Goethe: Een Levensbeschrijving
Chapter 19
Jaren naderhand bewerkten de Schillers een toenadering: en weer zond hij haar bijna iederen ochtend een briefje, als woonde hij nog in zijn droomtuin aan de Ilm.
En nu "het zoete geheim".
Kort na zijn terugkomst maakte hij een wandeling door zijn park, toen de 23-jarige Christiane Vulpius hem een smeekschrift aanbood namens haar broeder, den auteur van "Rinaldo Rinaldini", die reeds een en ander aan Goethes protectie te danken had. Ze was dochter van een misdadigen dronkaard, trachtte door bloemenmaken een onafhankelijk bestaan te vinden en hoopte dat de almachtige Geheime Raadsman haar broer aan een emplooy zou helpen.
Toen deze zijn blik liet gaan langs de weeke lijnen van haar kleine, ronde gestalte, langs haar overvloedige lichtbruine lokken, haar groote, lachend-blauwe oogen, haar vol gelaat en heur goeien mond--kon hij wanen een meisje voor te hebben, zooals hij er te Rome vaak had verlangd. Toch leek haar uiterlijk niet Italiaansch. Maar de dichter, die zich verbeeldde in den "heldentijd, toen goden en godinnen minden, toen het zien de begeerte, toen de begeerte het genot meebracht", vond behagen in het naïef-snaaksche natuurkind, dat bezorgd naar hem opkeek. Hij voelde dat 't hem wèl was in haar nabijheid, en vroeg haar, vaak tot hem te komen. Hij sprak niet tot haar als een verlekkerde wellusteling, doch als een die bijna veertig jaren heeft gehunkerd naar rustig geluk, die ten diepste beseft dat vraag-looze zinnelijkheid, als die der antieken--doch dan door nadenken geheiligd--mooier is en menschelijker dan de verfijnde huichelarij of de gekunstelde natuurlijkheid van zijn tijdgenooten. Hij wenschte met Christiane een zoo mogelijk getrouwe maar vluchtige vereeniging; en voelde toch zoo zeker dat zijn sympathie voor "het arme schepseltje" dieper wortelde, dat hij Vrouwe von Stein bad, hem door haar liefde te behoeden voor een huwelijk--want nog steeds duchtte hij den huwelijken staat. Doch Charlotte schreef hem vinnig-verwijtende brieven en weigerde. En naarmate de laster gemeener werd, begaf hij zich dieper in het liefdeleven dat hij in zijn _Romeinsche Elegieën_ zinvol zou vergeestelijken tot in de sfeer van zijn glorieuse wedergeboorte; die hij voltrokken achtte, toen hij, de kindervriend, in haar schoot zijn kind voelde leven. Hij sloot een "gewetenshuwelijk" met haar. Hij liet haar--en dit kenschetst de achting die hij haar had leeren toedragen--met dit kindje op schoot als een Madonna (naar een Italiaansch schilderij) op doek beelden.
Zijn zoon, August, werd door Herder gedoopt en door den hertog ten doop gehouden, al was hij onecht. De vrome doch niemand bemoraliseerende moeder Aja (hoewel betreurend dat ze nu haar kleinkind niet "ins Anzeigeblättchen" kon laten zetten) zegde zich ten hoogste ingenomen met den jongen, dien haar "Hätschelhans" bij zijn "Bettschatz" had "gefabriceerd"; hetgeen hier in deze termen wordt herhaald om er den lezer op te wijzen, dat hij, tot goed begrip van Goethes gedragslijn, los zich heeft te maken van hedendaagsche _fatsoens_begrippen.
Niet wijl eenige "fijn-beschaafde", wel-opgevoede en wie-weet geleerde vrouw beter zou hebben gepast bij dezen gerijpten, bezonken denker, die op zich zelf een geheel vormde en niet kon huichelen, een "wederhelft" in den gangbaren zin des woords te behoeven; want toen als nu zou zulk een hoogstaande vrouw naast een echtgenoot van Goethes aard en leeftijd een vernederde slavin of een kwellende "miskende" zijn geworden....
