Goethe: Een Levensbeschrijving
Chapter 2
Hij was nog heel jong, toen hij werd aangegrepen door een formeele "vers- en rijmwoede", nog aangewakkerd door de wedstrijden in het dichten en improviseeren, die een huisvriend de kinderen uit zijn omgeving deed houden. Op elk onderwerp dat men hem voorlegde wist hij vlam te vatten, in alle genres beproefde hij zijn geluk; boertige dingskens zoowel als geestelijke zangen bracht hij voort. En ieder jaar bood hij zijn gevleiden vader een bundel "Verzamelde Gedichten" van vijfhonderd kwarto bladzijden aan als verjaarsgeschenk;--waardoor hij zich hoopte te vrijwaren van de doodsche oefeningen in het schoonschrijven. Om zich in zijn Latijnsche-taalwerk een beetje zelfstandigheid te veroveren, stelde hij zijn Latijnsche gesprekken op, tusschen "De Vader" en "De zoon"; hij behandelde daarin onderwerpen uit zijn eigen leven. Zoo, een bezoek aan den welgevulden wijnkelder, dien de familie Goethe uit grootvaders logement had geërfd; en een woordenwisseling met zijn gestrengen heer en vader, die te weinig eerbied koesterde voor zijn boetseerwerk in was. Met uitbundige scherpzinnigheid, met onvertaalbare woordspelingen en ouwelijke grappen treedt "De zoon" zijn knorrigen belager tegemoet. In kernachtigen dialoog wordt "De vader" schaakmat gezet, en ten leste, bij wijze van genadeslag, verbluft met een vraag aangaande de grondbeginselen van de schoonheidsleer. Acht jaar is de schrijver van deze gesprekken. En: "Labores Juveniles"--"Jeugdwerk"--zet hij er boven. Die titel zegt veel!
Daar brak oorlog uit tusschen Pruisen en Oostenrijk. Zijn grootvader de schout, en met dien het grootste deel van de familie, stond aan de zijde van den keizer; hij en zijn vader kozen partij voor den grooten Fritz, den manmoedigen Pruisenkoning. Hij had altijd veel van zijn aanzienlijken grootvader gehouden, maar van toen af kon hij des Zondags aan diens tafel, waar allerlei kwaad werd gesproken van zijn held, niet meer aarden; de brokken bleven hem in de keel, en voor het eerst kreeg hij het gevoel van minachting voor de meeningen van de groote massa, dat hem later zoo eigen zou worden. Zijn verbeelding gloeide, toen daar uit den toren de nadering van troepen werd aangekondigd, toen de Fransche bondgenooten des Keizers de wacht listiglijk overweldigden en de stad bezetten. De heer Goethe beschuldigde zijn schoonvader van verraad: de twee stonden met getrokken degen tegenover elkaar. Caspar verweet den schout dat hij de vrije stad had verkocht aan den vijand; en dat hij een mooie gouden keten had aanvaard van de keizerin.... Hij was een lang poos doorloopend uit zijn humeur, zoo dat hij het leeraren er aan gaf. Wolfgang werd naar school gezonden.
[Illustratie: JOHANN CASPAR GOETHE (Goethes vader) _Naar de lithographie van F. C. Vogel_]
Daar kreeg hij aanleiding, te getuigen van zijn grooten eerbied voor tucht en orde: Drie apen-van-jongens sarden hem gedurende de afwezigheid van den meester; hij liet ze begaan, want vechten was verboden. De leeraar bleef weg en ze prikten hem in zijn beenen tot het bloed er langs liep; hij bleef roerloos zitten. Maar toen het uur voorbij was, rammelde hij de kwelgeesten met de koppen tegen elkander, dat de buren er aan te pas kwamen.
In de juist verbouwde woning van den ouden Goethe werd een "luitenant des konings", de Franschman Thoranc ingekwartierd. Een kunstlievend, wellevend man, tactvol genoeg. Hij had den overval van Frankfort voorbereid en was thans met de rechtspraak belast. De heer des huizes kon hem niet luchten of zien en moest aanhoudend door zijn vrouw gesust worden. Maar eens--de Pruisen waren nabij Frankfort geslagen--gaf hij toe aan een dolle woede jegens zijn gast; en werd met moeite voor gevangenschap behoed.
