Goethe: Een Levensbeschrijving
Chapter 17
Hoewel dus in den Egmont nog minder dan in Götz de dramatische (_d. i._ zichtbare zoowel als voelbare) eenheid van handeling is bereikt, hoewel de geschiedkundige achtergrond er zoodanig naar voren treedt dat Margareta, Machiavell, Oranje, een aantal Brusselaars aanvankelijk handelende personages schijnen, en door hun plotseling wegblijven den toeschouwer de verwarrende ontdekking brengen dat hij zijn aandacht had misplaatst; is dit treurspel bij 't publiek zeer geliefd. Het publiek is altijd te vinden voor drama's die vele beminnelijke menschen op de planken jagen. Het publiek begrijpt geenszins, hoe slecht het er zelf af komt in dit treurspel. De volksgezinde titelheld, de voorzichtige, wijze en (wat voor het publiek wel aangenaam is) ietwat woordrijke Willem de Zwijger; het naïef vurige Clärchen (dat aan Friederike herinnert); haar geduldige aanbidder Brackenberg; ze zijn zoo levend en toch zoo ideaal, dat ze zelfs den scherpen criticus in verrukking brengen.
[Illustratie: Het schouwspel Iphigenie in Tauris ontstond in 1779--en kreeg in 1786 zijn definitieven vorm--]
XIX
IPHIGENIE IN TAURIS
Met dit werkstuk zijn vervuld de aspiraties die wij bij het kind Wolfgang reeds zagen kiemen, die wij bij den jongeling en den man nu eens zagen onderduiken, dan weer zich ontplooien. Iphigenie is "de schemering die waar en onwaar verbindt", die den toeschouwer laat zien wat hij nooit gezien, hooren wat hij nooit gehoord heeft; het drama waarin toevallige motieven, onafhankelijk van het grondgegeven, overbodig zijn. Het moest dus worden het drama zonder uiterlijke handeling, dat wij in het oriëntatie-hoofdstuk in verband met Goethes aanleg reeds tegemoet zagen; het drama dat men kan genieten met gesloten oogen, zooals men goede muziek geniet, die louter zielsbewegen is.
Het verwondere niemand, dat de beoordeelaars van de Iphigenie al heel wat "esthetiesch" misverstand hebben verkondigd; immers, hier is Goethe op zijn grootst.
Men meent den Iphigenie-dichter geen schooner eer te kunnen bewijzen dan hem toe te kennen den titel "classicist", daarmede in zooveel woorden bedoelend, dat hij door langzame en geleidelijke ontwikkeling van het dramatiesch gebeuren, door zijn eenvoudige tooneel-oeconomie, door de scherpe omlijning van zijn figuren en hun bedoelingen, door zijn verheven doch eenvoudige taal, alsook door zijn echt-Helleensch onderwerp, de Grieksche tragedisten "uitnemend" heeft nagebootst. Alsof het voor den eersten Duitscher een eer zou kunnen zijn, een "uitnemend" Griek te heeten.--Andere beoordeelaars gaan niet zoo ver, maar meenen toch--zich daarbij beroepend op Goethes uitspraak: "Ieder zij een Griek op zijn wijze, maar hij zij het!"--dat hij van de Grieksche inkleeding zooveel heeft overgenomen als met zijn Duitschen smaak en met de eischen van zijn taal, "de onverwinnelijke taal" (zooals hij ze in de Venetiaansche hekeldichten noemt), was te rijmen. En daartegenover staat dan het oordeel van Schiller (gedeeltelijk als een _ver_oordeeling bedoeld), dat dit drama is "verwonderlijk on-Grieksch", wijl het is een-en-al Ziel.
Uit de in voorafgaande bladzijden gegeven schets van Goethes geestes-evolutie tot aan zijn vertrek naar Italië, volgt een ontstaansgeschiedenis van Goethes classicistiesch kunst-inzicht, die met boven-aangehaalde uitspraken niet in overeenstemming is te brengen. Goethe ging niet naar Italië om daar aan de overblijfselen van antieke beeldwerken (let wel: de beeldwerken, niet de drama's boezemden hem belangstelling in!) te leeren wat echte kunst is; maar hij voelde zich naar Italië getrokken, vermoedend dat daar te aanschouwen waren de kunst-gestalten, die het algemeen-menschelijke met het individueele vereenigden, aardsch en hemelsch tegelijk, zooals hij ze in zich voelde rijzen, nadat hij de ijdelheid van vele aardsche aankleefselen en de schadelijkheid van vele aardsche hartstochten uit eigen ondervinding had leeren kennen. Hij droeg de schepping-mogelijkheid reeds mét zich, en meende door voortdurende veredelende beschouwing van de classieke beelden die mogelijkheid sneller tot werkelijkheid te zien crystalliseeren.
