Goethe: Een Levensbeschrijving
Chapter 20
Hoewel het weer àl ongunstiger werd--Jupiter Pluvius, de regengod, leek waarempel wel Jacobijn geworden, zoo plaagde hij de Duitschers!--hielden kleine overwinningen den moed in de soldaten. Goethe had zijn vrouw beloofd, haar iets moois mee te brengen uit ... Parijs. Maar de slappe, planlooze leiding kwam den verdedigers van tucht en orde--die intusschen de Fransche landlieden schaamteloos beroofden--op de nederlaag bij Valmy te staan. Gedurende de beruchte kanonade reed Goethe, ondanks de waarschuwingen van de officieren, naar de uiterste gevechtslinie, waar kogels en kartetsen hem om de ooren borrelden en gierden. Hij wilde de kanonkoorts leeren kennen, en hij was te zeer volbloed onderzoeker om daarbij op zijn leven te letten. Hoogst opgewonden keerde hij terug: sinds Straatsburg had hij maar zelden gerild. Toen dien nacht de vorsten, alvorens zich op den vochtigen grond uit te strekken, hem vroegen wat hij van den toestand dacht--hij was in het kamp beroemd om zijn snedige antwoorden--sprak hij plechtig: Mijne Heeren! van hier en heden begint een nieuw stadium in de wereldgeschiedenis; en Gij kunt zeggen dat Ge er bij zijt geweest!
De verbondenen moesten nu al de behaalde voordeelen stuk voor stuk prijsgeven. Gedurende den afschuwelijken terugtocht, door allerlei ontberingen doodziek geworden, nam Goethe, nadat de hertog er lang op had aangedrongen, van het leger afscheid. Onderweg bereikte hem een zwervende brief van zijn moeder, waarin deze polste of hij bereid was, zich tot lid van den Stadsraad in Frankfort te laten aanwijzen. Hij bedankte. Gelukkig dat de oude Caspar het niet beleefde!
Na vier maanden nu hier dan daar gelogeerd te hebben, bij verschillende oude vrienden, die hem verwilderd vonden, en bij nieuwe kennissen, op wie hij den indruk maakte een vroom katholiek te zijn, keerde hij naar Weimar terug. Daar vond hij het huis, dat de hertog hem eerst in bruikleen, later ten geschenke had gegeven, heel naar zijn smaak verbouwd: een enorme vestibule, in Italiaanschen stijl, met antieke beelden in de nissen, breede marmeren trappen, zalen waar hij zijn geliefde schilderijen zou hangen; op de eerste verdieping de eenvoudige werkkamer met aangrenzende bibliotheek; en verder de ruimten die hij tot laboratorium en voor natuur-historiesch museum zou inrichten.--Om zijn ergernis over het om zich grijpen van de revolutie te verdrijven, zette hij zich aan zijn _Reineke Fuchs_, den "leeken-bijbel" die hem gelegenheid gaf, menige bijtende spotternij te loozen, zonder dat men 't hem kwalijk mocht nemen. Kort daarop nam de hertog ontslag uit dienst, en toen was ook Goethes rol in het revolutie-tijdperk gespeeld.
Door vele geschriften trachtte hij zijn opvatting over de nieuwe richting, die ook in Duitschland tierde, ingang te doen vinden. Een ternauwernood bedwongen onrust spiegelt zich in deze geschriften hinderlijk af. Op Grosskopta en den tendentieusen Bürgergeneral is reeds gewezen. Het fragment _Das Mädchen von Oberkirch_ en _Die Unterhaltungen der Auswanderer_ met _Het sprookje_ spreken voor zich zelf. Daarentegen dient het treurspel _Die Natürliche Tochter_ uitvoeriger doordacht.