De gast nam eenige kunstschilders in dienst, om groote doeken voor hem te vervaardigen, die op zijn kasteel als wandversiering zouden dienen. Wolfgangs dakkamer werd het atelier. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om de techniek van het schilderen af te neuzen en fungeerde ook gaarne als model.
Van zijn grootvader kreeg hij een vrijbiljet voor den Franschen schouwburg. Nu zijn vader niet meer zoo voortdurend op hem lette, kon hij daar vaak rondzwerven; en hij keek scherp uit zijn oogen. Hij maakte kennis met een jong Fransch acteur, zekeren Dérone, een echten snoever, die alle critische wijsheid van die dagen in pacht scheen te hebben, en beweerde, dat hij de directie tamelijk wel naar zijn hand zette. Nu kreeg jonge Wolfgang achter de coulissen--er was maar één kleedkamer!--heel veel ongegeneerdheid te zien. Hij werd vroeg ingewijd. Maar zijn moeder overschatte hem niet, toen ze vertrouwen stelde in zijn reeds gevormd karakter: inderdaad nam hij aan de lichtzinnige tooneelisten geen aanstoot; natùurlijk hadden acteurs noch actrices twee costuums op elkander aan!
Hij ontmoette ook de zuster van zijn nieuwen vriend en hij kwistte dit dametje allerlei romantische galanterieën, die met tanteachtige gelijkmoedigheid in ontvangst werden genomen. Doch geen verdere gevolgen hadden.
Het Fransche treurspel prikkelde hem nu tot navolging. Hij had inzicht in de tooneeltechniek, de rimram der Alexandrijnen dreunde hem door 't hoofd. Hij schreef een "classieke tragedie", welke hij aan het deskundig oordeel van het jongemensch, dat de directie naar zijn hand zette, onderwierp. "Zeer geslaagd", meende de criticus; "ik zal een goed woordje voor je doen en meteen hier en daar een kleinigheid voor je veranderen".--Maar tot Wolfs ontsteltenis bleef er na de correctie van het heele drama niets meer over; en de revisor overdonderde hem met de machtspreuk, dat "Het drama" eenheid van plaats, van tijd, van handeling eischte. Hij bestudeerde toen ernstig wat Corneille en Racine daarover hadden geschreven. Dat hij er niet in slaagde, de Fransche meesters te bewonderen, het zal den lezer later blijken.
Al bereikte hij nog niet een toonbaar resultaat, in zijn onbewuste wezen had zich reeds smaak voor het tooneel gevormd. Hij had zich en zijn huisgenooten meermalen vermaakt, door in de van grootmoeder geërfde poppenkast voorvallen uit het dagelijksch leven, uit den bijbel, achter het voetlicht te brengen: de Bühne[A] werd dan in de deuropening van zijn kamertje opgesteld. Hij kreeg een voorproeve van den strijd dien hij zijn leven lang met zich zelf op dit gebied zou voeren, toen hij zijn geestelijk spel "Jerusalem Verlost" gaf; en daarbij eensklaps bleef haperen, uit den dialoogvorm in den verhaaltoon overging, wijl hij de zielsbewegingen van zijn helden niet langer door aaneensluitende daden of gesprekken wist uit te beelden. Het publiek lachte en begreep niet, hoezeer deze principiëele mislukking hem verdroot. En hij bleef altijd pogen, bekende verhalen te "dramatiseeren". Bij de geschiedenisles ging hij pas goed luisteren, als er personen werden behandeld, wier wezen hij zàg, wier woorden hij rechtstreeks hoorde. Hij had dit van zijn moeder, die in haar zelfverzonnen sprookjes aan natuurkrachten en beesten en hemellichamen menschelijke vormen gaf en menschelijke stemmen. Eerst later jaren zou hij zich bewust worden van de taak: zijn talent, dat op beschrijven en op analyseeren was aangewezen, te verzoenen met zijn phantasie, die hem het plastische, tooneelmatige voorspiegelde.
[A] De vertaling van in dit werk gebezigde Duitsche woorden, uitdrukkingen etc. vindt men in de Bijlage; ook enkele niet Duitsche maar toch vreemde woorden zijn daar verklaard.