Dàt hij deze scheppingsmogelijkheid reeds in zich droeg bewijst de reeds vroeger aangeroerde comedie Die Geschwister, welke niet alleen naar den inhoud als een burgerlijke voorloopster van de Iphigenie is te beschouwen, maar vooral ook naar de daarin gevolgde methode van stof-opvatting. De handeling speelt er ten huize van den braven koopman Fabrice, maar de gevoelige toeschouwer krijgt den indruk, dat zoowel het milieu als de achttiend'eeuwsche costuums, waarin de figuren zich bewegen, hen hinderen in hun doen en laten, hun lieve en gevoelige gezegdes te naïef doen schijnen, en op een gegeven oogenblik àf zullen vallen, opdat deze menschen zich kunnen toonen gelijk ze van God zijn geschapen: niet als koopman, niet als huishoudster, maar als ontijdige en beminnelijke menschen, zooals ze nergens en toch in alle standen, alle professies, alle eeuwen worden aangetroffen. Doch de overbodige inkleeding valt niet weg, en daardoor wordt de ontwikkeling van de karakters in deze comedie gedrukt, zonder dat de realiteit van de personen er bij wint: zij passen niet in de lijst van de gewone, burgerlijke samenleving. Dit is een fout. En--mogen wij in Goethes natuur-historische hypothese betrouwen, die toepassen op het terrein van den geest--dan is deze vergroeiing ons meer waard dan een gewone àfwijking van 's dichters talent: ze verschaffe ons licht in een later stadium van zijn evolutie.
Nu dan, de figuren in het schouwspel "Iphigenie" zijn menschen in de losse gewaden, die hun vormen schoon verhullen en edel laten vermoeden, die hun bewegingen vloeiend en toch strak doen zijn; en deze menschen, deze _wezenlijke_ menschen, blijven aardsch genoeg om "natuurlijk" te denken, maar zijn ook ideaal genoeg om een afspiegeling te mogen heeten van het noodzakelijke, goddelijke, oer-menschelijke, waarnaar men zich alle menschen geschapen acht, volgens eeuwige, onveranderlijke wetten. En niet in een knus kantoor gevoelen zij en hopen zij, maar in een heilig woud, waar de kolommen van den Artemistempel door het geboomte schemeren, en het ruischen van de onafzienbare zee den mensch noodt, in overpeinzing met zich zelf alleen te zijn, rechtstreeks onder het hemelgewelf. Deze classieke menschen heeft Goethe reeds in Die Geschwister gezocht!
Goethe kende het Grieksche drama wel, toen hij naar Italië ging; ware het hem daar om te doen, dan hadd' zijn eigen boekerij, hadd' de armste Duitsche bibliotheek hem reeds leering genoeg geboden. Maar de beeldkunst, niet de dramatische, was de zuiverste uitdrukking van de classieke rustige grootschheid. Fijnere dramakunst kon in de oudheid niet ontbloeien (gesteld eens dat men ze hadd' verlangd), wijl de toenmalige openbare schouwspelen (gegeven voor duizenden, op marktpleinen, door acteurs op hooge schoenen en met maskers voor, waarin spreektrompetten) op grove, massale uitwerking waren berekend, langzaam waren van ontwikkeling en rijk aan behendige herhalingen, omdat bijna geen enkel toeschouwer naar huis ging zonder vele gedeelten te hebben gemist. Maar vooral ook, wijl zij--in overeenstemming met het toenmalig psychologiesch inzicht--gaven _passies_ als zoodanig. Daarom kon Goethe ze niet navolgen: voor hem zijn de menschelijke aandriften onderworpen aan zedelijk oordeel en aan zedelijke tucht; voor hem loopt de mensch niet blind en willoos tegen de Goden te pletter; zijn eigen ziel is het raadsel, welks oplossing hem uit den greep van het Noodlot bevrijdt. Vandaar dat Schiller dit "uitnemende" Grieksche drama "verwonderlijk on-Grieksch" noemde; zooals Lessing reeds den Werther in zekeren zin had veroordeeld met de beweringen, dat geen jongeling uit de classieke oudheid op deze wijze aan zijn eind zou zijn gekomen, en dat Werthers weekheid het resultaat was van achttien eeuwen Christendom en zelfontleding.
