Goethe: Een Levensbeschrijving

Chapter 15

Chapter 153,731 wordsPublic domain

Toen rijpte bij Von Goethe het plan, alle kleine staten die in dezelfde omstandigheden verkeerden in een bond te vereenigen--een bond, die wellicht ook heilzaam zou kunnen werken voor de verlevendiging van het nationaal bewustzijn. De onderhandelingen, met de verschillende vorsten gevoerd, bleven echter langen tijd een voorloopig karakter dragen. Toen het oorlogsgevaar week, was Pruisen zoo vriendelijk, het plan te pousseeren, daar dit land tegenover het hebzuchtige Oostenrijk een sterk gewapende Duitsche unie wenschte. Het oorspronkelijke idée was hiermede ontzenuwd: het plan dat Pruisen opperde ging rechtstreeks tegen Goethes vredelievende bezuinigings-politiek in. Maar voor Carl-August werd het er des te verleidelijker om, niet alleen doordat er veel soldaten aan te pas kwamen, maar ook wijl Pruisen beweerde, er de wedergeboorte van het Duitsche volk mee op 't oog te hebben. Hoewel zeer teleurgesteld, stond Goethe sterk genoeg om te beletten, dat Carl-August het militaire geheim-artikel in de bonds-acte teekende. Dit geschiedde pas--en ook toen nog onder voorbehoud nadat de groote Fritz was overleden en door een zwakker koning opgevolgd. De veelomvattende werkzaamheid die Goethe in de tien jaren dat de zaak hangende bleef aan den dag legde--hij deed _alle_ schrijfwerk, omdat hij de onderhandelingen geheim wilde houden--leverde geenszins op wat hij er van had gehoopt.

Naarmate de tegenkanting van den hertog hem in snipperwerk opsloot, groeide bij hem de overtuiging: Wie zich met administratie inlaat, zonder regeerend heer te zijn, moet of een philister, of een schurk, of een gek wezen! Welnu, hij wilde die gek zijn, omdat hij de taak die hij van het Noodlot had aanvaard ten einde wilde brengen: _Hic est aut nusquam, quod quaerimus_, hier of nergens is, wat wij zoeken! schreef hij aan Knebel, begrijpend thans dat hij zijn post niet mocht verlaten, voordat zijn innerlijke strijd, door zijn uiterlijke bemoeiingen te voorschijn geroepen, was volstreden.

[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen van eind November 1777 tot 3 September 1786.]

XV

Wer nie sein Brod mit Thränen ass Wer nie die kummervollen Nächte Auf seinem Bette weinend sass, Der kennt euch nicht, ihr himmlichen Mächte!

HARPSPELER in _Wilhelm Meister_.