Doch opdat de lezer zich naar behooren wapene tegen den laster van de Weimarsche "Muzenkolonie", den laster die--van smetteloozen vader op zondenvrijen zoon zich voortplantend--nog in onze dagen schalt. De zelfde edele zielen, die voor een courtisane als Vrouwe von Stein respect hadden, ook nadat deze in haar kunstloos drama "Dido" haar verhouding tot Goethe onbewimpeld bloot had gegeven; en zelfs het spelletje dat ze met haar ongelukkigen minnaar speelde rechtvaardigden; die hebben geen voorbarigheid te gewaagd en geen leugen te kras geacht om Christiane's positie te ondergraven, en haar intrêe in de burgerlijke samenleving te verijdelen. En dit onder aanvoering van Herders gade, die de lezer reeds eenmaal als etherische Psychê in den Bond der Heiligen heeft ontmoet. Doch mochten zij ook straffeloos babbelen dat Goethe zijn dienstmeid had getrouwd--het vreemdsoortige kind uit de achtste Elegie een dienstmeid!--de geschiedschrijver, die de gezond-eenvoudige, hulpvaardige, trouwe Christiane vereert, zooals vrouw Aja haar eens vereerde (vooral nadat Goethe haar, vreezend dat op een voorgenomen reis een ongeluk hem zou overkomen, naar Frankfort had gebracht)--de geschiedschrijver boekstaaft met vreugde dit welsprekende feit: dat zij bijna twintig jaren lang het wettelijk huwelijk, door Goethe gewenscht, tegenhield omdat ze zich eerst, terwille van man en kind, in de oogen van de "fijne" wereld door voorbeeldig en bescheiden gedrag wilde zuiveren.
Onpartijdige Goethe-vorschers hebben reeds lang toegegeven dat zij was een brave, een interessante figuur; een goede, zuinige huisvrouw, die perfect zorgde voor 's dichters kind, lichaam, tafel en kelder. Men ziet voorbij dat zij dit alles deed op een wijze, die den zoekenden, geplaagden, vaak ziekelijken, eenzelvigen, voor zijn vrijheid beduchten kunstenaar paste; en hiermede heeft bewezen dat ze fijner begaafd was dan de meeste kunstenaarsvrouwen en--Goethekijkers. Men waardeert niet, dat zij hem begrijpend terzijde stond bij zijn botanische en physische proefnemingen, terwijl Goethe--- die door de geleerden was uitgebannen gelijk Christiane door de maatschappij--juist op dit punt uiterst prikkelbaar was. En wil men ten slotte beweren dat zij--zoo héél anders als Charlotte von Stein--zijn ziel in de eenzaamheid liet, dan zij verwezen naar zijn gedichten "_Die Metamorphose der Pflanzen_" en "_Die Metamorphose der Tiere_", die hij ten behoeve van zijn lieve medewerkster heeft geschreven; naar de Romeinsche Elegieën die haar bezingen, zoo diepzinnig en bevallig als wel zelden een minnaresse werd bezongen. Zij is als het eenvoudige, ware, dat den roeping-zoekenden Faust herhaaldelijk lokte, maar dat hem pas op het einde van zijn avontuurlijken loopbaan ten deel viel.
Ze heeft Goethes borst eens met haar lichaam beschermd tegen de degens van Fransche plunderaars. Maar wie zal bepalen, hoeveel levensgevaarlijke _toewijding_ door deze daad werd bekroond?
[Illustratie: De gebeurtenissen in dit hoofdstuk verhaald loopen van 1790 tot 1803]
XXI
Wunderthätige Bilder sind meist nur schlechte Gemälde: Werke des Geists und der Kunst sind für den Pöbel nicht da.
Hij die de wereld vanuit een nieuw gezichtspunt gaat beschouwen, en zijn levenswijze dra naar die nieuwe wereldbeschouwing heeft gevoegd, zal--als de eerste blijdschap is geluwd--bespeuren dat zijn ziel van het initiatief zijns Geestes nog niet is doordrongen, dat zijn gemoed zich nog niet uit de oude verhoudingen heeft bevrijd. Zijn eigen Ik verzet zich tegen den ommekeer in zijn gedragslijn; zijn innerlijk lijdt smart, terwijl zijn denken triumpheert. Deze uiteenrukking van heel zijn wezen verbittert en verwart hem. En de menschen die hij lief heeft moeten het ontgelden.
Zoo ging het Goethe, toen zijn Italië in zijn herinnering was verbleekt. Meer dan hij aanvankelijk meende had hij behoefte aan een vertrouwelinge, die in zijn ziel kon lezen; hij bleek niet terstond in staat, zijn huwelijk met Christiane te beschouwen als was hij een verlangende halfgod die een menschdochter heeft ontvoerd. De edellieden van de Muzenstad maakten hem het leven zuur met hun laster, en hij moest stil bekennen dat inderdaad zijn natuurkind zijn subtielste aspiraties niet begreep. Hij vergat wel eens, dat hij dit te voren had geweten, en dat het hem eer had verlokt dan afgestooten.