Wil men zich het resultaat van achttien eeuwen Christelijke zelfbeschouwing nader voor oogen stellen, dan make men een vergelijking tusschen de tragedie van Euripides (waarmede Goethes schouwspel enkele uiterlijke trekken gemeen heeft) en onze Iphigenie. Het diepe karakter-verschil tusschen antiek en Goethiaansch zal dan tevens aan het licht komen:
Ziehier de hoofdlijnen van Euripides' tragedie.
Iphigenie moet te Aulis geofferd worden door haar vader, den heldenmoedigen koning Agamemnon. Godin Diana ontvoert haar in een wolk en zet een hinde in haar plaats; de geredde wordt priesteres van Diana te Tauris. Zij is verplicht--geholpen door andere gevangen Grieksche vrouwen--iederen vreemdeling, speciaal iederen Griek, die op de Scythische kust landt, bloedig te offeren. Zij vervult die taak met afgrijzen, maar als in een droom, en daar men haar den dood van haar eenigen broer Orest meldt, besluit ze, geen genade meer te kennen. Orest en zijn vriend Pylades, daartoe genoopt door een uitspraak van het orakel, begeven zich naar Tauris om het beeld van Diana[A] te ontvoeren. Slagen zij daarin, dan zal Orest verlost worden van de furiën, die hem vervolgen, sinds hij zijn moeder vermoordde, om den dood van zijn vader te wreken. De vrienden worden gevangen genomen en moeten nu door Iphigenie ter eere van Diana geslacht en geofferd ...
[A] De heer P. C. Boutens, uit wiens voortreffelijke Iphigenie-vertaling wij hier en daar citeeren (Zie Wereld-Bibliotheek nr 06), heeft o. i. zeer terecht geoordeeld, dat in een Nederlandschen tekst zuiver-Grieksche namen beter passen. Zoo heeft hij Diana vervangen door Artemis, Orest door Orestes, Iphigenie door Iphigeneia, etc. Wij houden ons liever aan de benamingen die Goethe heeft gebruikt; wij doen dit ten gerieve van hen die den Duitschen tekst wenschen na te slaan.
Dit is het tragische moment in de Grieksche tragedie: zal de zuster (in haar onwetendheid) haar broer slachten? vraagt de toeschouwer zich af. En een befaamd Engelsch criticus kan Goethe niet vergeven, dat hij dit verschrikkelijke moment niet voldoende heeft benut, daarbij vergetend dat voor Goethe (gelijk de lezer zal ontwaren) het zwaartepunt elders ligt. Nu wordt deze knoop door Euripides als volgt opgelost(!): .... _Door een toeval_ echter herkent Orest zijn zuster en zij (Iphigenie!) verzint met echt-vrouwelijke geslepenheid (voor den Griek bereikt haar vrouw-zijn een toppunt in hare geslepenheid!) een truc, om het Diana-beeld te ontvreemden. De Scythen achterhalen de diefachtige priesteres en haar genooten, en willen nu wraak nemen. Maar daar verschijnt godin Minerva, die koning Thoas tot kalmte brengt door de verzekering dat de drie Grieken den wil der Goden uitvoeren. Deze zijn nu gered.--
Goethes werk echter laat zich, ook bij ernstig streven naar beknoptheid, niet in zoo eng bestek vatten. De menschelijke passies zijn ons hier niet _gegeven_, ze worden tot in fijne trekken ontleed, opdat men ze in haar waren aard doorzie en de zelfoverwinning van de drama-helden meeleev'. En het is zoo omzichtig geconstrueerd, dat ieder détail, hoe schitterend ook op zich zelf, hoe scherp ook omlijnd, 's lezers aandacht niet onderbreekt, maar naar den hoofdgang van de ontwikkeling verwijst; toch blijken deze onderdeelen, ook in een résumé, onmisbaar:
I. Ofschoon reeds jaren priesteres in Tauris, blijft Iphigenie door heimwee naar haar geboortegrond vervuld, en bidt voortdurend dat de godin, die eens van den offerdood haar redde, haar nu moge redden uit de verbanning. Arkas, de vertrouweling van den Scythenkoning Thoas, meldt haar dat diens leger zegevierend thuiskeert, en klaagt dat bij dit bericht haar blik zoo koel blijft. Zij antwoordt, dat haar onnuttig leven haar een vroege dood is. Hiertegen protesteert Arkas: heeft zij niet den eerbied des volks in haar tweede vaderland verworven? heeft ze den koning niet zijn opgewektheid hergeven? heeft ze het wreede gebruik, iederen vreemdeling te slachten, niet afgeschaft? heeft ze niet juist daardoor Diana's zegen over volk en land gebracht? Zij wijze het verzoek dat Thoas haar zal doen niet van de hand: het is rijpelijk overwogen.