Nu komt de tijd dat telkens duidelijker hij ervaart hoe de vervulling van zijn ambt hem op den duur eigenlijk maar middel kan zijn om tot zich zelf te komen, en als middel weldra zal zijn uitgewerkt. Hij heeft midden in den winter alleen een reis door den Harz gemaakt, gedeeltelijk voor mijnbouwkundige studie, gedeeltelijk om een door Wertherkoorts aangetasten theoloog, die hem de moeite van het troosten waard schijnt, ernstig toe te spreken. Wel te verstaan: hij stelt zich voor als landschapschilder en als de verbijsterde zich bij hem beklaagt, dat Goethe niet antwoordt op zijn welgemeende brieven, verontschuldigt hij Goethe "die het zoo verschrikkelijk druk heeft". Het is zijn gewoonte, zich te vermommen, zoo vaak er iets gewichtigs in hem omgaat. Hij blijft dan van vriendschappelijke betweterij verschoond, en heeft de gewaarwording dat hij, Wolfgang Goethe, op zijn eigen daden neerziet als op de daden van een vreemde.... Hij is pas ontsnapt aan het doodsgevaar, waarin hij heeft verkeerd toen hem op wilde zwijnenjacht zijn piek ontschoot. In de eenzaamheid van het besneeuwde gebergte denkt hij na. Hij begrijpt, dat zijn levensrichting aan 't veranderen is. Hij heeft gemeend dat hij al zijn idealen en zijn dichterschap noodig heeft om een goed minister te zijn. Maar nu hij ziet hoe weinig de menschen zich laten helpen, hoe hun bekrompenheid zijn beste bedoelingen ontzenuwt, komt hij tot de overtuiging: De minister kan best leven zonder den dichter; daarom moet ik den Geheimraad afstroopen en droom de droomen van mijn jeugd voort. Zalig (zoo zegt hij in zijn _Maanlied_) is hij, die zonder haat van de wereld zich afsluit. En nog scherper drukt hij zich uit in zijn dagboek: Ik leef nu met de menschen van de wereld, eet en drink en dol ook wel met hen, maar ik zie ze nauwelijks, want mijn innerlijk leven gaat onstuitbaar zijn gang. Hij heeft nu genoeg van het halve, het tweeslachtige: voortaan wil hij in het Heele, Goede, Schoone, vastbesloten leven. Hij benijdt de menschen die hij gelukkig maakt met een gift of een vriendelijk woord; hij moet zich zelf verder helpen. Hij gaat vaak alleen schaatsenrijden, maakt lange woeste wandelingen zonder te weten waar hij loopt: zijn gemoed wordt al reiner: een "voor-besef" van de wijsheid leeft binnen hem.

De reis door Zwitserland stelt hem in staat langdurig en ongestoord te verwijlen in zulke seraphijnsche stemmingen. Hij ziet de plekken terug, waar hij als kind heeft geleden en gehoopt, bezoekt zijn ouders en de vrouwen die hem eens een openbaring schenen van het goddelijke dat hij in zich droeg. De werken die hij in zijn jeugd heeft voortgebracht vindt hij nu duister, mistig, rumoerig. Hij hijgt naar een statiger, een diepzinniger, een harmonieus-plechtig werk. En hij begint te vreezen dat zijn leven te kort zal zijn voor het vele dat hem te doen blijft. Hij is nu in de dertig jaar, en wie weet hoe spoedig het met hem gedaan is. Zal zijn levenswerk zijn als een groote pyramide, welker zware grondslagen zijn gelegd, maar die onvoltooid blijft en waarvan de nakomelingen zullen praten dat zij kranig is.... ontworpen? Hij krijgt een hekel aan Weimar, de stad waar hij tien jaren nagenoeg heeft verknoeid. Hij bespeurt met ontzetting dat zijn portefeuille--behalve wat kleinere gedichten, zooals _Erlkönig_, door Corona Schröter getoonzet, en de _Visscher_--niets als fragmenten bevat: Faust, Egmont, Tasso, Prometeus, Wilhelm Meister rusten daar als grootsche plannen: het ontbreekt hem aan zielskracht om deze inspiraties te benutten. Iphigenie--gedeeltelijk in rhytmiesch proza geschreven--bevredigt hem niet, hoewel het wat den inhoud betreft een getrouwe afspiegeling is van zijn streven naar bezadiging. En niet alleen de gedachte dat er nog zoovele hongerige wevers en mijnwerkers in Sachsen wonen slaat hem met lamheid; hij begint ernstig te vreezen dat zijn scheppingskracht door een werkelijke ziekte is aangetast. Na zijn studentikoze uitspattingen is hij stijf en onvruchtbaar geworden. En deze koude, hoofsche, ruw-egoïstische minister schrijft in zijn dagboek:

Orde gesteld op mijn zaken, papieren doorgekeken, al de oude spaanders verbrand. Andere tijden, andere zorgen! Rustige terugblik op Leven, en de overdrijvingen, impulsen en gretige verlangens van jeugd; hoe deze in alle richtingen bevrediging zoeken. Hoe ik genot heb gevonden voornamelijk in geheimzinnigheden, in duisteren, ingebeelden samenhang der dingen; hoe ik Wetenschap slechts ten halve heb gevat, en haar daarna heb laten schieten; hoe een soort van bescheiden zelfvoldaanheid loopt door al wat ik heb geschreven; hoe kortzichtig ik was in Goddelijke en menschelijke zaken; hoeveel dagen verspild in gevoelighedens en donkeren hartstocht; hoe weinig goeds ik daaraan heb ontleend; en nu is de helft mijns levens voorbij, en ik zie dat ik geen stap verder ben gekomen, dat ik daar sta als een die aan de golven is ontsnapt en staat te drogen in de zon. Ik heb den moed niet de periode in mijn leven te overdenken, die in October 1775 begint. God helpe verder en geve licht, zoodat wij ons niet meer zoo vaak zelf in den weg staan, doch van den ochtend tot den avond het werk verrichten dat onze hand vindt te doen, en een helder begrip krijgen van het wezen der dingen; opdat ik niet ben als degenen die den dag doorbrengen met over hoofdpijn te klagen, en den nacht met den wijn te drinken, die de hoofdpijn veroorzaakt!

Hij heeft gehoopt als staatsman paleizen voor de menschen te bouwen en nu is hij blij als het hem gelukt de hutbewoners van hun afval te bevrijden. De hertog kan hem niet volgen in zijn verstrekkende plannen. Carl-August begint zijn residentie saai te vinden: de mannen hebben volgens hem hun jeugd uitgeleefd en de vrouwen zijn allemaal getrouwd! Hij is voornemens in vreemden krijgsdienst te treden, nu zijn minister hem in eigen land het soldaatspelen vergalt. Zijn militaristische geestdrift, die hem in den Duitschen vorstenbond drijft, maakt Goethe waakzaam. Deze verafschuwt den doelloozen bureel-arbeid, die hem is opgelegd, zooals hij van jongsaf alles verafschuwt dat uitloopt op niets, maar nu hij begrijpt dat hij nog jarenlang het volk voor den vorst moet behoeden, vat hij zijn taak met wanhopige stiptheid op. Hij verlaat zijn toovertuin en vestigt zich met Charlotte's zoontje Fritz in een prozaïsch stadshuis op het _Frauenplan_, dat beter past bij zijn drukke "Geschäfte". Slechts hij die zichzelf verloochent kan heerschen, meent hij. De poëzie lijkt hem zijn kwade geest, die hem weglokt van zijn plichten, een schuimende waterval, wiens kracht hij moet aanwenden om er een molen mee te drijven, maar die telkens buiten zijn bedding treedt om molen en graan weg te spoelen. Alleen met Vrouwe von Stein onderhoudt hij nog vriendschapsbetrekkingen. Eens in de week geeft hij "een thee", waarvan niemand is uitgesloten, maar hiermede meent hij zijn beleefdheidsplichten tegenover de wereld te hebben vervuld. Hij wil wel voor 't Hof zorgen, mits niet aan 't Hof. Den "Hofnood" houdt hij geen heelen dag uit. Sedert zijn bezoek aan Frederik den Grooten zijn in hem de bloesems van openhartigheid, vertrouwen en gevende liefde van dag tot dag meer verwelkt. Zijn vrienden maken zich ongerust over zijn stilzwijgen, dat zoo weinig bij hem past. Zijn gezondheid gaat snel achteruit; zorgrimpels trekken over zijn gelaat. Herder, doelend op zijn natuurstudie, spot dat hij alleen nog maar met keisteenen en bloemkoolen converseert, en aanklopt bij rotsen die geen antwoord geven. De bewonderaars die hem willen raadplegen over hun verzen, de opvoeding van hun kinderen, de verbouwing van hun huizen, worden hem vijandig gezind omdat hij ze niet grif genoeg te woord staat. Men weet niet dat hij in 't geheim een groot deel van zijn inkomen aan weldadigheid besteedt. Wat begrijpt men van den zwijger, die op een eenzamen top van het Harzgebergte zich overgeeft aan deze meditatie: "Hier rust ik rechtstreeks op een grond, die tot in het diepste der aarde reikt, geen nieuwe aardlaag, geen opeengehoopt puin heeft zich tusschen mij en den vasten bodem van de oerwereld geplaatst. Op dit oogenblik, nu de innerlijke aantrekkings- en bewegingskracht van de aarde gelijkelijk op mij inwerkt, nu de invloed des hemels mij na omzweeft, wordt ik gestemd tot ademlooze natuurbeschouwing, en, gelijk de menschengeest alles leven geeft, begint er een parabel in mij te woelen, aan welker verhevenheid ik mij niet kan onttrekken. Zoo eenzaam, zeg ik tot mij zelf, terwijl ik van den geheel naakten top naar beneden kijk, en verweg, aan den voet wat dun gezaaide mossen bespeur, zoo eenzaam zeg ik, wordt het den mensch te moede, die slechts voor de oudste, eerste, diepste gevoelens der waarheid zijn ziel wil openen. Ja, zulk een kan tot zich zelf zeggen: Hier op dit oudste, eeuwige Altaar, dat rechtstreeks op de diepten der Schepping steunt, breng ik het Wezen van alle wezens een offer".