[Illustratie: GOETHE (in 1791) _Naar de teekening van Lips_]
Zoo kon hij aan zijn huiselijken haard niet altijd de gemoedsrust vinden, noodig bij de proefnemingen maar vooral bij de geduldige beschouwing, die zijn natuurwetenschappelijke hypotheses hem voorschreven. Trouwens, hij was niet een natuuronderzoeker in den zin dien men tegenwoordig vaak aan dat woord hecht. Hij behoorde tot de zoekers die hij later "de omvattenden", en met een groote mate van trots "de scheppenden" zou noemen. "Deze gaan van ideeën uit, en verkondigen reeds bij voorbaat de eenheid van alles: het is daarna de taak van de natuur zich in deze ideeën te voegen". Hij was niet de drooge-feitenverzamelaar, die pas een conclusie trekt (of zegt te trekken!) als hij zich op volkomen gekend terrein bevindt. Uit de klaarheid van zijn zelfbewustzijn ontstonden de eischen, waaraan het diepverborgen leven der natuur had te voldoen. Pas als zulk een hypothese in groote trekken vaststond, ging hij ze controleeren. De feiten leken hem dan echter zoo ver af, dat hij ongerust werd en neiging had, den gang van zijn onderzoek te verhaasten: juist als de werkelijkheid hem in 't gelijk wilde stellen.
De nog vreemde verhoudingen dus, waarin hij leefde, zoowel als de gevolgen van zijn werk-methode, joegen hem vaak op reis. Hij bezorgde intusschen met groot plichtsbesef de uitgave van zijn werken. _Tasso_ kwam gereed.[A] Van de bestaande Faust-fragmenten maakte hij een afgerond geheel. Zijn gedichten werden geschift en bij-geteekend, om het achtste deel van zijn Oeuvre te vullen. Sommige aanteekeningen en brieven uit zijn Italiaanschen tijd smolt hij om in een opstel over "_Eenvoudige nabootsing der natuur, manier, stijl_", dat zijn pas gewonnen inzichten in het wezen van de kunst--grootendeels door voorbeelden uit de plastische kunsten toegelicht--scherp formuleert en, ongezocht, ook de evolutie van zijn kunstopvattingen. Zijn gewone uitgever wilde zijn keurige "_Poging, om de Metamorphose der Planten te verklaren_" (1790), de verhandeling die bestemd was om de moderne plantkunde te beheerschen, niet "hebben": de goede man had een befaamd botanicus er over geraadpleegd. Een ander uitgever drukte het boeksken toen bij wijze van speculatie, in de hoop, daardoor ernstige werken van Goethe in zijn fonds te krijgen.
[A] Wij hebben het schouwspel _Tasso_ hier niet behandeld, wijl wij geen kans zien, er den lezer eenig idée van te geven, zonder een résumé, nog veel uitvoeriger dan dat van "Iphigenie"; het kan ons doel niet zijn, den lezer oppervlakkig in te lichten. Wie onze beschouwingen over Iphigenie heeft verteerd, dringt gemakkelijk zonder nadere voorbereiding in Tasso door en is tegen vele tegenwerpingen van de critiek gepantserd; hij begrijpt waarom men ook Tasso een "dramatiesch gedicht" wil noemen.--Niemand geloove dat wij dit laatste drama ten achter stellen bij allerlei werken, die wij wel uitvoeriger bespreken. Wij meenen dat het, wat gedétailleerde karakterteekening betreft, nog boven Iphigenie staat, en daardoor op min-aandachtige naturen heviger werkt. Daar het echter een speciaal geval--een achterdochtigen, zich overschattenden dichter aan een hof--behandelt, zouden wij het willen noemen: minder universeel dan Iphigenie.
Na herhaalde uitnoodiging liet deze zich verleiden, de hertogin-moeder, die zich in Italië bevond, tegemoet te reizen. En dit doet zeker niet denken aan een verbond tusschen de Voorzienigheid en Goethe. De impressies van zijn eerste oponthoud in dat land hadden hun taak volbracht: hij bezat ze thans als de ideeën die ze hadden gewekt, en voor de oorspronkelijke, ongemengde sensaties was hij niet meer ontvankelijk. Die hadden te lang en te lief ook in zijn herinnering gerust, dan dat het weerzien niet tot ontnuchtering moest leiden. En terwijl Goethes blik voor veel schoons bleef gesloten, zag hij nu in Italië veel scherper het leelijke, onreine, waarover hij zich vroeger met luchtigen humor had heengezet.