Het behoort tot de drama-groep Iphigenie-Tasso. De Trilogie, waarvan het deel moest uitmaken (die echter in verband met nader te noemen omstandigheden onvoltooid bleef), zou genoemde drama's _o. i._ in waarde nabij zijn gekomen en, wat feitelijken inhoud en toepasbaarheid op het werkelijk leven aangaat, hebben overtroffen. Doch vele Goethe-kenners, die den dichter zijn standpunt tegenover de revolutie kwalijk nemen, laten, als zij De natuurlijke dochter aanroeren, hun gewonen speurzin varen. Zij, die Goethe roemen omdat hij zijn levensondervindingen in zijn werk neerlegde, kunnen hem niet vergeven, dat hij de zuiver-intellectueele ondervinding, in het boven besproken tijdvak opgedaan, niet rechtstreeks, doch na ze te hebben verwerkt, in een drama belichaamde. Zij achten het bijvoorbeeld een fout, dat noch de omwenteling, noch het land waarin de handeling verloopt met name worden genoemd; dat de groote gebeurtenissen van dien tijd in het stuk rechtstreeks bijna geen rol spelen. De lezer die onze bespreking van Iphigenie heeft gevolgd, begrijpt dat wij aan dit bezwaar weinig hechten. Wij beweren dat van Goethe, gegeven zijn aanleg, niets anders te verwachten viel. Ten eerste omdat hij de hier belichaamde ideeën altijd _als ideeën_, nooit als zakelijke ervaringen heeft bezeten. Ten tweede omdat voor Goethe, die omstreeks dien tijd bewustelijk individualist was geworden, de groote gebeurtenissen in belangrijkheid verre ten achter stonden bij de processen, die zij te voorschijn riepen in de kleine _d. i._ de zedelijke wereld: in één ontvankelijke menschenziel. Daardoor moest het stuk iets ontijdelijks, iets wezenlijks krijgen. Zonder dat toespelingen op de Fransche revolutie er geheel in ontbreken, moest het _verwijzen naar_ politieke woelingen in het algemeen. Sinds Egmonts lieveken Clare vergeefsche moeite deed, om de groote massa voor haar gevangen minnaar in 't geweer te brengen, wenschte Goethe de massa, en met haar alle rumoerige gebeurtenissen, van 't tooneel te weren. De massa, die zelf niet oordeelt en van geen zelfbedwang weet, kon geen kunstmotief zijn voor den denker, die slechts in den met helder zelfbewustzijn strijdenden mensch, in het innerlijke, in de zelfoverwinning behagen vond.
Goethe ontwierp zijn Natuurlijke Dochter (en de twee stukken die er op moesten volgen) toen hij kennis had gemaakt met de (zoogenaamde) _Mémoires_ van Stéphanie-Louise de Bourbon-Conti. Hij heeft echter de karakters van de hoofdfiguren, en daarmede de motieven van hun doen, zoo aanmerkelijk veranderd (hij deed dit reeds, toen hij nog meende zijn historische gegevens te "dramatiseeren") dat ook in dit opzicht het treurspel een geheel onafhankelijke schepping is. Overigens: de personages, hoe scherp ook omlijnd, zweven in de atmosfeer van Goethes gedachteleven. Ze staan ons voor oogen zooals ze zijn, maar bovendien zooals ze zich verhouden tot 's dichters levenswijsheid. Slechts de kunstenaar die het wezen der dingen bevroedt kan deze twee werelden dooreenweven, zonder dit hier en daar uitdrukkelijk te constateeren. Vrij en verantwoordelijk handelen de menschen in Goethes "classieke" stukken, en toch ook weer gebonden aan een hooger beginsel. Zoo handelt ook de mensch, wanneer men hem beschouwt in zijn geheimzinnige relatie tot de eeuwige voorzienigheid.
De dichter heeft de stroom van plechtige gedachte, die zich door dit treurspel mengelt, voelbaar gemaakt door de praegnante gedrongenheid van zijn taal, die van den lezer of hoorder strenge aandacht vergt, terwijl op vele plaatsen het lidwoord ontbreekt, en diepzinnige uitdrukkingen, vreemde woordverbindingen, alliteraties en half-verhulde rijmen hem beurtelings spannen en bekoren. De personen in dit spel spreken dus een opvallend "onnatuurlijke taal". Alle kunst en alle cultuur is ten slotte onnatuurlijk. Indien dit niet zoo ware, konden wij beiden missen. Een bekwaam snelschrijver, die een belangrijk gesprek heeft genotuleerd en zoo "natuurlijk" mogelijk, nl. letterlijk weergeeft, is daarom nog niet een dramaturg. De gevoelens die Goethes figuren hier vertolken zijn echter volkomen menschelijk--hoewel ook al weer niet zonder meer "natuurlijk". Slechts het dier heeft natuurlijke gevoelens en de mensch is mensch, om daar met hulp van zijn rede bovenuit te streven. Juist door hun eigenaardige taal worden deze personen geheven naar de sfeer, waarin het essentiëele, het eigenaardige zich laat _bespeuren_ en 's menschen plaats in het wereldverloop zich openbaart. Zij zijn typiesch en blijven toch geïndividualiseerd. Zij zijn geheel waar, en toch zal men ze nooit zoo ontmoeten.