[Illustratie: CARL-AUGUST HERTOG VAN SACHSEN-WEIMAR]

Merck, die zijn trouwe plichtsbetrachting hoog aansloeg, oordeelde dat hij de zaken te Weimar nu zoo had geordend, dat er alleen nog "dreckige" dingen te doen bleven, en dat daarvoor geen Goethe noodig was. Maar toen Goethe hem "een draak" noemde, warmde hij vrouwe Aja op met de bewering dat het klimaat niet deugde voor haar "troetelkind", en samen spanden ze zich in om hem terug te geven aan zijn roeping. Zijn vader was met gekrenkte geestvermogens overleden en vrouw Aja wilde haar "Hätschelhans" gaarne de middelen verschaffen tot rustige studie. Maar daar is het hem niet om te doen: hij wil het natuurlijke beloop der dingen afwachten en weigert, met een beroep op de leerschool die hij als minister doorloopt. Maar kort daarna schrijft hij haar: "U moet tevreden zijn als ik niet geheel-en-al sterf, en een goeden naam achterlaat."

Zijn inborst laat zich zoo weinig verloochenen, dat hij in zijn ambtsbeslommeringen niet alleen aanleiding maar ook verontschuldiging(!) meent te zien voor het beoefenen van allerlei wetenschappen. Voor de onstandvastigheid en inconsequentie van de menschen, wil hij zich schadeloos stellen met de consequentie van de natuur. Zijn bemoeiingen met mijn- en boschbouw, met wegaanleg, hoogeschool en teeken-academie, voeren hem tot delfstof-, aard-, plant- en ontleedkunde. Het is hem hier niet te doen om wat practiesch bruikbare gegevens; hij toont zich op dit gebied de dichterlijke wijsgeer, die de heele natuur als een éénig wezen ziet en nu in alle natuurverschijnselen een openbaring van dit Eenige verwacht. Spinoza heeft hem geleerd dat toereikende kennis van het wezen Gods tot toereikende kennis van het wezen der Dingen kan voeren, en deze weinige woorden geven hem moed, heel zijn leven te wijden aan de beschouwing der dingen die hij kan bereiken en van welker essentie hij durft hopen, een afdoende kennis te erlangen. Alle uitvinden en ontdekken (beseft hij) is de uitoefening van een oorspronkelijk waarheidsgevoel, dat zich in stilte reeds lang heeft gevormd, en dan plotseling, met bliksemsnelheid, tot een vruchtbaar inzicht voert. Het is van binnen naar buiten werkende Openbaring, die den mensch zijn godgelijkheid laat vermoeden. Het is de synthese van wereld en geest, die van de eeuwige harmonie in het bestaande de heerlijke verzekering geeft. Bij voorbaat lijkt hem uitgemaakt, dat mensch, dier en plant zich volgens dezelfde wetten hebben ontwikkeld, dat op geen enkel gebied sprake kan zijn van plotselinge schepping, dat alles geleidelijk is gegroeid, dat de rijken der natuur onmerkbaar in elkaar versmelten. En met deze werk-hypothese gaat hij nu in ontleedzaal en museum, in bosch en gebergte aan 't onderzoeken, en brengt dingen aan het licht, wier beteekenis pas veel later officiëel door de geleerden zal worden toegegeven. Hij begint nu in een geheel andere laag der maatschappij vijanden te verwerven, door zich àls dichter te bemoeien met de wetenschap. Hij ontdekt het tusschenkaaksbeen bij den mensch, komt met de ongehoorde bewering dat alle organen van de plant vergroeide bladen zijn.[A] Voor de leerlingen der teekenschool geeft hij lezingen over het menschelijk skelet. Hij begint een boek te schrijven over de vorming van de gebergten,--waarvan slechts een kleine verhandeling over het graniet klaar komt. Ondanks al zijn pogingen om een bureaucraat te zijn, is hij vol nieuwe ideeën en inspiraties. Ieder hoofdstukje dat hij voltooit, elke dichtregel dien hij onderdrukt, brengt hem nogmaals het bewustzijn dat hij als schrijver is geboren, en dat zijn eenige roeping is: goed te zeggen wat hij in zich heeft.