Als kind organiseerde hij een eigen troep, die door vaders vindingrijken huisknecht van costuums en requisiten werd voorzien en welks voorstellingen meestal uitliepen op een ranselpartij: Wolfgang verwachtte dat zijn medespelertjes bij intuïtie hun rollen zouden kennen in de stukken, die hij hun kort te voren in hoofdtrekken had verteld.--
Tot groote verlichting van den Geheimraad trokken de Franschen eindelijk, na zeven jaren, af. Nu werd de bovenwoning verhuurd, zoodat er voor het gezin weinig, voor inkwartiering heelemaal geen plaats meer bleef. Het was met Wolfgangs vrijheid gedaan: zijn vader zette hem weer aan 't werk. Hij kende nu genoeg Latijn om de lessen aan een academie te volgen, maar hij was nog veel te jong. Daarom wijdde de Geheimraad zelf hem in in het Romeinsch recht en liet hem ook kennis maken met de elegantere jurisprudentie van latere tijden. De oude heer moet wel verrast zijn geweest, toen het zoontje verzocht, hem nu ook een Hebreeuwschen meester te geven: zijn afkeer van het uitverkoren volk had hij allang overwonnen en hij had eerbied voor de eigenzinnigheid, waarmede de Joden aan hun gebruiken hingen; bij het voorbereiden van zijn veeltaligen roman hadden sommige vreemde woorden zijn nieuwsgierigheid geprikkeld. De rector van het gymnasium onderwees hem nu in het Hebreeuwsch, probeerde hem den bijbel in den grondtekst verstaanbaar te maken; hij bracht den man in verlegenheid door zijn bemoeizuchtige vragen, waaruit duidelijk genoeg bleek, dat hij liever met zijn twijfel pronkte dan dat hij een antwoord vond.
Hij ondernam nu tochten door het Ghetto, kreeg in de "Judengasse" aldra kennissen, bezocht de synagoge, verdiepte zich in ritueele plechtigheden, wisselde glimlachen en knipoogen met mooie donkere Jodinnetjes, als die Zaterdags wandelden op een veld bij de stad, wijl de groote pleinen haar waren ontzegd.
Zoo deed hij heel wat menschenkennis op, maar een kind bleef hij, en dit maakte hem zoo aantrekkelijk voor sommige vrienden van zijn vader, ouwe gesloten bullebakken, die hem aan hun tafel noodden en zich in zijn levenswijsheid verlustigden; misschien wel met de bijgedachte, hem voor hun ideeën te winnen. Geboren Frankforters hadden in dien tijd een hoogen dunk van zichzelf; daar nu echter niet alle burgers in den Gemeenteraad konden zitten, werd Frankfort de stad van de "miskenden". Een er van hoopte een diplomaat uit hem te vormen, omdat diplomaten het best nog door de wereld rollen. Een ander, een geleerde eenzame menschenhater met éen oog en een pokdalig gezicht, die de rechtspractijk niet mocht uitoefenen omdat hij gereformeerd was, trachtte hem aan het verstand te brengen dat hij advocaat moest worden; om have en goed te kunnen verdedigen tegen het altijd loerende menschgespuis, of van tijd tot tijd (als je er de moeite voor over hadt) een of anderen schurk in de doos te draaien....
Op zijn Zondags uitgedost: 't haar gefriseerd en bepoederd, een slepend lint aan het degengevest, groote zilveren gespels op zijn schoenen; met witte kousen, zijden gilet en zwarten rok (die uit het trouwpak van zijn vader was gesneden).... zóó legde hij naarstig bezoeken af bij oude en jonge vrienden. Hij had van moedertje geleerd, in ieder het goede te zoeken, niemand te "bemoraliseeren". En hij gaf klagers en mopperaars ten volste zijne aandacht, maakte voorzichtige, diepzinnige opmerkingen (in Frankforter trant met kernwoorden gekruid), vermeed gezegden die tot botsing konden leiden: en ontwikkelde dus zijn ingeschapen vaardigheid, van tegenstanders te leeren. Zijn speelmakkers beheerschte hij, wat die zich gaarne lieten welgevallen, als hij maar een van de sprookjes verhaalde, waarin hij zelf als held optrad: dan waren ze zijn "lakeien". Eens, toen hij er zich naar gewoonte op liet voorstaan, dat de schout van de vrije stad Frankfort zijn grootvader was, wierp een kwaadaardig joch hem tegen, dat zijn papa de natuurlijke zoon was van een adellijk heer. Wolfgang vond het echter zoo prettig, te zijn zooals hij was, dat het er voor hem verder niet op aan kwam hòe hij het was geworden. Overigens toonde hij zich niet gekrenkt maar gevleid. Op alle portretten van edellui, die hij onder het oog kreeg, zocht hij naar gelijkenis met vaders trekken. Dat hij wel eergevoel bezat bewijst het duel-op-den-degen, dat hij met Monsieur Dérone voerde, waarna een plechtige verzoening werd gevierd, onder het genot van een ferm glas--amandelmelk. Vreemde jongen! Op zijn zevende jaar besloot hij, de theologische disputen met zijn catechiseermeester beu, "naar eerwaardig bijbelsgebruik God rechtstreeks, d.i. in Zijn werken te eeren". In zijn dakkamertje stapelde hij tegen een muziekhouder een pyramidevormig altaar van steenen en schelpen die hij uit de bekende mineralen-verzameling had ontvreemd; en als de eerste stralen van de morgenzon door zijn venster streken, werden zij in een brandglas saamgetrokken en ontstaken een welriekend dankoffer. De opstijgende rook beduidde het verlangen van zijn ziel naar den schepper der natuur.