Begrijpelijkerwijze is de oppervlakkige leeken-critiek van den rap oordeelenden schouwburgbezoeker daardoor in de war geraakt. Deze meende dat Goethe symbolen, voorbeelden wilde geven. Er is ook al weer iets van aan: iedere ziel, tot op haar kern doorschouwd, opent den toegang tot vele gelijkgestemde zielen. De leeken-critiek werd in haar meening gesterkt, doordien de dichter alleen aan zijn heldin een naam (Eugénie) heeft gegeven. Verder treden in het treurspel nog op "de secretaris", "de graaf", "de koning" enz. Dit beantwoordt aan een verschil in belichting. Slechts Eugénie staat in hevige kleuren en ten voeten uit ons voor oogen. De lieden die haar omgeven liggen half in schaduw. Nu, iemand dien men slechts ten deele kent, noemt men eer bij zijn maatschappelijke kwaliteit dan bij zijn naam. Men denke aan "den dokter", "den conducteur", en zij hiermede genezen van den waan, dat "de hertog" in De Natuurlijke Dochter eigenlijk het type van een hertog, van alle mogelijke hertogen moet voorstellen.
Hier volgen nu de groote lijnen van dit treurspel, die natuurlijk omtrent de fijne schakeering van ieder détail niets zeggen:
--Eugénie, de natuurlijke dochter van den hertog en een vrouw van koninklijken bloede, is in stilte opgevoed tot ridderlijke kracht en vrouwelijke zachtheid; kunstzinnig en vertrouwend op het edele in den mensch. Na den dood van haar moeder verzoekt de hertog den zwakken koning, wiens vijand hij tot dan toe was, haar als prinses te erkennen. De koning belooft, dit op zijn verjaardag te zullen doen. Zij ontvangt nu van haar vader een kistje met kleinoodiën en gewaden, die haar op dien dag zullen tooien. In een hoog gestemd sonnet zegt zij haar dankbaarheid aan den koning uit. Ze heeft beloofd, het kistje niet voorbarig te zullen openen, maar ze doet 't toch en toont dan hoe nieuwsgierig en pronkziek vrouwtje ze bij al haar ridderlijkheid is gebleven.
Haar juffrouw-van-gezelschap, verloofd met den secretaris van haar broer, weet niet te zwijgen en zoo komt haar broer alles te weten. Deze, een doorbrenger, is zeer ontsticht over het gevaar dat zijn erfdeel dreigt. Hij gelast zijn secretaris, Eugénie te verdonkeremanen, desnoods te doen vermoorden, en ter verwezenlijking van dit plan wordt de partij des oproers misbruikt.
De gouvernante acht het gevaar onontkoombaar en besluit Eugénie te geleiden naar "de eilanden". (Men denkt hierbij meestal aan Engeland) Een prelaat maakt den hertog, haar vader, wijs dat zijn dochter, die reeds eenmaal op een roekeloozen tocht van haar ros was gestort en voor dood werd opgenomen, nu werkelijk een ongeluk heeft gekregen en daarbij zoo verminkt is, dat men hem het lichaam niet dorst toonen en haar onmiddellijk heeft begraven. De hertog, die eerst in een klooster wil gaan, nu hij zijn geliefde dochter moet missen, komt onder den invloed van den geestelijke, tot het typiesch-Goethe-achtige besluit, verder te leven en haar, na een deugdzaam leven te hebben gesleten, in de eeuwigheid weer te zien, voorgoed naast zich te hebben.