[A] De beteekenis van deze ontdekkingen vindt de lezer uitvoerig omschreven in ons Hoofdstuk "_God en Wereld_" (Derde Boek).

Ten slotte houdt alleen zijn liefde tot Charlotte von Stein hem te Weimar. De bezuiniging, waartoe hij Carl-August dwingt, heeft tengevolge dat deze de noblesse van zijn tafel uitsluit. Zoo wordt de opperstalmeester weer soliede, en Goethes vertrouwelijk verkeer met Charlotte is gestoord. Nu zij in deze omstandigheden nog niet geheel de zijne wil zijn, komt hij tot nadenken, en gaat vaag zich afvragen of hij niet te hoog staat voor een zoo dubbelzinnige liefde. Hij kan van haar niets eischen en dus krijgt hij het nog eenzamer. En als hij ziet dat hij al zijn krachten heeft ingespannen om in de waardelooze buitenwereld iets te veroveren, daarvoor kwellend _zijn eenige schat, zijn ik_, komt hij tot de schrikkelijke slotsom: Dat de man die den Werther schreef zich liever voor zijn kop had moeten schieten dan zulk een leven te beginnen.

Dit beteekent dat hij uit het verblijf te Weimar heeft geleerd wat er voor hem uit te leeren valt, daar hij immers tot ideeën is gekomen die direct zich aansluiten bij het ideaal, dat hij zich in zijn beste jongensjaren heeft gesteld.

Hij moet weg en is ook meer en meer gaan weten, dat hij naar Italië moet. Hij kan geen Latijnschen schrijver lezen (uitgezonderd Spinoza, dien hij met Charlotte bestudeert), hij kan geen Italiaansche prent zien of onder hevige smarten moet hij zich losrukken uit de bekoring. Want daar in Italië staan de overblijfselen van de antieke beeldwerken, die belichamen wat ook hij zoekt: "de oudste, eerste, diepste gevoelens der waarheid", het wezenlijke, den ideëelen mensch, die het voorbeeld is van alle andere menschen die ooit kunnen leven.