Nu nadert Thoas en zegt dat zijn verlangen, haar als zijn bruid in zijn huis te voeren, nog gegroeid is, sinds hij zijn laatsten zoon verloor, en vreest dat het volk hem, den kinderlooze, op den duur niet zal willen volgen. Als echter Iphigenie blijft vinden, zijner onwaardig te zijn, en hem waarschuwt dat hij haar misschien zal ombrengen, als hij te weten komt, welke vloek op haar rust--zij stamt uit Tantalos' geslacht, welks stamvader, nadat eens de goden zich aan zijn ervaring-diepe, bont-zinrijke gesprekken hadden vermeid, verdoemd is, wijl hij voor God te klein, voor mensch te groot was gebleken; en welks nakroost door broeder- en moederbloed zijn vloekwaardige begeerten koelde--belooft Thoas, dat hij afstand van haar zal doen, als de mogelijkheid rijst, haar naar haar land terug te voeren. Zij verzwijge hem nu haar afkomst niet langer. Met toenemende uitvoerigheid verhaalt ze van de gruweldaden, waardoor haar voorouders den haat der goden hebben doen ontbranden. Hij blijft haar hoogachten, terwijl ze volhardt bij haar meening, dat ze slechts den goden kan toebehooren. Thoas trekt nu wel, zooals beloofd, zijn aanzoek terug, maar hij herinnert haar in woede aan haar plicht, alle vreemdelingen, die op de kust landen,--er zijn er juist twee gegrepen--bloedig te offeren. Hiertegen verzet zich heel haar wezen, doch ze blijft rustig. Zij gelooft dat de Godin, die haar eens in een wolk ontvoerde, niet zal dulden dat ze haar hand met bloed bezoedelt:
Want de onsterfelijken minnen der menschen Wijdverbreide vrome geslachten, En zij verlengen het vluchtige leven Gaarne den sterveling, willen hem gaarne Van hunnen eigenen eeuwigen hemel Medegenietenden zonnigen aanblik Wel voor een wijle schenken en laten.
II. De vreemdelingen zijn Orest (haar broeder) en diens vriend Pylades. Zij weten welk lot hen wacht, maar terwijl Orest zich bitter beklaagt, en onder de kwelling van, "de furiën" (_d. i._ van zijn wroeging wegens den moedermoord) krimpt, blijft Pylades hopen. Hij verwijdert Orest, vreezend dat deze met zijn drift het gesprek zal bederven, dat hij met de priesteres hoopt te voeren. Tot zijn verrassing neemt Iphigenie hem de ketenen af en spreekt tot hem in zijn eigen taal. Als ze hem naar zijn afkomst vraagt, liegt hij dat zijn broer Orest door de wraakgodinnen wordt vervolgd omdat hij hun broer heeft verslagen; dat echter Apollo hem bij orakelspreuk genezing schijnt te beloven in den tempel Zijner zuster, Diana, in Tauris. Zonder op zijn bede om genâ te letten, ondervraagt ze hem over het lot van de Grieksche helden voor Troje--zij-zelf moest indertijd te Aulis geofferd, opdat de Goden in de zeilen van de Grieksche schepen zouden blazen--en ze verneemt dat Troje wel viel, maar dat Agamemnon, haar vader, door den bijzit van zijn gemalin is vermoord, omdat haar vader haar, Iphigenie, heeft geofferd. Zij trekt zich ontdaan in haar tempel terug, en hieruit leidt de slimme Pylades af, dat ze koning Agamemnon zeker wel heeft gekend: zijn hoop wordt sterker.