Eugénie, in de havenstad aangekomen, wil haar vaderland niet verlaten en kan niet gelooven dat de koning, die zich zoo goedgunstig heeft getoond, haar kwaad wil. Verschillende lieden die ze om hulp vraagt, laten haar na vage beloften in den steek, als de gouvernante het verbannings-decreet overlegt. De koning heeft door haar verwijdering de partijen met elkaar willen verzoenen. Slechts één reddingskans is haar gelaten: ze mag blijven als ze huwt met een man uit den burgerstand. De "Gerichtsrat" heeft haar zijn hand geboden, doch ze bemint hem niet, meent dat ze zich niet in burgerlijke verhoudingen kan schikken. Door een monnik, dien zij om raad smeekt, gewaarschuwd, dat een algeheele ommekeer in haar vaderland op til is, besluit zij de bescherming die de Gerichtsrat haar aanbood te accepteeren. Ze heeft begrepen wat deze bedoelde toen hij haar uiteenzette, dat echtgenooten, in het gezin vereenigd, hoe arm ook en hoe verdrukt, voor het geraas van de buitenwereld onschendbaar zijn, dat in hùn harten slechts het ware geluk is te vinden. Hier spreekt een grondtoon van Goethes geloof:
"Denn, wenn ein Wunder auf der Welt geschieht, Geschieht's durch liebevolle, treue Herzen".
Zoo pas heeft ze nog ondervonden dat het volk, door haar te hulp geroepen, haar leed niet begrijpt. Ze heeft gezweefd tusschen het verlangen naar iets dat buiten haar staat (een rang, haar vaderland) en de liefde tot haar Ik. Nu zal zij trachten haar persoonlijkheid te redden en zelfs degenen die haar willen treffen bij te staan. Doch, ze heeft den Gerichtsrat slechts vriendschap te bieden. De huwelijksband wordt gelegd om haar te redden. Voorloopig moet hij, die haar bemint, haar als een zuster beschouwen. Op een klein landgoed, dat hij bezit, zal ze zich terugtrekken, en hij zal geduldig afwachten totdat ze hem roept. Zoo moet hij zelfs van haar blik afstand doen, om haar misschien! eens te winnen. Wel wetend hoe zwaar dit offer is, wil hij toch ernstig trachten het te brengen. Ze volgt hem naar 't altaar en, door zijn edelmoedigheid verteederd, geeft ze hem te hooren dat later een inniger toenadering van haar te wachten is.--
Goethe heeft de vergissing begaan (hij zag 't te laat in) dit drama te doen opvoeren, voordat de twee vervolgstukken gereed waren, die te zamen al zijn ideeën over de Fransche revolutie zouden bevatten. Toen is het publiek het gaan beschouwen als een soort van voorspel, als een lange, eentonige inleiding tot de bloedtooneelen en avontuurlijkheden, waarop het zich had gespitst. Deze echter kon Goethe niet geven. Te Berlijn vonden de schouwburgbezoekers "dit onsterfelijke meesterwerk zeer vervelend"; ze oordeelden dat men er "drommels goed bij moest opletten, daar er niets in gebeurde"; te Jena werd het wel zoo ongeveer uitgejouwd. Die natürliche Tochter moest vallen, wijl de groote massa Goethes blik op de dingen niet begreep. Men vond het stuk "zoo koud als marmer", terwijl hij zelf bij de repetitie in tranen uitbarstte en de spelers verzocht te pauseeren. De meening van het publiek verrastte hem niet--heel het treurspel heeft tot leitmotief dat onder de menschen het ware niet is te vinden--maar ze ontmoedigde hem. Hij heeft er verder het zwijgen toe gedaan en de schets van het verdere verloop zelfs ten deele vernietigd. Wel een bewijs dat hij dit, zijn "rijpste en krachtigste werk"--als de veeleischende Herder het ietwat overdreven noemde--heeft geschreven, ten deele om er zijn tijdgenooten mee van dienst te zijn. En dit in de jaren dat men hem het scherpst van egoïsme beschuldigde.
XXII
Wer Kunst und Wissenschaft besitzt Hat auch Religion.
GOD EN WERELD.