Omstreeks dien tijd beginnen zijn vrienden hem aan te zetten tot de uitgave van zijn werken in acht deelen. Hij besluit daartoe als een Berlijnsch uitgever, die, zonder hem er in te kennen reeds drie edities van "Doctor Goethes Verzamelde Werken" heeft gebracht, zoo onbeschaamd is, hem een porceleinen servies te zenden als aandeel in de winst. Zoo is hij genoopt al wat achter hem ligt opnieuw te overzien, en nu wordt hem duidelijk dat het _geloof_ in de schoonheid van de classieke kunst, waarin hij is opgevoed, zich omgezet heeft in _besef_ van die schoonheid, en dat dit het eenige is, dat hem overeind houdt. Zijn ziekelijk verlangen naar 't land waar

"die Citronen blühn Im dunkeln Laub die Gold-Orangen glühn"

kan slechts door werkelijke aanschouwing geheeld. In zuiverder en poëtischer atmosfeer dan Weimars "ijzeren hemel" hem kan bieden, wil hij de innerlijke rust veroveren, die hem in staat zal stellen het ongrijpbare dat hem voor-zweeft vast te houden. Na veelvuldige wisseling van geestesavontuur zal hij als gerijpt man tot zijn eigendom maken: de leeringen die hem reeds hebben toegewenkt, toen hij als jong student stuurloos zocht.

Nu de periode van zijn kamerpresidentschap ten einde spoedt, weet hij de zaken zoo te regelen dat ze voor- noch achteruit kunnen, al moest hij ook dadelijk sterven: Carl-August kan nu geen kwaad meer. Hij voorziet geweldige politieke beroeringen in de naaste toekomst en dit drijft hem tot haastig vertrek.

En gelijk hij al meermalen heeft gedaan: Als het tegen zijn verjaardag loopt, neemt hij (zonder dit er bij te melden) afscheid van zijn vrienden, van Charlotte, "zijn lieve hart" en--verdwijnt den nacht voor Carl-Augusts verjaardag. Den hertog geeft hij in een briefje den raad, te doen alsof hij wel weet waar dr. Goethe steekt.

Niet voor zichzelf is hij ditmaal gevlucht!

[Illustratie: De gebeurtenissen, in dit hoofdstuk verhaald, loopen--van 3 September 1786 tot 23 April 1788.--]

XVI

Hier muss man solid werden!

Hij deed de postkoets bijna anderhalf etmaal onafgebroken doorrijden; vele merkwaardigheden die hij gaarne had bekeken snelde hij voorbij; want hoewel niemand zijn reisroute kende, vreesde hij met een bijgeloovige vrees, dat zijn vrienden hem zouden achterhalen en zijn plannen verijdelen. Maar te Triënt in Tyrool kwam koopman Phillip Möller (zoo noemde hij zich) tot kalmte. Schoon op Germaansch gebied, voelde hij dat het gewoel van kleurig gekleede, zongebrande, gracieus bewegende menschen onder den zuiver blauwen hemel een echte Italiaansche atmosfeer om hem heen weefde. En met afgrijzen dacht hij terug aan de plomp gevormde lieden daar onder de grimmige, bewolkte Noorderluchten achter hem, die hem het denken hadden vertroebeld. Met liefde nam hij een harpspeler en diens dochtertje een eindweegs mee in zijn koets. Hij haastte zich Italië binnen te trekken en--eenmaal te Verona--kwam hij waarlijk tot rust: Nu was hij gedwongen voortaan "de beminde taal" te spreken; hij trok Italiaansche plunje aan, mengde zich onder de marktbezoekers, gebruikte al wandelend zijn maaltijd, die uit druiven en vijgen bestond, koutte met de kinderen--als eertijds Werther--en verdiepte zich in het levendige gebarenspel van de ouders. Het deed hem goed, weer eens ongedwongen te babbelen met kleine luyden, die niet in hem zagen den geheimen raadsman des hertogs, die hem niet bewonderden, die hem niet bedienden--oftewel hulpeloos maakten. Dieper drong hij door in het land waar de citroenen bloeien: hier de nieuw-classieke bouwwerken van Palladio bestudeerend als moest hij architect worden, ginds met groote oogen de weeke omlijningen der bergen beschouwend; lettend op zeden en gewoonten, op plantengroei, landbouw, te veld staande oogsten, geologische gesteldheid; steenen bekloppend, mineralen toetsend; afkeurend wat in den eens zoo vereerden Gothischen (barbaren) stijl was opgetrokken; terloops aan de waaierpalmen te Padua (sindsdien Palmi di Goethe gedoopt) en aan leerachtige zeeplanten een bevestiging speurend van zijn pas verkregen botaniesch inzicht.