Wolfgang kreeg bedenkelijk veel vrijheid, toen in Frankfort, na afloop van den oorlog, de kroning van Keizer Joseph II plaats had. Hij moest, nadat hij het détail van vroegere kroningen vaak tot diep in den nacht had bestudeerd, zijn vader over alle belangrijke gebeurtenissen rapport uitbrengen.
Kort te voren had hij kennis gemaakt met een aantal jongens "uit lagere standen", die hem gelegenheidsgedichten lieten schrijven en de opbrengst daarvan verbrasten. Bij een hunner ontmoette hij Gretchen, een "beeldschoone" maagd, op wie hij, als vanzelf spreekt, verliefd werd, al was zij een paar jaar ouder dan hij. Vermomd, aan Gretchens arm, begaf hij zich in het gedrang van de kroningsfeesten, en toen hij eens zijn huissleutel had vergeten, bracht hij met haar en haar gezellen den nacht door; 't kopje tegen zijn schouder viel zij in slaap. Bij het afscheidnemen drukte zij haar eersten kus op zijn voorhoofd. Zóo was hij van haar vervuld, dat hij zich de opoffering van herhaalde kerkgangen getroostte, wijl hij haar in de kerk uren lang kon zien.... Deze historie nam een leelijke wending, toen een van zijn nieuwe kennissen, dien hij aan een stadsbetrekking had geholpen, valschheid in geschrifte pleegde. Hij werd nu, verdacht van medeplichtigheid, aan een streng verhoor onderworpen. Hij bekende al zijn avonturen, maar zwoer dat hij zich een ongeluk zou aandoen, als zijn eigenlijke vriend, als Gretchen, straf moest oploopen door zijn schuld. Hij weigerde alle voedsel, verliet zijn zolderkamertje niet meer, dacht niet aan de groote sinjeurs die daar buiten galoppeerden door de straten. Maar het pijnlijke genot van deze zelfkwelling werd gebroken, toen de te hulp geroepen "paedagoog" hem na eenige voorbereiding vertelde, dat ook Gretchen in verhoor was genomen: zij had getuigd, dat zij den kleinen Wolfgang van beginne af had beschouwd als een _kind_, en zich alleen maar had beijverd hem van malle streken terug te houden.... Hemel! voor zoo een, voor een die hem niet beminde dus, had hij gehuild tot zijn keel was ontstoken! voor zoo een wilde hij zich in het ongeluk storten?--En hij vluchtte het huis uit en de stad uit; in de vrije natuur, bij bosch en beek, bij zonneschijn of storm streed hij met zijn drift: en er kwam een heroïsche kalmte over hem.