In den loop van de voorafgaande bladzijden moesten wij hier en daar eenig onderdeel aanroeren van Goethes levensbeschouwing, zijn natuurwetenschappelijken arbeid, zijn kunstopvattingen, zijn wijsgeerig getoonde sentimenten. Nu ons relaas het tijdstip heeft bereikt, waarop zijn meeningen over allerlei groote vragen hem definitief bewust werden, waarop hij--de dichter--zich uitsluitend ging wijden aan natuurwetenschappelijk onderzoek, schijnt het gewenscht vele draden, die wij tot nu toe lieten vallen, op te nemen en naar behooren dooreen te leggen. Goethe heeft meermalen getracht, al de uitkomsten van zijn denken tot één geheel te verwerken. Dit verwondert ons niet van den man, die onophoudelijk zijn papieren ordende en herordende om goed te overzien wat zijn lijden had opgeleverd; en menig fragment uit zijn nalatenschap, menige passage in zijn wetenschappelijke boeken wijst hierop. Zulk samenvatten echter kon hem niet afdoende gelukken, wijl hij den allerlaatsten grondslag van zijn overwegingen--de gedachte zelf--niet bezat, altijd meer had gegeven om het _gevoel_ dan om het _betoog_ van een waarheid, zich steeds in gelijkenissen uitdrukte, en zoo met gevoelvolle beelden het punt omspeelde waar alle weten ontspringt en samenvloeit. Men heeft hem terecht een "esthetiesch idealist" genoemd; wij verstaan hierdoor een denker, die de grond-ideeën (welke de leek met abstracties _verwart_) wel kent, doch ze slechts kent als gevoelens, als _aandoeningen_: Onverwacht borrelden de beelden op uit zijn bewustzijn.
I. DE PEINZER.
I. Voordat Goethe zijn "heer en meester" Spinoza kende, gingen zijn sentimenten in de richting van diens wijsbegeerte; ook toen hij hem nog verfoeide. Later verliet hij zich gaarne op Spinoza, omdat deze met strenge betoogen aannemelijk maakte de ideeën, die hij zelf in stilte koesterde. Dat de jonge Goethe juist Spinoza tot leidsman, bijna tot voorvechter koos, is in een speciaal opzicht typiesch voor zijn geestesaanleg. Immers de Hollandsch-semitische philosoof is wel streng en sober in woordkeus, wel nauwkeurig in redeneertrant, maar een fijn logicus in den modernen zin des woords toont hij zich zelden. Zijn "geometrische methode" is een soort contrôle-middel, een uiterlijk ordenings-principe, dat hij zich willekeurig oplegt. Uit den aard van zijn onderwerp vloeit het niet voort. Hij is een intuïtief vinder, een fijngevoelig ontleder van zijn eigen aandoeningswereld. En juist daardoor (niet alleen dus door den schijn van exactheid) kan hij den ontluikenden jongeling leiden. Hij heft diens liefste gevoelens in de sfeer van zijn edel en gerijpt gemoed, en toont dat ze daar passen. De vredeslucht waait er Goethe tegen; terwijl hij in _eigen boezem schouwt_ meent hij _de wereld_ nog nooit zóo duidelijk te hebben gezien. Men lette op dit veelzeggend beeld!
II. Want het verklaart: waarom de ontspoorde Leipziger student, de dichter die wel techniek maar geen onderwerpen heeft, besluit zijn werken tot "een groote biecht" te maken, tot een reservoir dat al zijn vreugde en zijn kommer zal bevatten. Hij zelf motiveert dit besluit--waaraan hij zich heel zijn leven zal houden--al byzonder slecht. De reden er van kan niet gelegen zijn in de dorheid van de poëten, die hem tot voorbeeld dienden; niets belette hem, die zoo critiesch tegenover hen stond, sappiger te zijn. Ook niet in de onbelangrijkheid van zijn omgeving. Neen, het proces dat zich in zijn onbewuste wezen afspeelt komt hierop neer: hij tracht (wat de grijze schrijver van _Wahrheit und Dichting_ wel weet) zijn pijnen, hartstochten, verlangens, de menschen die hij haat of niet begrijpt, thuis te brengen in de sfeer des Geheels: In de sfeer van het blijvende, noodzakelijke, essentiëele houden de hartstochten op "lijdingen" te zijn. En Goethe vindt deze sfeer in eigen boezem. Dit is dan ook de ruime wereldblik dien hij in Spinoza prijst, zoodra hij (omstreeks den Werther-tijd) diens Ethica (_d. i._ niet Moraal, doch Levensbegrip) leert kennen.