III. Als ze weer uit den tempel treedt, ontmoet ze Orest. Ook zìjn boeien slaakt ze, maar ze waarschuwt dat ze hem niet zal kunnen sparen. Orest begint met Pylades' leugentjes te ontzenuwen: hij noemt zijn waren naam, bekent Iphigenie dat hij zijn moeder heeft vermoord, wordt opnieuw door de wraakgodinnen bevlogen. Door haar oprechte woorden voelt hij, dat ze een edele vrouw is en tegen haar zin hier vertoeft; hij maant haar, samen met zijn vriend "een plan ter vlucht" te beramen, en snelt angstig weg. Uit zijn verhaal leidt Iphigenie nu met stelligheid af, dat hij haar broer is; haar vreugd openbaart zich niet in jubel maar in rustig dankgebed:
"O laat niet het langgewachte Nog nauwelijks denkbare geluk gelijk De schim van een gestorven vriend vergeefs En driewerf smartlijker aan mij voorbijgaan!"
Dra komt Orest weer: hij wordt nog steeds door de furiën gekweld. De priesteres vraagt hem: Orestes, kunt ge een woord des harten hooren? waarop hij uitroept: Bewaar het liever voor een vriend der goden. Ze deelt hem nu mede dat ze zijn zuster is, en hij herkent de stem, maar gelooft nu, door zijn wroeging overmeesterd, dat door haar mond een wraakgodin hem met valsche hoop wil tergen. Nu speelt zich de "genezings-scène" af, die plaatselijk en ideëel het centrum van het schouwspel vormt. Als Iphigenie al de lieve krachten van haar schoone ziel geduldig benut, om hem te overtuigen dat ze waarheid spreekt, gelooft hij, onrein als hij is, dat hij een hoere in priesterkleed voor heeft:
"'k Vertrouw u, schoone met uw vleistem, niet. 'k Dacht, Artemis eischt kuische dienaressen En wreekt de ontwijding van haar heiligdom. Neem uw verleidende' arm weg van mijn borst! En wilt ge een jonkman redden en beminnen, En schoonst geluk in teederheid hem schenken, Zet liever dan uw hart op mijnen vriend: Hij is uw liefde waardiger".
Zij volhardt, en als eindelijk haar stem weer tot hem doordringt, ziet hij in het feit, dat de vrouw die hem zal slachten zijn zuster is, de oude vloek der goden in een nieuwen vorm, en verliest waanzinnig van smart het bewustzijn. Maar voordat hij haar heeft toegekrijscht:
"Ja, hef den dolk omhoog, ontzie mij niet, Rijt open deze borst en geef den stroomen Van 't bloed dat binnen in mij ziedt een uitweg!"
heeft hij haar gesmeekt:
"Ween niet! Gij zijt zonder schuld. Van af mijn jongste jaren heb ik niets Bemind als 'k u zoû kunnen minnen, zuster...."
Dit bewijst dat in zijn hart iets op haar reinheid heeft geantwoord. Zij gaat Pylades zoeken.
Langzaam ontwaakt Orest uit zijn bedwelming, en droomt dat hij in de onderwereld zich laaft aan Lethe's waatren: zijn voorvaderen aanschouwt hij hier, niet meer twistend en moordend, maar in vriendschappelijk verkeer, terwijl de kinderen "speleduiken om hen heen". Zoo diep heeft Iphigenies reinheid op hem ingewerkt: hij gelooft dat de vloek is opgeheven, en de furiën hebben geen macht meer over hem. Nu Iphigenie met Pylades nadert, vraagt hij verwonderd of ook zij reeds naar de onderwereld is gekomen. Iphigenie smeekt Diana, die toch ook haar broer (Apollo) jonkvrouwelijk mint: "(laat hem) Niet in den donkren nacht van waanzin razen!" Onderwijl dwingt Pylades zijn vriend, te herkennen "dit daglicht dat niet voor dooden straalt", en zich te haasten voor de vlucht. Nu (nadat hij Iphigenies gebed hoorde) gelooft Orest in de goddelijke genade, en dan komt die genade ook over hem. Hij is vrij, omarmt zijn weergevonden zuster, en laat zijn dankbaarheid in hartstochtelijke woorden klinken; die zijn een doorbreken van het motief waarmede Pylades, aan het begin van het tweede bedrijf, zijn veelbelovende jeugd herdacht. Daar heette het o.a.:
"Ben ik niet steeds vol levensmoed en lust? En lust en liefde zijn de sterke vleuglen Tot groote daden".
Waarop Orest treurig antwoordt:
"Groote daden! Ja, 'k Weet nog hoe wij haar in de toekomst zagen!" Hier jubelt hij: "De reuk der aarde geurt me als balsem tegen Als noodde zij mij op haar open velden Ter jacht naar levensvreugde en groote daden."