Zijn geest kon eerst in een andere omgeving tot hernieuwde werkzaamheid zich spannen. Reizen en trekken werd nu en in later tijd zijn redding, als hij een verdriet, een aarzeling, een onbegrijpelijkheid moest overwinnen.--
[Illustratie: GOETHE (Silhouet uit het jaar 1765) _Frankfortsche Goethe-Museum_]
Met zijn nieuwen onderwijzer,--die schrander genoeg was, om hem in de vrije natuur vaak aan zijn gevoelens over te laten--doorliep hij de geschiedenis van de oude wijsbegeerte. Hij maakte het den man lastig met vragen, "die deze later wel eens zou beantwoorden". Vurig verdedigde hij de bewering dat een afzonderlijke wetenschap van het denken overbodig was. Neen! een boek als de bijbel, waarin kernachtige wijsheid met geloof en poëzie was vermengd, daar had de wereld behoefte aan; en aan mannen als de Stoïcijnen die zich in hun ziel wapenden tegen moeilijkheden des levens!... Hij had de tastbare werkelijkheid te zeer lief om zich met ijle gedachten te vergenoegen; doch hij bezat een te fijnen geest en te veel neiging om in alles éénheid te zoeken, om in een enkele kunstuiting--hetzij beeldende kunst of lyriek--bevrediging te verwachten. Het was hem niet te doen om de gedachte-zelf, want die leefde voor hem geen afzonderlijk leven; doch om de innerlijke beteekenis van wat hij zag en ondervond. Zijn verswoede werd langzamerhand een virtuositeit, die van toen af op zich zelf geen doel kon hebben. Het ontbrak hem echter aan stof en hij was blij als iemand hem iets voorlegde dat hij "bezingen" kon: zoo zijn zijn "Poëtische gedachten over Christus' hellevaart" blijkens hun ondertitel "op verlangen ontworpen". Zijn vaardigheid in het spelen met woorden en rijmen was sneller gegroeid dan zijn levensinzicht, en zoo moest zijn beeldspraak, waar hij eigen meeningen wilde aanduiden, wel tamelijk los, en ineengedrongen duister zijn,--hoe cordaat ook neergeschreven. Een kenmerkend voorbeeld hiervan geeft het dichtje, dat hij op zijn zestienden verjaardag in het album van een vriend stelde. Zonder naderen uitleg maar "in allen ernst" vergelijkt hij daar de wereld "die men voor de beste houdt" beurtelings bij een moordenaarshol--een studente-kamer--een operagebouw--een professorsdrinkgelag--met poëetkoppen, schoone rariteiten, afgesleten geldstukken.
"Een die zich op de schoone wetenschappen toelegt", aldus teekende hij het gedicht. En verried daarmee meer dan hij wilde zeggen: Terwijl hij zich door zijn vader liet africhten tot de rechtsstudie; terwijl hij, de kamer op en neer marcheerend, zijn invallen dicteerde aan een schrijfknecht; terwijl hij doolde op jaarmarkten en missen, waar bizar gekleede vreemdelingen dooreenwoelden--rees in hem het voornemen, zèlf zijn loopbaan te kiezen, professor te worden in de kunstgeschiedenis of in de classieke letteren. Zijn algemeene kennis ontwikkelde hij nog verder door in eenige encyclopedieën, o.a. in de bekende "Dictionnaire historique et critique" van Pierre Bayle, te snuffelen; en meer en meer teekende zich de weg, die hem door zijn geestesbehoeften was aangewezen. Maar alleen zijn zus Cornelia wist er van: zij begreep hem zoo volkomen, dat hij haar man zou willen worden indien hij haar broer niet was.
Hij heeft zich eens in enkele verzen afgevraagd, wat er nu toch eigenlijk voor oorspronkelijks in hem zat. Van mijn vader, zoo dichtte hij:
Vom Vater hab' ich die Statur, Des Lebens ernstes Führen; Von Mütterchen die Frohnatur, Die Lust zu fabulieren....
en als de deelen het geheel vormen, wat heeft het wicht ten slotte dan van zich zelf!?
Het oorspronkelijke in zijn persoonlijkheid was hem nog niet helder bewust, toen hij als 17-jarig jongeling naar de Leipziger hoogeschool vertrok; toch zou hij zich nooit losmaken van zijn jeugd-indrukken, dat is te zeggen: van de wijze waarop zijn kiemende geest zich met zijn eerste ervaringen verstond; toch zal den lezer blijken, dat deze kinderdroomen in den gerijpten man nog uitwerken. Nog, of liever: pas, want kinderen grijpen ver.
Maar wel wist hij, dat hij anders was als degenen die hem met zooveel zorg hadden opgevoed: De teruggetrokkenheid waarin zijn vader leefde maakte hem bang; en hevig verlangde hij ontslagen te worden van de geestestucht, die men hem had opgelegd; daar onder de balkrijke zolderingen van het sombere ouderhuis.
[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van September 1765 tot September 1768.]
II
Verpflanze den schönen Baum, Gärtner! er jammert mich. ODE aan BEHRISCH.
Hij voelde zich niet bepaald treurig, toen hij de poorten van zijn geboorteplaats achter zich had: voortaan zou hij zelf zijn leven regelen, met frisch gestel en sterken geest zich op de schoone wetenschappen werpen, rechtstreeks aansturend op het hoogleeraarsambt!