In het kille regenweer lijkt Venetië hem nu een slijkige kikkerpoel, waar de Duitsche "Redlichkeit" ontbreekt, waar bijgeloovige, leelijke, luidruchtige papen baasje spelen. Slechts in half-duistere "Spelunken" _d.i._, in verdachte koffiehuizen, met onfatsoenlijke avonturiers, kan hij zich vermaken. Hij pruttelt over de opkomende Fransche revolutie, over het vele geld dat hij in Italië kwijtraakt, bekijkt schilderijen en gebouwen met koele oogen, vindt grimmige voldoening in de studie van zeedieren, leeft een moment op, als zijn knecht op het Jodenkerkhof een gebeente vindt, dat deze komiekelijk een jodenkop noemt; in werkelijkheid een schaapschedel, zoo gebarsten, dat ze zijn onderstelling "alle schedelbeenderen zijn vergroeide wervels" bevestigt. Na de hooggestemde Romeinsche Elegieën volgen nu de stekelige, bitse, pijnlijk spottende _Venetiaansche Epigrammen_, die een schat van cyniesch genuanceerde levenswijsheid bevatten. Hij verlangt naar zijn tuintje, naar Christiane, den "magneet die hem naar 't Noorden trekt". Maar hij is er nauwelijks, of hij laat zich weer van zijn steenen en bloemkoolen sleepen. Hij volgt den hertog, die generaal-majoor in het Pruisische leger is geworden, naar 't kamp in Silezië, en maakt van daaruit reisjes door Slavisch Europa, opmerkend en afkeurend, veel merkwaardigs--zij het ook negatief-merkwaardigs--ontmoetend. "Ver van alle beschaving" denkt hij voortdurend aan de uitwerking van zijn ideeën over dier- en delfstofkunde. In de oneindige natuur ontbreken tenminste de Eidola _d. i._ dwaalbegrippen, die de menschen onderling verdeeld houden.
Hij is door een toeval tot de meening gekomen dat de kleurenleer van Newton fout moet zijn. Eigenlijk tegen zijn wil gaat hij aan het onderzoeken, en vindt zich gesterkt in zijn overtuiging. Hij gelooft te weten, dat hij het vooroordeel van de schoolgeleerden en van de volgzame massa niet plotseling, doch tactvol-geleidelijk, moet te keer gaan. Een jaar na zijn Metamorphose der Pflanzen geeft hij zijn "_Beiträge zur Optik_" in 't licht. Door systematische beschrijving van een reeks vernuftige proeven, tracht hij twijfel te wekken omtrent de juistheid van de ook in onzen tijd gangbare licht- en kleurtheorie. Duidelijke teekeningen op afzonderlijke cartons vergemakkelijken het volgen van de proeven. Nu trachten bevriende professoren hem van verdere leeke-dwaasheden terug te houden. Niet-bevriende professoren halen hun schouders op en spotten. En dit, terwijl ieder lichtverschijnsel voor hem schijnt te pleiten, terwijl sommige schilders, die hun verven naar zijn voorschriften over hun werk verdeelen, de mooiste effecten bereiken!
Met taaie verbittering construeert hij nu aan zijn groote "_Farbenlehre"_ die ook in onze dagen niet mag gelden, maar slechts door enkele vakmannen behoorlijk wordt gekend, en nog nooit afdoende is weerlegd. Zeker heeft hij zelf bijgedragen tot de miskenning, die dit sublieme werk trof, en wel door den schijn te wekken, alsof hij er een natuurwetenschappelijk vraagstuk behandelt, terwijl het is een _wijsgeerig_ vraagstuk, dat buiten den gezichtskring van de meeste physici valt: gelijk de schrijver van deze bladzijden--voor zoover hij 't nog niet wist--heeft ervaren, toen hij op dit punt bij natuurkundigen van professie voorlichting trachtte te vinden. Doch wat moeten zulken ook denken van een auteur, die in een als wetenschappelijk aangekondigd boek begint met een lyrische beschrijving van het Italiaansche landschap en dan, alsof er niets gebeurd is, aankondigt: "Ik laat een gordijn over deze schildering vallen, opdat zij ons niet in de ~rustige beschouwing~ store, waarmede wij nu een aanvang willen maken!"
