen. Sedert 1800 werd hij hierin terzijde gestaan door Schiller, die door den hertog in staat was gesteld, zich geheel aan het Duitsche drama te wijden. Enkele jaren daarop stichtte hij een tooneelschool, met aanvankelijk een dozijn jonge leerlingen; die school bezat maar één leeraar: Goethe, de directeur. Bij den aanbouw van een nieuw theater betoonde hij zich een zoo handig architect, dat de hertog hem halsstarrig in den aanbouw van een nieuw paleis bleef betrekken. Langzamerhand kreeg hij daarbij alle draden in handen, en mengde zich ten slotte in de arbeidsvoorwaarden van de werklieden: hij schafte de ploegbazen, die zich een deel van de loonen toeëigenden, af, en nam de arbeiders rechtstreeks in dienst.