Maar toen hij Leipzig binnenreed had hij den eersten klap al te pakken: de postwagen was onderweg in de modder vastgeraakt, Wolfgang wilde natuurlijk met uitbundig krachtsbetoon een handje helpen en verrekte een paar borstspieren. Gedurende heel zijn studietijd zou telkens een knagende pijn zijn zenuwen overprikkelen.
Hij vond dat hij, om op slag te komen, zich eens flink moest vertreden en de academie-stad beviel hem wel bij eerste kennismaking. Deftige gebouwen met mooie gaarden; straten breeder dan in Frankfort en ook lichter, doordien de hooger gelegen étages der huizen de verdiepingen gelijkvloers niet overschaduwden; interessante omstreken met overvloed van gezellige roomtuinen; boekenstalletjes huis aan huis, en gewoel van vreemd-gedoste buitenlanders; een Fransche kolonie,--die als een leerschool van smaakvolle wellevendheid werd beschouwd en aan Leipzig wijd en zijd den roep gaf van "een galante stad", een "klein Parijs"; waar men er zich bovendien op liet voorstaan, je "feinste Teutsch" te spreken. Het was juist mistijd: drinkgelagen en banketten en rijjolen gingen niet van de lucht en de goudstukken schoten den onervaren studiosus tusschen de vingeren door, snel als waren het guldens. Maar hij genoot, en in zijn naïeve verbazing vond hij 't gewenscht, zijn zuster de zeer byzondere spijzen op te sommen, die de Fransche keuken hem van dag tot dag gaf te savoureeren.
Toen de teleurstelling: de Frankforter patriciërszoon, het dichterlijke wonderkind, stond hier maar matig in tel. Zijn uitspraak klonk boersch en men glimlachte als hij zijn taal doorspekte met spreekwoorden, bijbelsche beelden, krachtige oud-Duitsche uitdrukkingen, die hij uit kronyken had opgediept.. Zijn kleeren, waarvan hij hoogen dunk had, bleken van verouderden snit en ze zaten nogal slof. Geen wonder: de huisknecht, die niet mocht leegloopen, had ze uit vaders onverslijtbare plunje gemaakt. En nu gebeurde het dat een komiekeling in een derderangs theater de menschen deed proesten, enkel en alleen door in juist zulke kleeren op te treden. Jonge Wolfgang, tot tranen geërgerd, was blij dat hij er in slaagde, zijn rijkvoorziene garderobe, met bijbetaling van ettelijke goudstukken, te ruilen tegen een paar moderne pakjes.
Hij ging zijn aanbevelingsbrief overhandigen aan den rector van de universiteit, hofraad Böhme. Deze verbood hem, de studie van de rechtswetenschap, waarvoor hij bestemd was, zonder verlof van zijn vader op te geven, teneinde voor zijn lievelingsvakken tijd te winnen. Dit ontnuchterde hem: doch Böhme, practiesch man, met weinig ontzag voor geleerdheid die door anderen werd onderwezen--overtuigde hem dat hij, als bewonderaar van de classieken, niet beter kon doen dan zich wijden aan de studie van het Romeinsche Recht. Deze raad, gevoegd bij de overweging dat zijn moeder en Cornelia het zouden ontgelden als papa Goethe tot de ontdekking kwam dat zijn plannen werden gedwarsboomd, maakte hem aanvankelijk tot een stipt en ijverige collegehengst. Maar Böhme had hem over het Recht en over de geschiedenis der staatsinstellingen niet veel nieuws te vertellen. En hij verdreef zijn verveling door in zijn dictaten caricaturen te teekenen van de rechterlijke ambtenaren die de lessen verduidelijkten.
Mevrouw Böhme interesseerde zich voor hem; ze trachtte met veel tact hem te beschaven, leerde hem kaartspelen en de nieuwste dansen, als middel om zich in gezelschap te kunnen bewegen. Ze won zijn vertrouwen. Toen droeg hij haar de verzen voor die hem hadden ontroerd, ook verzen van hem zelf, zonder de namen van de dichters te verraden. Zij keurde af, hij verdedigde. Maar toen zij haar oordeel motiveerde en de groote vraag aanroerde: Hoe onderscheidt men mooi van leelijk?--ging hij zwijgend naar huis.