III. Zijn overgave aan Spinoza--terwijl hij diens werken niet stelselmatig bestudeerde, maar ze oplettend doorbladerde--was toch niet een geloof. Zij berustte aanvankelijk op de gerubriceerde, rustig gebouwde en samenhankelijke uiteenzetting van zijn lievelingsidée (God en natuur zijn niet te scheiden), die hij bij dien denker aantrof; doch al spoedig op zijn steeds toenemend vertrouwen in een van de voornaamste (voor hem en voor Spinoza eigenlijk _de_ voorname) menschelijke kenbron, nl. het intuïtieve weten, de rechtstreeksche aanschouwing van de Waarheid. Deze kenbron wordt door Spinoza gerechtvaardigd met dit betoog: De toereikende, wezenlijke kennis van eenige attributen Gods kan leiden tot de kennis van het Wezen der dingen. Gods liefde tot ons menschen manifesteert zich door ons innerlijk verwant-zijn, dat is ons deel-hebben aan God; door ons vermogen hem te kennen en zoodoende in Gods wijsheid rust en welbehagen te vinden.--Hoe echter Gods liefde te verwerven? Wij moeten God volkomen onbaatzuchtig liefhebben, zonder te verwachten dat God ons wederkeerig zal beminnen. Want door zulks te verwachten zouden wij aan God een hartstocht toeschrijven, die hem niet kan passen, daar God de volmaaktheid in zich zelve is, en degeen die zich door hartstocht laat leiden zich afhankelijk stelt van iets anders. God bemint ons echter in zooverre wij opgaan in het Geheel, d. i. in God zelf; want hij is alom en heeft behagen in eigen volmaaktheid, waartoe wij gaan behooren in zooverre wij ons overgeven. Deze overgave geschiedt doordien onze Geest zich voortdurend bezig houdt met de liefde tot God. Nu, deze liefde is het streven naar wezenlijke kennis van de wereld, de natuur, onze eigen aandoeningen; die de strekking heeft, ons van onze hartstochten te bevrijden, dezen hun plaats aanwijzend in de sfeer van de noodzakelijkheid, die wij door onze innerlijke verwantschap aan God kennen.
Maar: gelijk wij op het terrein van ons levensgedrag door deugd (_d. i._ vrijheid) ons verheffen en de goddelijkheid benaderen; zoo maken wij ons op het terrein des intellects, door oplettende beschouwing van de eeuwig werkende natuur, waardig, aan haar scheppend vermogen deel te erlangen. Dan geeft ons innerlijk antwoord op teekenen uit de buitenwereld. "Indien ik de wereld niet reeds door voor-besef in mij had gedragen (aldus Goethe tot Eckermann) dan ware ik met ziende oogen blind gebleven, en al mijn vorschen en ervaren ware een totaal vergeefsche bemoeiing. Het licht is daar en de kleuren omgeven ons, maar droegen wij geen kleuren en geen licht in ons eigen oog, wij zouden die ook buiten ons niet waarnemen".
2. DE DICHTER.
IV. Hiermede is dit gezegd: de dichter, in deugdzaamheid, in onbaatzuchtigheid, in de grootst bereikbare innerlijke reinheid scheppend, brengt zins-beelden voort, welke even waar, vast, evenwichtig en noodzakelijk zijn als natuurgewrochten. Goddelijke gewrochten dus, die den dichter over zijn eigen lijden onderrichten en hem bevrijden. "Wanneer ik sprak (laat Goethe zijn Prometeus zeggen) waande ik God te hooren, en meende ik God te vernemen, dan sprak ik zelf". De kunst, zoo opgevat, is dus niet nabootseres van de natuur, doch duidster van de natuur. Het schoone is dan een openbaring van geheime natuurwetten, van een eeuwig-werkenden Geest, die--indien hij geen gestalte aannam--eeuwig verborgen ware gebleven. Door de kunst vindt de enkeling zich in de ruimteloosheid weer; door haar wordt overgave genot. Zij maakt het mogelijk, zich in het Geheel te verheugen, door dit Geheel in het kleinste te aanschouwen. Want de Geest des Geheels is
"das Ewig-eine Das sich vielfach offenbart".