Intusschen werd het ernst met de Fransche revolutie: de bloedige Septembermaand van 1792, de onthoofding van Lodewijk XVI en Marie Antoinette schrikten hem op uit zijn zelf-cultuur. Veler oogen richtten zich naar hem; men verwachtte van hem een wijze uitspraak. Hij gaf die voorloopig niet en boette daardoor nog meer in van zijn leiderschap, dat hij reeds ten deele aan Schiller had moeten afstaan.
Hij had jarenlang getracht, de gebeurtenissen in Frankrijk maar ten halve ernstig te nemen. Het voorspel van de omwenteling zag hij zoo, dat hij het wilde behandelen in een operette. Het ontwerp daarvoor zette hij later--om zijn tooneelgezelschap aan een stuk te helpen--in het blijspel "_Grosskopta_" om, dat hier buiten bespreking blijve. In "_Der Bürgergeneral_" meende hij aan te toonen, welk koddig en bevredigend verloop zoo'n opstootje zou hebben in een verstandig geregeerden staat, als Weimar. Maar tot zijn ontsteltenis merkte hij, dat hoogstaande mannen als Knebel, Herder, Klopstock, Wieland, Schiller de nieuwe ideeën meer of minder waren toegedaan, en vol geestdrift wisten te vertellen van een "morgenrood" dat daar in Frankrijk straalde. Dat hij er zich niet mee wilde inlaten, de revolutie eerst als een grap, later als een rampzalige misdaad beschouwd wenschte, schreef men toe aan zijn zelfzuchtige gevoelloosheid.
Te onrechte! Het kon hem slechts aangenaam zijn, zooveel mogelijk voor anderen te leven, daar onbaatzuchtigheid en ontzegging--volgens zijn opvattingen--met God vereenigen en slechts hij, die voor zijn liefde geen wederliefde vraagt, Gods liefde waardig wordt. Bovendien: hij hield van hetgeen men in die dagen "de lagere standen" noemde: vele geestelijke eigenschappen, die hij voor zich zelf begeerde, vond hij in den minderen man; zóo sterk dat hij zich altijd moest hoeden voor groote woorden, als hij over de volharding, den moed, de eerlijkheid, de fierheid van het volk sprak. Nooit heeft hij zich heengezet over het gevoel, dat hij leefde ten koste van anderer armoe, dat het Muzenhof te Weimar het merg van de arbeiders opzoog. Hij oordeelde ook dat er beterschap moest komen in de verhouding van vorst tot volk: hij was te Weimar aan het werk gegaan om van dit kleine staatje een aanmoedigend voorbeeld in dezen te maken.
Maar hij kon niet toegeven, dat heilzaam-doelmatige hervormingen zouden intreden, wanneer het volk zich zelf trachtte te helpen. Regeeren was voor hem een kunst, die zich slechts door enkele uitverkorenen, toegerust met veel wetenschap, ervaring, zelfkennis liet beoefenen. Hij wist wel, dat ook menig vorst die kunst niet verstond en hij vond dan ook dat Carl-August--en niet alleen deze!--inderdaad zijn voorlichting behoefde. Doch dat er weinig loffelijks te verwachten viel, als het volk handelend optrad, hij besefte het niet alleen, hij zag 't voor oogen! Het Fransche volk (meende hij) handelde niet kalm, doch opgezweept en geleid door demagogen, die in den regel het oog op eigen voordeel hadden. Het joeg idealen na, die slechts warhoofden of door angst verblinde lieden konden boeien. "Vrijheid!"--alsof staatsburgerlijke vrijheid zoo overwegende waardij heeft voor menschen, die hun hinderlijke begeerten en instincten niet kennen of beheerschen; om nog niet eens te spreken van de verborgen demonische machten, die den mensch beïnvloeden. "Gelijkheid!"--alsof voor den natuurkennenden denker ooit twee individuen aan elkaar gelijk kunnen zijn; alsof niet ieder voor zich moet streven naar gelijkheid--niet met zijn buurman maar met den Hoogste! "Broederschap!"--- die den onwillige met geweld wordt opgelegd. "Het welzijn van de Menschheid!"--alsof die "Menschheid" niet een doode abstractie ware, op zijn hoogst een verzameling van individuen die--hoe rijk ook--slechts in eigen Ik ten slotte hun geluk konden vinden. Zooals eens de Lutheranen, zoo drongen nu de Fransozen rustige beschaving, historiesch geworden toestanden gewelddadig terug. En zoo iets dergelijks ooit mocht geschieden, dan toch slechts door ter zake kundigen, die weten wat zij, op straffe van mislukking, hebben te sparen. In dezen zin was Goethe _Freund des Bestehenden_. Wie (zoo vroeg hij bezorgd) wie zal de stuurlooze massa tegen zich zelf beschermen, als al het oude is afgebroken?