Reine menschelijkheid bewerkstelligde hier verzoening van menschelijken euvelmoed.
IV. Uit de stemming van heiligheid en stilte, waarin de toeschouwer is verzonken, rijst Iphigenie weer met fluisterende, plechtige verzen, die geleidelijk in breedte toenemen. Ze bewondert Pylades, die een plan ontworpen heeft om het Diana-beeld te ontvoeren, en haar heeft voorgezegd welke rol ze daarbij moet spelen: haar is alles rein. Ze heeft voor den slimmeling geen woord van veroordeeling, doch ze betwijfelt of ze jegens Thoas wel zal kunnen veinzen.
(De critiek heeft opgemerkt dat Goethe, die overigens zoover boven de antieke opvattingen staat dat hij b. v. de schrikgodinnen symboliesch opvat, en Orests bevrijding geheel innerlijk laat geschieden, hier zich aan het oude verhaal houdt, en Iphigenie pogingen laat doen om het beeld te ontvoeren, welks ontvoering haar broeder heet te bevrijden. Men meent dat dit een dissonant is in het schouwspel, doch men wil Goethe daarvoor wel vergiffenis schenken, omdat deze dissonant hem gelegenheid geeft, op het laatste oogenblik nog nieuwe verwikkelingen in te voegen, zoodat de spanning niet langzaam verkwijnt, doch op het laatste oogenblik als bij tooverslag wordt opgelost. Wij meenen deze absolutie te mogen afwijzen: indien Goethe slechts dit had willen bereiken, dan had hij--naar de lezer aanstonds zal toegeven--het antieke motief niet noodig, wijl alleen het plan tot ontvluchting, dat wèl geheel in de lijn van handeling ligt, hiertoe reeds hadd' volstaan.--Neen, indien het ontvoeringsplan niet deugdelijker te motiveeren valt, dan heeft de critiek toe te geven dat hier een fout schuilt, een fout die zelfs niet verantwoord ware, indien ze de bedoeling had, die de critiek er aan toeschrijft. En het is nog erger dan de critiek meent: Want Iphigenie weet dat, zedelijk, Orest reeds ìs gered, begrijpt dat haar verblijf in Tauris bedoelde, deze redding te bewerkstelligen. Ze heeft in haar gebed tot den goddelijken broer en de goddelijke zuster (Apollo en Diana) al gezegd:
"En is aan mij uw wil die mij hier borg, Eindlijk volbracht, en wilt ge mij door hem En hem door mij uw godehulp verleenen, Maak los hem uit de banden van dien vloek, Dat reddings kostbre tijd ons niet ontga".
Dus: ze verwacht de redding _voordat_ de ontvoering heeft plaats gehad!
Het verweer kan ook in dit geval eenvoudig zijn en minder gezocht dan de tegenwerping: Iphigenie is nog niet ontbolsterd als het schouwspel begint: ze is niet de wijze vrouw, die ze in zich heeft. Het dramatiesch gebeuren pas maakt haar vrij van Heidensch bijgeloof over de verhouding tusschen mensch en Opperwezen. De ontvoering beramend, die voor haar een leege formule is geworden, ziet ze een licht opgaan, dat haar veroorlooft, afstand te doen van het haar overbodig geworden beeld; eerst dàn heeft ze zich geheel ontplooid. Te voren was ze nog niet de volkomen reine, die Goethe van haar wilde maken: anders zou ze medewerking aan Pylades' list hebben geweigerd.)
's Konings vertrouweling komt eischen dat het offer nu spoedig plaats vinde. Zij antwoordt (op Pylades' raad) dat het Diana-beeld, door een van de vreemdelingen ontwijd, met versch geschept zeewater moet worden gereinigd. Arkas zal verlof vragen, maar herinnert nog eens aan Thoas' aanzoek, haar ernstig radend den koning, die haar zoo lang gespaard heeft, niet ondankbaar te zijn. Nu voelt ze de noodzakelijkheid, den koning voor te liegen, als een nieuwen vloek, en ze smeekt de goden: "Redt mij,--En redt Uw beeltenis in mijne ziel!"--In haar echoot nu het zwaar-sombere Parcenlied ("Het lied der Moiren") dat haar voedster eens zong, en dat haar voor oogen stelt hoe de goden wreed spelen met den sterveling. Maar ze beseft dat dit niet kan zijn, en vertrouwt dat ze ook uit de noodzakelijkheid tot liegen zal worden gered.