Naar Venetië, de lagunenstad waar elk plekje grond ontworsteld was aan de zee, en welker bewoners toch kunstzin genoeg bezaten om hun huizen en kerken, paleizen, bruggen niet alleen sterk maar vooral statig-mooi te bouwen. Hier werden allerlei onverteerde woorden, hem uit beschrijvingen en uit de verhalen van zijn vader bijgebleven, hem tot phantastische werkelijkheid; hij zag de versierde schepen deinen op het blauwe water, hoorde de gondeldrijvers hun antieke rhapsodieën galmen, aanschouwde den grijzen Doge in hermelijn en goud met de Phrygische muts op, omstuwd door senatoren in violette of roode sleepgewaden. Voor het eerst in zijn leven stond hij aan een zee, maar hij vergat in zijn dichterlijken geestdrift niet, strandplanten en weekdiertjes te onderzoeken.

Hij is zoo verzonken in het jeugdig losse, rustig vlugge Italiaansche leven, dat hij zich verjongd voelt, en met duidelijker uitgesproken bedoelingen verder reist.

Nu richt hij zich over Florence naar Rome, "de hoofdstad der aarde". Reeds tweemaal is hij daarheen op weg geweest, en tweemaal heeft "een sterke magneet" hem onverhoeds naar 't Noorden getrokken. Hij vreest dat hij ook nu Rome niet zal bereiken, en in zijn bijgeloovig ongeduld besluit hij telkens zijn weg te bekorten, allerlei kunstschatten dan maar niet te zien. Ten leste gunt hij zich geen tijd meer om zich bij het slapengaan te ontkleeden: dan is hij eerder klaar met het bekijken van merkwaardigheden die hij zich niet màg laten ontgaan. Een voerman die hem--vroeger dan in zijn plan lag--naar Rome wil brengen lijkt hem door de Voorzienigheid gezonden: maar een ander, die nòg vroeger vertrekt, is van harte welkom.

Eindelijk geschiedt dan het ongelooflijke. En Goethe, die anders niet schijnheilig genoeg is om te bidden, zendt een vurige dankbede ten hemel: van nu af heeft hij twee verjaardagen te vieren. Weken en weken lang ziet hij dagelijks nieuwe schoonheden--oude bekenden en toch nieuw. Huiverend van ontzag staat hij voor de overblijfselen van antieke bouw-en beeldwerken: het Pantheon, het Colosseum (nog niet gerestaureerd en hem meer door romantische bouwvalligheid dan door architectoniesch schoon bekorend), de waterleidingen, de Apollo van Belvedere, de reusachtige Jupiter- en Juno-bustes, de Minerva medica, en de Hercules Farnese. De halfbesluierde schilderingen van Rafael dunken hem minder diep; de sprekende fresco's van Michel Angelo in de Sixtijnsche kapel zijn de eenige kunstuitingen van later tijd die in zijn schatting niet al te zeer afsteken bij het antieke. De ouden, begrijpt hij, dachten niet aan artistiek effect: zij bouwden hun tempels, zij vormden hun beelden tot getrouwe manifestaties van oprechte grootheid en trotsch zelfbewustzijn; geen hunner die dacht aan een tegennatuurlijk opluisteren of bepleisteren van zijn gewrocht. En de Duitschers brengen machteloos hemelstormende kerken, gepleisterde paleizen, doodgeboren beelden voort, wijl het hun aan grootsch innerlijk leven ontbreekt! Slechts een krachtig volk kent groote kunstenaars.