Kortom, de nooden des volks bij ondervinding kennend, kon hij als nuchter en evolutionair denkend staatsman vóor noch tegen, als Heldenvereerder en redelijk menschenvriend slechts tegen de omwenteling zijn. Vooral toen de Duitsche vorsten, door ongerustheid bevangen, de gewetensvrijheid in hun staten gingen beknotten, hun hervormingsgezinde naburen bedreigden, de studenten in verzet brachten. Maar zij die het volk onder den duim wilden houden door het te bedriegen, omdat het volk toch zoo dom leek en zoo dwaas, vonden in hem een bestrijder. De gravin in _Die Aufgeregten_, die niet moede wordt op rechtvaardigheid aan te dringen, sprak naar zijn hart: Revoluties (zei hij) ontstaan altijd door de schuld van de regeering.
Zijn gedachtehouding was van dien aard, dat de gunstige gevolgen van de groote omwenteling hem moesten verrassen. Maar zijn vrienden, die in 't wilde declameerden over De Vrijheid, hadden die evenmin voorzien. En terwijl zij, na hun landgenooten te hebben opgezweept, moest inbinden, toen over het rijk der broederschap het bloed begon te stroomen, kon Goethe zijn standpunt onveranderd handhaven.
Mede onder den drang van de émigrés, wapenden zich de Duitsche vorsten tegen de republiek, die met de in hun oogen heilige tradities had gebroken, en daardoor ook voor hen gevaarlijk werd. De plotselinge oorlogsverklaring van Fransche zijde, die hierop volgde, bracht ook den hertog van Weimar aan 't hoofd van zijn Pruisische curassiers in 't veld. Niet omdat de zaak zelf hem warm maakte, doch louter uit vriendschap voor Carl-August, besloot Goethe den krijg mee te maken. Bovendien: aan het hoofd van een zegevierend leger Frankrijk binnen stormen, de operaties van maarschalken en diplomaten van nabij doorzien, voortdringen tot het brandpunt der omwenteling,--al deze zeldzame ervaringen zouden zijn zelfopvoeding voltooien: hij mocht ze zich niet laten ontgaan.
Op weg naar de grenzen stapte hij in Frankfort af, bij zijn moeder, thans een alleenwonende weduw, die hij in geen dertien jaren had bezocht. Vaak genoeg in al die jaren, bij al die reizen, hadd' hij gelegenheid gehad om enkele dagen aan vrouwe Aja te geven; meermalen had hij verlangd, voor de verdrietelijkheden en de teleurstellingen die hem troffen soelaas te zoeken bij zijn kloeke, wijze, alles begrijpende moeder. En hij zou dan ook herhaaldelijk naar Frankfort zijn gevlucht, indien niet die wijze vrouw zijn moeder ware. Maar juist als moeder vormde zij het machtig-reactionaire element in zijn levensloop. Zij zou hem _uit_ de klem hebben gered, terwijl het steeds bewuster zijn streven werd: niet door terugtreden maar door volkomen afwikkelen van elke nieuwe moeilijkheid zich te bevrijden. En zoo kon hij eerst naar zijn moeder gaan, toen aan hem geen mensch meer iets te redden vond: toen heel zijn levensstrijd zich voortaan in zijn geheime binnenste moest voltrekken. Als alle groote mannen verrichte hij zijn vurigste, beslissendste en hoogste daden verre van de geliefde moeder. Maar weinig dichter-moeders hebben hierin zoo verheven kalm berust als Elisabeth Goethe ...
Hij beschouwde dit bezoek als een proefneming: Kon hij te Frankfort voldoende vrij leven?--Hij bleef maar negen dagen.
In het kamp van de verbonden Duitschers bemantelde hij door hulpvaardigheid, vroolijkheid, koelbloedigheid, zijn eenigszins twijfelachtige positie van werkeloos pottenkijker. Maar toen hij oneerbiediglijk de staatslieden begon te vergelijken bij tooneeldirecteuren die veel bedillen, maar zelf niet meespelen, voelde hij zich vrijer. Zijn kleurtheorie liet hem geen rust: het geschutvuur en visschende soldaten stelden hem voor merkwaardige lichtverschijnsels.